Conclusie van advocaat-generaal Cosmas van 19 februari 1998. - Strafzaak tegen Hermann Josef Goerres. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Amtsgericht Aachen - Duitsland. - Harmonisatie van wetgevingen - Etikettering en presentatie van levensmiddelen - Richtlijn 79/112/EEG - Bescherming van consument - Taal. - Zaak C-385/96.
Jurisprudentie 1998 bladzijde I-04431
I - Inleiding
1 In deze zaak verzoekt het Amtsgericht Aachen het Hof aan de hand van twee prejudiciële vragen om uitlegging van artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame(1) (hierna: "richtlijn").
2 Die vragen zijn gerezen in het kader van het beroep van een exploitant van een levensmiddelenwinkel tegen een boete die hem was opgelegd omdat hij in strijd met het Duitse recht levensmiddelen in het verkeer had gebracht die geen etiket in het Duits, doch enkel in het Frans, Italiaans of Engels droegen.
II - Het nationale recht
3 § 3 van de Verordnung über die Kennzeichnung von Lebensmitteln (hierna: "LMKV"), die betrekking heeft op het etiketteren van levensmiddelen, bepaalt als volgt:
"1) Voorverpakte levensmiddelen mogen slechts te koop worden aangeboden, wanneer daarop staat vermeld:
1. de verkoopbenaming (...);
2. de naam of de handelsnaam en het adres van de fabrikant (...);
3. de lijst van ingrediënten (...);
4. de houdbaarheidsdatum (...);
5. (...)
2) (...)
3) De vermeldingen krachtens lid 1 moeten in het Duits op de voorverpakking of op een daaraan gehecht etiket op een goed zichtbare plaats, begrijpelijk geformuleerd, duidelijk leesbaar en onuitwisbaar worden aangebracht. De vermeldingen krachtens lid 1 kunnen ook in een andere gemakkelijk te begrijpen taal worden aangebracht, indien dit geen gevolgen heeft voor de voorlichting van de consument."
III - De feiten
4 De verdachte in het hoofdgeding, Goerres, exploiteert een levensmiddelenwinkel in Eschweiler. Op 13 januari 1995 bood hij in zijn winkel onder meer de volgende producten te koop aan:
i) Fanta orange, soda au jus d'orange,
ii) Corn Flakes,
iii) I Pelati di San Marzano - il Vero Gusto del Pomodoro, en
iv) Pasta sauce with olives and capers.
Deze producten droegen geen etiket in het Duits, doch enkel in het Frans, in het Italiaans en Frans, in het Italiaans, respectievelijk in het Engels.
5 Bij beschikking van 6 juli 1995 legde de Oberkreisdirektor des Kreises Aachen betrokkene een geldboete op van 2 000 DM wegens overtreding van § 3, lid 3, LMKV.
6 Betrokkene heeft tegen deze beschikking beroep ingesteld met het betoog, dat het gebruik van een bepaalde taal niet verplicht kan worden gesteld en dat de begrijpelijkheid van de etikettering het beslissende criterium is. Vooral bij producten die bij het publiek een grote bekendheid genieten, zou etikettering in een vreemde taal geen afbreuk doen aan de voorlichting van de verbruiker. Bovendien, zo stelde betrokkene, had hij in zijn winkel extra bordjes aangebracht waarop de ingredinten van de betrokken producten in het Duits stonden aangegeven.
7 De verwijzende rechter is van oordeel, dat levensmiddelen in beginsel moeten zijn voorzien van een etiket in de taal die in het betrokken taalgebied gebruikelijk is. Voor de gemiddelde Duitse verbruiker is dit de Duitse taal. Bovendien wordt met het aanbrengen van een bordje in de winkel niet voldaan aan het vereiste de vermeldingen op het product aan te brengen. Aangezien de verwijzende rechter deze zienswijze echter in tegenspraak achtte met de door het Hof in het arrest van 12 oktober 1995, Piageme e.a. (hierna: "Piageme II")(2), gegeven uitlegging van artikel 14 van de richtlijn, heeft hij het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
IV - De prejudiciële vragen
"1) Handelt een handelaar in overeenstemming met artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, wanneer hij in de Bondsrepubliek Duitsland levensmiddelen in het verkeer brengt, die voorzien zijn van etiketten in het Italiaans, Frans of Engels?
2) Zo nee, voldoet de handelaar niettemin aan de vereisten van artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG, wanneer hij in zijn winkel bij het betrokken product een extra bordje ($Zusatzschild') met de vereiste vermeldingen in het Duits aanbrengt?"
V - Richtlijn 79/112
8 Blijkens de eerste en de tweede overweging van de considerans beoogt de richtlijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de etikettering van levensmiddelen onderling aan te passen, teneinde bij te dragen tot de goede werking van de gemeenschappelijke markt, aangezien de bestaande verschillen het vrije verkeer van die producten kunnen belemmeren en tot ongelijke concurrentievoorwaarden kunnen leiden.
9 Volgens de zesde overweging van de considerans moet "bij iedere vorm van reglementering op het gebied van de etikettering van levensmiddelen in de eerste plaats (...) worden uitgegaan van de noodzaak de consumenten voor te lichten en te beschermen".
10 Artikel 1, lid 3, van de richtlijn bepaalt:
"In de zin van deze richtlijn betekent:
a) etikettering: de vermeldingen, aanwijzingen, fabrieks- of handelsmerken, afbeeldingen of tekens die betrekking hebben op een levensmiddel en voorkomen op enig verpakkingsmiddel, document, schriftstuk, etiket, band of label, dat (die) bij dit levensmiddel is gevoegd of daarop betrekking heeft."
11 Artikel 3 bevat een opsomming van de verplichte vermeldingen die op de etikettering moeten voorkomen, en wel: 1) de benaming waaronder het product wordt verkocht, 2) de lijst van ingrediënten, 3) bij voorverpakte levensmiddelen: de nettohoeveelheid, 4) de datum van minimale houdbaarheid, 5) de bijzondere bewaarvoorschriften en gebruiksvoorwaarden, 6) de naam of de handelsnaam en het adres van de fabrikant of van de verpakker of van een in de Gemeenschap gevestigde verkoper, 7) de plaats van oorsprong of herkomst, indien het weglaten daarvan de consument zou kunnen misleiden in verband met de werkelijke oorsprong of herkomst van het levensmiddel, en 8) een gebruiksaanwijzing, indien het levensmiddel zonder gebruiksaanwijzing niet behoorlijk kan worden gebruikt.
12 Artikel 14 van de richtlijn bepaalt:
"De lidstaten onthouden zich ervan om op andere dan de in de artikelen 3 tot en met 11 bepaalde wijze vast te stellen hoe de in artikel 3 en in artikel 4, lid 2, bedoelde vermeldingen moeten worden aangebracht.
De lidstaten dragen er echter zorg voor, op hun grondgebied de handel te verbieden in levensmiddelen indien de in artikel 3 en in artikel 4, lid 2, bedoelde vermeldingen er niet op voorkomen in een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, tenzij de koper door andere maatregelen wordt ingelicht. Deze bepaling staat het voorkomen van genoemde vermeldingen in meer dan één taal niet in de weg."
13 Zoals reeds vermeld(3), is de richtlijn op wezenlijke punten gewijzigd bij richtlijn 97/4. Ofschoon laatstgenoemde richtlijn dateert van ná de feiten van het hoofdgeding, verdienen de wijzigingen betreffende artikel 14 de aandacht.
14 Zo is bij artikel 1, lid 9, van richtlijn 97/4 lid 2 van artikel 14 geschrapt, terwijl bij artikel 1, lid 8, van die richtlijn een nieuw artikel 13 bis is toegevoegd, dat luidt als volgt:
"1. De lidstaten dragen er zorg voor, op hun grondgebied de handel te verbieden in levensmiddelen waarop de in artikel 3 en in artikel 4, lid 2, bedoelde vermeldingen niet zijn aangebracht in een voor de verbruiker gemakkelijk te begrijpen taal, behalve indien de voorlichting van de verbruiker daadwerkelijk door één of meer etiketteringsvermeldingen gewaarborgd is door andere, volgens de procedure van artikel 17 vastgestelde maatregelen.
2. De lidstaat waar het product wordt verkocht, kan, met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag, eisen dat op zijn grondgebied voor deze vermeldingen op de etikettering ten minste gebruik gemaakt wordt van één of meer talen die hij uit de officiële talen van de Gemeenschap kiest."
15 Tot slot werd bij artikel 1, lid 1, van richtlijn 97/4 na de zesde overweging van de considerans van de richtlijn, die ik reeds in punt 9 hierboven heb weergegeven, de volgende overweging ingevoegd:
"Overwegende dat dit vereiste impliceert dat de lidstaten met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag, bepaalde eisen inzake taalgebruik kunnen stellen."
VI - Ten gronde
16 Zoals uit de verwijzingsbeschikking blijkt, wil de verwijzende rechter, teneinde de wettigheid van de opgelegde geldboete te kunnen beoordelen, in de eerste plaats vernemen, of artikel 3, lid 3, LMKV verenigbaar is met artikel 14 van de richtlijn. Voorts wenst hij met zijn eerste vraag te vernemen, of een nationale maatregel die voorschrijft dat de verplichte vermeldingen op voorverpakte levensmiddelen ten minste in de taal van deze staat worden aangebracht, met name in een eentalige lidstaat zoals Duitsland, verenigbaar is met artikel 14. De tweede prejudiciële vraag strekt ertoe, te vernemen of het feit dat in de winkel een extra bordje is aangebracht, volstaat om de voorlichting van de consument te verzekeren.
