61996C0315

Conclusie van advocaat-generaal Léger van 4 november 1997. - Lopex Export GmbH tegen Hauptzollamt Hamburg-Jonas. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Finanzgericht Hamburg - Duitsland. - Douanerecht - Indeling van goederen - Verordening tot wijziging van indeling - Eerdere bindende tariefinlichting - Geldigheid. - Zaak C-315/96.

Jurisprudentie 1998 bladzijde I-00317


Conclusie van de advocaat generaal


1 Met de thans voorgelegde vragen wenst het Finanzgericht Hamburg te vernemen, of een gemeenschapsrechtelijke bepaling op grond waarvan de gemeenschapswetgever de douanenomenclatuur kan wijzigen zonder in een overgangsregeling te voorzien, in overeenstemming is met de beginselen van rechtszekerheid en van gewettigd vertrouwen; voorts wenst het Finanzgericht te vernemen welke consequenties aan een eventuele onverenigbaarheid moeten worden verbonden.

I - De relevante bepalingen van gemeenschapsrecht

2 Een "bindende tariefinlichting" als die waar het in deze zaak om gaat, is een inlichting omtrent de indeling van goederen in de douanenomenclatuur(1), die door de douaneautoriteiten wordt verstrekt en de administratie bindt.(2)

3 Artikel 13 van de verordening van 1990 luidt als volgt:

"Wanneer ten gevolge van het vaststellen van

- een verordening tot wijziging van de douanenomenclatuur,

- of van een verordening houdende vaststelling of wijziging van de indeling van goederen in de douanenomenclatuur,

een vroeger verstrekte bindende tariefinlichting niet in overeenstemming is met het aldus vastgestelde gemeenschapsrecht, houdt die inlichting op geldig te zijn vanaf het ogenblik waarop de betrokken verordening van toepassing wordt.

Wanneer in een verordening als bedoeld in de eerste alinea, tweede streepje, zulks met zoveel woorden wordt bepaald, kan de rechthebbende, indien hij een overeenkomst als bedoeld in artikel 14, lid 3, onder a of b, heeft gesloten, op een bindende tariefinlichting evenwel een beroep blijven doen gedurende de bij die verordening vastgestelde periode."(3)

4 Artikel 14, leden 3 en 4, van de verordening bepaalt:

"3. Wanneer het goederen betreft waarvoor een in- of uitvoercertificaat of een voorfixatiecertificaat is overgelegd bij het vervullen van de douaneformaliteiten, kan op de bindende tariefinlichting die krachtens lid 1(4) niet langer geldig is, door de rechthebbende nog een beroep worden gedaan gedurende de periode tijdens welke genoemd certificaat geldig blijft.

(...)

4. De toepassing onder de in lid 3 genoemde voorwaarden van de indeling die in de bindende tariefinlichting is aangegeven, geldt slechts ten aanzien van:

- de bepaling van de rechten bij invoer of bij uitvoer,

- de berekening van de restituties bij uitvoer en van alle andere bedragen die bij invoer of uitvoer in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden toegekend,

- het gebruik van in- of uitvoervergunningen, of van voorfixatiecertificaten die worden overgelegd bij het vervullen van de formaliteiten met het oog op de aanvaarding van de douaneaangifte voor de betrokken goederen voor zover deze vergunningen of certificaten zijn afgegeven op de grondslag van die inlichting."

5 Bij artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3798/91 van de Raad(5) werd de als bijlage bij verordening nr. 2658/87(6) gevoegde gecombineerde nomenclatuur aldus gewijzigd, dat gewijzigde wei, tot dan toe ingedeeld onder GN-onderverdeling 0404 90, onder GN-onderverdeling 0404 10 werd ingedeeld. Met ingang van 1 januari 1992, de datum van inwerkingtreding van de wijzigingsverordening, geldt GN-onderverdeling 0404 10 voor wei en gewijzigde wei.

6 In het kader van deze wijziging was niet in een overgangsregeling voorzien.

II - Feiten en procedure voor de nationale rechter

7 In het hoofdgeding gaat het om de toekenning van een restitutie bij uitvoer van ontsuikerde weipoeder, dat onder de benaming Anilac in de handel wordt gebracht en dat verzoekster in het hoofdgeding, Lopex Export GmbH (hierna: "Lopex"), op 29 en 30 juni 1992 heeft uitgevoerd. Deze restitutie werd op 6 juli 1992 aangevraagd.

8 De uitvoer vond plaats op basis van een op 31 december 1991 afgegeven uitvoercertificaat met een geldigheidsduur tot 30 juni 1992, waarbij een voorfixatiecertificaat van 20 december 1991 was gevoegd.

9 Bij een eerste bindende tariefinlichting die op 5 december 1988 aan de leveranciers van Lopex was verstrekt, had de douanedienst bevestigd dat het bedoelde product moest worden ingedeeld in GN-onderverdeling 0404 90. Omdat zij aarzelde tussen onderverdelingen 90 en 10 heeft de douanedienst deze tariefinlichting op 30 oktober 1990 weer ingetrokken.

