61996C0154

Conclusie van advocaat-generaal Elmer van 6 maart 1997. - Louis Wolfs tegen Office national des pensions (ONP). - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Tribunal du travail de Bruxelles - België. - Richtlijn 79/7/EEG - Gelijke behandeling - Ouderdomspensioen - Berekeningswijze - Pensioenlefftijd. - Zaak C-154/96.

Jurisprudentie 1998 bladzijde I-06173


Conclusie van de advocaat generaal


1 Bij verwijzingsbeschikking van 22 april 1996 heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel het Hof drie vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid(1) (hierna: "richtlijn"). Die vragen komen er in wezen op neer, dat het Hof zijn arrest van 1 juli 1993 in zaak C-154/92, Van Cant(2), in heroverweging zou moeten nemen, waarin het onder meer heeft beslist, dat het in strijd is met de richtlijn om in de berekeningswijze van het pensioen een verschil tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers te handhaven nadat een vroeger bestaand verschil in pensioenleeftijd is afgeschaft.

De richtlijn

2 Volgens haar artikel 1 beoogt de richtlijn de geleidelijke tenuitvoerlegging op het gebied van de sociale zekerheid van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Artikel 4, lid 1, van de richtlijn luidt:

"1. Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:

- de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen,

- de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening,

- de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties."

Artikel 7, lid 1, bepaalt:

"1. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om van haar werkingssfeer uit te sluiten:

a) de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties;

(...)"

Het nationale recht

3 Bij koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers(3) (hierna: "koninklijk besluit") is de normale pensioenleeftijd voor vrouwen vastgesteld op 60 jaar en voor mannen op 65 jaar. Het recht op rustpensioen wordt verworven per kalenderjaar, naar rato van een breuk van de lonen waarvan het bedrag volgens bepaalde specifieke regels wordt vastgesteld. Voor mannen is het pensioenbedrag per kalenderjaar gelijk aan 1/45 en voor vrouwen aan 1/40 van het aldus berekende loon.

4 De wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn(4) (hierna: "wet"), bepaalt in artikel 2, lid 1, dat het rustpensioen ten vroegste kan ingaan op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de belanghebbende de leeftijd van 60 jaar bereikt.

Met betrekking tot de berekening van het pensioen bepaalt artikel 3, lid 1, dat het recht op pensioen voor elk kalenderjaar wordt verworven naar rato van een breuk van het overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het koninklijk besluit berekende loon, dat wil zeggen in vijfenveertigsten voor mannen en in veertigsten voor vrouwen.

5 Deze regeling gaf aanleiding tot een prejudiciële verwijzing in de zaak Van Cant. In zijn arrest in die zaak besliste het Hof (punt 13), dat "ingeval een nationale wettelijke regeling het verschil in pensioenleeftijd tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers heeft opgeheven - een feitelijke kwestie die ter beoordeling van de nationale rechter staat - (...) artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 niet meer [kan] worden ingeroepen ter rechtvaardiging van de handhaving van een verschil in de berekeningswijze van het rustpensioen, dat samenhing met dat verschil in pensioenleeftijd".

Het Hof stelde verder vast, dat artikel 4, lid 1, van de richtlijn sedert 23 december 1984 rechtstreekse werking had (punt 18), en dat in geval van schending van die bepaling de benadeelde groep recht heeft op toepassing van dezelfde regeling als de bevoordeelde groep die in een gelijke situatie verkeert, waarbij die regeling, zolang aan de richtlijn geen uitvoering is gegeven, het enig bruikbare referentiekader blijft (punt 22).

6 Het Hof is dus niet ingegaan op de vraag, of de wet het bestaande verschil in pensioenleeftijd voor mannelijke en vrouwelijke werknemers had opgeheven, want dat was een punt van uitlegging van het nationale recht. De nationale rechterlijke instanties hebben die vraag echter niet op gelijke wijze beantwoord. Zo was het Arbeidshof te Gent van oordeel, dat het verschil in pensioenleeftijd was gehandhaafd, terwijl het Arbeidshof te Luik en dat te Antwerpen tot de tegengestelde uitkomst kwamen, dat wil zeggen dat de wet het verschil in pensioenleeftijd had afgeschaft.

7 De Belgische wetgever wachtte niet af tot het Belgische Hof van Cassatie opheldering met betrekking tot die uitleggingsvraag zou hebben verschaft, maar stelde op 19 juni 1996 zelf een interpretatieve wet vast.(5) Artikel 2 van deze interpretatieve wet luidt als volgt:

"Voor de toepassing van de artikelen 2, §§ 1, 2, 3 en 3, §§ 1, 2, 3, 5, 6, 7, van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn wordt onder het woord $rustpensioen' verstaan het vervangingsinkomen dat toegekend wordt aan de gerechtigde die wordt geacht door ouderdom arbeidsongeschikt te zijn geworden, welke toestand voor de mannelijke gerechtigden wordt geacht te ontstaan op de leeftijd van 65 jaar en voor de vrouwelijke gerechtigden op de leeftijd van 60 jaar."