17 Om deze vragen te kunnen beantwoorden, is het noodzakelijk de context en het doel van de richtlijn alsmede enkele daarin gehanteerde begrippen, zoals "verbruiker" of "koper" en "gemakkelijk te begrijpen taal", te verduidelijken.
Het doel van de richtlijn
18 De rechtspraak van het Hof is niet geheel eenduidig ten aanzien van de doelstelling van de richtlijn, aangezien in sommige arresten het vrije verkeer van goederen als doel wordt genoemd, terwijl in andere de nadruk wordt gelegd op de bescherming van de consument. Het is echter uiterst belangrijk vast te stellen, welk doel de richtlijn precies nastreeft, omdat dit juist in twijfelgevallen, waar het veelal om gaat, de leidraad is voor de uitlegging van de bepalingen van de richtlijn.
19 In het arrest van 12 december 1990, SARPP(4), overwoog het Hof in punt 11: "Blijkens haar considerans beoogt deze richtlijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van de etikettering onderling aan te passen om aldus het vrije verkeer van levensmiddelen te vergemakkelijken." Zo ook heette het in punt 15 van het arrest van 18 juni 1991, Piageme (hierna: "Piageme I")(5): "Blijkens de eerste drie overwegingen van haar considerans heeft richtlijn 79/112 immers tot doel, de verschillen op te heffen die thans tussen de nationale bepalingen bestaan en die het vrije verkeer van producten belemmeren."(6)
20 Het Hof heeft echter zowel vóór als na deze arresten(7) onder verwijzing naar de zesde overweging van de considerans en artikel 2 van de richtlijn vastgesteld, dat "deze is vastgesteld met het oog op de voorlichting en bescherming van de eindverbruiker van levensmiddelen, inzonderheid met betrekking tot de aard, identiteit, hoedanigheden, samenstelling, hoeveelheid, houdbaarheid, oorsprong of herkomst en wijze van vervaardiging of verkrijging van die producten".(8)
21 Mijns inziens is de bescherming van de consument het directe en voornaamste doel van de richtlijn. Dit doel wordt bereikt door de reeks maatregelen die de richtlijn voorschrijft of verbiedt, dat wil zeggen door de concrete inhoud van de bepalingen die zij in het leven roept. Het vrije verkeer van goederen is daarentegen een indirect doel, dat wordt bereikt door het vaststellen van gemeenschappelijke regels inzake de etikettering van levensmiddelen.
22 In elk geval kan niet worden aangenomen, dat de richtlijn een verruiming van het vrije verkeer nastreeft in de zin van louter een vergroting van het importvolume(9), dat wil zeggen op basis van uitsluitend kwantitatieve criteria.
In feite leiden de uitvoerige regeling van het etiketteringsstelsel en de veelvuldige, door de richtlijn beoogde beperkingen (die met verloop van tijd door de successieve wijzigingen van de richtlijn steeds strenger zijn geworden) niet noodzakelijkerwijs tot een toename van de goederenstroom - althans in het beginstadium, dat wil zeggen totdat de lidstaten en de handel zich aan de gemeenschappelijke regels hebben aangepast.
Het vrije verkeer wordt begunstigd doordat de lidstaten geen voorwaarden meer mogen opleggen die verder gaan dan die welke de richtlijn absoluut noodzakelijk acht, behoudens voor zover uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald. Anders geformuleerd: de door de lidstaten in het leven geroepen overbodige beperkingen van het verkeer van levensmiddelen worden door de richtlijn afgeschaft. Daar de lidstaten echter evenmin bevoegd zijn minder strenge voorwaarden dan de noodzakelijke voorwaarden vast te stellen, blijkt het vrije verkeer van levensmiddelen in de goede zin van het woord te worden bevorderd, namelijk met inachtneming van de kwaliteit en de gezondheid, in plaats van alleen een stijging van de omzet. Bovendien bevordert dit een gezonde concurrentie tussen de producten en de voorrang van verhoudingsgewijs betere producten - in combinatie met een uniforme presentatie van de levensmiddelen, waardoor de keuze voor de consument wordt vergemakkelijkt.
De context van de richtlijn
23 De richtlijn streeft dus beide voornoemde doelstellingen naast elkaar na, die tegelijkertijd doelstellingen van het gemeenschapsrecht zijn.
Het vrije verkeer van goederen wordt immers door de artikelen 30 en volgende van het Verdrag gewaarborgd.
Voorts vormt volgens vaste rechtspraak de bescherming van de consument een doel van algemeen belang, dat beperkingen van voornoemde vrijheid rechtvaardigt(10), en behoort zij voortaan tot de werkterreinen van de Gemeenschap (artikel 3, sub s, EG-Verdrag, zoals gewijzigd bij het Verdrag betreffende de Europese Unie). Insgelijks bepaalt artikel 129 A, dat bij het Verdrag van Maastricht is opgenomen in het Derde deel van het Verdrag over het beleid van de Gemeenschap, dat dit bijdraagt "tot de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming" door middel van maatregelen op grond van artikel 100 A (sub a) en door middel van specifieke maatregelen ter ondersteuning en aanvulling van het beleid van de lidstaten om de gezondheid, de veiligheid en de economische belangen van de consumenten te beschermen en adequate consumentenvoorlichting te verschaffen (sub b).
Al is de richtlijn van eerdere datum dan voornoemd artikel, er moet van worden uitgegaan, dat zij met betrekking tot feiten die zich na het opnemen van artikel 129 A in het Verdrag hebben voorgedaan, moet worden uitgelegd met inachtneming van met name de daaruit voortvloeiende gebodsbepalingen.
24 Het is echter duidelijk, dat de door de richtlijn beoogde doelstellingen niet altijd onderling verenigbaar zijn. Vanuit deze optiek tracht de richtlijn dingen met elkaar te verzoenen die vaak onverenigbaar zijn.
25 Uiteraard moeten de gemeenschapsinstellingen en de lidstaten, en met name hun rechterlijke instanties, bij de uitlegging en toepassing van het gemeenschapsrecht rekening houden met de doelstellingen ervan, met inbegrip van voornoemde doeleinden, en deze op zodanige wijze met elkaar trachten te verzoenen, dat zij in de praktijk met elkaar stroken. Wanneer deze doelstellingen echter niet onderling verenigbaar zijn, is het onvermijdelijk - zodra de omvang van de inbreuk op en het risico voor elk van deze doelstellingen is vastgesteld en een afweging heeft plaatsgevonden tussen de voordelen die het nastreven van het ene doel met zich brengt en de schade waartoe een inbreuk op het andere doel leidt - dat aan het ene doel de voorkeur wordt gegeven met uitsluiting van het andere.
26 Deze beoordeling moet uiteraard plaatsvinden met inachtneming van de omstandigheden van het individuele geval. Daarnaast moet echter ook rekening worden gehouden met de uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende objectieve waardering en rangorde van het beschermde goed.
Ingeval zich een dergelijk conflict voordoet tussen het beginsel van het vrije verkeer van goederen en dat van de consumentenbescherming, heeft laatstgenoemd doel, als belangrijker of hiërarchisch hoger beginsel, in principe voorrang. Dit vloeit voort uit de omstandigheid dat de bescherming van de consument (evenals de andere redenen van algemeen belang die in artikel 36 staan opgesomd) in het stelsel van het Verdrag beperkingen van het vrije verkeer rechtvaardigt, terwijl het omgekeerde niet het geval is. Anders geformuleerd, een maatregel die van invloed is op het vrije verkeer, kan geoorloofd worden geacht voor zover zij noodzakelijk is met het oog op de menselijke gezondheid of de bescherming van de consument, terwijl een maatregel die inbreuk maakt op de menselijke gezondheid of de bescherming van de consument, niet geoorloofd kan worden geacht om de enkele reden dat zij het vrije verkeer van goederen, eventueel zelfs in hoge mate, bevordert.
Een typisch voorbeeld hiervan biedt het arrest Van der Veldt.(11) Het Hof overwoog daar, dat een lidstaat met een beroep op het dwingend vereiste van de consumentenbescherming mocht voorschrijven, dat de conserveermiddelen werden gespecificeerd die in een levensmiddel uit een andere lidstaat zaten, waar dat levensmiddel krachtens de in artikel 23, lid 1, sub a, van de richtlijn voorziene mogelijkheid wettig in de handel was gebracht onder de enkele vermelding van de verzamelnaam "conserveermiddel", ofschoon dit een beperking van het vrije verkeer van goederen vormde.(12)
27 Zo gezien, streeft artikel 14 in wezen hetzelfde doel na als artikel 36 van het Verdrag. Het concretiseert het beginsel van de consumentenbescherming als reden van algemeen belang die beperkingen van het vrije verkeer van goederen rechtvaardigt, en moet derhalve op dezelfde manier worden uitgelegd.(13)
28 Deze conclusie is vooral van belang in het kader van de beoordeling van de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van nationale maatregelen tot uitvoering van een richtlijn, en met name met het oog op de beantwoording van de vraag, of de verenigbaarheid enkel aan de bepalingen van de richtlijn moet worden getoetst en/of onder verwijzing naar de artikelen 30 tot en met 36 van het Verdrag. Ofschoon ik hierop te gelegener tijd in deze conclusie nog terugkom, wil ik in dit stadium reeds verschillende regels uit de rechtspraak noemen.