10 Op 14 december 1990 vroeg Lopex zelf om een bindende tariefinlichting voor het betrokken product. Volgens deze tariefinlichting, verstrekt op 5 juni 1991, werd Anilac ingedeeld onder onderverdeling 0404 9013 0000. Na ontvangst van deze inlichting vroeg Lopex om nadere invulling van de laatste cijfers van deze onderverdeling. De douane verstrekte daarop op 26 augustus 1991 een aanvullende bindende tariefinlichting, houdende indeling onder onderverdeling 0404 9013 1200. In beide tariefinlichtingen wees de douane een indeling onder onderverdeling 0404 10 uitdrukkelijk van de hand, omdat de samenstelling van het product Anilac wezenlijk anders was dan die van wei.

11 Bij een nieuwe bindende tariefinlichting van 28 oktober 1991, naar aanleiding van het oorspronkelijke verzoek van verzoekster van 14 december 1990, deelde de douane het product evenwel toch in onder onderverdeling 0404 10, "overeenkomstig de samenstelling van het product".

12 Na ontvangst van deze tariefinlichting verzocht Lopex om handhaving van de geldigheid van de eerdere indeling onder GN-onderverdeling 0404 9013 1200 tot en met 30 april 1992. Na een briefwisseling met Lopex besloten de douaneautoriteiten op 9 december 1991 de geldigheid van de eerdere tariefinlichting nog zes maanden na de intrekking ervan tijdelijk te handhaven.

13 Bij verordening (EEG) nr. 3798/91, vastgesteld op 19 december 1991, werd gewijzigde wei voortaan ingedeeld in onderverdeling 0404 10, zonder dat daarbij in een overgangsregeling werd voorzien.

14 Op 11 augustus 1992 wees het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, verweerder in het hoofdgeding, een op 6 juli 1992 door Lopex ingediende aanvraag voor restitutie bij uitvoer af, op grond dat de Zolltechnische Prüf- und Lehranstalt (opleidings- en onderzoeksinstituut op het gebied van douanetechnische vraagstukken) het litigieuze product had ingedeeld onder onderverdeling 0404 1011 0000 - een post die geen recht geeft op restitutie bij uitvoer - en de geldigheid van de andersluidende eerdere bindende tariefinlichting op 28 april 1992 was verlopen.

15 Op 1 september 1992 diende Lopex tegen deze beslissing een bezwaarschrift in, waarin zij zich beriep op het haar verstrekte uitvoercertificaat met bijgevoegd voorfixatiecertificaat, dat geldig was tot en met 30 juni 1992, en op de ongeldigheid van artikel 13, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1715/90, voor zover inhoudende dat een bindende tariefinlichting ophoudt geldig te zijn wanneer niet in een overgangstermijn is voorzien.

16 Het Hauptzollamt Hamburg-Jonas wees dit bezwaarschrift af onder verwijzing naar de wijziging van de douanenomenclatuur bij de verordening van 1991 en naar artikel 13, eerste alinea, eerste streepje, van de verordening van 1990.

17 Lopex wendde zich daarop tot het Finanzgericht Hamburg met een vordering tot betaling van 889 880,04 DM aan restitutie bij uitvoer, overeenkomstig haar aanvraag van 6 juli 1992. Met dit beroep voerde zij aan, dat artikel 13, eerste alinea, eerste streepje, van de verordening van 1990, voor zover bepalende dat de vaststelling van een verordening tot wijziging van de douanenomenclatuur de ongeldigheid van een vroegere bindende tariefinlichting met zich brengt, zonder te voorzien in een overgangstermijn als bedoeld in artikel 14, lid 3, van dezelfde verordening, in strijd is met het vertrouwensbeginsel en het vereiste van rechtszekerheid. Lopex stelde in dit verband, dat zij afgaande op de tariefinlichting van 28 augustus 1991(7) contracten had afgesloten die niet meer konden worden opgezegd, zodat de onmiddellijke wijziging van haar recht op restitutie voor haar een aanzienlijke commerciële schade betekende.

III - De prejudiciële vragen

18 Het Finanzgericht Hamburg stelde vast, dat het product Anilac dat door Lopex werd uitgevoerd, per 1 januari 1992 moest worden ingedeeld onder onderverdeling 0404 10, die geen recht op restitutie bij uitvoer geeft, zodat Lopex vanaf die datum alleen aanspraak kon maken op restitutie bij uitvoer wanneer de eerder verstrekte bindende tariefinlichting nog geldig was, en besloot de behandeling van de zaak te schorsen in afwachting van een uitspraak van het Hof over de volgende prejudiciële vragen:

"1) Is artikel 13, eerste volzin, eerste streepje, van verordening (EEG) nr. 1715/90, voor zover dit zonder in een overgangsregeling te voorzien, bepaalt, dat door de vaststelling van een verordening tot wijziging van de douanenomenclatuur een bindende tariefinlichting met onmiddellijke ingang ongeldig wordt, verenigbaar met het gemeenschapsrecht, gelet op het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel?

