Conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 28 mei 1998. - Hilmar Kellinghusen tegen Amt für Land- und Wasserwirtschaft Kiel en Ernst-Detlef Ketelsen tegen Amt für Land- und Wasserwirtschaft Husum. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Schleswig- Holsteinisches Verwaltungsgericht - Duitsland. - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Administratiekosten - Ten laste van ontvangers van compensatiebedragen. - Gevoegde zaken C-36/97 en C-37/97.
Jurisprudentie 1998 bladzijde I-06337
1 Deze twee zaken betreffen de principiële vraag, of de nationale autoriteiten van landbouwers die rechtstreekse inkomenssteun in de vorm van compensatiebedragen ontvangen, een heffing voor administratiekosten mogen vorderen, wanneer de betrokken gemeenschapsregeling bepaalt, dat de bedragen volledig aan de begunstigden moeten worden betaald. Kellinghusen en Ketelsen zijn landbouwers die voor het Schleswig-Holsteinische Verwaltungsgericht opkomen tegen het feit dat zij (relatief kleine) dossierkosten moeten betalen voor de behandeling van hun steunaanvragen. Deze zaken moeten in een ruimere context worden gezien: met betrekking tot die door de deelstaat Schleswig-Holstein gevorderde heffingen heeft de Commissie immers krachtens artikel 169 EG-Verdrag een precontentieuze procedure tegen de Bondsrepubliek Duitsland ingeleid. In afwachting van 's Hofs uitspraak in de onderhavige zaken heeft zij evenwel besloten, zich nog niet op grond van dat artikel tot het Hof te wenden.
2 De betrokken verordeningen zijn vastgesteld in het kader van de hervorming van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek van 1992. De zaak Kellinghusen betreft verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen.(1) In de tweede overweging van de considerans daarvan staat te lezen, dat de verordening een nieuwe steunregeling beoogt in te stellen en dat dit doel het best kan worden bereikt als de communautaire prijzen van bepaalde akkerbouwgewassen worden gelijkgetrokken met de prijzen op de wereldmarkt, en het inkomensverlies dat het gevolg is van de verlaging van de regelingsprijzen wordt gecompenseerd door middel van een compensatiebedrag voor de producenten die de betrokken gewassen inzaaien. Daartoe voorziet de verordening in een stelsel van compensatiebedragen; de regels voor de betaling van die bedragen zijn zeer gedetailleerd uitgewerkt. In wezen worden de compensatiebedragen vastgesteld per hectare en naar regio gedifferentieerd (artikel 2, lid 2). In de zaak Kellinghusen gaat het om artikel 15, lid 3, dat behoort tot titel II "Algemene bepalingen en overgangsbepalingen" en dat luidt als volgt:
"De in deze verordening bedoelde bedragen moeten volledig aan de begunstigden worden uitbetaald."
3 De zaak Ketelsen betreft verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees(2), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2066/92.(3) In de considerans van de wijzigingsverordening kan men lezen, dat het met het oog op de ter verbetering van de toestand in de landbouw in het algemeen nodig is de interventieprijs in de rundvleessector te verlagen (tweede overweging), en dat de nadelige gevolgen hiervan in aanzienlijke mate gecompenseerd moeten worden door middel van premies (derde overweging). De wijzigingsverordening voert een - eveneens in detail uitgewerkt - stelsel van premies in, alsmede een nieuwe bepaling, namelijk artikel 30 bis, die luidt als volgt:
"De op grond van deze verordening te betalen bedragen worden volledig aan de begunstigde uitgekeerd."
4 Hierna zal ik de uitdrukking "de verordeningen" gebruiken, wanneer ik verwijs naar verordening nr. 1765/92 en verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd.