In de eerste plaats moeten nationale regelingen op gebieden die niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen, aan de artikelen 30 tot en met 36 van het Verdrag worden getoetst.(14)
In de tweede plaats moeten nationale regels waarmee richtlijnbepalingen concreet en volledig worden geïmplementeerd, dat wil zeggen regels die een "perfecte toepassing" bewerkstelligen (bijvoorbeeld regels die dwingend concrete verplichtingen in het leven roepen), aan de richtlijn worden getoetst. Indien de nationale maatregelen overeenstemmen met de richtlijn, moet ervan worden uitgegaan, dat zij ook met de bepalingen van het Verdrag overeenstemmen(15), zodat toetsing aan het Verdrag overbodig wordt.(16)
Tot slot moeten nationale maatregelen vastgesteld in het kader van richtlijnbepalingen die geen volledige harmonisatie beogen (zoals bepalingen die uitzonderingen toestaan of die lidstaten een ruime discretionaire bevoegdheid laten of vage rechtsbegrippen bevatten), niet alleen worden getoetst aan het doel van de richtlijn, maar ook aan de artikelen 30 en 36 van het Verdrag.(17)
Artikel 14 van de richtlijn
29 Zoals bekend, heeft het Hof artikel 14 van de richtlijn uitgelegd in zijn arresten van 18 juni 1991 (Piageme I) en 12 oktober 1995 (Piageme II).(18)
30 In deze zaken was de vraag aan de orde naar de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een Belgische regeling die voorschreef, dat de vermeldingen moesten worden aangebracht in de taal van het gebied waarin de levensmiddelen werden verkocht. In het eerste arrest (Piageme I) overwoog het Hof, dat artikel 14 het gebruik van een bepaalde taal niet voorschrijft (punt 13). Weliswaar blijkt volgens het Hof uit een letterlijke uitlegging van het artikel, dat de taal van het betrokken gebied de facto de voor de kopers "gemakkelijkst" te begrijpen taal is, doch gelet op de omstandigheid dat de richtlijn "immers tot doel [heeft], de verschillen op te heffen die thans tussen de nationale bepalingen bestaan en die het vrije verkeer van producten belemmeren, (...) verlangt artikel 14 enkel een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal; volgens dit artikel kan, wanneer de relevante vermeldingen niet in een gemakkelijk te begrijpen taal zijn aangebracht, de binnenkomst van levensmiddelen op het grondgebied van een lidstaat voorts worden toegestaan indien $de koper door andere maatregelen wordt ingelicht'" (punt 15).
Het Hof concludeerde hieruit, dat het opleggen van een strengere verplichting dan die om een gemakkelijk te begrijpen taal te gebruiken, zoals bijvoorbeeld de verplichting om uitsluitend de taal van het taalgebied te bezigen, en het ontbreken van de mogelijkheid de verbruiker door andere maatregelen in te lichten, verder gaat dan hetgeen de richtlijn voorschrijft. Vervolgens stelde het vast: "De verplichting om uitsluitend de taal van het taalgebied te gebruiken, zou een bij artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormen" (punt 16).
Op grond hiervan kwam het Hof tot de slotsom, "dat artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG eraan in de weg staan, dat een nationale wettelijke regeling het uitsluitend gebruik van een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen voorschrijft, zonder de mogelijkheid open te laten dat een andere voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal wordt gebruikt of dat de koper door andere maatregelen wordt ingelicht".
31 Dit arrest bevatte enkele aanwijzingen met betrekking tot de betekenis van het begrip "gemakkelijk te begrijpen taal". Naar echter achteraf bleek, waren deze aanwijzingen ontoereikend, want Belgische rechters kwamen op het vraagstuk terug en verzochten om nadere opheldering. Dit viel te verwachten. De door de raadselachtige bepaling van artikel 14, tweede alinea, opgeworpen vraag heeft namelijk niet zozeer betrekking op hetgeen de richtlijn verbiedt, als wel op wat zij toestaat of toelaat. Bovenal gaat het er echter om, of het begrip "gemakkelijk te begrijpen taal" door de lidstaat moet worden verduidelijkt aan de hand van algemene toepassingsbepalingen dan wel door de rechter per concreet geval, en aan de hand van welke criteria dat moet gebeuren.
32 In de zaak Piageme II stelde een andere Belgische rechter de vraag, of een nationale maatregel gerechtvaardigd is uit hoofde van de artikelen 128 en 129 A van het Verdrag, wanneer het gebruik van andere talen daarin niet wordt uitgesloten.
33 In het in deze zaak gewezen arrest stelde het Hof allereerst vast: "De uitdrukking $gemakkelijk te begrijpen taal' in artikel 14 van de richtlijn betekent niet hetzelfde als $officiële taal van de lidstaat' of $taal van het taalgebied'. Er wordt veeleer mee gedoeld op de informatievoorziening van de consument dan op het voorschrijven van een bepaalde taal" (punt 15).
Na te hebben opgemerkt dat andere communautaire etiketteringsregels, zoals richtlijn 92/27/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende de etikettering en de bijsluiter van geneesmiddelen voor menselijk gebruik(19), uitdrukkelijk het gebruik van de officiële taal of talen voorschrijven van de lidstaat waar het product in de handel wordt gebracht, stelde het Hof vervolgens onder verwijzing naar het arrest Piageme I vast:
"De verplichting een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen te gebruiken, ook al wordt het gelijktijdig gebruik van andere talen niet uitgesloten, is eveneens strenger dan de verplichting om een gemakkelijk te begrijpen taal te gebruiken.
Artikel 128 noch artikel 129 A van het Verdrag nu staat een lidstaat toe, een strengere regeling in te voeren dan die van de richtlijn.
Gelet op het voorgaande behoeft het probleem niet te worden onderzocht vanuit het oogpunt van artikel 30."(20)
Het Hof stelde voorts vast, dat "de nationale rechter (...) in ieder concreet geval [moet] beoordelen, of de gegevens op de etikettering de consumenten volledig kunnen informeren over de in de richtlijn bedoelde verplichte vermeldingen" (punt 28), en of de vermeldingen "die in een andere dan de in de betrokken lidstaat of streek overwegend gebruikte taal zijn gesteld, gemakkelijk te begrijpen zijn voor de consumenten van die lidstaat of streek" (punt 29).
Het Hof noemde in dit verband verschillende factoren die "relevant [kunnen] zijn - zonder evenwel op zich beslissend te zijn -, zoals de eventuele gelijkenis van woorden in verschillende talen, de algemene kennis van meer dan een taal bij de betrokken bevolking, of bijzondere omstandigheden zoals een grootscheepse informatiecampagne of een ruime verspreiding van het product, mits kan worden vastgesteld, dat de consument daardoor voldoende wordt ingelicht" (punt 30).
Op grond hiervan verklaarde het Hof voor recht: "Artikel 14 van [de] richtlijn (...) staat eraan in de weg, dat een lidstaat in het licht van het vereiste van een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, het gebruik van de taal verplicht stelt die overwegend wordt gesproken in het gebied waar het product te koop wordt aangeboden, ook al wordt het gelijktijdig gebruik van andere talen niet uitgesloten" (punt 1 van het dictum).
34 Ik heb deze uitvoerige passages uit beide arresten aangehaald, omdat ik het weliswaar eens ben met de beslissing van het Hof, doch enigszins betwijfel of die beslissing wel op de juiste gronden berusten. In elk geval onderschrijf ik het standpunt van de Franse regering in haar schriftelijke opmerkingen, dat de gevonden oplossing weliswaar geschikt is voor een lidstaat die een bijzondere taalregeling kent, zoals België, doch niet kan worden toegepast op eentalige lidstaten zoals Duitsland, Portugal of Griekenland.
35 Om te beginnen zal ik enkele opmerkingen maken over de hierboven aangehaalde uitspraken, hetgeen de beantwoording van de prejudiciële vraag volgens mij vergemakkelijkt.
36 Allereerst moet worden vastgesteld, dat de in het arrest Piageme I gelegde link tussen de richtlijn en artikel 30 van het Verdrag geen erg gelukkige keuze is geweest en wel met name om de volgende twee redenen.
37 In de eerste plaats was het, zoals reeds uiteengezet, geen toeval dat het vrije verkeer van goederen tot hoofddoel van de richtlijn werd gekozen. Dit is ongetwijfeld van invloed geweest op de motivering van zowel het eerste als het tweede arrest, welk laatste voortborduurt op het eerste. Vanuit dit oogpunt gezien, verandert er niets door de omstandigheid dat een beoordeling van het probleem in het licht van artikel 30 in het arrest Piageme II niet noodzakelijk werd geacht, omdat het Hof zich enerzijds weliswaar op het eerste arrest beroept, doch anderzijds niet uitdrukkelijk afstand neemt van zijn uitlegging.
38 In de tweede plaats is het toepassingsgebied van de richtlijn niet volledig identiek aan die van artikel 30 van het Verdrag, omdat deze ruimer is. Vaststaat immers, dat artikel 30 van het Verdrag de afschaffing beoogt van belemmeringen bij de invoer van goederen in een lidstaat, terwijl de richtlijn van toepassing is op levensmiddelen die in de gehele Gemeenschap worden verkocht, zonder dat een onderscheid naar herkomst wordt gemaakt, dus zowel op nationale als ingevoerde levensmiddelen. Bijgevolg geldt de regeling van de richtlijn voor nationale en ingevoerde producten, terwijl een met de artikelen 30 en 36 onverenigbare regeling uitsluitend kan gelden voor ingevoerde producten.(21)
Mitsdien is in het geheel niet de vraag aan de orde, onder welke voorwaarden artikel 14 de "binnenkomst van levensmiddelen op het grondgebied van een lidstaat", bijvoorbeeld door toedoen van een groothandelaar, toestaat(22), aangezien de richtlijn betrekking heeft op de etikettering van voorverpakte levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker (zie de vijfde overweging van de considerans van de richtlijn).(23)
Gelet hierop zou de algemene toepassing van voornoemde rechtspraak betekenen, dat een lidstaat het aanbrengen van de vermeldingen in de nationale taal zelfs niet mag voorschrijven met betrekking tot levensmiddelen die in het binnenland zijn geproduceerd en in de handel zijn gebracht, een onaanvaardbare uitkomst waarvoor de richtlijn geen basis biedt.