2) Zo neen, welke gevolgen heeft dit in het bijzonder indien er een van de gewijzigde nomenclatuur afwijkende bindende tariefinlichting is verstrekt en/of een exportvergunning met voorfixatiecertificaat is afgegeven, die nog zes maanden geldig is?

Moet de beslissing over de eventuele tijdelijke verlenging van de geldigheid van een bindende tariefinlichting worden genomen aan de hand van de algemene beginselen inzake bescherming van het gewettigd vertrouwen, en is daarvoor met name het bestaan vereist van een ten opzichte van het gemeenschapsbelang te beschermen vertrouwen van de exporteur? Geldt dit ook met betrekking tot artikel 14, lid 4, derde streepje, van verordening nr. 1715/90, bepalende dat het voorfixatiecertificaat moet $zijn afgegeven op de grondslag van die inlichting'?"

IV - De eerste vraag

19 Alvorens de geldigheid te onderzoeken van artikel 13, eerste alinea, eerste streepje, van de verordening van 1990, zoals de verwijzende rechter vraagt, wil ik erop wijzen dat die verordening werd ingetrokken bij de reeds aangehaalde verordening nr. 2913/92 (hierna: "douanewetboek").

20 Eén van de veranderingen die zijn ingevoerd bij artikel 12, leden 5 en 6, van het douanewetboek(8), waarbij artikel 13 van de verordening van 1990 werd vervangen, is te vinden in de laatste alinea van lid 6: de gemeenschapswetgever kan voorzien in een overgangstermijn waarbij de geldigheid van een tariefinlichting die niet met een wijzigingsregeling in overeenstemming is, wordt verlengd.

21 De vragen van de verwijzende rechter verliezen daardoor echter niet aan relevantie, want het gaat hier om niet meer dan een voor de wetgever openstaande mogelijkheid. Het valt dus niet uit te sluiten, dat bij de vaststelling van een rechtstreeks toepasselijke verordening de wettigheid van artikel 12 van het douanewetboek in het licht van de hierboven genoemde beginselen op soortgelijke gronden wordt aangevochten als in de onderhavige zaak, zodat de beoordeling door het Hof van de geldigheid van artikel 13, eerste alinea, eerste streepje, van de verordening van 1990 naar alle waarschijnlijkheid ook zal gelden voor de daarmee overeenstemmende bepalingen van het douanewetboek, gezien de overeenkomst tussen de twee teksten. Zeer belangrijk daarbij is evenwel, dat het geschil voor de nationale rechter van vóór 1 januari 1994 dateert, de datum van inwerkingtreding van het douanewetboek.(9)

Het in artikel 13 gemaakte onderscheid

22 Het lijkt paradoxaal dat de geldigheid van een tekst die naar eigen verklaring tot doel heeft "een zekere rechtszekerheid te verschaffen aan het bedrijfsleven bij de uitoefening van zijn activiteit (...)"(10), uitgerekend op grond van de beginselen van het gewettigd vertrouwen en de rechtszekerheid wordt aangevochten.

23 Artikel 13 van de verordening van 1990 onderscheidt twee regelingen voor de werking in de tijd van verordeningen inzake de douanenomenclatuur. In sommige gevallen kan de gemeenschapswetgever de geldigheid van een bindende tariefinlichting, die niet meer met de nieuwe regels in overeenstemming is, gedurende een zekere tijd handhaven, terwijl in andere gevallen niet in overgangsbepalingen is voorzien.

24 Het verschil tussen de regelingen omtrent de inwerkingtreding komt overeen met het traditionele verschil tussen wijzigingsverordeningen en indelingsverordeningen, dat voortvloeit uit verordening nr. 2658/87.

25 Men bedenke dat de gemeenschapswetgever, in het bijzonder de Commissie, naast de bevoegdheid tot wijziging van de douanenomenclatuur ook de mogelijkheid heeft om de inhoud van de tariefposten die voor de indeling van een bepaalde waar in aanmerking komen, nader toe te lichten.(11)

26 Ingevolge artikel 13, tweede alinea, van de verordening van 1990, kunnen zulke indelingsverordeningen voorzien in overgangsbepalingen(12), hetgeen niet het geval is bij verordeningen tot wijziging van de douanenomenclatuur.(13)

27 De verordening van 1991 behoort zonder twijfel tot deze laatste categorie, omdat gewijzigde wei daarbij voortaan wordt ingedeeld onder GN-onderverdeling 0404 10. Het Hauptzollamt Hamburg-Jonas heeft dus aangenomen dat de bindende tariefinlichting, nu deze vóór de datum van inwerkingtreding van de verordening was verstrekt, op dat moment haar geldigheid verloor.

28 Lopex zet uiteen, dat zij toestemming had gedurende een overgangstermijn van 6 maanden de bindende tariefinlichting te volgen, zodat de toepassing van artikel 13, eerste alinea, van de verordening van 1990 een schending van haar vertrouwen oplevert.

