Conclusie van advocaat-generaal Mischo van 2 april 1998. - Antonio Pontillo tegen Donatab Srl. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Pretura circondariale di Caserta - Italië. - Gemeenschappelijke ordening der markten - Ruwe tabak - Stelsel van prijzen en premies - Geldigheid van verordening (EEG) nr. 1738/91 van de Raad. Zaak C-372/96.
Jurisprudentie 1998 bladzijde I-05091
1 In het geding tussen Pontillo en de vennootschap Donatab heeft de Pretura circondariale di Caserta het Hof twee prejudiciële vragen gesteld over de geldigheid van verordening (EEG) nr. 1738/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot vaststelling van de voor de oogst van 1991 geldende streefprijzen, interventieprijzen, premiebedragen voor kopers van tabaksbladeren, afgeleide interventieprijzen voor verpakte tabak, referentiekwaliteiten, productiegebieden en van de gegarandeerde maximumhoeveelheden, en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1331/90.(1)
De toepasselijke wetgeving
2 Verordening (EEG) nr. 727/70 van de Raad van 21 april 1970 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak(2), voorzag in een steunregeling gebaseerd op streefprijzen en interventieprijzen voor tabaksbladeren uit de Gemeenschap, die door de Raad jaarlijks vóór 1 augustus voor de oogst van het volgende kalenderjaar werden vastgesteld. Telers konden hetzij hun productie verkopen aan de interventiebureaus, die verplicht waren ze tegen de interventieprijs te kopen, hetzij hun productie op de markt verkopen.
3 Ter bevordering van de aankopen bij de telers tegen een prijs die zo dicht mogelijk bij de streefprijs lag, bepaalde verordening nr. 727/70(3), dat onder bepaalde voorwaarden een premie werd toegekend aan kopers die de tabaksbladeren rechtstreeks van producenten van de Gemeenschap kochten en het gekochte product de eerste bewerking deden ondergaan en verpakten. De premie werd eveneens toegekend aan telers die hun eigen productie van tabaksbladeren de eerste bewerking deden ondergaan en verpakten.(4) Volgens artikel 4, lid 4, van deze verordening stelde de Raad vóór 1 november voor elke tabakssoort het voor de oogst van het volgende kalenderjaar geldende premiebedrag vast.
4 Om de toeneming van de tabaksproductie binnen de Gemeenschap binnen de perken te houden en terzelfder tijd de productie van soorten waarvoor afzetmoeilijkheden bestaan, tegen te gaan, werd bij verordening (EEG) nr. 1114/88 van de Raad van 25 april 1988(5) aan artikel 4 van verordening nr. 727/70 een lid 5 toegevoegd.
5 Na een aantal wijzigingen(6) luidden de relevante bepalingen van dit lid 5 voor de betrokken periode:
"5. Elk jaar stelt de Raad volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag voor elke tabakssoort of groep tabakssoorten die in de Gemeenschap worden geteeld en waarvoor de prijzen en premies worden vastgesteld, een gegarandeerde maximumhoeveelheid vast aan de hand van met name de marktverhoudingen, de sociaal-economische situatie en de situatie in de landbouw in de betrokken gebieden. De Raad stelt deze gegarandeerde hoeveelheden voor de oogst van 1990 gelijktijdig met die voor de oogst van 1989 vast. De totale gegarandeerde maximumhoeveelheid voor de Gemeenschap wordt voor de oogst van 1988 tot en met de oogst van 1993 op telkens 385 000 ton tabaksbladeren vastgesteld.
(...)
Onverminderd de artikelen 12 bis en 13 wordt per procent waarmede de productie van een soort of van een groep soorten de gegarandeerde maximumhoeveelheid overschrijdt, op de interventieprijs en de premie voor de betrokken soort of groep soorten een verlaging met 1 % toegepast. Een correctie die overeenkomt met de verlaging van de premie wordt toegepast op de streefprijs van de betrokken oogst.