5 In 1994 verzocht Kellinghusen het Amt für Land- und Wasserwirtschaft Kiel op grond van verordening nr. 1765/92 om compensatiebedragen, terwijl Ketelsen het Amt für Land- und Wasserwirtschaft Husum om compensatiebedragen verzocht op grond van verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd. De aanvragen werden ingewilligd, doch in beide gevallen werden overeenkomstig de Landesverordnung über Verwaltungsgebühren van de deelstaat Schleswig-Holstein, waarin specifieke bepalingen in verband met door premieaanvragers verschuldigde administratiekosten zijn neergelegd, administratiekosten in rekening gebracht. Van Kellinghusen werd 788 DM gevorderd: een basisheffing van 80 DM en een bijkomend bedrag van 3 DM per hectare voor akkerbouw bestemde oppervlakte, dit voor een compensatiebedrag van 175 945,07 DM. Ketelsen ontving een speciale premie voor rundvleesproducenten van 23 305,92 DM (voor 67 koeien) en diende 214 DM administratiekosten te betalen, namelijk een basisheffing van 80 DM en een bijkomend bedrag van 2 DM per koe.
6 Verzoekers dienden klacht in tegen deze heffingsbeschikkingen, met het betoog dat het volgens de verordeningen verboden is, kosten in rekening te brengen. Verweerders wezen deze klachten af, op grond dat aangezien de verordeningen geen bepalingen bevatten over de financiering van de administratieve afhandeling van de premieaanvragen, de lidstaten en hun deelstaten bevoegd bleven een passende kostenvergoeding te bepalen.
7 Daarop stelden verzoekers beroep in bij het Schleswig-Holsteinische Verwaltungsgericht. Zij betoogden, dat zowel de bewoordingen van de bepalingen van de betrokken verordeningen als de geest en het doel ervan, namelijk de eenvormige uitkering van de compensatiebedragen in de lidstaten, in de weg staan aan de inning van administratiekosten.
8 Verweerders van hun kant betoogden, dat de betrokken bepalingen niet aldus mochten worden uitgelegd, dat het de lidstaten verboden zou zijn administratiekosten te innen. Alleen bepaalde lasten die zich niet met het doel van de communautaire maatregelen verdragen, zoals parafiscale heffingen, zouden verboden zijn. Voorts stellen verzoekers, dat indien de betrokken bepalingen aldus moeten worden uitgelegd dat de inning van administratiekosten verboden is, zij ongeldig zouden zijn wegens strijdigheid met gemeenschapsrecht van hogere rang, en wel in diverse opzichten. Zij verwijzen hierbij naar het samenwerkingsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag en naar het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel, neergelegd in artikel 3 b van het Verdrag.
9 In de verwijzingsbeschikking gaat het Verwaltungsgericht nader in op de rechtsgrondslag van de betrokken heffingen, namelijk het Verwaltungskostengesetz des Landes Schleswig-Holstein.(4) Het bedrag van de kosten is in overeenstemming met de door de wetgever vastgestelde regels, en in het bijzonder met het equivalentie- en het kostendekkingsbeginsel.
10 Volgens het Verwaltungsgericht kunnen de verordeningen op verschillende wijze worden uitgelegd. Een strikt letterlijke uitlegging zou wellicht tot de conclusie leiden, dat de heffing van administratiekosten niet verboden is. Anderzijds zou het verbod dergelijke kosten te innen zowel in overeenstemming zijn met de algemene doelstellingen van het Verdrag, zoals het voorkomen van vervalsing van de mededinging (artikel 3, sub g, van het Verdrag) en van discriminatie (artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag), als met de specifieke doelstellingen van de in 1992 doorgevoerde hervorming van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek, die ertoe strekken de landbouwers rechtstreekse inkomenssteun voor bepaalde landbouwproducten te verlenen: de heffing van kosten betekent immers een dienovereenkomstige verlaging van de met de uitkering beoogde compensatie van de nadelen.
