61996J0352

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 12 november 1998. - Italiaanse Republiek tegen Raad van de Europese Unie. - Beroep tot nietigverklaring - Verordening (EG) nr. 1522/96 - Opening en wijze van beheer van bepaalde tariefcontingenten voor invoer van rijst en breukrijst. - Zaak C-352/96.

Jurisprudentie 1998 bladzijde I-06937


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


Gemeenschappelijk douanetarief - Communautaire tariefcontingenten - Invoercontingenten voor rijst, na toetreding van nieuwe lidstaten geopend ter compensatie van verhoging van bepaalde rechten - Verordening nr. 1522/96 - Wettigheid in licht van relevante GATT-regels alsmede van evenredigheidsbeginsel en motiveringsplicht - Misbruik van bevoegdheid - Geen

(Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, art. XXIV, lid 6; memorandum van overeenstemming betreffende de interpretatie van artikel XXIV, punten 5 e.v.; verordening nr. 1522/96 van de Raad, art. 3, 4 en 9)

Samenvatting


In het kader van verordening nr. 1522/96 betreffende bepaalde tariefcontingenten voor rijst en breukrijst, die is vastgesteld krachtens de overeenkomsten die met Australië en Thailand zijn gesloten na de op basis van artikel XXIV, lid 6, van het GATT gevoerde onderhandelingen, bepalen de artikelen 3 en 4, dat de invoercertificaten alleen worden afgegeven aan de marktdeelnemers die houder zijn van een uitvoercertificaat van het land van oorsprong, terwijl artikel 9 de criteria voor interventie bepaalt bij gevaar voor de communautaire rijstsector, door met name een kwantitatieve drempel voor bepaalde producten vast te stellen. Gelet op het feit dat de Gemeenschap met de vaststelling van deze regeling uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van het GATT aangegane bijzondere verplichting, namelijk met de betrokken derde landen over en weer bevredigende compenserende regelingen overeenkomen om rekening te houden met de verhoging van bepaalde douanerechten ten gevolge van de toepassing door de nieuwe lidstaten van het gemeenschappelijk douanetarief, moet deze verplichting als nagekomen worden beschouwd en kan zij dus niet als basis dienen om de wettigheid van de verordening te toetsen, zodra de Gemeenschap en de derde landen voormelde overeenkomsten hebben gesloten.

Voorts kan het beheersstelsel van de artikelen 3 en 4 of de interventieregeling van artikel 9 van de verordening niet als een schending van het evenredigheidsbeginsel worden beschouwd en evenmin vertoont de interventieregeling een motiveringsgebrek of levert zij misbruik van bevoegdheid op.

Partijen


In zaak C-352/96,

Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door D. Del Gaizo, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, Rue Marie-Adélaïde 5,

verzoekster,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Tanca, juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Morbilli, directeur-generaal van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,

verweerder,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1522/96 van de Raad van 24 juli 1996 inzake de opening en de wijze van beheer van bepaalde tariefcontingenten voor de invoer van rijst en breukrijst (PB L 190, blz. 1), inzonderheid van de artikelen 3, 4 en 9 van deze verordening,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE

(Zesde kamer),

samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, J. L. Murray (rapporteur), H. Ragnemalm, R. Schintgen en K. M. Ioannou, rechters,

advocaat-generaal: J. Mischo

griffier: R. Grass

gezien het rapport van de rechter-rapporteur,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 april 1998,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 oktober 1996, heeft de Italiaanse Republiek krachtens artikel 173, eerste alinea, EG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van de artikelen 3, 4 en 9 van verordening (EG) nr. 1522/96 van de Raad van 24 juli 1996 inzake de opening en de wijze van beheer van bepaalde tariefcontingenten voor de invoer van rijst en breukrijst (PB L 190, blz. 1; hierna: "verordening").

2 Na de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Gemeenschap, voerde deze laatste krachtens artikel XXIV, lid 6, van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (hierna: "GATT"), in het bijzonder de punten 5 en volgende van het memorandum van overeenstemming betreffende de interpretatie van artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel 1994 (hierna: "memorandum van overeenstemming"), onderhandelingen met derde landen, teneinde met deze landen bepaalde compenserende regelingen overeen te komen die noodzakelijk waren geworden doordat sommige douanerechten ten gevolge van de toepassing door de drie toetredende landen van het gemeenschappelijk douanetarief waren gestegen.