De in de derde alinea bedoelde verlaging bedraagt maximaal 5 % voor de oogst van 1988 en maximaal 15 % voor de oogst van 1989 tot en met die van 1993.
Met het oog op de toepassing van dit lid stelt de Commissie vóór 31 juli vast of de productie de gegarandeerde maximumhoeveelheid voor een soort of groep soorten overschrijdt.
De bepalingen ter uitvoering van dit lid worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 17."
6 De prijs en de premie voor de soort Burley I werden voor de oogst van 1991 vastgesteld bij verordening nr. 1738/91.
7 Bij die verordening verlaagde de Raad de interventieprijs van 2 421 ECU/kg (oogst 1990) naar 2 102 ECU/kg (oogst 1991) en de bewerkingspremie van 2 103 ECU/kg naar 1 748 ECU/kg.
8 Bij verordening (EEG) nr. 2178/92 van 30 juli 1992(7) bepaalde de Commissie de werkelijke productie voor tabak van de oogst 1991 en stelde zij vast, dat de gegarandeerde maximumhoeveelheden waren overschreden. De overschrijding van de gegarandeerde maximumhoeveelheid van de tabakssoort Burley I, die op 46 750 ton was gesteld en waarvan in werkelijkheid 55 843 ton was geproduceerd, bedroeg 19,45 %. Het gevolg was, dat de interventieprijs en het premiebedrag met 15 % werden verlaagd, zodat de interventieprijs voor de oogst van 1991 1 787 ECU/kg bedroeg en het premiebedrag 1 486 ECU/kg.
Het hoofdgeding
9 Pontillo heeft een landbouwbedrijf in de Italiaanse provincie Caserta. Hij verkocht zijn tabaksoogst 1991 van de soort Burley I aan de in Caserta gevestigde onderneming Donatab, die de tabak verwerkt. Donatab vroeg en verkreeg van de Azienda di Stato per gli interventi nel mercato agricolo - Settore tabacco (hierna: "AIMA"), tegen zekerheidstelling de vooruitbetaling van de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 727/70 bedoelde premie.
10 Door verordening nr. 2178/92 zag Donatab zich genoodzaakt, de uit de verlaging van het premiebedrag voortvloeiende bedragen terug te betalen. Donatab deelde Pontillo daarop mee, dat hij haar een bedrag gelijk aan het percentage van de premieverlaging diende te betalen.
11 Daar Pontillo de premieverlaging onwettig achtte wegens ongeldigheid van de verordeningen betreffende de vaststelling van de prijzen, de premies en de gegarandeerde maximumhoeveelheden voor het oogstjaar 1991, dagvaardde hij Donatab voor de Pretura circondariale di Caserta, teneinde voor recht te doen verklaren, dat de betrokken vermindering niet aan hem mocht worden doorberekend.
12 De Pretura circondariale di Caserta heeft het Hof daarop een prejudiciële vraag gesteld over de geldigheid van verordening nr. 1738/91.(8) De Pretura had namelijk vastgesteld, dat de gegarandeerde maximumhoeveelheid voor de tabakssoort Burley I bij deze verordening met terugwerkende kracht was vastgesteld.
13 In zijn arrest in die zaak verklaarde het Hof voor recht, dat bij onderzoek van de gestelde vraag niet was gebleken van feiten of omstandigheden die de rechtsgeldigheid van de bestreden verordening konden aantasten, daar verordening nr. 1738/91 de gegarandeerde maximumhoeveelheid voor de oogst van 1991 van de soort Burley I niet had gewijzigd, aangezien deze reeds was vastgesteld bij bijlage V bij verordening (EEG) nr. 1331/90 van de Raad van 14 mei 1990(9), en dus voordat de betrokken telers een beslissing over de oogst van 1991 hadden moeten nemen.
14 In het kader van de onderhavige prejudiciële verwijzing, waarin het eveneens om de geldigheid van verordening nr. 1738/91 gaat, merkt de verwijzende rechter op, dat de voorgelegde vragen door andere motieven en aspecten zijn ingegeven dan die welke in het kader van zaak C-300/93 zijn behandeld.