Het beginsel van gewettigd vertrouwen

29 De beslissing ten gunste van Lopex om de geldigheid van de op 28 oktober 1991 ingetrokken tariefinlichting te handhaven, en de afgifte, op 20 december 1991, van een voorfixatiecertificaat en zelfs, op 31 december 1991, van een uitvoercertificaat, na de publicatie van de verordening van 1991, zouden haar vertrouwen kunnen rechtvaardigen in haar recht op de uitvoerrestitutie.

30 Of dat vertrouwen echter gewettigd was, wordt twijfelachtig wanneer men de juiste draagwijdte van beide verordeningen en van artikel 13 van de verordening van 1990 nader beschouwt, en het geschil nauwkeurig in de tijd lokaliseert.

31 Te dien einde moet worden herinnerd aan de betekenis en de draagwijdte van de gemeenschapsrechtelijke beginselen, waarover de verwijzende rechter wenst te worden ingelicht.

32 Volgens de rechtspraak van het Hof wordt het gewettigd vertrouwen, dat te beschouwen is als een fundamenteel beginsel van de Gemeenschap(14), niet beschaamd wanneer de marktdeelnemers wijzigingen in de regeling, die ten nadele van hun belangen werken, hebben kunnen voorzien. Het Hof heeft verklaard, dat ingevolge de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen "(...) de communautaire wettelijke bepalingen duidelijk moeten zijn, zodat er door de justitiabelen op kan worden afgegaan".(15) De justitiabele kan zich des te minder beroepen op verworven rechten naarmate hij duidelijke informatie heeft ontvangen over de te verwachten ontwikkelingen in de juridische context van zijn bedrijfsactiviteiten.

33 Tevens is van belang dat de gemeenschapswetgever zijn regelgevende bevoegdheid kan uitoefenen, hetgeen vereist dat hij vrij is de bestaande regeling te wijzigen.

34 In het arrest van 13 maart 1997, Eridania Beghin-Say, liet het Hof de Raad een vrij ruime beoordelingsbevoegdheid bij de uitoefening van zijn bevoegdheden tot wijziging van de douanenomenclatuur.(16)

35 Het Hof werd gevraagd om een uitspraak over de geldigheid, in het licht van het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel, van een verordening waarbij de mogelijkheid tot gebruik van het equivalentieverkeer in het kader van de regeling actieve veredeling afhankelijk werd gesteld van de voorwaarde, dat de equivalente goederen onder dezelfde onderverdeling van het gemeenschappelijk douanetarief moesten vallen als de invoergoederen. De twee betrokken producten in het equivalentieverkeer - rietsuiker en ruwe bietsuiker - werden, binnen een tijdspanne van enkele jaren, eerst onder dezelfde onderverdeling, vervolgens elk onder een verschillende onderverdeling en ten slotte opnieuw onder dezelfde onderverdeling ingedeeld. De marktdeelnemer moest ervaren dat zijn verplichtingen jegens de douanedienst telkens wisselden naargelang de betrokken producten door de successieve wijzigingen in de tariefnomenclatuur binnen dan wel buiten de werkingssfeer van de regeling actieve veredeling kwamen te vallen.

36 Het Hof stelde vast, dat de wetgeving waarvan de geldigheid werd betwist, "(...) de werkingssfeer van dit systeem [van equivalentieverkeer] afhankelijk stelt van een criterium uit een andere regeling dan die inzake de actieve veredeling en waarvan de draagwijdte kan variëren, met name naargelang de periodieke wijzigingen van de tariefnomenclatuur".(17) Het Hof concludeerde vervolgens, dat de marktdeelnemer "(...) enkel erop [kan] vertrouwen van het equivalentieverkeer gebruik te kunnen maken, indien de betrokken goederen volgens de nomenclatuur die ten tijde van de operatie van kracht is, onder dezelfde onderverdeling vallen".(18)

37 Aan de hand van het arrest Eridania Beghin-Say kan de manoeuvreerruimte die het Hof de Raad wenst te laten op het gebied van de wijziging van de gecombineerde nomenclatuur, nauwkeuriger worden afgebakend. Het Hof heeft zich aldus indirect maar ondubbelzinnig op het standpunt gesteld, dat een marktdeelnemer geen gewettigd vertrouwen mocht koesteren in de handhaving van een tariefonderverdeling, omdat de nomenclatuur nu eenmaal veranderlijk is en steeds aan de economische realiteit moet kunnen worden aangepast.

38 De vragen die de aanleiding voor dit arrest waren, hadden evenwel geen betrekking op de noodzaak van overgangsbepalingen, waarmee volgens Lopex verordeningen tot wijziging van de douanenomenclatuur moeten worden aangevuld.

39 Nu de tariefnomenclatuur soepel en snel moet kunnen worden gewijzigd, moet worden nagegaan onder welke voorwaarden een marktdeelnemer als Lopex het recht toekomt zich op een bindende tariefinlichting als de onderhavige te beroepen en aldus van de regeling gebruik te maken zoals die gold vóór de inwerkingtreding van de verordening van 1991.