3 Punt 5 van het memorandum van overeenstemming bepaalt onder meer:

"Deze onderhandelingen zullen te goeder trouw worden aangeknoopt met het oog op het treffen van een over en weer bevredigende compenserende regeling (...)"

4 Na deze onderhandelingen sloot de Gemeenschap overeenkomsten met het Gemenebest Australië en het Koninkrijk Thailand, die zijn goedgekeurd bij besluit 95/592/EG van de Raad van 22 december 1995 (PB L 334, blz. 38). De verordening is vastgesteld krachtens voormelde overeenkomsten.

5 Krachtens artikel 1, lid 1, sub a, van de verordening en ingevolge voormelde overeenkomsten, worden jaarlijkse tariefcontingenten van 63 000 ton halfwitte of volwitte rijst met nulrecht voor de invoer in de Gemeenschap geopend. Voor Australië en Thailand wordt dit contingent volgens artikel 1, lid 3, van de verordening onderverdeeld in 1 019 respectievelijk 21 455 ton.

6 Voor deze twee landen voeren de artikelen 3 en 4 van de verordening een regeling voor het beheer van voormelde contingenten in. Volgens artikel 3 worden de invoercertificaten voor rijst en breukrijst afgegeven aan de marktdeelnemers die in het bezit zijn van een uitvoercertificaat dat is afgegeven in het land van oorsprong. Artikel 3, lid 1, bepaalt:

"Als de certificaataanvraag voor invoer in het kader van de in artikel 1 bedoelde hoeveelheden betrekking heeft op rijst en breukrijst van oorsprong uit Thailand en op rijst van oorsprong uit Australië, moet zij vergezeld gaan van een uitvoercertificaat dat is opgesteld volgens het in respectievelijk de bijlagen I en II opgenomen model en is afgegeven door de in dezelfde bijlagen vermelde bevoegde instantie van deze landen."

7 Artikel 4 bepaalt de modaliteiten volgens welke deze invoercertificaten door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat worden toegekend.

8 Artikel 9 bepaalt het volgende:

"1. De Commissie houdt toezicht op de hoeveelheden die krachtens deze verordening worden ingevoerd, met name om vast te stellen:

- in hoeverre de traditionele handelsstromen, in termen van volume en aanbiedingsvorm, naar de uitgebreide Gemeenschap wezenlijk zijn gewijzigd, en

- of er sprake is van subsidiëring tussen uitvoer die rechtstreeks van het bepaalde in deze verordening profiteert en uitvoer waarop de normale invoerrechten worden geheven.

2. Indien aan een van de hierboven bedoelde criteria is voldaan, en met name indien de invoer van rijst in verpakkingen van 5 kilo of minder meer bedraagt dan 33 428 ton, en in ieder geval op jaarbasis, brengt de Commissie bij de Raad verslag uit, zo nodig vergezeld van passende voorstellen om verstoring van de communautaire rijstsector te voorkomen."

9 Volgens de Italiaanse Republiek zijn de artikelen 3 en 4 van de verordening in strijd met artikel XXIV, lid 6, van het GATT, met de met het Gemenebest Australië gesloten overeenkomst en met besluit 95/592 houdende goedkeuring daarvan, met artikel 43 EG-Verdrag alsmede met het algemene evenredigheidsbeginsel. Voorts is haars inziens artikel 9 niet genoegzaam gemotiveerd, in strijd met artikel XXIV, lid 6, van het GATT, met artikel 43 van het Verdrag alsmede met het algemene evenredigheidsbeginsel, en berust het ten slotte op misbruik van bevoegdheid.

De tegen de artikelen 3 en 4 aangevoerde middelen

10 Krachtens de artikelen 3 en 4 van de verordening worden de invoercertificaten alleen afgegeven aan marktdeelnemers die houder zijn van een uitvoercertificaat van het land van oorsprong, aangezien hun certificaataanvraag voor invoer vergezeld moet gaan van dat certificaat.

11 De Italiaanse regering stelt, dat er geen sprake kan zijn van een over en weer bevredigende oplossing in de zin van artikel XXIV, lid 6, van het GATT, wanneer, zoals in casu, de derde landen zonder passende compenserende regelingen bijzondere voordelen uit de uitbreiding van de Gemeenschap halen.