De prejudiciële vragen
15 De Pretura circondariale di Caserta heeft het Hof twee nieuwe vragen voorgelegd, die luiden als volgt:
"1) Kan, gelet op het vertrouwensbeginsel en de $ratio' van de contingenteringsregeling, verordening (EEG) nr. 1738/91 van de Raad geldig worden geacht, voor zover daarbij een onverwachte en onvoorziene verlaging van de prijzen en de bewerkingspremie voor de tabakssoort Burley italiano wordt doorgevoerd op een zo laat tijdstip in het tabaksseizoen, dat er ook voor de meest voorzichtige en oplettende producent geen enkele manoeuvreerruimte overblijft?
2) Is het vanuit het oogpunt van schending van wezenlijke vormvoorschriften laakbaar, dat de bepalingen betreffende de tabakssoort Burley in verordening nr. 1738/91 expliciet noch impliciet zijn gemotiveerd en strenger zijn dan de bepalingen betreffende andere tabakssoorten, waarvoor nog grotere productieoverschotten zijn geconstateerd?"
De eerste vraag
16 De eerste vraag van de verwijzende rechter betreft de geldigheid van verordening nr. 1738/91, gelet op het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen.
17 In de verwijzingsbeschikking sluit de Pretura circondariale zich bij het betoog van verzoeker in het hoofdgeding aan en stelt zij, dat de verlaging van de prijzen en premies ingevolge de bestreden verordening "voor de situatie van telers van Burley I-tabak negatieve gevolgen heeft gehad, die noch op de datum waarop de telers hun planning voor de oogst van 1991 moesten maken, dat wil zeggen in november 1990, noch op de datum waarop de tabaksplanten in het veld moesten worden uitgeplant, dat wil zeggen februari 1991, te voorzien waren geweest".
18 Daar de bestreden verordening op 13 juni 1991 is vastgesteld en pas op 26 juni 1991 is bekendgemaakt, acht de Pretura de verordening "in strijd met het beginsel inzake bescherming van het gewettigd vertrouwen, aangezien zij met terugwerkende kracht van toepassing is op een tabaksproductie ten aanzien waarvan reeds onherroepelijke keuzes waren gemaakt".
19 Alle partijen die de aangevoerde ongeldigheid van verordening nr. 1738/91 onderschrijven merken op, dat de tabaksproducenten, in vergelijking met de gegevens waarop zij hun productiekeuzes aan het begin van het seizoen 1991 hebben gebaseerd, een dubbele verlaging hebben moeten accepteren: eerst van 13 % ingevolge verordening nr. 1738/91, en vervolgens van 15 % ingevolge de vaststelling van de Commissie, dat de gegarandeerde maximumhoeveelheid met 15 % was overschreden.(10) Laatstgenoemden hebben dus veel lagere winsten genoten dan zij redelijkerwijs mochten verwachten.
20 De verwijzende rechter, hierin gesteund door de schriftelijke opmerkingen van de Italiaanse en de Griekse regering, voegt hieraan toe:
"Bij de verlaging kan niet worden gesproken van een normaal handelsrisico waarmee een zorgvuldig en goed geïnformeerd producent normaliter rekening moet houden; de beschikbare gegevens inzake de markt van Burleytabak, waarop de producenten hun productiekeuzes aan het begin van het seizoen 1991 in redelijkheid hadden gebaseerd, hadden er juist toe aangemoedigd in de cultures te investeren. Zo waren met name de premies die op dat moment voor de oogst van 1990 uitbetaald zouden worden, hoger dan die welke voor de oogst van 1989 waren vastgesteld, en was er nog geen overschrijding van de gegarandeerde maximumhoeveelheid van de betrokken tabak geconstateerd."
21 Gelet op de gegevens feitelijk en rechtens moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat de handelwijze van de Raad en de Commissie zeer laakbaar is.