11 Indien de tweede uitlegging correct is, dan betwijfelt het Verwaltungsgericht, samen met verweerders, de geldigheid van de betrokken bepalingen. Derhalve heeft het Verwaltungsgericht het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:
Zaak C-36/97
"1) Moet artikel 15, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad (...) aldus worden uitgelegd, dat het de nationale autoriteiten verbiedt, van de aanvragers voor de behandeling van hun steunaanvragen een heffing voor administratiekosten te vorderen, wanneer het tarief ervan overeenkomt met op andere gebieden in het nationale recht gebruikelijke tarieven en zo laag is, dat de aanvragers daardoor niet ervan worden weerhouden steunaanvragen in te dienen?
2) Zo ja:
Is artikel 15, lid 3, van genoemde verordening van de Raad in strijd met gemeenschapsrecht van hogere rang, met name met het loyauteitsbeginsel van artikel 5 EG-Verdrag, het evenredigheidsbeginsel van artikel 3 b, derde alinea, EG-Verdrag en het subsidiariteitsbeginsel van artikel 3 b, tweede alinea, EG-Verdrag?"
Zaak C-37/97
"1) Moet artikel 30 bis van verordening (EEG) nr. 805/68, zoals gewijzigd,(5) aldus worden uitgelegd, dat het de nationale autoriteiten verbiedt, van de aanvragers voor de behandeling van hun steunaanvragen een heffing voor administratiekosten te vorderen, wanneer het tarief ervan overeenkomt met op andere gebieden in het nationale recht gebruikelijke tarieven en zo laag is, dat de aanvragers daardoor niet ervan worden weerhouden steunaanvragen in te dienen?
2) Zo ja:
Is artikel 30 bis van genoemde verordening van de Raad in strijd met gemeenschapsrecht van hogere rang, met name met het loyauteitsbeginsel van artikel 5 EG-Verdrag, het evenredigheidsbeginsel van artikel 3 b, derde alinea, EG-Verdrag en het subsidiariteitsbeginsel van artikel 3 b, tweede alinea, EG-Verdrag?"
12 Verzoekers en verweerders in de hoofdgedingen, de Commissie, de Raad alsmede de Duitse, de Griekse en de Zweedse regering hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en mondelinge opmerkingen gemaakt.
De eerste vraag
13 Ik ben het met de Commissie en de Duitse regering eens, dat de formulering van de betrokken bepalingen van doorslaggevend belang is. Aangezien de verordening bepaalt, dat de betrokken bedragen "volledig" aan de begunstigden worden betaald, verbiedt zij dat er wat dan ook van wordt afgetrokken. Verweerders in de hoofdgedingen zijn het met die zienswijze eens. Zij stellen evenwel, dat de betrokken bepalingen enkel de volledige uitbetaling voorschrijven, doch niet beletten dat administratiekosten in rekening worden gebracht. Het is echter duidelijk dat vorenbedoeld verbod, wil het doeltreffend zijn, niet op zuiver formele wijze mag worden uitgelegd als zouden alleen afhoudingen op de betalingen verboden zijn. Het verbod op elke inhouding moet dus noodzakelijkerwijs gelden voor alle lasten die rechtstreeks en onlosmakelijk op de uitkeringen rusten. De betrokken heffingen zijn onbetwistbaar een dergelijke last: het is de door de landbouwer overeenkomstig de verordening ingediende premieaanvraag die tot de heffing van administratiekosten aanleiding geeft. Mijns inziens volstaat dat om te concluderen, dat deze heffing onder het afhoudingsverbod valt.