12 Voorts is, aldus de Italiaanse regering, anders dan in de overeenkomst met het Koninkrijk Thailand, de in de artikelen 3 en 4 bedoelde wijze van beheer van de tariefcontingenten niet voorgeschreven in de overeenkomst met het Gemenebest Australië en dus niet gerechtvaardigd wat Australië betreft, zodat de verordening in strijd is met besluit 95/592 houdende goedkeuring van deze overeenkomsten.

13 Bovendien, zo vervolgt de Italiaanse regering, bezorgt een dergelijk beheerssysteem de betrokken landen een voordeel dat in strijd is met het algemene evenredigheidsbeginsel, aangezien het voor de exporteurs van het derde land mogelijk wordt de uitvoer van het overeengekomen tariefcontingent te beheren. Dit voordeel geeft haars inziens aan, dat de Raad kennelijk niet heeft gepoogd een maatregel te nemen die was aangepast aan de vereisten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

14 Wat artikel XXIV, lid 6, van het GATT betreft, herinnert de Raad er in de eerste plaats aan, dat de bijzondere kenmerken van het GATT er in beginsel aan in de weg staan, dat het Hof de bepalingen ervan in aanmerking neemt om de wettigheid van een verordening te beoordelen in het kader van een door een lidstaat krachtens artikel 173, eerste alinea, van het Verdrag ingesteld beroep (zie arrest van 5 oktober 1994, Duitsland/Raad, C-280/93, Jurispr. blz. I-4973, punten 106-109).

15 Subsidiair betoogt hij, dat artikel XXIV, lid 6, van het GATT, bepalende dat te goeder trouw moet worden onderhandeld om tot een over en weer bevredigende oplossing te komen, geen enkel ander criterium stelt aan de hand waarvan het resultaat van de onderhandelingen zou moeten worden beoordeeld.

16 Aangaande het argument dat de door deze bepaling bedoelde beheerswijze wat het Gemenebest Australië betreft ongerechtvaardigd is aangezien de overeenkomst met dit land daarin niet voorziet, wijst de Raad op de discretionaire bevoegdheid van de Gemeenschap bij het beheer van de tariefcontingenten. Voor het overige kan de gelaakte beheerswijze niet in strijd zijn met artikel XXIV, lid 6, van het GATT, noch met de overeenkomst met het Gemenebest Australië, aangezien geen bepaling daarvan ziet op het geval waarin een van de partijen in de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid de andere meer voordelen zou willen toekennen dan die krachtens de overeenkomst.

17 Aangaande de gestelde schending van het evenredigheidsbeginsel geeft de Raad te kennen, dat de toekenning aan de Australische exporteurs van eenzelfde voordeel als aan de Thaise exporteurs, gerechtvaardigd is op grond dat in het algemene kader van de betrekkingen met Australië eerstgenoemden niet minder gunstig moeten worden behandeld dan de Thaise exporteurs. De betrokken maatregel lijkt dus volledig geschikt ter bereiking van het nagestreefde doel.

18 Wat ten slotte de schending van artikel 43 van het Verdrag betreft, geeft de Raad te kennen dat verzoekster haar stelling dat de bestreden verordening deze bepaling schendt, in het geheel niet staaft.

19 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat wanneer de Gemeenschap uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van het GATT aangegane bijzondere verplichting of indien de gemeenschapshandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van het GATT verwijst, het Hof verplicht is de wettigheid van de betrokken handeling te toetsen aan deze regels (zie met name arrest van 5 oktober 1994, Duitsland/Raad, reeds aangehaald, punt 111).

20 Ook zij beklemtoond, dat toen de Gemeenschap de verordening vaststelde krachtens de overeenkomsten met derde landen na de op basis van artikel XXIV, lid 6, van het GATT gevoerde onderhandelingen, zij uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van het GATT aangegane bijzondere verplichting.

21 Het Hof moet de wettigheid van de betrokken verordening dus toetsen aan de regels van het GATT waarvan verzoekster stelt dat zij geschonden zijn. In casu zijn dit artikel XXIV, lid 6, van het GATT, en de punten 5 en volgende van het memorandum van overeenstemming.

