ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)

16 juli 1998

Zaak T-162/96

S. Forcheri

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Ambtenaren — Detachering in belang van dienst — Interim — Recht op aanvullende toelage — Beoordelingsvrijheid van administratie”

Volledige Franse tekst   II-1203

Betreft:

Beroep tot nietigverklaring van, enerzijds, het besluit van de Commissie van 12 december 1995 houdende afwijzing van het verzoek tot erkenning van de door verzoeker ad interim verrichte werkzaamheden en tot betaling van de aanvullende toelage, en anderzijds, het besluit van de Commissie van 24 juli 1996 houdende vaststelling dat verzoeker het ambt van hoofd van eenheid 4 „Gemeenschappelijk douanetarief” van directoraat B „Douane” van directoraatgeneraal Douane en indirecte belastingen (DG XXI) ad interim vervult, en toekenning van het voordeel van de tewerkstelling ad interim, op grond dat de datum van inwerkingtreding van dat besluit op 1 augustus 1996 voor eenjaar en niet op 29 oktober 1992 voor onbepaalde tijd is bepaald.

Beslissing:

Gedeeltelijke nietigverklaring. Verwerping voor het overige.

Resumé van het arrest

Verzoeker, ambtenaar van de Commissie in de rang A 4, is adjunct-hoofd van eenheid 4 „Gemeenschappelijk douanetarief” van directoraat B „Douane” van directoraatgeneraal Douane en indirecte belastingen (DG XXI) (eenheid XXI.B.4). Sedert 29 oktober 1992 vervult hij de facto het ambt van hoofd van een eenheid in de plaats van zijn hiërarchieke meerdere — die de officiële ambtsdrager blijft — omdat deze laatste is belast met de leiding van het Samcomm (Sanctions Assistance Missions Communication Center), een onder auspiciën van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa opgericht orgaan voor de toepassing van het door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties tegen Servië en Montenegro uitgevaardigd embargo.

Op 18 september 1995 zendt verzoeker het tot aanstelling bevoegd gezag (TABG) krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (Statuut) een nota waarin hij om aanwijzing als hoofd van eenheid XXI.B.4 ad interim en om betaling van de toelage bedoeld in artikel 7, lid 2, van het Statuut verzoekt. Bij nota van 12 december 1995 wijst de directeurgeneraal van het directoraatgeneraal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie (DG IX) dat verzoek af.

Op 11 maart 1996 dient verzoeker tegen dat afwijzend besluit een klacht als bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Statuut in. Bij nota van 24 juli 1996 stelt de directeurgeneraal van DG IX verzoeker in kennis van zijn besluit om hem per 1 augustus 1996 voor een periode van twaalf maanden aan te wijzen om het betrokken ambt ad interim te vervullen.

Ten gronde

Een ambtenaar bevindt zich in de ambtelijke stand van detachering in het belang van de dienst in de zin van artikel 37 van het Statuut wanneer hij bij besluit van het TABG in het belang van de dienst is aangewezen voor het tijdelijk vervullen van een ambt buiten zijn instelling.

De in artikel 37, eerste alinea, sub a, van het Statuut gegeven definitie van detachering in het belang van de dienst preciseert de aard noch de kenmerken van het „ambt” dat een ambtenaar tijdelijk buiten zijn instelling kan vervullen in het kader van een detachering waartoe het TABG heeft besloten. Niets wijst erop, dat die term moet worden begrepen in de technische betekenis die hij in het Statuut heeft, te weten een permanent ambt gecreëerd bij besluit van de begrotingsautoriteit. Verder wordt ook niet geëist, dat het „ambt” los van de detachering bestaat, en evenmin, dat de betrokkene wordt gedetacheerd bij een openbaar gezag waarvan de personeelsleden „ambten” in de zin van de in het Statuut gegeven definitie bekleden (punt 65).

Referentie: Hof 14 januari 1982, Novi/Commissie, 56/81, Jurispr. blz. 1

Blijkens de processtukken moet verzoekers hiërarchieke meerdere worden geacht in het belang van de dienst te zijn gedetacheerd sedert hij het Samcomm leidt.

Voor een op artikel 7, lid 2, van het Statuut gebaseerde tewerkstelling ad interim in een ambt is niet vereist dat het betrokken ambt vacant is. Uit artikel 7, lid 2, eerste alinea, van het Statuut volgt immers, dat de tewerkstelling ad interim van een ambtenaar niet meebrengt dat deze in dat ambt wordt aangesteld. Verder wordt in artikel 7, lid 2, tweede alinea, van het Statuut bepaald, dat tewerkstelling ad interim onder meer kan plaatsvinden ter vervanging van een ambtenaar die in het belang van de dienst is gedetacheerd, dan wel een langdurig ziekteverlof geniet. Uit artikel 38, sub f en g, van het Statuut volgt evenwel, dat de in het belang van de dienst gedetacheerde ambtenaar zijn ambt behoudt en na afloop van de detachering onmiddellijk weer in het ambt treedt. Het is ook duidelijk, dat een ambtenaar die een langdurig ziekteverlof geniet, zijn ambt behoudt (punten 82-84).

