Trefwoorden
Samenvatting

Trefwoorden

++++

1. Kort geding ° Verzoek om interpretatieve verklaring ° Niet-ontvankelijkheid

(EG-Verdrag, art. 168 A, lid 1, 185 en 186; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104)

2. Kort geding ° Opschorting van tenuitvoerlegging ° Opschorting van tenuitvoerlegging van verordening waarbij bepaalde importen worden verboden ° Voorwaarden ° Uitzonderlijke omstandigheden op niveau van zowel spoedeisendheid als "fumus boni juris"

(EG-Verdrag, art. 185; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2; verordening nr. 3254/91 van de Raad)

Samenvatting

1. Een verzoek in kort geding dat strekt tot verkrijging van een interpretatieve verklaring, moet niet-ontvankelijk worden verklaard, daar het onverenigbaar is met het specifieke karakter van de procedure in kort geding en, meer in het algemeen, met het stelsel van rechtspraak waarvan deze procedure deel uitmaakt.

Het EG-Verdrag maakt immers onderscheid tussen enerzijds procedures waarbij een rechtstreeks beroep bij de gemeenschapsrechter wordt ingesteld, en anderzijds de prejudiciële procedure van artikel 177 van dit Verdrag. Enkel in het kader van laatstgenoemde procedure kan een uitspraak van de gemeenschapsrechter worden verkregen, waarvan het dictum zelf specifiek betrekking heeft op de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht. Een dergelijke beslissing kan bijgevolg niet worden verkregen in het kader van een procedure in kort geding, die noodzakelijkerwijs accessoir is aan een rechtstreeks beroep. Bovendien wordt een dergelijk verzoek, wanneer het betrekking heeft op een regeling die niet door de gemeenschapsinstellingen, maar door de autoriteiten van de Lid-Staten wordt toegepast, door geen enkel wettig belang gerechtvaardigd, daar de werking van een eventuele beschikking waarbij in dat verzoek wordt bewilligd, op het eerste gezicht beperkt zou zijn tot de partijen bij de procedure in kort geding, te weten de verzoeker en de verwerende gemeenschapsinstelling, terwijl een uitlegging van het Hof, die krachtens een beslissing van de nationale rechter van toepassing zou zijn in de betrekkingen tussen de verzoeker en de nationale autoriteiten, zou kunnen worden verkregen in het kader van een procedure voor de nationale rechter.

2. De toewijzing van het door een onderneming uit de bontsector ingediende verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening nr. 3254/91 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen, zou, zolang de beschikking in kort geding haar gelding behoudt, het door die verordening vastgestelde verbod op onherstelbare wijze buiten werking stellen, al naar gelang verzoekster of enige andere importeur in die verordening bedoelde goederen in de Gemeenschap in het vrije verkeer zou brengen. Een dergelijke opschorting kan derhalve enkel worden gelast in uitzonderlijke omstandigheden, die, in weerwil van het effect dat zij zou teweegbrengen, de conclusie zouden rechtvaardigen, dat het onevenredig is verzoeksters verzoek af te wijzen.

Van dergelijke omstandigheden is geen sprake, wanneer de onderneming niet in staat is geweest aan te tonen, dat de bevoorradingsmoeilijkheden die zij als gevolg van de toepassing van de verordening zou kunnen ondervinden, voor haar een serieuze en actuele dreiging van een faillissement opleveren, noch dat de verordening en de houding van de gemeenschapsinstellingen kennelijk onwettig zijn.