22 Zoals reeds blijkt uit de bewoordingen van punt 5 van het memorandum van overeenstemming, moeten partijen tot "over en weer bevredigende compenserende regelingen" komen. Het begrip "over en weer bevredigende compenserende regelingen" vormt op zich geen objectief criterium en de verplichting om tot een over en weer bevredigend akkoord te komen, moet als nagekomen worden beschouwd, zodra de betrokken partijen een overeenkomst sluiten waarin een oplossing is neergelegd.

23 Wanneer de betrokken partijen overeenstemming hebben bereikt omtrent de over en weer bevredigende compenserende regelingen, is de in artikel XXIV, lid 6, van het GATT bedoelde verplichting bijgevolg als nagekomen te beschouwen en kan zij dus niet dienen als basis om de wettigheid van de verordening te toetsen. Dit argument moet dus worden verworpen.

24 Aangaande het argument dat, wat het Gemenebest Australië betreft, de in de verordening bedoelde wijze van beheer van de tariefcontingenten in strijd is met de overeenkomst met dit land en met besluit 95/592 houdende goedkeuring van deze overeenkomst, zij opgemerkt, dat ook zo deze de Raad niet verplichtte, een stelsel van uitvoercertificaten in te voeren, zij hem dit evenmin verbood. Blijkens de zesde overweging van de considerans van de verordening is het bestreden beheersstelsel met name ingevoerd om de doeltreffende tenuitvoerlegging van deze overeenkomst te verzekeren wat bepaalde tariefcontingenten voor de invoer van rijst en breukrijst betreft. Door het in de verordening bedoelde beheersstelsel wordt derhalve noch de overeenkomst met het Gemenebest Australië noch het besluit houdende goedkeuring daarvan geschonden.

25 Wat de gestelde schending van het algemene evenredigheidsbeginsel door de artikelen 3 en 4 van de betrokken verordening betreft, zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof bij het onderzoek of een bepaling van gemeenschapsrecht in overeenstemming is met dit beginsel, moet worden nagegaan, of de aangewende middelen geschikt zijn ter verwezenlijking van het nagestreefde doel en niet verder gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is (zie onder meer arrest van 9 november 1995, Duitsland/Raad, C-426/93, Jurispr. blz. I-3723, punt 42).

26 Opgemerkt zij, dat de verordening blijkens de eerste, de achtste en de negende overweging van de considerans tot doel heeft, de traditionele handelsstromen naar de uitgebreide Gemeenschap te handhaven, en tegelijkertijd subsidiëring tussen uitvoer die rechtstreeks van de betwiste verordening profiteert en die waarop de normale rechten worden geheven, te voorkomen. Bovendien heeft de bestreden beheersregeling volgens de derde en de zesde overweging van de considerans tot doel, het beheer van de naar aanleiding van de overeenkomsten met de betrokken derde landen toegekende contingenten te regelen rekening houdend met de traditionele leveranciers.

27 Derhalve moet worden onderzocht, of het toegepaste beheersstelsel strookt met het aldus omschreven doel en ter bereiking daarvan noodzakelijk is.

28 Het lijdt geen twijfel, dat de autoriteiten van het land van uitvoer het best in staat zijn om te bepalen, wie in die landen de traditionele leveranciers van Oostenrijk, Finland en Zweden waren, en om ervoor te zorgen, dat dezen de uitvoercertificaten krijgen die nodig zijn om de traditionele handelsstromen te handhaven.

29 Ook zij opgemerkt, dat dit beheersstelsel moet worden gezien in het kader van een in artikel 9 van de verordening bedoeld communautair stelsel van toezicht en controle.

30 Voor het overige kan, zoals de advocaat-generaal in punt 32 van zijn conclusie terecht opmerkt, het toegekende voordeel niet dermate groot worden geacht dat de artikelen 3 en 4 van de verordening onevenredig zouden zijn aan het nagestreefde doel, namelijk het beheer van de bij de overeenkomsten met de betrokken derde landen toegekende tariefcontingenten te regelen.

31 In deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat het in de artikelen 3 en 4 van de verordening voorziene beheersstelsel niet als een schending van het algemene evenredigheidsbeginsel kan worden beschouwd.

32 Wat ten slotte de gestelde schending van artikel 43 van het Verdrag betreft, verstrekt verzoekster geen nadere precisering tot staving van het middel volgens hetwelk uit de betrokken bepalingen zou blijken, dat de Raad kennelijk niet heeft gepoogd een maatregel te nemen die gelet op de vereisten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid passend was.