22 Het is immers een vast gegeven, dat verordening nr. 1738/91, waarbij de prijzen en premies voor de tabaksoogst van 1991 zijn vastgesteld, op 26 juni 1991 is bekendgemaakt, hetgeen voor de tabakssoort Burley I wil zeggen, nadat de tabak in februari 1991 in de daarvoor bestemde zaadbedden was uitgezaaid, en nadat de tabaksplanten in de volle grond waren uitgeplant, hetgeen vóór april 1991 diende te geschieden. Op de datum van bekendmaking van de verordening waren de contracten met de bedrijven die de eerste bewerking verrichten, een voorwaarde voor de toekenning van de premie, reeds gesloten en geregistreerd.(11)
23 Het is dus verbazingwekkend dat de Commissie, die toch de hoedster van de Verdragen is, haar prijsvoorstellen voor de oogst van 1991 pas in april 1991 heeft bekendgemaakt. Hierdoor was het voor de Raad onmogelijk, de streef- en interventieprijzen vóór 1 augustus 1990 en de premiebedragen voor 1 november 1990 vast te stellen, waartoe hij ingevolge verordening nr. 727/70 toch verplicht is.
24 Er kan evenwel geen twijfel over bestaan, dat de bij verordening nr. 727/70 voorgeschreven data de producenten in staat willen stellen, de beslissing over de door hen te planten tabakssoort met kennis van zaken te nemen.
25 Voorts bestaat er een sterke neiging, in deze zaak de door het Hof in zijn arrest Crispoltoni(12) gevolgde redenering toe te passen, hetgeen verzoeker in het hoofdgeding overigens ook vraagt. Blijkens dit arrest mogen producenten ervan uitgaan, dat eventuele maatregelen die consequenties hebben voor hun investeringen, hun tijdig ter kennis worden gebracht.
26 Ofschoon dit argument mij bijzonder aanspreekt, voel ik mij genoodzaakt op te merken, dat dit arrest de invoering van een nieuw instrument gedurende het seizoen betrof, namelijk de regeling van de gegarandeerde maximumhoeveelheden. Het ging in dat geval om de overgang van een onbeperkte garantieregeling naar een regeling die, afhankelijk van de geproduceerde hoeveelheid, een sterk afnemende garantie inhield. De producenten van de tabakssoort waar het in die zaak om ging konden op het moment van planting immers niet voorzien, dat de Raad tegen het einde van het seizoen een dergelijke contingenteringsregeling zou invoeren en zo de voordien geldende regeling zou wijzigen. Het was dus in die context dat het Hof de Raad gelastte, maatregelen die consequenties voor de investeringen van de producenten hebben, tijdig aan te kondigen.
27 Anders dan de verzoekers in de zaak Crispoltoni I, moesten de producenten van de tabakssoort Burley I er rekening mee houden, dat de Raad een verordening zou vaststellen, waarbij de prijzen en de premiebedragen voor de oogst van 1991 zouden worden bepaald. Verordening nr. 1331/90 gold per definitie uitsluitend voor de oogst van 1990. Tot aan de vaststelling van verordening nr. 1738/91 bestond er dus een juridische leemte.
28 Er moest dus wel een verordening van de Raad komen en die verordening moest, wegens de vertraging bij de vaststelling ervan, terugwerkende kracht hebben. De Raad kon een dergelijk besluit niet achterwege laten, op grond dat het noodzakelijkerwijs terugwerkende kracht zou hebben. Hij was verplicht de zo langverwachte prijzen uiteindelijk vast te stellen.
29 Het gaat in casu daarom niet om een nieuwe regeling die met terugwerkende kracht van toepassing werd. De Raad heeft de voordien geldende regeling immers niet gewijzigd. Het gaat om de vertraagde vaststelling van prijzen en premiebedragen voor een oogst.
30 De vertraagde vaststelling van de bestreden verordening kan mijns inziens echter niet wegens de vermeende schending van het gewettigd vertrouwen van de producenten, een grond voor ongeldigheid opleveren.