39 De vragen die het arrest Piageme I(24) open heeft gelaten, zijn ook na het arrest Piageme II nog steeds onbeantwoord, terwijl er onvermijdelijk andere vragen bij zijn gekomen, zoals: wat is de gemakkelijk te begrijpen taal, wanneer dit de officile taal noch de taal van het gebied is? Is het misschien de nationale taal? Kunnen de lidstaten op taalgebied nog wettelijke voorschriften uitvaardigen of niet? Met welke "koper" moet bij de beoordeling van de gemakkelijk te begrijpen taal rekening worden gehouden, indien de nationale rechter zulks van geval tot geval beoordeelt? Is het de concrete koper van het gebied of de gemiddelde koper van de lidstaat? Staat het ten slotte aan de handelaar om te bepalen, of de koper in deze of gene taal dan wel "door andere maatregelen" wordt voorgelicht?
40 Volgens mij bevat artikel 14 een regel en een uitzondering. De regel is, dat de etikettering van levensmiddelen moet worden aangebracht in een voor de "kopers" (in het meervoud), dat wil zeggen het kooppubliek in het algemeen, gemakkelijk te begrijpen taal. Indien dit niet geschiedt, zien de lidstaten erop toe, dat het product niet in de handel wordt gebracht.
De uitzondering bestaat erin, dat een verbod om een product in de handel te brengen, niet is toegestaan wanneer de voorlichting van de "koper" (in het enkelvoud), dat wil zeggen in het concrete individuele geval, door middel van andere maatregelen is gewaarborgd.
Voornoemde regel wordt aangevuld door de meer specifieke regel, dat de lidstaten het aanbrengen van de vermeldingen in meer talen niet mogen verbieden.
41 Uit de formulering van deze en andere bepalingen van de richtlijn, die bijvoorbeeld voorschrijven dat de vermeldingen "begrijpelijk geformuleerd" moeten zijn(25), of die de inhoud en de exacte bewoordingen van de vermelding vastleggen(26), blijkt, dat de vermeldingen in beginsel slechts in schriftelijke taal op het etiket mogen zijn aangebracht. Alleen de taal kan namelijk een volledige en betrouwbare voorlichting geven over alle ingrediënten en de andere vermeldingen die door de richtlijn zijn voorgeschreven. Dientengevolge kan de vraag naar de voorlichting van de verbruiker door andere maatregelen slechts in uitzonderingsgevallen aan de orde zijn, namelijk alleen wanneer de taal waarin het etiket is opgesteld, niet gemakkelijk te begrijpen is.
42 Hieruit volgt, dat de voorlichting door het geschreven woord en de voorlichting door andere maatregelen dan het geschreven woord niet gelijkwaardig en onderling verwisselbaar zijn en niet ter beoordeling staan van de lidstaten of de bevoegde autoriteiten, laat staan van de handelaar.
43 Stellig is de taal niet het enige semiotische systeem dat mensen in staat stelt te communiceren. Er zijn ook andere systemen, die klaarblijkelijk zelfs aan de taal zijn voorafgegaan, zoals wenken, gebaren, afbeeldingen, enzovoort. De laatste categorie varieert van de grottekeningen in Lascaux, antieke muurschilderingen en middeleeuwse miniaturen, tot de hedendaagse muurschilderingen (graffiti), stripverhalen en de verschillende afbeeldingen en symbolen die een boodschap overbrengen.
44 Zo is het niet uitgesloten, dat een getalenteerd tekenaar een groot aantal kenmerken van voorverpakt vlees door middel van tekeningen weergeeft(27); hij kan echter niet alle kenmerken weergeven waarover de verbruiker ingevolge de richtlijn moet worden voorgelicht. Voorts zou het ontcijferen van dergelijke tekeningen zoveel tijd, handigheid en vertrouwdheid vergen, dat dit tot problemen zou leiden.
Wat hiervan ook zij, dit is niet de wijze van communiceren die in een moderne samenleving gebruikelijk is, en in elk geval is het niet het systeem waarop de richtlijn doelt. De richtlijn is gericht op de menselijke taal, en niet op een willekeurige taal, doch een taal die voor de verbruiker "gemakkelijk te begrijpen" is.
45 Het is derhalve van belang vast te stellen, op welke verbruikers de richtlijn doelt. Daarbij moet ervan worden uitgegaan, dat de richtlijn zich richt op de verbruiker die zich normaal en voorzichtig gedraagt en geen specifieke kennis heeft of bijzondere eisen stelt. De gemiddelde normale verbruiker dus, die de belichaming vormt van het kooppubliek in het algemeen. Aangezien de verbruiker in staat moet zijn het geschreven etiket met de vermeldingen over het levensmiddel te lezen, doelt de richtlijn op de gemiddelde verbruiker die zijn taal voldoende kan lezen en schrijven. Verbruikers met individuele of bijzondere eigenschappen, zoals meertaligen of analfabeten, zijn dus evenzeer uitgesloten als verbruikers die tot bepaalde groeperingen, gemeenschappen of gebieden behoren.
46 Het feit dat van de gemiddelde verbruiker wordt uitgegaan, betekent niet, dat het om een slecht voorgelichte of niet veeleisende verbruiker gaat. Het is alom bekend, dat de gewoonten van verbruikers zich heden ten dage verder hebben ontwikkeld en dat de eisen zijn toegenomen. De verbruiker koopt een product niet (en mag daartoe ook niet worden aangemoedigd) los van de speciale eigenschappen ervan of omdat hiervoor toevallig meer reclame wordt gemaakt, doch hij kiest het product dat aan zijn feitelijke behoeften beantwoordt, en verlangt hierover zo veel mogelijk informatie. De juiste informatie met het oog op een kwalitatief verantwoorde keuze is niet alleen een doel van gemeenschapsrecht, doch ook een legitiem beleidsdoel van de lidstaten. Het Hof heeft in dit verband herhaaldelijk erkend, "dat de lidstaten [met betrekking tot de bescherming van consumenten] het recht hebben erop toe te zien, dat de consumenten correct worden voorgelicht over de producten die hun worden aangeboden, en aldus in staat worden gesteld aan de hand van die informatie hun keuze te maken", en dat die voorlichting ook kan worden gegeven door een passend etiket aan te brengen.(28) De richtlijn heeft dus betrekking op de gemiddeld geïnformeerde verbruiker.
47 Tot slot gaat het niet om een verbruiker ongeacht plaats en tijd. Uit het feit dat de richtlijn tot de lidstaten is gericht, die zij verplicht uitvoeringsmaatregelen ten gunste van de verbruikers vast te stellen, blijkt, dat de door de lidstaten te beschermen verbruikers in de eerste plaats de eigen onderdanen zijn.
48 Bijgevolg moet onder "gemakkelijk te begrijpen" taal in de zin van artikel 14 worden verstaan de taal die gemakkelijk te begrijpen is voor de gemiddeld geïnformeerde verbruiker van de staat waar het concreet om gaat.
49 De vraag is nu, welke taal dit is en wie dit bepaalt: de betrokken lidstaat door middel van algemene uitvoeringsbepalingen of de rechter per concreet geval?
50 Mijns inziens moet dit de nationale, of voor zover zulks wettelijk is vastgelegd, de officiële taal van de staat zijn, of wanneer er meer dan één officiële taal is, ten minste één van deze talen naar keuze van de betrokkene. Een staat die voorschrijft, dat de vermeldingen op levensmiddelen ten minste in zijn officiële taal (of, naar keuze van de betrokkene, in een van de officiële talen) worden aangebracht, maakt derhalve geen inbreuk op artikel 14 van de richtlijn.
51 Niet zonder belang is, dat het Europees Parlement zich zowel in het kader van de voorbereidende werkzaamheden van de richtlijn - waarbij het opmerkte, dat het "aan zijn herhaald geuite eis [vasthoudt] dat de producenten verplicht worden de op de verpakking van de producten ter voorlichting van de verbruikers voorgeschreven vermeldingen ten minste in de taal of de talen van het ontvangende land te stellen, om riskante vergissingen of misverstanden te vermijden"(29) - alsook nadien in deze zin heeft uitgelaten.(30)
52 Verder heeft de Commissie, in antwoord op schriftelijke vragen van leden van het Europees Parlement naar aanleiding van het arrest Piageme I, bij monde van haar gemachtigde, de heer Bangemann, opgemerkt, dat een redelijk evenwicht moet worden gevonden tussen de noodzaak verkapte handelsbelemmeringen te bestrijden, en het recht van de consument op begrijpelijke informatie, en dat "de nationale taal/talen van het land kan/kunnen worden beschouwd als het meest objectieve algemene medium voor een begrijpelijke voorlichting van de consument". Volgens de Commissie moet worden onderzocht, of het gebruik van de landstaal dwingend moet worden voorgeschreven voor alle informatie die om redenen van algemeen belang aan de consument moet worden verstrekt.(31)
53 De Commissie kwam uitvoerig op dit onderwerp terug in de "Interpretatieve mededeling van de Commissie betreffende het gebruik van talen bij de verkoop van levensmiddelen naar aanleiding van het arrest $Peeters'".(32) Hierin zette zij onder meer uiteen: "Het staat vast dat de interpretatie van het begrip $voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal' aan de lidstaten moet worden overgelaten en dat een officiële taal van de lidstaat van verkoop in principe een taal is die waarborgt dat de consument de etikettering goed kan begrijpen" (punt 30 van de mededeling).