Het door verweerster aangevoerde arrest van het Gerecht van 25 september 1991, Sebastiani/Parlement (T-163/89, Jurispr. blz. II-715), waarin is geoordeeld dat tewerkstelling ad interim zonder vacature onmogelijk is, is niet ter zake dienend omdat er in die zaak, anders dan in casu, geen ambt was waarvan de functie ad interim kon worden uitgeoefend daar het enige ambt van dezelfde categorie in een hogere rang dan die van verzoekster naar een andere dienst was overgegaan (punt 85).

Referentie: Hof 9 juli 1970, Lampe/Commissie, 35/69, Jurispr. blz. 609, punten 8-10; Sebastiani/Parlement, reeds aangehaald, punt 48

Door het feit dat de toepassing van artikel 7, lid 2, van het Statuut voor de ambtenaar het recht op bepaalde uitkeringen van de administratie meebrengt, is daarvoor een uitdrukkelijk besluit van het TABG vereist. Aangezien het besluit om een ambtenaar aan te wijzen om een ambt ad interim te vervullen van de beoordeling van het dienstbelang afhangt, kan de betrokkene niet reeds aan het enkele feit dat hij de aan het betrokken ambt verbonden functie uitoefent, een aanspraak op de aan dit interimaat verbonden voordelen ontlenen (punt 92).

Referentie: conclusie van advocaatgeneraal Roemer bij arrest Hof 14 april 1970, Nebe/Commissie, 24/69, Jurispr. blz. 145, 153; conclusie van advocaatgeneraal Roemer bij arrest Lampe/Commissie, reeds aangehaald, Jurispr. blz. 617, 619; Lampe/Commissie, reeds aangehaald, punten 4 en 6; Hof 12 maart 1975, Küster/Parlement, 23/74, Jurispr. blz. 353, punten 14-17; Hof 2 december 1982, Micheli e.a./Commissie, 198/81,199/81, 200/81, 201/81 en 202/81, Jurispr. blz. 4145, punt 15

Verder bevat artikel 26 van het ten tijde van de feiten geldende reglement van orde van de Commissie, volgens hetwelk „behoudens andersluidend besluit van de Commissie elke hiërarchisch meerdere bij verhindering wordt vervangen door zijn aanwezige ondergeschikte van de hoogste categorie en rang die de oudste in dienstjaren, of, bij een gelijk aantal dienstjaren, de oudste in leeftijd is”, slechts een regeling van automatische vervanging, waarbij een ambtenaar in geval van afwezigheid of verhindering onmiddellijk en van rechtswege voorlopig wordt vervangen door een andere ambtenaar teneinde de continuïteit van de dienst te verzekeren (punt 94).

Een dergelijke vervangingsregeling, vastgesteld krachtens de aan elke administratie toekomende bevoegdheid om haar diensten te organiseren, verschilt van de interimregeling bedoeld in artikel 7, lid 2, van het Statuut. Waar vervanging bij verhindering automatisch intreedt, is voor een interim een uitdrukkelijk besluit van het TABG vereist. Bijgevolg kan verzoeker niet op goede gronden stellen, dat hij ingevolge artikel 2 van het Statuut juncto artikel 26 van het reglement van orde van de Commissie sedert 29 oktober 1992 een interim vervult (punten 95-98).

Referentie: Hof 11 juli 1968, Danvin/Commissie. 26/67, Jurispr. blz. 443, en conclusie van advocaatgeneraal Gand, Jurispr. blz. 455, 456 en 457

Dit neemt niet weg, dat een vervanging niet langer mag duren dan voor een normaal functionerende dienst, objectieve ambtelijke behoeften in aanmerking genomen, noodzakelijk is, en dat in elk concreet geval moet worden nagegaan, of het TABG de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid niet heeft overschreden door geen besluit te nemen waarbij een ambtenaar wordt aangewezen om het ambt ad interim te vervullen. Het TABG mag zijn beoordelingsvrijheid in elk geval niet gebruiken om zich te onttrekken aan de verplichtingen die krachtens het Statuut op hem rusten (punt 99).

