61996B0179

Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 29 november 1996. - J. Antonissen tegen Raad van de Europese Unie en Commissie van de Europese Gemeenschappen. - Melkquota - Schade als gevolg van optreden van Gemeenschap - Kort geding - Vordering tot veroordeling van Gemeenschap - Voorlopig karakter - Geen. - Zaak T-179/96 R.

Jurisprudentie 1996 bladzijde II-01641


Samenvatting

Trefwoorden


Kort geding - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - Maatregelen die beslissing in hoofdzaak niet prejudiciëren - Beroep in hoofdzaak strekkende tot vaststelling van niet-contractuele aansprakelijkheid van Gemeenschap - Betaling van voorschot op gevorderde schadevergoeding - Uitgesloten

(EG-Verdrag, art. 178, 186 en 215, tweede alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 107, leden 3 en 4)

Samenvatting


De voorlopige maatregelen die de rechter in kort geding kan treffen, moeten uitsluitend tot doel hebben, de belangen van een der partijen in het geding tijdens de procedure voor het Hof of het Gerecht te beschermen teneinde het arrest in de hoofdzaak niet zinledig te maken door het zijn nuttige werking te ontnemen. Overeenkomstig artikel 107, leden 3 en 4, het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht zijn deze maatregelen derhalve voorlopig en verliezen zij in beginsel hun kracht terstond nadat het eindarrest is uitgesproken. Zij mogen de beslissing in de hoofdzaak derhalve niet prejudiciëren, dit wil zeggen dat zij niet reeds een beslissing omtrent de gevolgen van de naderhand te geven beslissing in de hoofdzaak mogen inhouden.

Moet derhalve worden afgewezen een verzoek in kort geding om de Gemeenschap te veroordelen tot betaling van bedragen die overeenkomen met een deel van het bedrag waarop de verzoeker zijn schade raamt in het kader van het op de artikelen 178 en 215, tweede alinea, van het Verdrag gebaseerde beroep in de hoofdzaak.

Het toewijzen van een dergelijke vordering zou immers de behandeling van de hoofdzaak prejudiciëren, daar de rechter in kort geding zich in het kader van de beoordeling van de fumus boni iuris prima facie zou moeten uitspreken over de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap, en vervolgens een deel van de in het beroep in de hoofdzaak gevorderde maatregelen zou moeten treffen zonder de gegrondheid van dit beroep aan artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag te toetsen. De vaststelling van aansprakelijkheid en van de daaruit voortvloeiende gevolgen kan evenwel niet op een fumus boni iuris worden gebaseerd, maar moet op een definitieve beoordeling van de feiten en de aangevoerde middelen berusten en vergt derhalve een procedure waarin de eerbiediging van het recht van verweer van alle partijen wordt gewaarborgd.