1 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Groenten en fruit - Invoer uit derde landen - Instelling van compenserende heffing bij invoer van appelen - Niet-inaanmerkingneming van bijzondere situatie van producten die onderweg zijn - Beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen - Schending - Afwezigheid
(Kaderovereenkomst EEG-Chili; verordeningen van de Raad nr. 1035/72, art. 25, lid 1, en nr. 2707/72, art. 3, lid 3; verordeningen van de Commissie nrs. 384/93 en 846/93)
2 Hogere voorziening - Middelen - Loutere verwijzing naar in andere context voorgedragen argumenten - Niet-ontvankelijkheid - Afwijzing
('s Hofs Statuut-EG, art. 51; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)
3 Een importeur van appelen uit Chili kan niet stellen dat het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen is geschonden door het feit dat hij een compenserende heffing krachtens verordening nr. 846/93 heeft moeten betalen voor goederen die bij de vaststelling van die verordening onderweg waren, terwijl de Commissie als bij verordening nr. 384/93 vastgestelde specifieke bewakingsmaatregel het vereiste van invoercertificaten, met een zekerheid die wordt verbeurd wanneer de invoer niet doorgaat, heeft gehandhaafd.
Enerzijds doelt het in artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1035/72 gemaakte voorbehoud betreffende "uitzonderlijke gevallen", waarin kan worden besloten om geen compenserende heffing in te stellen enkel op de gevallen waarin, ofschoon aan alle voorwaarden voor een heffing is voldaan, deze laatste niet noodzakelijk is, wegens het onbeduidende volume van het aanbod tegen abnormaal lage prijzen, en anderzijds belet de vaststelling van specifieke bewakingsmaatregelen de Commissie niet, later de betrokken compenserende heffing in te stellen, aangezien die twee maatregelen verschillende, maar daarom niet tegenstrijdige doeleinden beogen, zodat de cumulatie ervan niet van dien aard is, dat zij de handelaar bovenmatig en ondraaglijk treft, en deze laatste die mogelijkheid voor ogen moet houden.
Bovendien is artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2707/72, dat bepaalt dat de vrijwaringsmaatregelen rekening houden met de bijzondere situatie van de producten die onderweg zijn, en tot gevolg heeft dat de handelaars op grond van een gewettigd vertrouwen mogen aannemen dat hun producten bij hun aankomst op het communautaire grondgebied niet zullen worden tegengehouden, tenzij doorslaggevende overwegingen verband houdend met het algemeen belang zulks verlangen, niet bij analogie van toepassing op de instelling van een compenserende heffing. Een dergelijke heffing is immers niet met een vrijwaringsmaatregel te vergelijken, en indien transitogoederen ervan zouden worden vrijgesteld, zou het stelsel van de referentieprijzen zijn doeltreffendheid verliezen.
Ten slotte kon de kaderovereenkomst inzake samenwerking tussen de Gemeenschap en Chili bij de betrokken handelaar geen gewettigd vertrouwen wekken, aangezien deze overeenkomst niet tot doel had, de bepalingen van verordening nr. 1035/72 betreffende de compenserende heffingen te wijzigen.
4 Uit artikel 51 van het Statuut van het Hof van Justitie, juncto artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering, volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven.
Een tot staving van een hogere voorziening aangevoerd middel, in het kader waarvan de requirant zich ertoe beperkt, eenvoudig naar zijn in een andere context voorgedragen argumenten te verwijzen, voldoet niet aan dit vereiste, en is dus onvoldoende gedetailleerd en daarom kennelijk niet-ontvankelijk.