61996B0134

Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer) van 10 december 1997. - Hendrik Smets tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen. - Ambtenaren - Reisdagen - Kennelijk ongegrond beroep. - Zaak T-134/96.

Jurisprudentie 1997 bladzijde II-02333
bladzijde IA-00371
bladzijde II-00999


Samenvatting

Trefwoorden


1 Ambtenaren - Beginselen - Bescherming van gewettigd vertrouwen - Dienstvoorschrift van instelling, houdende wijziging van aantal reisdagen voor vakantieverlof dat wordt verleend aan ambtenaren wier standplaats buiten Europa is gelegen - Schending - Geen

(Ambtenarenstatuut, bijlage V, art. 7, vijfde alinea)

2 Ambtenaren - Beroep - Procesbelang - Middel ontleend aan schending van gelijkheidsbeginsel - Noodzaak van persoonlijke grieven

(Ambtenarenstatuut, art. 91)

3 Ambtenaren - Verlof - Vakantieverlof - Reisdagen - Berekening - Dienstvoorschrift, houdende vaststelling van aantal reisdagen voor ambtenaren wier standplaats buiten Europa is gelegen, dat gelijk is aan aantal reisdagen voor hen wier standplaats in Europa is gelegen op een afstand van meer dan 900 km van plaats van herkomst - Ambtenaren die in aanmerking komen voor vergoeding van reiskosten per vliegtuig - Mogelijkheid van afwijking op basis van werkelijke reisduur - Gelijke behandeling - Schending - Geen

(Ambtenarenstatuut, bijlage V, art. 7, vijfde alinea; bijlage VII, art. 8, lid 2, tweede alinea)

4 Ambtenaren - Verlof - Vakantieverlof - Reisdagen - Dienstvoorschrift van instelling met betrekking tot toepasselijke criteria - Toelaatbaarheid - Motiveringsplicht - Draagwijdte

(EG-Verdrag, art. 190; Ambtenarenstatuut, art. 25 en 110; bijlage V, art. 7, vijfde alinea)

Samenvatting


5 Het recht op bescherming van gewettigd vertrouwen komt toe aan iedere particulier die in een situatie verkeert, waaruit blijkt dat de gemeenschapsadministratie bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt door hem nauwkeurige toezeggingen te doen.

Het enkele feit dat aan een ambtenaar wiens standplaats buiten Europa is gelegen, bij individueel besluit en op basis van een interne circulaire gedurende meerdere jaren voor zijn vakantieverlof een reistijd van achteneenhalve kalenderdag is verleend, volstaat op zich niet om bij hem een gewettigd vertrouwen in het behoud van hetzelfde aantal reisdagen in de daaropvolgende jaren te wekken, en doet evenmin een recht op behoud van dit voordeel ontstaan. Dat geldt des te meer, omdat artikel 7, vijfde alinea, van bijlage V bepaalt, dat de reisdagen voor ambtenaren wier standplaats en/of plaats van herkomst buiten Europa zijn gelegen, worden vastgesteld bij bijzonder besluit "naar gelang van de behoeften", die telkens aan de hand van de beschikbare vervoermiddelen worden bepaald.

Bovendien staat de eerbiediging van het vertrouwensbeginsel op een gebied als de vaststelling van reisdagen niet eraan in de weg, dat een nieuwe regeling wordt toegepast op de gevolgen in de toekomst van situaties die onder de oude regeling zijn ontstaan en waarin geen verplichtingen door de overheid zijn aangegaan.

6 Een ambtenaar is niet bevoegd om in het belang van de wet of van de instellingen in rechte op te treden en kan tot staving van een beroep tot nietigverklaring slechts hem persoonlijk betreffende grieven aanvoeren. Met het door een ambtenaar aangevoerde middel ontleend aan schending van het gelijkheidsbeginsel in een dienstvoorschrift of in een interne circulaire van de verwerende instelling moet dus slechts rekening worden gehouden voor zover het hem persoonlijk betreft.

7 Een dienstvoorschrift dat dezelfde basisregel bevat, namelijk de toekenning van een reistijd van twee dagen voor het vakantieverlof aan twee categorieën van ambtenaren die voor vergoeding van hun reiskosten per vliegtuig in aanmerking komen, namelijk enerzijds ambtenaren wier standplaats en plaats van herkomst in Europa zijn gelegen op een afstand van meer dan 900 km van elkaar, en anderzijds ambtenaren die hun standplaats en/of hun plaats van herkomst buiten Europa hebben, is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat er bij vliegreizen geen enkele reden is om aan te nemen, dat ambtenaren van de tweede categorie noodzakelijkerwijs een langere reistijd hebben dan ambtenaren van de eerste categorie, en omdat het dienstvoorschrift zelf voorziet in de mogelijkheid om aan buiten Europa tewerkgestelde ambtenaren, die aantonen dat hun heen- en terugreis niet binnen een periode van twee dagen mogelijk is, naar gelang van de behoeften, afwijkingen toe te staan.

8 In beginsel is er niets tegen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag via een dienstvoorschrift van algemene aard regels stelt voor de uitoefening van de hem bij artikel 7, vijfde alinea, van bijlage V bij het Statuut verleende discretionaire bevoegdheid ter zake van de vaststelling van de reisdagen voor het vakantieverlof van ambtenaren wier standplaats en/of plaats van herkomst buiten Europa zijn gelegen. De vaststelling van een dergelijk dienstvoorschrift behoeft niet te worden voorafgegaan door de in artikel 110 van het Statuut bedoelde raadpleging.

De vraag of een dergelijk dienstvoorschrift rechtens genoegzaam is gemotiveerd, moet niet enkel in het licht van de bewoordingen ervan worden beoordeeld, maar ook in het licht van de context en van het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.