31 Om te beginnen staat vast, dat de Raad op het gebied van de vaststelling van prijzen en premiebedragen over een discretionaire bevoegdheid beschikt. Dit blijkt uit de vaste rechtspraak, die het Hof in het arrest Crispoltoni II(13), dat dezelfde verordening betrof, in herinnering bracht:
"Er zij aan herinnerd dat, ook al is het vertrouwensbeginsel een van de fundamentele beginselen van de Gemeenschap, de marktdeelnemers niet mogen vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen, handelend krachtens hun discretionaire bevoegdheid, kan worden gewijzigd. Dit is met name het geval op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, die juist een voortdurende aanpassing mogelijk moeten maken, afhankelijk van de wijzigingen van de economische situatie (...)
Hieruit volgt, dat de marktdeelnemers zich niet kunnen beroepen op een verkregen recht om een uit een gemeenschappelijke marktordening voortvloeiend voordeel, dat hun op een bepaald ogenblik is toegekend, te behouden (...)
Een eventuele inkomensverlaging kan dus geen schending vormen van het vertrouwensbeginsel."
32 Ook al waren de gegarandeerde prijzen, gelijk verzoeker in het hoofdgeding opmerkt, in de voorgaande seizoenen gestegen, de marktdeelnemers mochten er dus geenszins op vertrouwen, dat deze ontwikkeling zich zou voortzetten en de prijzen op hetzelfde niveau als in het laatste seizoen zouden blijven.
33 De, zij het ook vertraagde, vaststelling van verordening nr. 1738/91 maakt deel uit van de verplichting van de Raad, de prijzen en premiebedragen jaarlijks vast te stellen. Bovendien heeft de Raad bij de nakoming van deze verplichting een discretionaire bevoegdheid ten aanzien van het niveau van de prijzen en de premiebedragen.
34 Uit het voorgaande volgt, dat het gewettigd vertrouwen van de tabaksproducenten niet is geschonden, aangezien zij, in de eerste plaats, de vaststelling van een verordening ter bepaling van de prijzen en premiebedragen dienden te verwachten en, in de tweede plaats, er niet op mochten vertrouwen, dat de prijzen en premiebedragen op een zeker niveau zouden blijven.
35 Deze conclusie doet niet af aan het feit, dat de handelwijze van de Commissie en de Raad bijzonder laakbaar was. De enig denkbare sanctie daarvoor zou echter zijn, indien alle voorwaarden terzake zijn vervuld, een vordering tot vergoeding van de schade die de producenten door de vertraagde vaststelling van de verordening hebben geleden.
36 Men kan in geen geval accepteren, dat de Raad en de Commissie - ook in de toekomst - de bij verordening nr. 727/70 voorgeschreven data ongestraft kunnen negeren en zo de landbouwers verplichten, hun productiekeuzes te maken terwijl er op twee punten onzekerheid bestaat:
- ten aanzien van de in beginsel geldende prijzen;
- ten aanzien van de prijzen die uiteindelijk, na de vaststelling van een eventuele overschrijding van de gegarandeerde maximumhoeveelheden, daadwerkelijk zullen worden toegepast.
37 Nog steeds in het kader van de eerste vraag, vraagt de verwijzende rechter vervolgens, of verordening nr. 1738/91, gelet op de ratio van de contingenteringsregeling, dat wil zeggen gelet op de ratio van verordening nr. 1114/88, geldig is.(14)
38 Met behulp van cijfers van de schommeling van de jaarlijks vastgestelde prijzen probeert verzoeker in het hoofdgeding aan te tonen, dat de Raad "de doelstellingen van de contingentering van de productie, zoals deze voortvloeien uit de considerans van verordening nr. 1114/88, waarbij de regeling van de gegarandeerde maximumhoeveelheden is ingevoerd, volkomen heeft genegeerd".
