61995J0232

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 11 juni 1998. - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Helleense Republiek. - Niet-nakoming - Richtlijn 76/464 - Waterverontreiniging - Niet-omzetting. - Gevoegde zaken C-232/95 en C-233/95.

Jurisprudentie 1998 bladzijde I-03343


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1 Milieu - Waterverontreiniging - Richtlijn 76/464 - Verplichting tot opstelling van specifieke programma's ter vermindering van verontreiniging door bepaalde gevaarlijke stoffen

(Richtlijn 76/464 van de Raad, art. 7, lid 1)

2 Beroep wegens niet-nakoming - Onderzoek van gegrondheid door Hof - In aanmerking te nemen situatie - Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn

(EG-Verdrag, art. 169)

Samenvatting


3 Om het doel van richtlijn 76/464, verminderde verontreiniging door op een in de bijlage opgenomen lijst II vermelde stoffen, te bereiken, zijn de lidstaten ingevolge artikel 7, lid 1, van de richtlijn gehouden te beginnen met het opstellen van programma's waarin overeenkomstig artikel 7, lid 3, kwaliteitsdoelstellingen zijn vastgesteld. Omdat dat specifieke programma's moeten zijn, kunnen algemene saneringsprogramma's die niet specifiek betrekking hebben op stoffen van lijst II, en evenmin de kwaliteitsdoelstellingen vermelden aan de hand waarvan de vermindering van de door die stoffen veroorzaakte verontreiniging moet plaatsvinden, niet worden aangemerkt als programma's in de zin van artikel 7, lid 1.

4 In het kader van een beroep krachtens artikel 169 van het Verdrag, moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en kan met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening worden gehouden.

Partijen


In de gevoegde zaken C-232/95 en C-233/95,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Kontou- Durande, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verzoekster,

tegen

Helleense Republiek, vertegenwoordigd door P. Mylonopoulos en E. Skandalou, juridisch medewerkers eerste klasse van de bijzondere dienst communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,

verweerster,

betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Helleense Republiek, door geen programma's met kwaliteitsdoelstellingen en termijnen voor de uitvoering daarvan op te stellen ter vermindering van de verontreiniging van het Vegoritismeer en de rivier de Soulos (zaak C-232/95) en van de Pagasitikosgolf (zaak C-233/95) door gevaarlijke stoffen van lijst II van richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PB L 129, blz. 23), en door lozingen die stoffen van lijst II kunnen bevatten, in het Vegoritismeer en de rivier de Soulos (zaak C-232/95) en in de Pagasitikosgolf (zaak C-233/95) niet aan een voorafgaande vergunning met daarin vastgelegde emissienormen te binden, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens het EG-Verdrag en richtlijn 76/464, in het bijzonder artikel 2 (zaak C-232/95) en artikel 7 (zaken C-232/95 en C-233/95),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE

(Zesde kamer),

samengesteld als volgt: R. Schintgen, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, G. F. Mancini en G. Hirsch (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: G. Tesauro

griffier: L. Hewlett, administrateur

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 12 juni 1997,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 juni 1997,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij twee verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op 5 juli 1995, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag twee beroepen ingesteld, waarin zij het Hof verzoekt vast te stellen dat de Helleense Republiek, door geen programma's met kwaliteitsdoelstellingen en termijnen voor de uitvoering daarvan op te stellen ter vermindering van de verontreiniging van het Vegoritismeer en de rivier de Soulos (zaak C-232/95) en van de Pagasitikosgolf (zaak C-233/95) door gevaarlijke stoffen van lijst II van richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PB L 129, blz. 23), en door lozingen die stoffen van lijst II kunnen bevatten, in het Vegoritismeer en de rivier de Soulos (zaak C-232/95) en in de Pagasitikosgolf (zaak C-233/95) niet aan een voorafgaande vergunning met daarin vastgelegde emissienormen te binden, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens het EG-Verdrag en richtlijn 76/464, in het bijzonder artikel 2 (zaak C-232/95) en artikel 7 (zaken C-232/95 en C-233/95).