14 Ter terechtzitting heeft de Commissie een overtuigende indeling voorgesteld van de kosten die de nationale autoriteiten in verband met compensatiebedragen kunnen opleggen. In de eerste plaats zijn er de administratiekosten als die waarover het in de onderhavige zaak gaat; volgens de Commissie zijn juist deze ingevolge de verordening ten strengste verboden. Voorts zijn er de algemene heffingen, waarvoor het Hof de relevante criteria in de arresten Irish Creamery Milk Suppliers Association e.a.(6) en Aliments Morvan(7) heeft neergelegd. Ten slotte zijn er nog de andere lasten, zoals die welke voortvloeien uit nationale regels inzake verrekening van fiscale schulden met aan landbouwers uitgekeerde compensatiebedragen en waarover het in de recente zaak Jensen en Korn- og Foderstofkompagniet(8) ging. In zijn conclusie in die zaak stelde advocaat-generaal Fennelly ook: "De toepassing van bijzondere heffingen ter compensatie van nationale administratiekosten (...) zou duidelijk verboden zijn door artikel 15, lid 3."(9) Het Hof heeft dit punt in zijn arrest niet behandeld. Wel verklaarde het, dat de nationale verrekeningsregels niet tot verlaging van de steunbedragen mogen leiden.(10) Het Hof heeft dus het belang van de regel van de volledige uitbetaling bevestigd.
15 Die uitlegging van de betrokken bepalingen verdraagt zich met de doelstellingen van de verordeningen, en ook met de algemene doelstellingen van het Verdrag inzake landbouw. De verordeningen brengen een omvattend stelsel van compensatiebedragen tot stand en bepalen in detail de criteria die moeten worden toegepast bij de berekening van de aan de rechthebbende landbouwers uit te keren bedragen. Indien de lidstaten heffingen voor administratiekosten zouden mogen opleggen, dan zou dat afbreuk doen aan de eenvormige regels inzake compensatiebedragen: in dat geval zou het mogelijk zijn dat de landbouwers in de verschillende lidstaten de facto niet dezelfde bedragen ontvangen. In een dergelijke afwijking moet uitdrukkelijk voorzien zijn, wat in casu niet het geval is. Integendeel, de verordeningen schrijven de volledige uitbetaling van de bedragen voor. Die volledige uitbetaling strookt overigens met het beoogde doel, namelijk de vervanging van prijsondersteunende maatregelen door rechtstreekse inkomenssteun. Aangezien de landbouwers niet de kosten hoeven te dragen die door de prijsondersteunende maatregelen worden veroorzaakt, is het niet meer dan logisch dat hun evenmin kosten mogen worden aangerekend in verband met de compensatiebedragen, welke de prijsondersteuning vervangen.
16 Het uniforme karakter van het stelsel van de compensatiebedragen is ook in overeenstemming met het beginsel van gelijke behandeling, een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat wat de landbouw betreft in artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag is geconcretiseerd. Bovendien strookt het met het doel van artikel 3, sub g, van het Verdrag, namelijk het garanderen van een onvervalste mededinging.
17 Mijns inziens is geen enkel van de hiertegen ingebrachte argumenten overtuigend.
18 Het door verweerders, daarin ondersteund door de Griekse en de Zweedse regering, aangevoerde argument dat de betrokken bepalingen niet uitdrukkelijk het in rekening brengen van kosten verbieden, en dat een duidelijk verbod noodzakelijk is daar het Hof in de zaak Denkavit Futtermittel heeft aanvaard dat administratiekosten mogen worden afgetrokken, kan ik niet accepteren. De zaak Denkavit Futtermittel betrof het in rekening brengen van onderzoekskosten door nationale autoriteiten in het kader van de steun voor magere melk. In zijn arrest oordeelde het Hof, dat het doel van de regeling niet in gevaar wordt gebracht "wanneer de bedragen die de betrokken onderneming verschuldigd is, de normale kosten van dit soort controles vertegenwoordigen en niet zo hoog zijn, dat de ondernemingen daardoor kunnen worden weerhouden over te gaan tot de verrichtingen die door de steunverlening juist moeten worden aangemoedigd".