8 In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp(6) leest men onder meer het volgende:

"De wet van 20 juli 1990 heeft een $flexibele' pensioenleeftijd ingesteld, hetgeen inzonderheid voor mannen de mogelijkheid biedt om vóór de leeftijd van 65 jaar, met andere woorden vervroegd, met pensioen te gaan aan een verminderd pensioen maar dit zonder de sanctie die voorheen supplementair was voorzien. Die mogelijkheid bestond ook reeds onder de pensioenwetgeving die de wet van 20 juli 1990 voorafging. Het enige verschil met die oude pensioenwetgeving is dat de financiële weerslag van de vermindering in geval van vervroegde pensionering minder zwaar doorweegt als voorheen."

De feiten van de zaak

9 De Rijksdienst voor Pensioenen (hierna: "RVP") heeft L. Wolfs een pensioen toegekend van 109 026 BFR per jaar, met ingang van 1 september 1995. Dat pensioen is berekend op basis van een breuk gelijk aan 13/45, waarbij de jaren 1955-1967 in aanmerking zijn genomen.

10 Op 12 juli 1995 heeft Wolfs beroep tegen de RVP ingesteld, waarin hij onder meer vordert, dat zijn pensioen niet in vijfenveertigsten, maar in veertigsten zou worden berekend.

De gestelde vragen

11 Bij beschikking van 22 april 1996 - dus vóór de inwerkingtreding van de interpretatieve wet - heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de procedure geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

"1) Geldt de uitsluiting bedoeld in artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 (betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid) nog steeds voor een stelsel van flexibele rustpensioenen dat door een lidstaat is ingesteld overeenkomstig aanbeveling 82/857/EEG van de Raad van 10 december 1982 (betreffende de beginselen van een communautair beleid inzake de pensioenleeftijd)(7), in die zin dat de vaststelling van een flexibele pensioenleeftijd voor mannen en voor vrouwen, bijvoorbeeld tussen 60 en 65 jaar, niet zonder meer kan worden gelijkgesteld met de vaststelling van een voor iedereen identieke vertrekleeftijd en, zelfs zo daarbij een verschillende wijze van berekening van het pensioen van mannen en vrouwen wordt gehandhaafd, niet noodzakelijkerwijs in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, zoals neergelegd in artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG, daar in een dergelijk stelsel elke toekomstige gepensioneerde de mogelijkheid heeft vrij te bepalen, met inachtneming van zijn loopbaan, wanneer hij met pensioen gaat; en dit in het bijzonder indien de ingevoerde regeling beantwoordt aan een dwingende doelstelling van sociaal beleid van de lidstaat en haar rechtvaardiging vindt in redenen die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht?

2) Zo niet, legt dan de verwezenlijking van de doelstellingen van richtlijn 79/7/EEG en van aanbeveling 82/857/EEG, te weten de invoering van een flexibele pensioenleeftijd voor iedereen en de gelijkheid van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, enerzijds, en de gelijktijdige inaanmerkingneming van de formele gelijkheid en van de nog bestaande reële discriminaties tussen mannen en vrouwen ter zake van de wettelijke rustpensioenen, anderzijds, een lidstaat automatisch de verplichting op, de voorwaarden voor toegang tot het rustpensioen naar beneden toe gelijk te maken, door mannen en vrouwen naar keuze van de belanghebbende recht op een rustpensioen toe te kennen vanaf de laagste leeftijd en berekend op de wijze die tot dan toe gold voor de categorie die al op die leeftijd recht op rustpensioen had; en dit ongeacht de gevolgen daarvan voor het financiële evenwicht van pensioenstelsels die niet op basis van die beginselen zijn ingevoerd?

3) Nog steeds indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moet de gunstigste oplossing voor de belanghebbende ingevolge het gemeenschapsrecht voor de gehele loopbaan van de betrokkene gelden, of kan zij enkel worden toegepast voor de jaren van de loopbaan van ofwel na de inwerkingtreding van de wet waarbij de flexibele pensioenleeftijd is ingevoerd, ofwel na het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 1 juli 1993 in de zaak Van Cant/Rijksdienst voor Pensioenen?"

De eerste vraag

12 Met zijn eerste vraag wil de verwijzende rechter eigenlijk weten, of het Hof deze gelegenheid wil aangrijpen om zijn beslissing in het arrest Van Cant in heroverweging te nemen. De verwijzende rechter vestigt er de aandacht op, dat de wet een flexibele pensioenleeftijd vastlegt, waardoor mannelijke werknemers de mogelijkheid hebben om, na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar, zelf het tijdstip vóór hun 65e te kiezen, waarop zij hun eerste pensioenuitkering willen ontvangen.