Referentie: Danvin/Commissie, reeds aangehaald; conclusie bij arrest Nebe/Commissie, reeds aangehaald, Jurispr. blz. 159; conclusie bij arrest Lampe/Commissie, reeds aangehaald, Jurispr. blz. 619; conclusie van advocaatgeneraal Dutheillet de Lamothe bij arrest Hof 16 december 1970, Prelle/Commissie, 5/70, Jurispr. blz. 1075, 1084

Het Statuut waarborgt de ambtenaren het recht op toewijzing van taken die met hun rang en ambt overeenkomen. Het beginsel inzake overeenstemming tussen rang en functie, zoals neergelegd in artikel 7, lid 1, van het Statuut, is ingevoerd ten gunste van de ambtenaren. Het garandeert immers in beginsel, dat elke ambtenaar wordt tewerkgesteld in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat overeenkomt met zijn rang, en niet met een lagere rang. Bovendien mag elke ambtenaar weigeren te worden aangesteld in een ambt dat overeenkomt met een hogere rang dan die waarin hij is aangesteld, behoudens indien er sprake van is een ad interim te vervullen ambt onder de voorwaarden als omschreven in artikel 7, lid 2, dat aan de ambtenaar, aangewezen om tijdelijk taken te vervullen die meer verantwoordelijkheid meebrengen dan hij normaal draagt, een met deze grotere verantwoordelijkheid overeenkomende vergoeding beoogt te waarborgen (punt 100).

Referentie: Prelle/Commissie, reeds aangehaald, punt 6; Hof 12 juli 1973, Tontodonati/Commissie, 28/72, Jurispr. blz. 779, punt 8; Hof 19 maart 1975, Van Reenen/Commissie, 189/73, Jurispr. blz. 445, punt 6; Hof 11 mei 1978, De Roubaix/Commissie, 25/77, Jurispr. blz. 1081, punt 17; Hof 22 oktober 1981, Kruse/Commissie, 218/80, Jurispr. blz. 2417, punt 7, en conclusie van advocaatgeneraal Rozès, Jurispr. blz. 2425, 2428; Gerecht van 7 mei 1991, Jongen/Commissie, T-18/90, Jurispr. blz. II-187, punt 27

Het Gerecht is van oordeel, dat verweerster in casu in de bijzondere omstandigheden van een dringende interventie van de bevoegde internationale instanties in een onduidelijke situatie waarvan de evolutie moeilijk was te voorzien, de grenzen van haar vrijheid bij de organisatie van haar diensten niet heeft overschreden en niet is tekortgeschoten in haar zorgplicht door niet vanaf 29 oktober 1992 een besluit te nemen waarbij aan verzoeker de voordelen van het interimaat worden toegekend (punten 101 en 103).

Wegens de evolutie ter plaatse had het TABG verzoekers administratieve positie evenwel moeten heroverwegen. Door verzoeker op het moment waarop de detachering van zijn hiërarchieke meerdere ver boven de aanvankelijke verwachtingen was verlengd, niet aan te wijzen om het ambt van hoofd van eenheid XXI.B.4 ad interim te vervullen, heeft het TABG de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid kennelijk overschreden, heeft het daardoor artikel 7, lid 2, van het Statuut geschonden en is het tekortgeschoten in zijn zorgplicht. Dit stilzitten vormt een dienstfout waarvoor de administratie aansprakelijk kan worden gesteld; verzoeker heeft het daardoor immers moeten stellen zonder de aanvullende toelage waarop hij recht had vanaf de vierde maand van de ambtsvervulling ad interim waarvoor hij had moeten aangewezen (punten 104, 106 en 107).

Aangezien de ambtsvervulling ad interim waarvoor verzoeker had moeten worden aangewezen, tot doel had te voorzien in de vervanging van een in het belang van de dienst gedetacheerde ambtenaar, kon de betaling van deze aanvullende toelage niet tot eenjaar worden beperkt (punt 108).

Volgens artikel 91, lid 1, van het Statuut heeft het Gerecht volledige rechtsmacht bij geschillen van geldelijke aard. Bijgevolg dient verweerster te worden veroordeeld tot betaling aan verzoeker van de maandbedragen van de aanvullende toelage waarop deze recht zou hebben gehad indien hij volgens de regels was aangewezen om het ambt van hoofd van eenheid XXI.B.4 ad interim te vervullen. Aangezien verweerster de door verzoeker in casu voorgestelde rentevoet niet heeft betwist, dienen die maandbedragen te worden vermeerderd met vertragingsrente op de voet van 8 % per jaar (punt 110).

Op de andere vorderingen behoeft niet te worden beslist (punt 111).

Dictum:

De besluiten van de Commissie van 12 december 1995 en 24 juli 1996 worden nietig verklaard, behalve voor zover laatstgenoemd besluit verzoeker het voordeel van de tewerkstelling ad interim toekent.

De Commissie wordt veroordeeld tot betaling aan verzoeker van de maandbedragen van de in artikel 7, lid 2, van het Statuut bedoelde aanvullende toelage, waarop deze recht zou hebben gehad indien hij op 24 maart 1993 ware aangewezen om het ambt van hoofd van eenheid XXI.B.4 ad interim te vervullen, vermeerderd met vertragingsrente op de voet van 8 % per jaar vanaf de datums waarop die maandbedragen hadden moeten worden betaald, tot op de datum van de daadwerkelijke betaling.

Het beroep wordt verworpen voor het overige.