(11) Verweerders betogen, dat de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde heffingen aan die criteria beantwoorden. In de zaak Denkavit Futtermittel begon het Hof echter met de vaststelling, dat de betrokken verordening(12) geen bepaling bevatte in verband met kosten van de door de lidstaten te verrichten controles. Die verordening verzette zich er dus niet tegen, dat de lidstaten de controles kosteloos verrichtten, en evenmin dat zij van de betrokken ondernemingen een vergoeding voor de kosten van de controles verlangden.(13) Alleen in die context, namelijk wanneer bepalingen omtrent de kosten ontbreken of er geen bepalingen zijn die volledige uitbetaling voorschrijven en die vergelijkbaar zijn met die waarover het in de onderhavige zaak gaat, heeft het Hof geoordeeld, dat die vrijheid van de lidstaten om de ondernemingen administratiekosten in rekening te brengen niet zodanig mocht worden gebruikt, dat het doel van de regeling daardoor in gevaar werd gebracht. Ik ben het dus eens met de Raad, waar deze stelt dat het Hof het in wezen aan de gemeenschapswetgever heeft overgelaten om te bepalen, of de nationale autoriteiten administratiekosten mogen heffen.(14)
19 Voorts stellen verweerders, dat het doel en de betekenis van de betrokken bepalingen niet in de considerans zijn toegelicht, terwijl een afwijking van het algemene beginsel dat de lidstaten administratiekosten in rekening mogen brengen, ingevolge artikel 190 van het Verdrag gemotiveerd had moeten zijn. Mijns inziens bestaat een dergelijk beginsel echter niet, en het feit dat de considerans geen toelichting van de betrokken bepalingen bevat, helpt uiteraard niet bij de uitlegging. Voorts ben ik het eens met verzoekers, dat de bepalingen die de volledige betaling voorschrijven, declaratoire bepalingen zijn die, om geldig te zijn, geen specifieke motivering in de considerans behoeven.
20 Ook stellen verweerders, dat hun uitlegging van de betrokken bepalingen wordt bevestigd door het feit dat niet alle verordeningen die de Raad in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van 1992 heeft vastgesteld, vergelijkbare bepalingen bevatten. In het bijzonder verwijzen zij naar verordening (EEG) nr. 2069/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot wijziging van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schapen- en geitenvlees.(15) Verweerders leiden daaruit af, dat het om declaratoire bepalingen gaat, die niet mede de administratiekosten omvatten.
21 Het is mij echter niet duidelijk, hoe zij tot die conclusie komen. Mijns inziens staat het de gemeenschapswetgever gewoon vrij, ter zake al dan niet regelgevend op te treden, en moeten de beginselen van het arrest Denkavit Futtermittel(16) alleen worden toegepast, wanneer geen bepalingen zijn vastgesteld. Ik zie niet in, hoe een verordening die geen bepaling bevat die de volledige betaling voorschrijft, van nut kan zijn bij de uitlegging van verordeningen die wel dergelijke bepalingen bevatten. Bovendien heeft de Commissie ter terechtzitting verklaard, dat de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schapen- en geitenvlees reeds vóór de hervorming van 1992 in rechtstreekse inkomenssteun voorzag, en dat in die sector minder controles nodig waren, zodat het probleem van de heffing van administratiekosten waarschijnlijk minder acuut was.
22 Ten slotte betogen verweerders, dat de in aanmerking komende landbouwers belang hebben bij een goed functionerende administratie, dat een degelijke administratie aanzienlijke kosten meebrengt en dat de nationale autoriteiten een gedeelte daarvan zouden moeten kunnen recupereren. Dit argument lijkt te suggereren, dat de administratie beter kan worden georganiseerd wanneer administratiekosten mogen worden opgelegd. Zulks is onaanvaardbaar. De lidstaten zijn zonder meer verplicht het gemeenschapsrecht uit te voeren overeenkomstig de voorschriften ervan, en de kwaliteit van die uitvoering mag niet afhangen van de wijze waarop de administratiekosten worden gefinancierd.
23 Bijgevolg moet in de twee zaken op de eerste vraag worden geantwoord, dat de verordeningen aldus moeten worden uitgelegd, dat zij de autoriteiten van de lidstaten verbieden van de aanvragers een heffing voor administratiekosten te vorderen voor de behandeling van hun steun- of premieaanvragen.