Volgens verzoeker in het hoofdgeding:
"Is zonder meer duidelijk (...), dat de door de Raad ingevoerde regeling van contingentering van de productie niet alleen is gebaseerd op de bepaling van een gegarandeerde maximumhoeveelheid, maar dat het niveau van de prijzen en premiebedragen hierin van aanzienlijk belang is en dat het beheer van de contingentering en van de betrokken manoeuvre juist plaatsvindt door middel van het niveau van de prijzen en premiebedragen. Indien men een productie wil afremmen, moet men dit in feite doen door invloed uit te oefenen op het niveau van de prijzen en premiebedragen binnen de gegarandeerde maximumhoeveelheid."
39 Dit argument is niet overtuigend. In de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 1738/91 wordt immers gepreciseerd, dat "de streefprijzen en de interventieprijzen voor tabaksbladeren moeten worden vastgesteld volgens de in artikel 2, lid 2, van verordening (EEG) nr. 727/70 bedoelde criteria, teneinde de productie een bepaalde oriëntatie te geven en met name de omschakeling te bevorderen op soorten die het meest worden gevraagd, het best kunnen concurreren en het minst schadelijk voor de gezondheid zijn".
40 Bij verordening nr. 1738/91 zijn de prijzen voor alle tabakssoorten verlaagd; zeven soorten zijn met ongeveer 13 % verlaagd, negen andere met 6 %.
41 De stelling, dat er "geen enkele aanpassing van de prijzen heeft plaatsgevonden, teneinde de teelt van sommige soorten en kwaliteiten aan te moedigen of te ontmoedigen", wordt dus tegengesproken door de verordening zelf.
42 Indien verzoeker in het hoofdgeding met dit betoog wil aantonen, dat de Raad, door de prijzen voor de oogst van 1991 in een zo laat stadium vast te stellen, niet meer in staat was de productie te beperken of de oogst van 1991 een bepaalde oriëntatie te geven, heeft hij zonder meer gelijk. Maar dat is hierboven reeds besproken.
43 Ik concludeer daarom, dat bij onderzoek van de eerste vraag van de verwijzende rechter niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 1738/91 kunnen aantasten.
De tweede vraag
44 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of verordening nr. 1738/91 wezenlijke vormvoorschriften schendt, doordat de daarin opgenomen bepalingen over de tabakssoort Burley I expliciet noch impliciet zijn gemotiveerd, terwijl zij strenger zijn dan de bepalingen betreffende andere tabakssoorten, waarvoor nog grotere productieoverschotten zijn geconstateerd.
45 De Griekse regering merkt op, dat "de overwegingen van de considerans van verordening nr. 1738/91 algemeen van inhoud zijn" en erkent, dat zij "een formeel karakter hebben, gelijk aan dat van de overwegingen die gewoonlijk zijn opgenomen in de verordeningen tot vaststelling van de prijzen en premiebedragen in de tabakssector". Zij stelt evenwel, dat "de overwegingen niet de noodzakelijke motivering bevatten om te kunnen vaststellen, waarom de betrokken maatregelen zijn getroffen en welk doel zij beogen". Zij concludeert hieruit, dat "onmogelijk kan worden gecontroleerd, of de getroffen maatregelen noodzakelijk en adequaat waren".
46 De verplichting om communautaire handelingen te motiveren strekt er inderdaad toe, de belanghebbenden in staat te stellen de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel te kennen en de rechter in staat te stellen zijn toezicht daadwerkelijk uit te oefenen.(15) De omvang van de motiveringsplicht hangt volgens vaste rechtspraak echter van de aard van de handeling af.(16)
47 Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld, dat "bij handelingen waaraan een algemene toepassing moet worden gegeven, zoals bij verordeningen, aan artikel 190 van het Verdrag is voldaan wanneer de maatregelen der instellingen op wezenlijke punten met redenen omkleed zijn en dat er op alle mogelijke detailpunten van een dergelijke maatregel geen specifieke redengeving mag worden verlangd zolang zij er stelselmatig toe behoren".(17)
48 In de vijf bijlagen bij verordening nr. 1738/91 zijn voor elk van de 34 tabakssoorten de volgende maatregelen opgenomen:
- de soorten en hun referentiekwaliteit (voor tabaksbladeren respectievelijk verpakte tabak);
- de erkende productiegebieden;
- de streef- en interventieprijzen;
- de premies;
- de afgeleide interventieprijzen voor verpakte tabak; - de gegarandeerde maximumhoeveelheid per soort of groep soorten.