40 Toepassing van het beginsel van gewettigd vertrouwen komt in casu eerst aan de orde na beantwoording van de vraag, of Lopex een aanspraak op verworven rechten kan doen gelden of althans, zoals het Hof het uitdrukt(19), zodanige "gegronde verwachtingen" mag koesteren, dat zij er aanspraak op kan maken dat de tariefinlichting, waarop haar aanvraag is gebaseerd, gehandhaafd blijft.

41 Ik herinner eraan, dat aan Lopex tijdelijke handhaving van de geldigheid van de bindende tariefinlichting werd toegestaan voor een periode van zes maanden na intrekking ervan, en dat haar acht dagen vóór de publicatie van de verordening van 1991 een voorfixatiecertificaat werd toegekend. Ook haar bezwaarschrift tegen de afwijzing van haar verzoek om restitutie werd verworpen op grond van met name het feit dat de douanenomenclatuur bij laatstgenoemde verordening was gewijzigd.(20)

42 De door Lopex gestelde schade vloeit dus niet rechtstreeks voort uit de verordening van 1990, waarvan artikel 13 het onderwerp is van de onderhavige prejudiciële vraag, maar veeleer uit de verordening van 1991, ook al is het ontbreken van een overgangsregeling een gevolg van de strikte toepassing van de eerstbedoelde verordening.

43 Beslissend is volgens mij dat, al wijst niets erop dat Lopex op de hoogte was van de op handen zijnde verordening van 1991, de verordening van 1990 in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 werd gepubliceerd en op 1 januari 1991 van toepassing is geworden.(21) Ik moet dus vaststellen, dat met uitzondering van de eerste bindende tariefinlichting die aan de leveranciers van Lopex werd verstrekt, iedere verdere stap door Lopex naar volvoering van de litigieuze uitvoertransacties werd beheerst door een gemeenschapsregeling, waaruit duidelijk blijkt dat de geldigheid van een bindende tariefinlichting zonder voorafgaande overgangsregeling kan eindigen, door de onmiddellijke inwerkingtreding van een verordening tot wijziging van de douanenomenclatuur.

44 Op zichzelf tast de verordening van 1990 niet de belangen van de marktdeelnemers aan, omdat zij geldt voor de toekomst, en regels vaststelt die zullen gelden voor toekomstige verordeningen, die op het tijdstip van bekendmaking van de verordening van 1990 nog niet bestonden. Zolang deze nog niet zijn vastgesteld, komt er geen enkele wijziging in het voor de lopende transacties geldende recht. De regel dat er geen overgangsregeling is voor verordeningen tot wijziging van de douanenomenclatuur, waarschuwt de marktdeelnemers bovendien voor het permanente risico van een wijziging van de nomenclatuur.

45 Artikel 13 van de verordening van 1990 verzekert dus de voorzienbaarheid, niet zozeer van toekomstige wijzigingen van de verordeningen, als wel van de voorwaarden waaronder deze zullen plaatsvinden. Het komt mij voor dat deze voorzienbaarheid de marktdeelnemers ervoor zou moeten behoeden teveel vertrouwen te stellen niet alleen in de duurzaamheid van een communautaire wettelijke regeling, maar ook in de kansen op een overgangsregeling bij de inwerkingtreding van zulke wijzigingen, ter vrijwaring van hun rechten en verwachtingen.(22)

46 Dat artikel 13 toepasselijk was op het moment waarop Lopex haar uitvoertransacties aangaat, staat er volgens mij dus aan in de weg dat zij zich beroept op "administratieve handelingen die subjectieve rechten in het leven roepen (...) die grond kunnen zijn voor een gewettigd vertrouwen", of op "feitelijke situaties waarvan de wezenlijke elementen reeds aanwezig waren op het moment dat een nieuwe regeling in werking treedt", en waarvoor het tot dusver geldende recht zou moeten blijven gelden.(23)

47 Een bindende tariefinlichting die de administratie slechts bindt voor wat betreft de indeling van een goed in de douanenomenclatuur(24) kan immers geen bron zijn van verworven rechten die aan de wetgever kunnen worden tegengeworpen, wanneer die inlichting is verstrekt in het kader van een regeling die voorziet in de mogelijkheid dat de nomenclatuur zonder overgangsperiode wordt gewijzigd.

48 Evenzeer vergeefs lijkt mij het beroep op het arrest van het Hof CNTA/Commissie(25), ten betoge dat een gewettigd vertrouwen zou zijn gebaseerd op "onherroepelijk aangegane transacties [wegens de verkrijging van] uitvoercertificaten met prefixatie van het restitutiebedrag (...)".(26) Daarmee zou men immers voorbijgaan aan de andere overwegingen in dit arrest, volgens welke het aldus omschreven vertrouwen een waarborg vormt tegen iedere "onvoorzienbare wijziging" van de wetgeving.(27) Dit is niet het geval bij de regeling waar het in deze zaak om gaat, omdat zoals wij hebben gezien, de douanenomenclatuur een veranderlijke norm is, waarvan tevoren bekend is dat hij zonder overgangsregeling kan worden gewijzigd.