33 Derhalve moet worden geconcludeerd, dat bij toetsing van de artikelen 3 en 4 van de verordening aan de door de Italiaanse regering aangevoerde middelen niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten.

De tegen artikel 9 aangevoerde middelen

34 Volgens de Italiaanse regering ontbreekt met betrekking tot artikel 9 van de verordening de noodzakelijke motivering inzake de criteria en de gegevens op basis waarvan de Raad heeft gemeend de drempel voor de invoer van rijst in verpakkingen van vijf kilo of minder op 33 428 ton te moeten vaststellen.

35 Bovendien is volgens de Italiaanse regering de vaststelling van voormelde drempel in strijd met artikel XXIV, lid 6, van het GATT, alsook met het algemene evenredigheidsbeginsel. In de eerste plaats is de vastgestelde hoeveelheid groter dan nodig zou zijn geweest om de traditionele handelsstromen te handhaven. In de tweede plaats is zij groter dan noodzakelijk zou zijn geweest om te voorkomen dat de gewoonlijke exporteurs van bepaalde derde landen een ongerechtvaardigd mededingingsvoordeel werd toegekend tegenover de ondernemingen in de Gemeenschap. Voorts is de bepaling het resultaat van het feit dat niet in aanmerking is genomen of de maatregel strookte met de vereisten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

36 De Italiaanse regering stelt voorts, dat met de keuze van voormeld invoercijfer andere doelstellingen worden nagestreefd dan die met het oog waarop de verordening is vastgesteld, zodat de verordening gebrekkig is wegens misbruik van bevoegdheid.

37 Wat het gestelde gebrek aan motivering betreft, betoogt de Raad dat de aan de vaststelling van artikel 9 ten grondslag liggende redenering duidelijk uit de considerans van de verordening blijkt.

38 De in de punten 14, 15, 17 en 18 van het onderhavige arrest reeds uiteengezette opmerkingen van de Raad over de gestelde schendingen van artikel XXIV, lid 6, van het GATT, van artikel 43 van het Verdrag en van het algemene evenredigheidsbeginsel, wat de artikelen 3 en 4 van de verordening betreft, gelden ook voor artikel 9. Aangaande het evenredigheidsbeginsel, merkt de Raad voorts op, dat de drempel van artikel 9 een waarborg vormt die de bescherming van de communautaire marktdeelnemers vergroot. Wat de keuze van de drempel van 33 428 ton betreft, wijst de Raad erop, dat hij overeenkomt met het totaal, vermeerderd met 10 %, van de hoeveelheden rijst in verpakkingen van vijf kilo of minder die door de drie toetredende landen in de jaren onmiddellijk vóór hun toetreding jaarlijks werden ingevoerd.

39 Ten slotte is er volgens de Raad geen sprake van misbruik van bevoegdheid. De verordening is duidelijk vastgesteld met het doel, de overeenkomsten met de betrokken derde landen toe te passen, terwijl artikel 9 een waarborg biedt om een eventuele desorganisatie van de communautaire rijstsector te voorkomen.

40 Aangaande de ontoereikende motivering zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de door artikel 190 van het Verdrag vereiste motivering moet zijn aangepast aan de aard van de betrokken handeling. Zij moet de redenering van de communautaire instelling waarvan de handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Uit deze rechtspraak blijkt voorts, dat niet kan worden verlangd dat de motivering van een handeling alle elementen vermeldt die feitelijk of rechtens relevant zijn. Bij de beoordeling van de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 190 voldoet, moet namelijk niet alleen acht worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context waarin zij is gegeven en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin, arresten van 14 februari 1990, Delacre e.a./Commissie, C-350/88, Jurispr. blz. I-395, punten 15 en 16, en 5 mei 1998, Verenigd Koninkrijk/Commissie, C-180/96, Jurispr. blz. I-2265, punt 70).