54 Deze overwegingen zijn geconcretiseerd in richtlijn 97/4 houdende wijziging van richtlijn 79/112, waarin het de lidstaten uitdrukkelijk werd toegestaan bij de etikettering van levensmiddelen hoofdzakelijk het gebruik van hun officiële taal of een van hun officiële talen voor te schrijven.(33) Ook al heeft richtlijn 97/4 geen terugwerkende kracht, dit neemt niet weg, dat zij mijns inziens de werkelijke bedoeling van de communautaire wetgever weergeeft, die volgens mij echter ook reeds blijkt uit de formulering en het doel van de richtlijn in haar oorspronkelijke versie.
55 In de eerste plaats schrijft de richtlijn het gebruik van een bepaalde taal weliswaar niet voor (arrest Piageme II, punt 15), doch dit betekent volgens de wetten der logica niet, dat zij het opleggen van een willekeurige taal verbiedt, daar zij dit laatste zonder meer kan toestaan of dulden.(34) Naar mijn mening hebben de lidstaten niet alleen het recht deze kwestie te regelen, doch zijn zij hiertoe ook verplicht in het belang van de uniforme toepassing van de richtlijn en de rechtszekerheid.
56 Allereerst zij erop gewezen, dat het beleid van de gemeenschapsinstellingen dienaangaande wordt gekenmerkt door het ontbreken van een systematische opzet en onderlinge samenhang. Zo wordt met betrekking tot de redactie van alle of een deel van de verplichte vermeldingen afwisselend de voorkeur gegeven aan:
a) de nationale taal/talen van de staat waarin het product in het verkeer wordt gebracht [artikel 8 van richtlijn 71/307/EEG van de Raad van 26 juli 1971, betreffende textielbenamingen (PB L 185, blz. 16); artikel 7, lid 2, van richtlijn 73/404/EEG van de Raad van 22 november 1973, betreffende detergentia (PB L 347, blz. 51); artikel 11, lid 9, van richtlijn 75/726/EEG van de Raad van 17 november 1975, betreffende vruchtensappen (PB L 311, blz. 40); artikel 11 van richtlijn 88/378/EEG van de Raad van 3 mei 1988, betreffende de veiligheid van speelgoed (PB L 187, blz. 1), enz.];
b) de officiële taal/talen van de staat waarin het verbruik plaatsvindt [onder meer artikel 8, lid 4, van richtlijn 88/379/EEG van de Raad van 7 juni 1988, betreffende gevaarlijke preparaten (PB L 187, blz. 14); artikel 4 van richtlijn 89/622/EEG van de Raad van 13 november 1989, betreffende de etikettering van tabaksproducten (PB L 359, blz. 1); artikel 8 van richtlijn 92/27; e.a.];
c) de officiële of nationale taal/talen van de staat waarin het verbruik plaatsvindt [artikel 7, lid 2, van richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976, betreffende kosmetische producten (PB L 262, blz. 169); artikel 7, lid 4, van richtlijn 78/631/EEG van de Raad van 26 juni 1978, betreffende gevaarlijke preparaten (PB L 206, blz. 13); terwijl onder meer richtlijn 89/117/EEG van de Raad van 13 februari 1989, betreffende de openbaarmaking van jaarstukken van bijkantoren van kredietinstellingen, de voorkeur geeft aan de redactie van de vereiste stukken in de officile nationale taal/talen van de staat (artikel 4)];
d) het gebruik van een voor de consument gemakkelijk te begrijpen taal [zie naast richtlijn 79/112 onder meer artikel 10 van richtlijn 89/107/EEG van de Raad van 21 december 1988, betreffende levensmiddelenadditieven (PB L 40, blz. 27); artikel 7, lid 3, van richtlijn 90/496/EEG van de Raad van 24 september 1990, betreffende de voedingswaarde-etikettering van levensmiddelen (PB L 276, blz. 40), e.a.];
e) ten minste én of meer nationale of officiële talen van de Gemeenschap, die door het land van bestemming wordt/worden vastgelegd [artikel 11 van richtlijn 79/373/EEG van de Raad van 2 april 1979 betreffende de handel in mengvoeders (PB L 86, blz. 30), zoals gewijzigd bij richtlijn 96/24/EG van de Raad van 29 april 1996 (PB L 125, blz. 33), terwijl de aanduiding aanvankelijk was voorgeschreven in een van de nationale of officiële talen van het land waarvoor de levensmiddelen bestemd waren].
Uit dit overzicht kan mijns inziens geen conclusie worden getrokken ten aanzien van de redenen waarom de gemeenschapsinstellingen er destijds voor hebben gekozen, het gebruik van deze of gene taal verplicht te stellen. Met name valt er geen regel te ontwaren volgens welke "strenge" eisen gelden voor producten die schadelijk voor de gezondheid zijn (bijvoorbeeld het verplicht stellen van de nationale of officile taal), terwijl ten aanzien van de overige producten (bijvoorbeeld levensmiddelen) met "minder strenge" eisen kan worden volstaan (bijvoorbeeld een gemakkelijk te begrijpen taal). Ware dit wel het geval, dan valt namelijk niet in te zien waarom bijvoorbeeld vruchtensappen schadelijk voor de gezondheid zijn en voorzien moeten zijn van een etiket in de nationale taal van de staat waarin zij worden genuttigd (zie hierboven sub a) en levensmiddelen daarentegen niet. Insgelijks kan men zich afvragen, waarom voedingsmiddelen moeten worden geëtiketteerd in een van de nationale of officiële talen van het land van bestemming (zie hierboven sub e), terwijl voor levensmiddelen een zogezegd soepeler criterium geldt.
Mitsdien kan aan de omstandigheid dat andere richtlijnen, zoals richtlijn 79/112, in etikettering in een andere taal voorzien, geen argument a contrario worden ontleend, zoals dit in punt 16 van het arrest Piageme II lijkt te zijn geschied. Verder zij erop gewezen, dat de meeste lidstaten voorschrijven dat de verplichte vermeldingen op levensmiddelen in (een van) hun nationale taal (talen) worden aangebracht, hetzij in het kader van maatregelen tot toepassing van de richtlijn, hetzij in het kader van algemene uitvoeringsmaatregelen op het gebied van de consumentenbescherming.(35)
57 Bovendien houden deze maatregelen in de regel verband met een meer algemeen beleid tot bescherming van de nationale of officiële talen, die in de meeste lidstaten door wettelijke en zelfs grondwettelijke bepalingen worden beschermd.(36)
58 Gelet hierop, moet het treffen van maatregelen als de litigieuze maatregel ruimhartiger worden bejegend, vooral in het kader van het legitieme belang dat de lidstaten bij bescherming van hun nationale taal hebben. Deze bezorgdheid komt reeds tot uiting in het nieuwe artikel 128 van het Verdrag, dat bij artikel G.37 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is ingevoegd. Dit artikel is gewijd aan de culturele verscheidenheid van de Gemeenschap (lid 1) en aan de bevoegdheid van de lidstaten met betrekking tot culturele vraagstukken (lid 5) en verplicht de gemeenschapsinstellingen bij hun optreden op grond van andere verdragsbepalingen rekening te houden met culturele aspecten (lid 4).
59 Dit artikel mag niet over het hoofd worden gezien bij de behandeling van zulke gevoelige kwesties als die van de nationale taal, die een wezenlijk element van de cultuur vormt. Zoals advocaat-generaal Darmon terecht opmerkte in zijn conclusie bij het arrest Groener(37), "[is] de bescherming van de taal een van de principekwesties die men niet opzij kan zetten zonder de culturele identiteit in haar kern aan te tasten (...) Elke staat [heeft] het recht (...) de diversiteit van zijn cultuurbezit te beschermen en zich voor dit beleid de middelen te verschaffen."(38)
60 In zijn arrest in deze zaak stelde het Hof, onder verwijzing naar de "bijzondere situatie in Ierland op taalkundig gebied" (punt 17), vast: "Het EEG-Verdrag verzet zich er niet tegen, dat een lidstaat een beleid voert tot bescherming en stimulering van een taal, die zowel de nationale taal als de eerste officiële taal is. De uitvoering van dat beleid mag echter niet leiden tot aantasting van een fundamentele vrijheid als het vrije verkeer van werknemers. De eisen die bij de uitvoeringsmaatregelen van een dergelijk beleid worden gesteld, mogen derhalve in geen geval onevenredig zijn aan het nagestreefde doel, en de wijze waarop zij worden toegepast, mag niet leiden tot discriminatie van de onderdanen van andere lidstaten" (punt 19).
61 De correcte en juridisch juiste behandeling van het onderwerp door het Hof in voornoemde zaak kan niet los worden gezien van de wijze waarop mijns inziens ook de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de hier bestreden maatregel, waarop ik dadelijk zal terugkomen, moet worden onderzocht.
62 Ik heb er reeds op gewezen (punt 55 supra), dat de kwestie van de gemakkelijk te begrijpen taal omwille van de rechtszekerheid voorwerp moet zijn van een algemene regeling in de lidstaten. Ik zal dit aanstonds onderbouwen.
63 In de eerste plaats is de richtlijn tot de lidstaten gericht en moeten deze passende maatregelen treffen met het oog op de uitvoering ervan (artikelen 16-22 en 26). Tot het treffen van deze maatregelen zijn de regio's noch de taalgemeenschappen of de nationale autoriteiten zelf bevoegd. Uiteraard moeten de nationale rechterlijke instanties de nationale maatregelen in het licht van de richtlijn uitleggen en, indien dit niet mogelijk is, de nationale maatregelen buiten toepassing laten. Dit betekent echter niet, dat zij in de plaats van de staat treden bij de uitoefening van diens wetgevende bevoegdheid of dat zij zelf de door hen voor juist gehouden maatregelen tot uitvoering van de richtlijn mogen vaststellen. Ook het verbod om een product in de handel te brengen, waarop de lidstaten volgens artikel 14 van de richtlijn via hun bevoegde autoriteiten moeten toezien en ten aanzien waarvan zij niet over discretionaire bevoegdheid beschikken, vereist derhalve nationale uitvoeringsmaatregelen.