13 Wolfs betoogt, dat uit 's Hofs beslissing in de zaak Van Cant volgt, dat de RVP zowel voor mannen als voor vrouwen een breuk met de noemer 40 moet toepassen.

14 De RVP en de Belgische regering betogen, dat het Hof de in deze zaak gestelde vraag al beantwoord heeft in het arrest Van Cant en dat de uitleggingsvraag waarvan het Hof de beantwoording uitdrukkelijk aan het nationale recht had overgelaten, inmiddels door de interpretatieve wet is beantwoord. De wet zoals uitgelegd in de interpretatieve wet, heeft het verschil in pensioenleeftijd niet afgeschaft. Dit blijkt ook uit het feit dat dat verschil - 60 jaar voor vrouwen, 65 jaar voor mannen - in andere onderdelen van de sociale wetgeving is gehandhaafd. Zo blijft die pensioenleeftijd bijvoorbeeld van toepassing bij de werkloosheids- en de invaliditeitsuitkering. Wat de wet in werkelijkheid beoogt, is mannelijke werknemers in staat te stellen vervroegd met pensioen te gaan, en om die reden vormt zij een geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling.

15 Volgens de Commissie heeft er in deze zaak echt twijfel bestaan over de inhoud van de wet en heeft deze niet geleid tot algemene toepassing van de pensioenleeftijd van 60 jaar voor beide geslachten. Er zijn tal van indicaties, dat de wetgever niet de bedoeling heeft gehad met deze wet het verschil in pensioenleeftijd af te schaffen, en dat het dus uitsluitend gaat om een stap op de weg van de geleidelijke afschaffing ervan. De Commissie is bijgevolg van mening, dat de in artikel 7, lid 1, sub a, bedoelde afwijking van toepassing is op de wet zoals uitgelegd door de interpretatieve wet.

Discussie

16 Volgens punt 11 van het arrest Van Cant is een wettelijke regeling die een naar het geslacht van de werknemer verschillende wijze van berekening van het rustpensioen voorschrijft, discriminerend in de zin van artikel 4, lid 1, van de richtlijn.

17 Volgens artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn kunnen de lidstaten van haar werkingssfeer uitsluiten de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen. Als de pensioenleeftijd voor beide geslachten dezelfde is, is niet meer voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de afwijking.

18 In punt 13 van het arrest Van Cant heeft het Hof beslist, dat wanneer het verschil in pensioenleeftijd is afgeschaft, er geen beroep meer kan worden gedaan op de afwijking van artikel 7, lid 1, sub a, - dat volgens vaste rechtspraak strikt moet worden uitgelegd(8) - ter rechtvaardiging van de handhaving van een - met het verschil in pensioenleeftijd samenhangend - verschil in berekeningswijze. Het Hof oordeelde bijgevolg, dat artikel 7, lid 1, sub a, enkel betrekking heeft op de pensioenleeftijd zelf en niet op andere vormen van ongelijke behandeling in het kader van het stelsel van rustpensioenen, die geen noodzakelijk consequentie zijn van bedoeld verschil in pensioenleeftijd.(9)

19 Er is in deze zaak niets aangevoerd waarin het Hof aanleiding zou moeten vinden om het principe van de in het arrest Van Cant gegeven uitlegging van artikel 7, lid 1, sub a, opnieuw te bezien.

20 Zoals het Hof in punt 13 van dat arrest opmerkte, dient de nationale rechter te beslissen of dat verschil in pensioenleeftijd daadwerkelijk door de nationale wettelijke regeling is afgeschaft. De inmiddels vastgestelde interpretatieve wet draagt ertoe bij die kwestie te verduidelijken, aangezien zij voorschrijft dat de wet aldus moet worden verstaan, dat een rustpensioen een uitkering is aan personen die door ouderdom arbeidsongeschikt zijn geworden, wat voor vrouwen wordt geacht het geval te zijn op hun 60e verjaardag en voor mannen op hun 65e. De bij de wet ingestelde "flexibele" pensioenleeftijd houdt enkel in, dat mannelijke werknemers met 60 jaar met vervroegd pensioen kunnen gaan, wat uiteraard een vermindering van het pensioenbedrag meebrengt. Het is deze uitlegging waarvan de verwijzende rechter in zijn beschikking is uitgegaan.