41 In casu blijkt uit de achtste en de negende overweging van de considerans van de verordening, dat de Raad deze onder meer heeft gemotiveerd met de wens, de traditionele handelsstromen naar de uitgebreide Gemeenschap te handhaven, waarbij hij echter ook de overweging liet gelden, dat subsidiëring tussen uitvoer die rechtstreeks van de bestreden verordening profiteert en uitvoer waarop de normale invoerrechten worden geheven, moet worden voorkomen. Zoals de advocaat-generaal in punt 39 van zijn conclusie beklemtoont, was de Raad voor het overige niet gehouden, in de considerans uiteen te zetten hoe hij het cijfer van de in artikel 9 vastgestelde drempel had berekend. Het vereiste dat gemeenschapshandelingen met redenen moeten worden omkleed, kan niet zover gaan, dat de Raad voor elk cijfer dat hij vermeldt, moet aangeven hoe hij het heeft berekend.

42 In deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat de Raad artikel 9 van de bestreden verordening genoegzaam heeft gemotiveerd.

43 Wat het evenredigheidsbeginsel betreft dient, om te bepalen of een bepaling van gemeenschapsrecht met dat beginsel in overeenstemming is, te worden nagegaan of de aangewende middelen geschikt zijn ter verwezenlijking van het nagestreefde doel en niet verder gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is.

44 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de litigieuze verordening tot doel heeft, uitvoering te geven aan de met de derde landen gesloten overeenkomsten om de traditionele handelsstromen naar de uitgebreide Gemeenschap te handhaven, en tegelijkertijd subsidiëring tussen uitvoer die rechtstreeks van de bestreden verordening profiteert en die waarop de normale invoerrechten worden geheven, te voorkomen (zie punt 26 van dit arrest).

45 Voor het overige blijkt uit de door de Raad op verzoek van het Hof bij het dossier gevoegde stukken, dat het betrokken cijfer overeenkomt met het gemiddelde, vermeerderd met 10 %, van de invoer in de drie nieuwe lidstaten tijdens de jaren vóór hun toetreding.

46 Ten slotte moet erop worden gewezen, dat artikel 9 de mogelijkheden van de Commissie om in te grijpen, niet beperkt tot het geval waarin de gestelde drempel wordt bereikt. Het bepaalt immers dat de Commissie toezicht kan houden, ook wanneer de ingevoerde hoeveelheden deze grens niet overschrijden, met name wanneer is voldaan aan een van de in lid 1 van dit artikel genoemde criteria.

47 De door de Raad vastgestelde hoeveelheid van 33 428 ton kan dus niet worden beschouwd als onevenredig aan de traditionele handelsstromen die de verordening beoogt te handhaven.

48 Het argument betreffende de onverenigbaarheid van artikel 9 van de verordening met artikel XXIV, lid 6, van het GATT en met het memorandum van overeenstemming, moet om de in de punten 22 en 23 van het onderhavige arrest reeds vermelde redenen worden verworpen.

49 Het middel betreffende schending van artikel 43 van het Verdrag moet om dezelfde reden als vermeld in punt 31 van het onderhavige arrest worden verworpen.

50 Wat ten slotte het gestelde misbruik van bevoegdheid betreft, zij eraan herinnerd, dat de rechtspraak van het Hof misbruik van bevoegdheid omschrijft als de vaststelling, door een gemeenschapsinstelling, van een handeling met het uitsluitende, althans doorslaggevende oogmerk, andere doelen te bereiken dan de instelling zegt na te streven, dan wel te ontkomen aan de toepassing van een procedure die het Verdrag speciaal heeft voorzien om aan zekere omstandigheden het hoofd te bieden (zie met name arrest van 13 juli 1995, Parlement/Commissie, C-156/93, Jurispr. blz. I-2019, punt 31).

51 In casu blijkt evenwel uit geen element in het dossier, dat de Raad met de vaststelling van de betrokken bepaling een ander doel heeft nagestreefd dan in de considerans van de verordening wordt vermeld. Voorts heeft verzoekster niets voorgedragen dat deze constatering kan ontkrachten.

52 Derhalve moet worden geconcludeerd, dat bij toetsing van artikel 9 van de verordening aan de door de Italiaanse regering voorgedragen middelen niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten.

53 Uit een en ander volgt dat, aangezien geen van verzoeksters middelen kan worden aanvaard, het beroep moet worden verworpen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

54 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. De Raad heeft verwijzing van de Italiaanse Republiek in de kosten gevorderd. Aangezien laatstgenoemde in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

rechtdoende:

55 Verwerpt het beroep.

56 Verwijst de Italiaanse Republiek in de kosten.