64 Dit betekent naar mijn mening, dat de staat moet vastleggen wat de gemakkelijk te begrijpen taal in de zin van de richtlijn is, hetzij in de uitvoeringsmaatregelen van de richtlijn, hetzij onder verwijzing naar ter zake reeds bestaande bepalingen. Indien deze kwestie daarentegen van geval tot geval aan de beoordeling van nationale overheidsorganen werd overgelaten, zou dit tot verwarring en rechtsonzekerheid leiden.
65 In dit laatste geval zijn er namelijk geen duidelijke spelregels, zodat de fundamentele voorwaarde voor een goede werking van de mededinging ontbreekt. Elke handelaar zal naar eigen goeddunken handelen en ofwel oordelen - te goeder dan wel te kwader trouw - dat de taal op de etiketten van zijn goederen "gemakkelijk te begrijpen" is voor de consument, ofwel bidden dat de zaak niet bij de rechter aanhangig wordt gemaakt, ofwel hopen, dat - indien de zaak aan de rechter wordt voorgelegd - de uitspraak gunstig voor hem zal uitvallen en hij in elk geval tijd heeft gewonnen.
66 Anderzijds zal elke rechterlijke instantie van elke lidstaat bij gebreke van een nationale regel die als richtsnoer voor de beoordeling van het bij hem aanhangige geschil dient, in het duister tasten en proberen voor elk afzonderlijk geval en product een eigen regel af te leiden uit de algemene richtlijnen die uit de rechtspraak van het Hof voortvloeien. Bovendien zal hij er nimmer zeker van zijn, dat zijn uitspraken door de rechtspraak worden gedekt en dat hij deze eerbiedigt, zodat hij het Hof zonder ophouden prejudicile vragen zal stellen. Niet voor niets is het Hof in een relatief kort tijdsbestek reeds voor de derde maal(39) om uitlegging van de problematische zinsnede van artikel 14 van de richtlijn gevraagd door rechters die weliswaar bekend zijn met zijn rechtspraak, doch niet weten hoe deze toe te passen.
67 Ik kan mij met name niet aansluiten bij het standpunt, dat de nationale rechter bevoegd zou zijn per individueel geval te onderzoeken, of de door de lidstaat voorgeschreven taal al dan niet gemakkelijk te begrijpen is. Zou hij namelijk over deze bevoegdheid beschikken, dan zou dit resulteren in een afzonderlijke regel al naar gelang het product, de rechterlijke instantie, de plaats en het tijdstip van beoordeling, hetgeen niet alleen tot verwarring zou leiden, doch bovenal in de weg zou staan aan een uniforme toepassing van de richtlijn binnen de betrokken lidstaat. Bovendien zou een dergelijke oplossing met zekerheid tot de aanvaarding de facto leiden van de - in de arresten Piageme I en II terecht afgewezen - oplossing om de plaatselijke talen de jure als "gemakkelijk te begrijpen talen" voor te schrijven. Om het voorbeeld van België nog maar eens aan te halen, het zou in de praktijk het meest voor de hand liggen, dat de rechter van het Vlaamse Gewest het Nederlands als gemakkelijk te begrijpen taal aanmerkt(40), de rechter van het Waalse Gewest het Frans en de rechter van het Duitstalige gebied het Duits. Het resultaat van dit alles zou zijn, dat bijvoorbeeld de Italiaanse of Griekse producent die naar België wil exporteren, of de importeur van goederen uit deze landen zijn producten in drie verschillende talen moet etiketteren, omdat hij anders uit een groot deel van het land zou worden uitgesloten!
68 Naar mijn mening bestaat de bevoegdheid van de rechter niet uit het formuleren van de regel, doch uit het vaststellen van de uitzondering. Deze bevoegdheid komt met name tot uiting wanneer sancties worden opgelegd wegens inbreuken op een nationale regeling die het gebruik voorschrijft van de taal van de staat waarin de verkoop plaatsvindt, en behelst het onderzoek van de vraag, of de vermeldingen op het betrokken levensmiddel, ofschoon niet geredigeerd in de genoemde taal, op grond van bijzondere omstandigheden gemakkelijk te begrijpen zijn voor de gemiddelde consument. In dit geval namelijk zou toepassing van de nationale maatregel het doel van de richtlijn, te weten adequate voorlichting van de consument, te buiten gaan. Alsdan moet de nationale rechter de nationale maatregel onverenigbaar met de richtlijn verklaren en dus buiten toepassing laten: weliswaar niet volledig, doch slechts voor zover de maatregel, niettegenstaande het feit dat de voorlichting van de consument in werkelijkheid is verzekerd, in een sanctie voorziet.(41) Met andere woorden, hij zal de verplichting om de nationale taal te gebruiken, niet in zijn geheel ongeldig verklaren, doch de administratieve sanctie opheffen of in voorkomend geval geen strafrechtelijke sanctie opleggen.
69 Gelet op de grote verscheidenheid aan situaties is het niet eenvoudig vooraf te bepalen, welke elementen de rechter in aanmerking moet nemen bij de beslissing, of de consument in het aan hem voorgelegde geval al dan niet behoorlijk is voorgelicht.
In het arrest Piageme II (zie punt 33 supra) heeft het Hof reeds bepaalde aanwijzingen gegeven. Het merkte in dat verband echter ook op, dat geen van deze aanwijzingen op zich beslissend is. Want wat betekent het feit dat 50 % van de bewoners van een gebied vreemde talen spreekt, voor de overige 50 % van de bevolking, die de vermeldingen in een vreemde taal op levensmiddelen niet begrijpt? Of welke betekenis heeft een uitvoerige voorlichtingscampagne voor de consument die deze campagne over het hoofd heeft gezien? Met betrekking tot de overeenkomst tussen woorden in verschillende talen kan tot slot worden volstaan met de opmerking, dat een supermarkt niet de meest geschikte plaats is voor etymologische of taalvergelijkende oefeningen.
Hoe dan ook moet het uitgangspunt zijn, dat de uitzondering op de verplichting om de nationale taal te gebruiken, eng moet worden uitgelegd, zodat de regel niet wordt omgedraaid.
70 Verder zij opgemerkt, dat het vraagstuk betrekking heeft op alle door de richtlijn voorgeschreven vermeldingen en niet slechts op één of meer van die vermeldingen. Het argument van verdachte in het hoofdgeding, dat een product dat op grond van zijn naam algemene bekendheid geniet, kan worden uitgezonderd van de verplichting de desbetreffende vermelding aan te brengen in de taal die krachtens artikel 14 van de richtlijn wettig is vastgesteld door de staat waarin het product in de handel wordt gebracht, snijdt derhalve geen hout, omdat het hier slechts om één van de dwingend door de richtlijn voorgeschreven vermeldingen gaat.
71 Ook het onderscheid tussen producten met een "hoge bekendheidsgraad" en de overige producten - dus "minder bekende" of nieuwe producten - is irrelevant. Een uitlegging die de eerste categorie producten vrijstelt van verplichtingen die voor de overige producten gelden, vervalst de mededingingsregels en is in strijd met de richtlijn, omdat reeds bekende en ingeburgerde producten hierdoor stelselmatig worden begunstigd ten opzichte van minder bekende of nieuw geïntroduceerde producten. Immers, ervan uitgaande, dat het aanbrengen van vermeldingen in de taal van de staat waarin het product wordt verhandeld (bijvoorbeeld door het aanbrengen van een extra etiket), een financiële last vormt die voor het product kostenverhogend werkt, is het duidelijk, dat een vrijstelling van deze verplichting voor "bekende" (ingevoerde) producten, deze producten goedkoper en dus aantrekkelijker voor de consument maakt dan de (ingevoerde) producten van laatstgenoemde categorie. Aldus concurreren de producten echter niet onder gelijke voorwaarden op de markt, zodat de mededinging wordt vervalst.
72 Ik zal thans onderzoeken, onder welke voorwaarden de door de lidstaten opgelegde verplichting de nationale of officile taal(42) of één van de officiële talen te gebruiken, vanuit gemeenschapsrechtelijk oogpunt geoorloofd is.
73 In verband hiermee is een belangrijke vraag aan de orde, namelijk of deze geoorloofdheid moet worden onderzocht in het kader van artikel 14 van de richtlijn en/of in het licht van andere verdragsbepalingen, inzonderheid de artikelen 30 en 36.
74 Door het Hof is vastgesteld, dat de richtlijn geen volledige harmonisatie beoogt.(43) Bijgevolg zou men zich, zoals reeds opgemerkt (zie punt 28), op voornoemde verdragsbepalingen moeten richten. Naar mijn mening echter beoogt de richtlijn in haar huidige redactie, na verschillende wijzigingen, een vrij verstrekkende onderlinge aanpassing die in de buurt van harmonisatie komt. Voorts kan elke bepaling mijns inziens ook op zich worden beschouwd. Hierdoor krijgt artikel 14 een autonoom karakter. Weliswaar laat dit artikel de lidstaten een zekere beoordelingsvrijheid bij het bepalen van de gemakkelijk te begrijpen taal, doch dit neemt niet weg, dat de grenzen waarbinnen deze beoordelingsvrijheid moet worden uitgeoefend, door deze bepaling en de richtlijn worden vastgelegd. In elk geval, in aanmerking genomen dat de richtlijn en met name artikel 14 verschillende doeleinden met elkaar willen verzoenen(44), verschilt de uitleggingsmethode niet wezenlijk van die welke constant voor de artikelen 30 tot en met 36 wordt gebruikt.(45) Het gaat er derhalve om deze grenzen te bepalen, dat wil zeggen de voorwaarden vast te stellen waaronder bedoelde beoordelingsvrijheid van de lidstaten geen inbreuk maakt op het gemeenschapsrecht.