49 Zonder het belang van de prijzen en de premies te willen bagatelliseren ben ik van mening, dat het overdreven zou zijn van de Raad te verlangen, dat hij elk van de talrijke maatregelen die in het kader van verordening nr. 1738/91 worden getroffen specifiek motiveert. Dit zou praktisch onmogelijk zijn geweest.
50 De Raad heeft in zijn schriftelijke opmerkingen dus terecht gesteld, dat "het voor hem volstaat uiteen te zetten, enerzijds, waarom hij de streef- en interventieprijzen heeft vastgesteld, hetgeen hij in de eerste drie overwegingen van de considerans heeft gedaan, en dat hij de regeling van de gegarandeerde maximumhoeveelheden motiveert (...)". Gelijk de Commissie heeft opgemerkt, "heeft de gemeenschapswetgever in de considerans van de verordening duidelijk aangegeven, welke de belangrijkste criteria bij de vaststelling van de prijzen in de sector ruwe tabak voor de oogst van 1991 zijn geweest".
51 Ik ben namelijk van mening, dat de twee overwegingen die betrekking hebben op de vaststelling van prijzen in het algemeen(18) en de zevende overweging van de considerans, betreffende de vaststelling van de premiebedragen(19), gelet op de aard en de omvang van de bestreden handeling, een toereikende en adequate motivering vormen.
52 Volgens verzoeker in het hoofdgeding heeft de tweede vraag van de Pretura niet alleen betrekking op de schending van wezenlijke vormvoorschriften als gevolg van een ontoereikende motivering, maar eveneens op een eventuele schending van het beginsel van gelijke behandeling van de verschillende soorten. Hij vraagt zich dus af, of "de producenten van de tabakssoort Burley niet zijn gediscrimineerd, vooral indien men in overweging neemt, dat deze soort is bestraft, zonder dat daarvoor enige rechtvaardiging is gegeven".
53 Dienaangaande wil ik erop wijzen, dat de beslissing van de Raad om de premies en prijzen voor de tabakssoort Burley I te verlagen, bij gebreke van enig bewijs van misbruik van bevoegdheid, een beleidskeuze vormt, die wordt gemaakt in het kader van de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid, en dat deze beslissing daarom niet als sanctie voor die soort kan worden aangemerkt. Bovendien brengt de keuze die de Raad maakt wanneer hij de productie van bepaalde soorten aanmoedigt, per definitie en noodzakelijkerwijs een verschil tussen de soorten mee.
54 Bij onderzoek van de tweede vraag is daarom evenmin gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 1738/91 kunnen aantasten.
Conclusie
55 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de twee vragen van de Pretura circondariale di Caserta te beantwoorden als volgt:
"Bij onderzoek van de twee vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van verordening (EEG) nr. 1738/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot vaststelling van de voor de oogst van 1991 geldende streefprijzen, interventieprijzen, premiebedragen voor kopers van tabaksbladeren, afgeleide interventieprijzen voor verpakte tabak, referentiekwaliteiten, productiegebieden en van de gegarandeerde maximumhoeveelheden, en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1331/90."
(1) - PB L 163, blz. 13.
(2) - PB L 94, blz. 1.
(3) - Artikel 3, lid 1.
(4) - Artikel 3, lid 2.
(5) - PB L 110, blz. 35.
(6) - Zie verordening (EEG) nr. 1251/89 van de Raad van 3 mei 1989 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 727/70 (PB L 129, blz. 16), en verordening (EEG) nr. 1329/90 van de Raad van 14 mei 1990 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 727/70 (PB L 132, blz. 25).