49 Bovendien kan niet worden aanvaard dat een marktdeelnemer zich beroept op zijn onwetendheid inzake de geldende regeling, ook al bevat deze regeling niet meer dan de toepassingsmodaliteiten van toekomstige verordeningen. Het Hof heeft verklaard, dat communautaire regelingen vanaf de datum van hun bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen deel uitmaken van het positieve recht, dat iedereen geacht wordt te kennen(28), zonder dat een onderscheid wordt gemaakt naar de inhoud van de afgekondigde bepalingen.

50 Overigens had ook de aarzeling van de douane over de indeling van het product van Lopex, die tot uiting kwam in een opeenvolging van bindende tariefinlichtingen met steeds andere onderverdelingen, Lopex moeten waarschuwen voor het risico van wijzigingen in de nomenclatuur, en voor haar reden moeten zijn zich te informeren omtrent de waarschijnlijkheid van een wijziging van de tariefindeling alsmede over de wijze waarop een dergelijke verandering zou kunnen plaatsvinden.

51 Lopex moest dus na 26 juni 1990 weten dat per 1 januari 1991 elke overeenkomst die recht zou geven op uitbetaling van een uitvoerrestitutie, het risico inhield van een verandering in de tariefindeling, die zonder overgangsmaatregelen van toepassing zou zijn op de lopende transacties, en de verwachte restitutie zou kunnen doen vervallen.

52 Een dergelijke strenge regel kan weliswaar alleen gelden wanneer de betrokken tekst in overeenstemming is met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het rechtszekerheidsbeginsel

53 Evenals de bescherming van het gewettigd vertrouwen, vormt het rechtszekerheidsbeginsel een fundamenteel beginsel van het gemeenschapsrecht.(29) Het Hof heeft verklaard, dat dit beginsel "eist dat een regeling waarbij aan de belastingplichtige lasten worden opgelegd duidelijk en nauwkeurig omschreven is, opdat de belastingplichtige ondubbelzinnig zijn rechten en verplichtingen kan kennen en dienovereenkomstig zijn beschikkingen kan treffen".(30) Wat geldt voor een regeling waarbij de belastingplichtige lasten worden opgelegd, geldt mijns inziens eveneens voor een regeling waarbij de voorwaarden worden vastgesteld waaronder een regeling die voordelen aan bepaalde marktdeelnemers toekent, kan worden gewijzigd.

54 Artikel 13 van de verordening van 1990 bevat een specifieke regeling voor verordeningen tot wijziging van de douanenomenclatuur, waarvan de inhoud en werkingssfeer niet voor twijfel vatbaar zijn. Na de aankondiging in de eerste alinea, dat een bindende tariefinlichting die in strijd is met een verordening met betrekking tot de nomenclatuur, ophoudt geldig te zijn vanaf het ogenblik waarop die verordening van toepassing wordt, wordt in de tweede alinea een onderscheid gemaakt tussen verordeningen tot wijziging van de douanenomenclatuur enerzijds en verordeningen houdende vaststelling of wijziging van de indeling van goederen in de douanenomenclatuur anderzijds, waarbij alleen voor laatstgenoemde categorie in de mogelijkheid wordt voorzien om onder bepaalde voorwaarden te bepalen dat een dergelijke inlichting gedurende een zekere termijn effect blijft sorteren ondanks de nieuwe regeling. Zoals wij reeds hebben gezien, is in de verordening van 1990 bepaald dat zij op 1 januari 1991 van toepassing wordt.

55 Aan het rechtszekerheidsbeginsel lijkt mij eveneens recht gedaan door het feit dat de verordening van 1990 een duidelijk onderscheid maakt tussen artikel 13, dat alleen voor verordeningen geldt, en andere bepalingen die, zoals artikel 14, lid 3, van de verordening van 1990, voorzien in de verlenging van de werking van een bindende tariefinlichting waarvan de geldigheid door andere rechtshandelingen wordt doorkruist.

56 De overgangsregeling verschilt naargelang het gaat om producten waarvoor bij het vervullen van de douaneformaliteiten een in- of uitvoercertificaat of een voorfixatiecertificaat is overgelegd, dan wel om producten waarbij dit niet het geval is.

57 In beide gevallen verwijst de tekst evenwel nadrukkelijk naar artikel 14, lid 1, dat van toepassing is op een tariefinlichting die "niet langer verenigbaar is met de interpretatie van de douanenomenclatuur (...)"(31), wat uitdrukkelijk ingaat tegen verlenging van de geldigheid van inlichtingen die niet in overeenstemming zijn met de verordeningen, a fortiori met verordeningen tot wijziging van de douanenomenclatuur. Die bepaling sluit dus elke verwarring uit.