75 Uit het voorgaande volgt, dat de door artikel 14 toegekende beoordelingsvrijheid zo moet worden uitgeoefend, dat de consumenten worden beschermd en dat ook het vrije verkeer, voor zover mogelijk, niet in het gedrang komt. De door de lidstaten aan het gebruik van een taal gestelde grenzen moeten dus stroken met het beoogde doel en absoluut noodzakelijk zijn, dat wil zeggen, uit verscheidene geschikte maatregelen mag enkel de minst ingrijpende worden gekozen (zie punt 60 supra).
76 Het lijdt volgens mij geen twijfel, dat het gebruik van de nationale of officiële taal het meest geschikte middel is om de consument adequaat voor te lichten. Overigens is dit in grote lijnen ook door het Hof erkend. Zo overwoog het in het arrest van 9 augustus 1994, Meyhui(46), met betrekking tot de vraag naar de geldigheid van richtlijn 69/493/EEG van de Raad van 15 december 1969 voor de onderlinge aanpassing der wetgevingen van de lidstaten inzake kristalglas (PB L 326, blz. 36), die voorschreef dat producten moeten worden voorzien van bepaalde vermeldingen in de taal of de talen van de lidstaat van verhandeling: "Dat de consumenten van de lidstaat waar de producten worden verhandeld, informatie wordt verstrekt in de taal of de talen van die lidstaat is dus een passende beschermingsmaatregel [tegen de verwisseling van verschillende producten]. In dit verband moet worden vastgesteld, dat de door de nationale rechter genoemde hypothese, dat een andere taal voor de koper gemakkelijker te begrijpen zou zijn, zeer uitzonderlijk is." Deze laatste mogelijkheid moet echter tot het strikt noodzakelijke worden beperkt.
77 Opgemerkt zij in dit verband, dat artikel 14, lid 2, laatste volzin, zelf bepaalt, dat het gebruik van andere talen naast de verplichte talen geoorloofd is bij de etikettering. Deze dwingende bepaling is autonoom en bevat grenzen noch beperkingen. Mitsdien is zij rechtstreeks toepasselijk, ongeacht of de lidstaten haar in de uitvoeringsmaatregelen vermelden.
Dit betekent, dat een lidstaat niet het uitsluitend gebruik van zijn taal kan opleggen, of, anders geformuleerd, dat hij niet kan voorschrijven dat de etiketten op verpakkingen uitsluitend in zijn taal worden geredigeerd. Een dergelijke maatregel zou buitenlandse producenten of importeurs ertoe dwingen, de verpakking van hun producten te vervangen. Dit zou duidelijk tot begunstiging van nationale producten en tot een vermindering van de invoerstroom leiden en dus een ongerechtvaardigd strenge maatregel met gelijke werking als een kwantitatieve beperking vormen.
78 De meest geschikte oplossing is naar mijn mening het aanbrengen van een extra etiket, waarop de vermeldingen worden vertaald in de taal van de staat waarin het product wordt verhandeld. Deze oplossing brengt verhoudingsgewijs geringe kosten met zich mee en dient zowel het belang van de consument als van de handelaar.
Voorts brengt deze oplossing, indien toegepast in alle lidstaten, niet het gevaar met zich, dat de uit de ene lidstaat in een andere lidstaat ingevoerde producten worden begunstigd: de producten van de laatste lidstaat moeten namelijk op hun beurt in de taal van de eerste staat worden geëtiketteerd om hiernaar te kunnen worden uitgevoerd, zodat eventuele negatieve gevolgen van de etikettering elkaar wederzijds opheffen. Uit mededingingsoogpunt bevinden dus alle producten zich in dezelfde uitgangspositie.
Daarentegen kan de hier afgewezen zienswijze de indruk wekken, dat er talen in de Gemeenschap zijn die a priori "gemakkelijker te begrijpen" zijn dan andere. Dit is echter onaanvaardbaar, enerzijds wegens het beginsel van gelijkheid van de talen van de Gemeenschap en anderzijds omdat dit zou betekenen, dat producten met een bepaalde herkomst a priori een voordeel ten opzichte van andere producten zou worden gegund (namelijk het voordeel dat zij zonder etiket in de taal van de staat van verhandeling in het verkeer worden gebracht), waardoor de betrokken producenten in een ongelijke positie zouden worden gebracht en de gezonde mededinging binnen de Gemeenschap zou worden vervalst.
79 Het enige argument dat hiertegen zou kunnen worden ingebracht, zijn de kosten die ermee gemoeid gaan voor de producent of importeur, en de omstandigheid dat nationale producten hierdoor in strijd met artikel 30 van het Verdrag worden begunstigd ten detrimente van ingevoerde producten.
80 Dit argument lijkt mij niet steekhoudend. In de eerste plaats is het mijns inziens in het belang van de importeurs om hun producten bekendheid te geven en zodoende de gemiddelde verbruiker toegang tot die producten te verschaffen. Indien immers de hierboven geformuleerde stellingen(47) over het gedrag, de gewoonten en de behoeften van de huidige consument correct zijn, zal de gemiddelde consument (dat wil zeggen de grote massa van consumenten) een product dat geen vermeldingen bevat in een taal die hij begrijpt en spreekt, afwijzen en zich tot producten wenden die wel vermeldingen in de hem vertrouwde taal bevatten. Aldus zou de buitenlandse fabrikant of importeur die de relatief geringe kosten van het aanbrengen van een etiket met de eigenschappen van het product in de taal van de staat waarin het wordt verhandeld, wenst te besparen, het risico lopen aanzienlijke schade te lijden, doordat hij buiten de markt valt waarop hij een aandeel wil verwerven. Dit bevordert evenwel op generlei wijze het vrije verkeer van goederen en daarmee een van de doelstellingen van de richtlijn. Bovendien zou de consument op deze manier alleen maar onvoldoende worden ingelicht en zouden zijn keuzemogelijkheden, zoals de Zweedse regering terecht aanvoert, worden beperkt, aangezien hij geneigd zou zijn de producten te kiezen die vermeldingen in zijn taal dragen.
Ik denk, dat het Hof om deze reden in overeenkomstige gevallen heeft uitgemaakt, dat het aanbrengen van een extra (zelfklevend) etiket het meest geschikte middel is om doelstellingen te verwezenlijken die een belemmering voor het vrije verkeer van goederen vormen.(48)
81 Tot slot acht ik het vanzelfsprekend, dat een dergelijke verplichting slechts betrekking heeft op de door de richtlijn dwingend voorgeschreven vermeldingen en niet op de overige vermeldingen die eventueel op het product zijn aangebracht. Laatstgenoemde vermeldingen mogen worden weergegeven in de taal van herkomst van het product.
82 In meertalige staten mag echter geen verplichting worden opgelegd de vermeldingen aan te brengen in de taal van elk gebied. Wanneer er meer officiële talen zijn, moet ervan worden uitgegaan dat deze ten opzichte van elkaar gelijkwaardig zijn en dus min of meer bekend zijn bij de onderdanen van de lidstaat. Op grond hiervan ben ik van mening, dat de lidstaat in het licht van artikel 14 mag eisen, dat het aanbrengen van de vermeldingen in één van deze talen naar keuze van de handelaar geschiedt. In dit geval kiest de verkoper onder eigen verantwoordelijkheid één van deze talen uit en is het aanbrengen van de vermeldingen in deze taal in elk geval in overeenstemming met de richtlijn. Zou daarentegen het gebruik van de taal van de streek worden voorgeschreven, dan zouden de importeurs gedwongen zijn hun producten in verschillende talen te etiketteren en zou dus de invoer, met name de parallelinvoer, ongerechtvaardigde belemmeringen ondervinden.
De tweede prejudiciële vraag
83 De tweede vraag komt er in wezen op neer, of het volgens artikel 14 van de richtlijn is toegestaan, dat de consument niet door de etikettering, doch door het aanbrengen van borden in de verkoopruimte wordt ingelicht.
84 Ik zal hier verder niet op ingaan, omdat deze vraag reeds in het arrest Piageme II is beantwoord. In dit arrest stelde het Hof vast, dat de voorlichting van de consument, die niet noodzakelijkerwijs de koper is, niet wordt gewaarborgd door maatregelen los van het etiket, zoals bijvoorbeeld voorlichting op het verkooppunt of in het kader van grootscheepse informatiecampagnes (punt 26). Ik stel dan ook een dienovereenkomstig antwoord voor.
VII - Conclusie
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
"1) Artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, verbiedt een lidstaat niet, voor te schrijven dat de verplichte vermeldingen op de etiketten van levensmiddelen in ten minste de nationale of officiële taal van deze staat worden aangebracht, behalve wanneer de voorlichting van de verbruiker in de praktijk is gewaarborgd door maatregelen die de rechter geschikt acht.
2) De ingevolge richtlijn 79/112 verplichte vermeldingen moeten worden aangebracht op het etiket van de levensmiddelen; het aanbrengen ervan op andere plaatsen, zoals op borden die in de verkoopruimte zijn opgehangen, volstaat daartoe niet."
(1) - PB 1979, L 33, blz. 1. Vóór de feiten van het hoofdgeding is deze richtlijn gewijzigd bij richtlijn 86/197/EEG van de Raad van 26 mei 1986 (PB L 144, blz. 38) en richtlijn 89/395/EEG van de Raad van 14 juni 1989 (PB L 186, blz. 17), alsmede richtlijn 93/102/EG van de Commissie van 16 november 1993 (PB L 291, blz. 14). Nadien is de richtlijn op een wezenlijk punt gewijzigd bij richtlijn 97/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 (PB L 43, blz. 21). Ingevolge artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/395 kreeg de richtlijn de volgende titel: "Richtlijn van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame."