De tweede vraag
24 Verweerders in de hoofdgedingen betogen, dat indien de betrokken bepalingen aldus moeten worden uitgelegd, dat zij de heffing van administratiekosten verbieden, zij in strijd met hogerrangige beginselen van gemeenschapsrecht zijn. Om te beginnen zou het verbod in strijd zijn met het loyauteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag. Aangezien er met betrekking tot de terugbetaling van de aanzienlijke kosten die de behandeling van aanvragen om toekenning van communautaire landbouwsteun meebrengt, geen specifieke regel bestaat, zou het verbod erop neerkomen, dat de gemeenschapsinstellingen de legitieme belangen van de lidstaten negeren. Voorts zou een dergelijk verbod, dat als een onnodige inmenging in het nationale administratief recht is aan te merken, in strijd zijn met het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel van artikel 3 b, respectievelijk leden 2 en 3, van het Verdrag.
25 Andermaal ben ik het met verweerders oneens.
26 Artikel 5 luidt als volgt: "De lidstaten treffen alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag of de handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren." Indien de verordeningen aldus moeten worden uitgelegd, dat zij de heffing van administratiekosten verbieden, zoals het mijns inziens hoort, dat volgt uit artikel 5, dat de lidstaten alle passende maatregelen moeten vaststellen die nodig zijn om aan die verplichting te voldoen. Het is waar, dat artikel 5 ook de gemeenschapsinstellingen verplicht met de autoriteiten van de lidstaten samen te werken.(17) Niettemin ben ik het eens met de Raad en de Commissie, waar zij stellen, dat artikel 5 de wetgevende bevoegdheid van de Gemeenschap niet beperkt. Ingevolge artikel 40 van het Verdrag dient de Gemeenschap een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten tot stand te brengen, om de in artikel 39 van het Verdrag gestelde doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te bereiken. Het samenwerkingsbeginsel belet de gemeenschapsinstellingen niet te bepalen, dat de compensatiebedragen die in het kader van dergelijke gemeenschappelijke marktordeningen aan landbouwers worden uitgekeerd, volledig aan de begunstigden moeten worden betaald, teneinde een uniforme en niet-discriminerende uitvoering van het stelsel van betalingen te verzekeren.
27 Evenmin kan worden betwijfeld, dat de verordeningen in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel zijn. Artikel 3 b van het Verdrag bepaalt, dat de Gemeenschap op gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel slechts optreedt, indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt. De Raad en de Commissie zijn van mening, dat het subsidiariteitsbeginsel niet van toepassing is, daar de verordeningen in 1992 zijn vastgesteld en hun geldigheid dus niet kan worden aangetast door later aan het Verdrag aangebrachte wijzigingen (artikel 3 b is immers ingevolge het Verdrag betreffende de Europese Unie op 1 november 1993 in werking getreden). Voorts stellen zij, dat het subsidiariteitsbeginsel niet eens van toepassing kan zijn op de betrokken materie, daar deze onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt. Volgens mij is het niet eens nodig op die argumenten in te gaan, daar het duidelijk is dat de verordeningen hoe dan ook in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel zijn. Gelijk de Duitse regering betoogt, beschikt de Gemeenschap op landbouwgebied over zeer ruime bevoegdheden, zijn de verordeningen in het kader en binnen de grenzen van die bevoegdheden vastgesteld, en kan het doel van het verbod op de heffing van administratiekosten, namelijk de uniforme uitvoering van het stelsel van compensatiebedragen, niet door middel van acties op nationaal niveau worden bereikt.
28 Bovendien is het verbod niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het Hof heeft geoordeeld, dat bij het onderzoek van de vraag of een bepaling van gemeenschapsrecht in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, moet worden nagegaan of de aangewende middelen geschikt zijn ter verwezenlijking van het nagestreefde doel en niet verder gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is.(18) Het is duidelijk, dat alleen door de verplichting om de volledige bedragen aan de landbouwers uit te keren het doel van de onverkorte betaling van de compensatiebedragen kan worden bereikt.