(7) - PB L 217, blz. 75.
(8) - Arrest van 5 oktober 1994, Crispoltoni e.a. (C-133/93, C-300/93 en C-362/93, Jurispr. blz. I-4863; hierna: "arrest Crispoltoni II").
(9) - PB L 132, blz. 28.
(10) - Verordening nr. 2178/92.
(11) - Zie arrest Crispoltoni II, reeds aangehaald, punt 67.
(12) - Arrest van 11 juli 1991 (C-368/89, Jurispr. blz. I-3695; hierna: "arrest Crispoltoni I").
(13) - Arrest reeds aangehaald, punten 57 e.v.
(14) - Verordening nr. 1114/88 is om de volgende redenen vastgesteld:<"NOTE", Font = F2, Left Margin = 0.721 inches, Tab Origin = Column>"overwegende dat om de toeneming van de tabaksproductie in de Gemeenschap binnen de perken te houden en terzelfder tijd de productie van soorten waarvoor afzetmoeilijkheden bestaan tegen te gaan, dient te worden bepaald dat bij overschrijding van een voor elke oogst vastgestelde gegarandeerde maximumhoeveelheid de prijzen en de premie naar evenredigheid worden verlaagd; dat voor de berekening van de afgeleide interventieprijs wordt uitgegaan van de interventieprijs, vermeerderd met bepaalde kosten; dat de toepassing van de verlagingscoëfficiënt op de afgeleide interventieprijs niet van invloed mag zijn op deze kosten;<"NOTE", Font = F2, Left Margin = 0.721 inches, Tab Origin = Column>overwegende dat bij de vaststelling van de maximumhoeveelheid met name rekening moet worden gehouden met de productiestatistieken en de marktsituatie; dat met het oog op de voortzetting van een beleid van omschakeling op de kwaliteiten die het best in de markt liggen en om rekening te houden met de specifieke sociaal-economische en regionale kenmerken van de tabaksproductie een gegarandeerde maximumhoeveelheid dient te worden vastgesteld voor elke tabakssoort of groep tabakssoorten; dat het dienstig is om, gedurende een beperkte periode, voor de verlaging van de prijzen en premies een maximum vast te stellen; dat verordening (EEG) nr. 727/70, laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1974/87, derhalve dient te worden gewijzigd".
(15) - Zie bijvoorbeeld arrest van 22 januari 1986, Eridania e.a. (250/84, Jurispr. blz. 117).
(16) - Zie bijvoorbeeld arrest van 30 november 1978, Welding (87/78, Jurispr. blz. 2457).
(17) - Arrest van 12 juli 1979, Italië/Raad (166/78, blz. 2575, punt 8).
(18) - "Overwegende dat bij de vaststelling van de prijzen in de sector ruwe tabak rekening moet worden gehouden met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid met name ten doel heeft de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, de voorziening veilig te stellen en redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te waarborgen;<"NOTE", Font = F2, Left Margin = 0.721 inches, Tab Origin = Column>overwegende dat de streefprijzen en de interventieprijzen voor tabaksbladeren moeten worden vastgesteld volgens de in artikel 2, lid 2, van verordening (EEG) nr. 727/70 bedoelde criteria, teneinde de productie een bepaalde oriëntatie te geven en met name de omschakeling te bevorderen op soorten die het meest worden gevraagd, het best kunnen concurreren en het minst schadelijk voor de gezondheid zijn."
(19) - "Overwegende dat de premie die wordt toegekend aan de kopers van in de Gemeenschap geproduceerde tabak, ten doel heeft de kopers in staat te stellen de producenten van tabaksbladeren een prijs te betalen die op het niveau ligt van de streefprijs, met inachtneming van de prijsontwikkeling op de wereldmarkt en van het uit vraag en aanbod op de markt van de Gemeenschap voortvloeiende prijspeil."