(2) - C-85/94, Jurispr. blz. I-2955.
(3) - Zie voetnoot 1.
(4) - C-241/89, Jurispr. blz. I-4695.
(5) - C-369/89, Jurispr. blz. I-2971.
(6) - Volledigheidshalve zij echter vermeld, dat het Hof in beide zaken in wezen het standpunt van advocaat-generaal Tesauro overnam (zie punt 3, resp. punt 6 van de conclusies in die zaken).
(7) - Zie arrest van 14 juli 1988, Smanor (298/87, Jurispr. blz. 4489, punt 30).
(8) - Zie arresten van 17 november 1993, Twee Provinciën (C-285/92, Jurispr. blz. I-6045, punt 15); 28 september 1994, Pfanni Werke (C-144/93, Jurispr. blz. I-4605, punt 15), en 17 september 1997, Dega (C-83/96, Jurispr. blz. I-5001, punt 16). Zie ook het in voetnoot 11 aangehaalde arrest Van der Veldt, punt 28.
(9) - Zo wordt het vrije verkeer van goederen in de zin van artikel 30 van het Verdrag gewoonlijk opgevat. Zie, bijvoorbeeld, arrest van 10 juli 1980, Commissie/Frankrijk (152/78, Jurispr. blz. 2299, punt 11).
(10) - Zie, onder meer, arresten van 20 februari 1979, Rewe (120/78, Jurispr. blz. 649); 13 december 1990, Pall (C-238/89, Jurispr. blz. I-4827, punten 11 en 12), en 2 februari 1994, Verband Sozialer Wettbewerb (C-315/92, Jurispr. blz. I-317, punt 13).
(11) - Arrest van 14 juli 1994 (C-17/93, Jurispr. blz. I-3537).
(12) - De in genoemd artikel 23 bedoelde mogelijkheid is bij artikel 1, lid 26, van richtlijn 89/395 afgeschaft, waarin werd overwogen, dat "richtlijn 79/112/EEG (...) in verscheidene gevallen voorziet in de mogelijkheid van afwijkingen op nationaal vlak", welke uitzonderingen "met het oog op de verwezenlijking van het nagestreefde tweeledige doel, namelijk voltooiing van de interne markt en betere voorlichting van alle consumenten in de Gemeenschap, (...) dienen te worden opgeheven" (eerste en tweede overweging van de considerans).
(13) - Zie arrest van 11 november 1997, Loendersloot (C-349/95, Jurispr. blz. I-6227), waarin het Hof oordeelde, dat artikel 7 van richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, en artikel 36 van het Verdrag de fundamentele belangen van bescherming van het merkrecht en het vrije verkeer van goederen binnen de gemeenschappelijke markt met elkaar in overeenstemming beogen te brengen, zodat die twee bepalingen, waar zij op hetzelfde resultaat zijn gericht, op identieke wijze moeten worden uitgelegd (punt 18).
(14) - Arrest SARPP, aangehaald in voetnoot 4, punt 15.
(15) - Uiteraard met uitzondering van het geval dat de bepalingen van de richtlijn ongeldig zijn in het licht van het Verdrag, wat hier niet aan de orde is.
(16) - Zie arrest van 5 april 1979, Ratti (148/78, Jurispr. blz. 1629, punt 36), en punt 20 van het arrest Piageme II (zie punten 29 en 30 van deze conclusie).
(17) - Zie arrest Van der Veldt, aangehaald in voetnoot 11, punt 25.
(18) - Aangehaald in voetnoot 5, resp. voetnoot 2.
(19) - PB L 113, blz. 8.
(20) - Punten 18-20.
(21) - Zie arrest van 18 februari 1987, Mathot (98/86, Jurispr. blz. 809, punten 7 en 11), en de arresten Smanor, aangehaald in voetnoot 7 (punt 36), en SARPP, aangehaald in voetnoot 4 (punt 16).
(22) - Zie punt 15 van het arrest Piageme I; vgl. hiervóór, punt 30.
(23) - Het behoeft geen betoog, dat de richtlijn op zich in elk geval geen grondslag biedt om de binnenkomst van levensmiddelen uit de ene in de andere lidstaat te verbieden om redenen betreffende het gemakkelijk te begrijpen karakter van de etikettering. In het algemeen is het ondenkbaar, dat in het tussenstadium, te weten voordat de goederen te koop worden aangeboden, een sanctie krachtens de richtlijn wordt opgelegd, omdat de verkoper tot dit tijdstip gerechtigd is de vereiste etikettering aan te brengen.
(24) - Zie punt 31 supra.
(25) - Zie artikel 11, lid 2.
(26) - Zie, bijvoorbeeld, bijlage I bij de richtlijn, zoals vervangen door richtlijn 93/102 van de Commissie; artikel 9 bis van de richtlijn, toegevoegd bij artikel 2, lid 19, van richtlijn 89/395 van de Raad; richtlijn 91/72 van de Commissie betreffende de aanduiding van aroma's in de lijst van ingredinten op het etiket van levensmiddelen, etc.
(27) - Zo zou een kaart het land van herkomst kunnen weergeven, de afbeelding van een dier de aard van het product, een weegschaal met getallen het gewicht, etc.
(28) - Arrest Smanor, aangehaald in noot 7, punten 18 en 19.
(29) - PB 1976, C 178, blz. 52.
(30) - Zie de Resolutie van 1992 over de noodzakelijke maatregelen voor consumentenbescherming en de volksgezondheid bij de voltooiing van de interne markt (PB C 94, blz. 217), die ik reeds in mijn conclusie in de zaak Piageme II heb vermeld (zie punt 19 van die conclusie).
(31) - Zie het gecombineerd antwoord van 5 januari 1993 (PB C 95, blz. 7).
(32) - PB 1993, C 345, blz. 3.
(33) - Zie punt 14 supra.
(34) - Zie, met betrekking tot de vier traditionele vormen van de deontische logica - bevelen, toestaan, verbieden en beslissingsvrijheid laten - en hun onderlinge relatie, o.a., B. S. Jackson, Semiotics and legal theory, Londen 1985, blz. 100 e.v., en J. Lyons, Semantics, Londen (1977) 1986, vol. 2, blz. 823-841.
(35) - Zie, te dien aanzien, de uitvoerige studie van de dienst (thans directoraat-generaal) consumentenbeleid van de Commissie, getiteld "Étude sur les principes et dispositions actuels concernant les exigences linguistiques en rapport avec la législation du consommateur dans la Communauté européenne" (Rapport final), éd. Bureau Européen des Unions des Consommateurs, Brussel, augustus 1993, blz. 9 e.v. (hierna: "studie").
(36) - Van een formele erkenning van de taal in de Grondwet is sprake in België, Spanje, Frankrijk, Ierland en Italië, terwijl Griekenland en Luxemburg de taal uitdrukkelijk in een wet erkennen. Andere lidstaten kennen speciale wetgeving voor bepaalde regio's (zie dienaangaande blz. 40 e.v. van de studie).
(37) - Arrest van 28 november 1989 (C-379/87, Jurispr. blz. 3967). In deze zaak was een Nederlands onderdaan niet tot kunstdocente aan een openbare school in Ierland benoemd, omdat zij geen kennis van de Ierse taal had, welke taal samen met het Engels de nationale taal van Ierland is. Het Hof overwoog, gelet op de aard van de taken van de betrokkene, dat een dergelijk vereiste van taalkennis volgens artikel 3, lid 1, laatste alinea, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, gerechtvaardigd is, "mits het betrokken vereiste deel uitmaakt van een beleid tot bevordering van de nationale taal die tegelijkertijd de eerste officiële taal is, en het vereiste op evenredige en niet-discriminerende wijze wordt gehanteerd" (punt 24).
(38) - Punten 19 en 20 van de conclusie.
(39) - Of voor de vierde keer, wanneer men de zaak Colim (C-33/97) in aanmerking neemt, waarin ik vandaag eveneens conclusie neem.
(40) - En dit was precies wat er gebeurde in het arrest dat de Belgische rechter in navolging van het arrest Piageme II op 27 juni 1996 wees. De nationale rechter besliste, dat de vermeldingen in de Franse of Duitse taal (ofschoon officiële talen van België) op flessen mineraalwater van de merken Perrier, Évian, Contrex en Apollinaris (ofschoon deze toch voldoende bekendheid bij het publiek genoten) niet begrijpelijk waren voor de consumenten in het Vlaamse Gewest!
(41) - Zie arrest van 16 december 1980, Fietje (27/80, Jurispr. blz. 3839, punt 12).
(42) - Zonder wetenschappelijke exactheid te pretenderen, hanteer ik het begrip nationale taal in de zin van de taal die op het gehele grondgebied van een lidstaat wordt gesproken, en het begrip officile taal in de zin van de taal die wettelijk als zodanig is erkend, ongeacht of zij tegelijkertijd de nationale taal is of in een deel van de lidstaat wordt gesproken.
(43) - Zie arrest Van der Veldt, reeds aangehaald, punt 26.
(44) - Met name wat artikel 14 betreft, zijn deze doeleinden enerzijds het vrije verkeer en anderzijds de consumentenbescherming en eventueel de bescherming van de nationale taal.
(45) - Zie punt 27 supra.
(46) - C-51/93, Jurispr. blz. I-3879. Zie ook arrest Piageme I, punt 14.
(47) - Zie punten 45-48.
(48) - Zie arrest Loendersloot, reeds aangehaald, punt 46. Overigens is het vaste rechtspraak, dat "de etikettering een van de minst ingrijpende belemmeringen van het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap vormt" (zie, bijvoorbeeld, arrest Van der Veldt, reeds aangehaald, punt 31).