29 Bijgevolg concludeer ik, dat bij onderzoek van de gestelde vragen niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de verordeningen kunnen aantasten.
Conclusie
30 Gelet op het voorgaande geef ik in overweging de vragen van het Schleswig-Holsteinische Verwaltungsgericht te beantwoorden als volgt:
In zaak C-36/97
"1) Artikel 15, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen moet aldus worden uitgelegd, dat het de autoriteiten in de lidstaten verbiedt van de aanvragers een heffing voor administratiekosten te vorderen voor de behandeling van hun steunaanvragen, zelfs wanneer het door deze autoriteiten vastgestelde tarief overeenkomt met de op andere gebieden in het nationale recht gebruikelijke tarieven en het zo laag is, dat de aanvragers daardoor niet ervan worden weerhouden steunaanvragen in te dienen.
2) Bij onderzoek van de gestelde vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de verordening kunnen aantasten.
In zaak C-37/97
1) Artikel 30 bis van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2066/92, moet aldus worden uitgelegd, dat het de autoriteiten in de lidstaten verbiedt van de aanvragers een heffing voor administratiekosten te vorderen voor de behandeling van hun steunaanvragen, zelfs wanneer het door deze autoriteiten vastgestelde tarief overeenkomt met de op andere gebieden in het nationale recht gebruikelijke tarieven en het zo laag is, dat de aanvragers daardoor niet ervan worden weerhouden steunaanvragen in te dienen.
2) Bij onderzoek van de gestelde vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de verordening kunnen aantasten."
(1) - PB L 181, blz. 12.
(2) - PB L 148, blz. 24.
(3) - Verordening (EEG) nr. 2066/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 805/68 en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 468/87 tot vaststelling van de algemene voorschriften van het stelsel van de speciale premie voor producenten van rundvlees, alsmede van verordening (EEG) nr. 1357/80 tot instelling van een premieregeling voor het aanhouden van het zoogkoeienbestand (PB L 215, blz. 49).
(4) - Wet van 17 januari 1974, GVOBl. Schl.-H., blz. 37, zoals gewijzigd bij wet van 18 december 1978, GVOBl. Schl.-H. 1979, blz. 2.
(5) - In de vraag van de verwijzende rechter wordt ten onrechte verwezen naar artikel 30 bis van verordening (EEG) nr. 2066/92 van de Raad.
(6) - Arrest van 10 maart 1981 (36/80 en 71/80, Jurispr. blz. 735).
(7) - Arrest van 19 november 1991 (C-235/90, Jurispr. blz. I-5419).
(8) - Arrest van 19 mei 1998 (C-132/95, Jurispr. blz. I-2975).
(9) - Conclusie van 27 november 1997, punt 39.
(10) - Punten 58-62 van het arrest.
(11) - Arrest van 15 september 1982 (233/81, Jurispr. blz. 2933, punt 10).
(12) - Verordening (EEG) nr. 1725/79 van de Commissie van 26 juli 1979 met betrekking tot de uitvoeringsbepalingen inzake de toekenning van steun voor tot mengvoeder verwerkte ondermelk en voor mageremelkpoeder bestemd voor kalvervoeding (PB L 199, blz. 1).
(13) - Punten 7 en 8 van het arrest.
(14) - Zie ook arrest van 30 november 1978, Bussone (31/78, Jurispr. blz. 2429, punten 12-25).
(15) - PB L 215, blz. 59.
(16) - Reeds aangehaald in voetnoot 11.
(17) - Arrest van 10 februari 1983, Luxemburg/Parlement (230/81, Jurispr. blz. 255, punt 37), en beschikking van 13 juli 1990, Zwartveld e.a. (C-2/88 Imm., Jurispr. blz. I-3365, punt 17).
(18) - Arresten van 12 november 1996, Verenigd Koninkrijk/Raad (C-84/94, Jurispr. blz. I-5755, punt 57), en 13 mei 1997, Duitsland/Parlement en Raad (C-233/94, Jurispr. blz. I-2405, punt 54).