58 Mijn conclusie luidt dus, dat het bepaalde in de artikelen 13 en 14 van de verordening van 1990 voldoende duidelijk en nauwkeurig is om een voorzichtig en bezonnen marktdeelnemer, die zich informeert over de juridische voorwaarden van de handelstransacties die hij op het oog heeft, in staat te stellen met de mogelijkheid van wijziging van de indeling rekening te houden, en daarbij alle voorzorgsmaatregelen te nemen die hem dienstig lijken bij het ondertekenen van overeenkomsten met zijn handelspartners.

59 De geldigheid van artikel 13, eerste alinea, eerste streepje, van de verordening van 1990 hoeft naar mijn mening dus niet in twijfel te worden getrokken. Derhalve behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

Conclusie

60 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de eerste vraag te beantwoorden als volgt:

"Bij toetsing van artikel 13, eerste alinea, eerste streepje, van verordening (EEG) nr. 1715/90 van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de inlichtingen die door de douaneautoriteiten van de lidstaten worden verstrekt op het gebied van de indeling van goederen in de douanenomenclatuur, aan de beginselen van het gewettigd vertrouwen en de rechtszekerheid, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van die bepaling kunnen aantasten."

(1) - Artikel 20, lid 6, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, definieert tariefindeling van goederen als de vaststelling van de onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur waaronder die goederen moeten worden ingedeeld (PB L 302, blz. 1).

(2) - Derde en vijfde overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 1715/90 van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de inlichtingen die door de douaneautoriteiten van de lidstaten worden verstrekt op het gebied van de indeling van goederen in de douanenomenclatuur (PB L 160, blz. 1; hierna: "verordening van 1990").

(3) - Hiertoe behoren de "vaste en definitieve" overeenkomsten voor de verkoop respectievelijk de aankoop van goederen buiten of binnen de Gemeenschap.

(4) - Artikel 14, lid 1, bepaalt: "Buiten de in artikel 13 bedoelde gevallen is een bindende tariefinlichting ook niet meer geldig wanneer zij niet langer verenigbaar is met de interpretatie van de douanenomenclatuur zoals deze voortvloeit uit (...)" [verschillende communautaire of internationale tariefmaatregelen].

(5) - Verordening van 19 december 1991 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, alsmede verordening (EEG) nr. 2915/79 houdende vaststelling van de productengroepen en de bijzondere voorschriften betreffende de berekening van de heffingen in de sector melk- en zuivelproducten (PB L 357, blz. 3; hierna: "verordening van 1991").

(6) - Verordening van de Raad van 23 juli 1987 (PB L 256, blz. 1).

(7) - De verwijzingsbeschikking noemt twee data van afgifte van de tariefinlichting, namelijk 26 en 28 augustus 1991, maar deze onnauwkeurigheid heeft geen enkele invloed op het procesverloop en daarmee op het op de vragen te geven antwoord.

(8) - Artikel 12, leden 5 en 6, van het douanewetboek bepaalt: "5. Een bindende tariefinlichting verliest haar geldigheid: a) indien zij ten gevolge van de vaststelling van een verordening met het aldus geldende recht niet meer in overeenstemming is; b) indien zij niet langer verenigbaar is met de interpretatie van een van de nomenclaturen als bedoeld in artikel 20, lid 6, hetzij op communautair niveau (...) hetzij op internationaal niveau (...); c) indien de verkrijger van de inlichting in kennis is gesteld van de intrekking of de wijziging van de bindende tariefinlichting. 6. Een bindende tariefinlichting die overeenkomstig lid 5, onder b of c, haar geldigheid verliest, mag door de verkrijger van de inlichting nog gedurende een periode van zes maanden te rekenen vanaf het tijdstip van de desbetreffende bekendmaking of kennisgeving worden gebruikt, indien de verkrijger van de inlichting vóór de aanneming van de tariefmaatregel in kwestie vaste en definitieve overeenkomsten voor de aankoop of de verkoop van de betrokken goederen heeft gesloten. Indien het echter gaat om producten waarvoor bij de vervulling van de douaneformaliteiten een invoer-, uitvoer- of prefixatiecertificaat wordt overgelegd, wordt de periode van zes maanden vervangen door de resterende geldigheidsduur van het betrokken certificaat. In het in lid 5, onder a, bedoelde geval kan in de verordening een termijn worden vastgesteld gedurende welke de vorige alinea van toepassing is."

(9) - Artikel 253, lid 2.

(10) - Derde overweging van de considerans van de verordening.

(11) - Arresten van 13 december 1994, GoldStar Europe (C-401/93, Jurispr. blz. I-5587, punten 18 en 19), en 14 december 1995, Frankrijk/Commissie (C-267/94, Jurispr. blz. I-4845, punt 19). Ingevolge artikel 9, lid 1, sub a, van verordening nr. 2658/87, reeds aangehaald, kan de Commissie volgens nader omschreven procedurele modaliteiten, waaronder de raadpleging van douanedeskundigen van de lidstaten, maatregelen vaststellen met betrekking tot de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur en het geïntegreerd tarief van de Europese Gemeenschappen (TARIC), met name met betrekking tot de indeling van goederen in deze nomenclaturen.

