Trefwoorden
Samenvatting

Trefwoorden

1 Gemeenschapsrecht - Uitlegging - Methoden - Uitlegging met inachtneming van door Gemeenschap gesloten internationale overeenkomsten

2 Milieu - Bescherming van ozonlaag - Verordening nr. 3093/94 - Strekking - Verbod van gebruik en verkoop van chloorfluorkoolwaterstoffen als brandbestrijdingsproduct - Schending van artikelen 30 en 130 R van Verdrag - Geen

(EG-Verdrag, art. 30 en 130 R; verordening nr. 3093/94 van de Raad, art. 5)

3 Milieu - Verdragsbepalingen - Artikel 130 R - Toepassingsvoorwaarden - Toetsing door gemeenschapsrechter - Grenzen

(EG-Verdrag, art. 130 R)

4 Milieu - Optreden van Gemeenschap - Vaststelling van maatregelen in verband met specifiek milieuprobleem - Toelaatbaarheid - Voorwaarden

(EG-Verdrag, art. 130 R e.v.)

5 Milieu - Beleid van Gemeenschap - Vereiste van hoog beschermingsniveau - Draagwijdte

(EG-Verdrag, art. 130 R, lid 2)

6 Prejudiciële vragen - Ontvankelijkheid - Vraag die is gesteld zonder enige precisering van feitelijk en juridisch kader

(EG-Verdrag, art. 177)

Samenvatting

7 Bepalingen van gemeenschapsrecht moeten zoveel mogelijk worden uitgelegd in het licht van het volkenrecht, met name wanneer dergelijke bepalingen strekken tot tenuitvoerlegging van een door de Gemeenschap gesloten internationale overeenkomst.

8 Artikel 5 van verordening nr. 3093/94 betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, bevat een principieel verbod om vanaf 1 juni 1995 chloorfluorkoolwaterstoffen (cfk's) te gebruiken. Daar het gebruik van cfk's als brandbestrijdingsproduct niet is genoemd als één van de uitzonderingen op dat verbod, moet de betrokken bepaling aldus worden uitgelegd, dat zij het gebruik en derhalve de verkoop van cfk's als brandbestrijdingsproduct geheel verbiedt.

Dit verbod is niet ongeldig op grond van artikel 130 R van het Verdrag, daar de gemeenschapswetgever geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt inzake de toepassingsvoorwaarden van deze bepaling, noch het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Door een verdergaande maatregel vast te stellen dan in zijn internationale verbintenissen wordt opgelegd en door te bepalen dat de Commissie in het licht van de vooruitgang van de techniek aanvullingen en wijzigingen kan aanbrengen, dan wel onderdelen van de lijst van verboden toepassingen kan schrappen, heeft de wetgever met name het in lid 2 neergelegde beginsel van een hoog beschermingsniveau in acht genomen en rekening gehouden met de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens, zoals lid 3 van dat artikel vereist.

Het verbod in kwestie is evenmin ongeldig op grond van artikel 30 van het Verdrag, daar de daarmee beoogde bescherming van het milieu een dwingend vereiste vormt dat de toepassing van die bepaling kan beperken.

9 Artikel 130 R van het Verdrag, betreffende het beleid van de Gemeenschap op milieugebied, voorziet in een aantal doelstellingen, beginselen en criteria die de gemeenschapswetgever bij de tenuitvoerlegging van het milieubeleid moet respecteren. Aangezien een aantal doelstellingen en beginselen tegen elkaar moeten worden afgewogen en wegens de ingewikkeldheid van de toe te passen criteria moet de rechterlijke toetsing evenwel noodzakelijkerwijs beperkt blijven tot de vraag, of de wetgever bij de vaststelling van een bepaalde regeling de voorwaarden voor de toepassing van artikel 130 R van het Verdrag kennelijk verkeerd heeft beoordeeld.

10 Uit de bepalingen van titel XVI van het Verdrag, betreffende het milieu, volgt niet, dat de wetgever ingevolge artikel 130 R, lid 1, verplicht is om, telkens wanneer hij in verband met een specifiek milieuprobleem maatregelen tot behoud, bescherming en verbetering van het milieu vaststelt, tegelijkertijd maatregelen voor het milieu in zijn geheel vast te stellen. Derhalve kunnen krachtens dit artikel maatregelen worden vastgesteld die slechts betrekking hebben op bepaalde aspecten van het milieu, voor zover zij bijdragen tot het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu.

11 Ofschoon de Gemeenschap volgens artikel 130 R, lid 2, van het Verdrag in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming moet streven, behoeft een dergelijk beschermingsniveau om verenigbaar te zijn met die bepaling niet noodzakelijkerwijs het hoogste niveau te zijn dat technisch mogelijk is. Artikel 130 T van het Verdrag machtigt de lidstaten immers om maatregelen voor een verdergaande bescherming te handhaven en te treffen.

12 Wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, is het noodzakelijk, dat deze rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd. Deze eisen gelden in het bijzonder op bepaalde gebieden die door complexe feitelijke en juridische situaties worden gekenmerkt, zoals het gebied van de mededinging.