21 De vaststelling van een interpretatieve wet kan principiële bedenkingen oproepen. Men zou kunnen denken, dat een dergelijke wet het geldende recht met terugwerkende kracht wijzigt, met name wanneer de bestaande wet door de wetgever wordt uitgelegd op een wijze die afwijkt van de uitlegging van de hoogste rechterlijke instanties. Verder is er veel wat ervoor spreekt, dat artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het enkel toelaat een verschil in pensioenleeftijd te handhaven, maar niet om zo'n verschil (opnieuw) in te voeren. In dat geval mag men een dergelijke wijziging niet door middel van een "interpretatieve wet" langs de achterdeur binnensmokkelen.

22 In casu kon de uitlegging van de wet blijkens de uiteenlopende beslissingen van Belgische rechterlijke instanties aanleiding geven tot twijfel. De uitlegging waarvan zowel de Belgische wetgever als de verwijzende rechter uitgaat, vindt steun in de omstandigheid dat de wet niet geleid heeft tot opheffing van het verschil in pensioenleeftijd met het oog op, bijvoorbeeld, het recht op werkloosheids- en invaliditeitsuitkeringen; die leeftijd blijft 60 jaar voor vrouwen en 65 jaar voor mannen. De toepassing van een interpretatieve wet stuit in deze zaak dus niet op specifieke bezwaren.

23 In de uitlegging die de interpretatieve wet eraan geeft, moet de wet dus worden beschouwd als een stap op de weg naar geleidelijke opheffing van de ongelijke behandeling van mannen en vrouwen, zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn. Ik verwijs in dit verband naar het arrest van 7 juli 1994 in zaak C-420/92, Bramhill(10), waarin het Hof besliste, dat een uitzondering in de zin van artikel 7, lid 1, sub a, in de vorm van toekenning van een toeslag voor de echtgenoot ten laste, toepasselijk bleef in de gevallen waarin de lidstaat het verschil in behandeling enkel ophief ten aanzien van vrouwen die aan bepaalde voorwaarden voldeden.

24 Ik geef het Hof derhalve in overweging op de eerste vraag te antwoorden, dat artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 aldus moet worden uitgelegd, dat het van toepassing is op een stelsel van sociale zekerheid met een "flexibel" rustpensioen zoals ingesteld bij de wet van 20 juli 1990 zoals uitgelegd door de interpretatieve wet van 19 juni 1996, die onder rustpensioen verstaat een uitkering toegekend aan personen die worden geacht door ouderdom arbeidsongeschikt te zijn geworden, wat voor vrouwen wordt geacht het geval te zijn wanneer zij de leeftijd van 60 jaar bereiken en voor mannen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, met dien verstande dat een man al vanaf de leeftijd van 60 jaar met pensioen kan gaan.

De tweede en de derde vraag

25 Omdat de tweede en de derde vraag slechts belang hebben voor het geval dat de eerste ontkennend zou worden beantwoord, kunnen zij thans dus onbesproken blijven.

Conclusie

26 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door de Arbeidsrechtbank te Brussel gestelde vraag te beantwoorden als volgt:

"Artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moet aldus worden uitgelegd, dat het van toepassing is op een stelsel van sociale zekerheid met een $flexibel' rustpensioen zoals ingesteld bij de wet van 20 juli 1990 zoals uitgelegd door de interpretatieve wet van 19 juni 1996, die onder rustpensioen verstaat een uitkering toegekend aan personen die worden geacht door ouderdom arbeidsongeschikt te zijn geworden, wat voor vrouwen wordt geacht het geval te zijn wanneer zij de leeftijd van 60 jaar bereiken en voor mannen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, met dien verstande dat een man al vanaf de leeftijd van 60 jaar met pensioen kan gaan."

(1) - PB 1979, L 6, blz. 24.

(2) - Jurispr. blz. I-3811.

(3) - Belgisch Staatsblad van 27 oktober 1967, blz. 11258.

(4) - Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1990, blz. 15875.

(5) - Wet tot interpretatie van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn (Belgisch Staatsblad, blz. 19579).

(6) - Kamer van Volksvertegenwoordigers, gewone zitting 1995-1996, 26 februari 1996, stuk nr. 449/1.

(7) - PB L 357, blz. 27.

(8) - Zie, bijvoorbeeld, arrest van 30 maart 1993, Thomas e.a. (C-328/91, Jurispr. blz. I-1247, punt 8).

(9) - In zijn arrest van 7 juli 1992, Equal Opportunities Commission (C-9/91, Jurispr. blz. I-4297), oordeelde het Hof, dat een ongelijke behandeling die noodzakelijk samenhangt met een verschil in pensioenleeftijd, eveneens onder artikel 7, lid 1, sub a, valt. In die zaak ging het om het tijdvak van premiebetaling, dat juist wegens het verschil in pensioenleeftijd voor mannen vijf jaar langer was dan voor vrouwen.

(10) - Jurispr. blz. I-3191.