(12) - Artikel 13, eerste alinea, tweede streepje.

(13) - Artikel 13, eerste alinea, eerste streepje.

(14) - Arresten van 3 mei 1978, Töpfer/Commissie (112/77, Jurispr. blz. 1019, punt 19); 5 mei 1981, Dürbeck (112/80, Jurispr. blz. 1095, punt 48), en 21 september 1983, Deutsche Milchkontor e.a. (205/82-215/82, Jurispr. blz. 2633, punt 30).

(15) - Arrest van 12 november 1981, Salumi e.a. (212/80-217/80, Jurispr. blz. 2735, punt 10). Zie eveneens het arrest van 8 juni 1977, Merkur/Commissie (97/76, Jurispr. blz. 1063, punt 5), waarin het Hof de aansprakelijkheid van de Gemeenschap wegens het zonder overgangsmaatregelen invoeren van een nieuwe regeling laat afhangen van de mate waarin die nieuwe regeling voor een voorzichtig handelaar voorzienbaar was. Zie meer recent bijvoorbeeld het arrest van 11 juli 1991, Crispoltoni (C-368/89, Jurispr. blz. I-3695, punt 21). Zie voor het criterium van voorzienbaarheid onder meer P. Gilsdorf: "Confiance légitime, droits acquis et rétroactivité en droit communautaire", Actes du séminaire sur la jurisprudence de la CJCE dans le domaine de la PAC, Brussel 1981, blz. 97, sub 3; F. Hubeau: "Le principe de la protection de la confiance légitime dans la jurisprudence de la Cour de justice des Communautés européennes", Cahiers de Droit Européen, 1983, nr. 2-3, blz. 162; J.-P. Puissochet: "Vous avez dit confiance légitime?", L'État de droit, Mélanges en l'honneur de Guy Braibant, 1996, blz. 581, II, B.

(16) - C-103/96, Jurispr. blz. I-1453.

(17) - Punt 36, cursivering van mij.

(18) - Idem, punt 37.

(19) - Arrest van 19 mei 1983, Mavridis/Parlement (289/81, Jurispr. blz. 1731, punt 21).

(20) - Het oorspronkelijke verzoek werd verworpen op grond dat de termijn van verlenging van de geldigheid van de tariefinlichting was verstreken. Aangezien de gestelde vragen hierop geen betrekking hebben, is op dit punt volgens mij geen uitspraak nodig.

(21) - Artikel 19.

(22) - F. Hubeau verwoordt deze gedachte in het hiervoor reeds aangehaalde artikel, waar hij uiteenzet: "Van de vaststelling van een inbreuk op het vertrouwensbeginsel is sprake (...) wanneer de rechter niet akkoord gaat met de wijze waarop de auteur van de gewraakte rechtsnorm - op zich regelmatig - gebruik maakt van zijn bevoegdheden onder omstandigheden die evenwel de adressaten van die norm schokken in hun legitiem vertrouwen dat de stand van het recht niet zonder overgangsmaatregel zal worden gewijzigd" (blz. 144, cursivering van mij).

(23) - Blz. 6 en 7 van haar schriftelijke opmerkingen.

(24) - Artikel 11, lid 1, van de verordening van 1990.

(25) - Blz. 7 en 8 van de schriftelijke opmerkingen van Lopex.

(26) - Arrest van 14 mei 1975 (74/74, Jurispr. blz. 533, punt 42).

(27) - Ibidem.

(28) - Arresten van 12 juli 1989, Binder (161/88, Jurispr. blz. 2415, punt 19), en 28 juni 1990, Behn Verpackungsbedarf (C-80/89, Jurispr. blz. I-2659, punt 13).

(29) - Arrest Deutsche Milchkontor e.a., reeds aangehaald, punt 30, en arresten van 13 februari 1996, Van Es Douane Agenten (C-143/93, Jurispr. blz. I-431, punt 27), en 16 oktober 1997, Banque Indosuez e.a. (C-177/96, Jurispr. blz. I-5659, punt 27). Zie omtrent het rechtszekerheidsbeginsel onder meer C. Naômé: "La notion de sécurité juridique dans la jurisprudence de la Cour de justice et du Tribunal de première instance des Communautés européennes", Rivista di Diritto Europeo, 1993, nr. 2, blz. 223.

(30) - Zie onder meer arresten van 9 juli 1981, Gondrand Frères et Garancini (169/80, Jurispr. blz. 1931, punt 17); 22 februari 1989, Commissie/Frankrijk en Verenigd Koninkrijk (92/87 en 93/87, Jurispr. blz. 405, punt 22); Eridania Beghin-Say, reeds aangehaald, punt 40, en Banque Indosuez e.a., reeds aangehaald, punt 27.

(31) - Cursivering van mij.