Richtlijn 76/464

2 Blijkens de zevende en de negende overweging van de considerans en artikel 2 van richtlijn 76/464 beoogt de richtlijn in de eerste plaats de verontreiniging van het aquatisch milieu door het lozen van verschillende gevaarlijke stoffen van een eerste lijst, de zogenoemde "lijst I", geheel te beëindigen, en in de tweede plaats de verontreiniging door stoffen van een tweede lijst, de zogenoemde "lijst II", te beperken. Die twee lijsten zijn als bijlage bij richtlijn 76/464 gevoegd.

3 Volgens artikel 1, lid 1, is richtlijn 76/464 van toepassing op oppervlaktewateren in het binnenland en op kustwateren, op territoriale zeewateren en op grondwateren.

4 Het begrip "lozing" wordt in artikel 1, lid 2, sub d, gedefinieerd als "iedere handeling waarbij de in lijst I of lijst II van de bijlage genoemde stoffen in de in lid 1 bedoelde wateren worden gebracht". Het begrip "verontreiniging" wordt sub e van diezelfde bepaling omschreven als "het direct of indirect door de mens lozen van stoffen of energie in het aquatisch milieu, ten gevolge waarvan de gezondheid van de mens in gevaar kan worden gebracht, het leven en de ecosystemen in het water kunnen worden geschaad, de mogelijkheden tot recreatie kunnen worden aangetast of een ander rechtmatig gebruik van het water kan worden gehinderd".

5 Artikel 2 van richtlijn 76/464 bepaalt: "De lidstaten nemen alle passende maatregelen ter beëindiging van de verontreiniging van de in artikel 1 bedoelde wateren door de gevaarlijke stoffen die zijn begrepen onder de families en groepen van stoffen die worden genoemd in lijst I van de bijlage, en ter vermindering van de verontreiniging van genoemde wateren door de gevaarlijke stoffen die zijn begrepen onder de families en groepen van stoffen die worden genoemd in lijst II van de bijlage, overeenkomstig deze richtlijn, die slechts een eerste stap is om dit doel te bereiken."

6 Artikel 7 van richtlijn 76/464 bepaalt:

"1. Ter vermindering van de verontreiniging van de in artikel 1 bedoelde wateren door de onder lijst II vallende stoffen, stellen de lidstaten programma's op; voor de uitvoering daarvan gebruiken zij met name de in de leden 2 en 3 vermelde middelen.

2. Voor iedere lozing die wordt verricht in de in artikel 1 bedoelde wateren en die één van de onder lijst II vallende stoffen kan bevatten, is een voorafgaande vergunning nodig, die door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat wordt verleend en waarin de emissienormen voor de lozing worden vastgesteld. Deze worden berekend aan de hand van de kwaliteitsdoelstellingen, die overeenkomstig lid 3 worden vastgesteld.

3. De in lid 1 bedoelde programma's bevatten kwaliteitsdoelstellingen voor het water, die worden opgesteld met inachtneming van de door de Raad aangenomen richtlijnen wanneer laatstgenoemde bestaan.

(...)

5. In de programma's worden de termijnen vastgesteld voor de tenuitvoerlegging hiervan.

(...)"

Het nationale Griekse recht

7 Tot de in Griekenland getroffen maatregelen ter verbetering van de kwaliteit van het aquatisch milieu behoort de sanitaire verordening nr. E1b/221/1965, waarin kwaliteitsdoelstellingen voor de ontvangende wateren zijn vastgelegd met het oog op handhaving van de kwaliteitsdoelstellingen in geval van lozing van afvalstoffen.

8 Daarnaast zijn bij besluit van de ministerraad nr. 46399/1352/86 van 27 juni 1986 nieuwe kwaliteitsnormen vastgesteld voor ontvangende wateren in overeenstemming met richtlijn 75/440/EEG van de Raad van 16 juni 1975 betreffende de vereiste kwaliteit van het oppervlaktewater dat is bestemd voor productie van drinkwater in de lidstaten (PB L 194, blz. 26); richtlijn 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater (PB 1976, L 31, blz. 1); richtlijn 78/659/EEG van de Raad van 18 juli 1978 betreffende de kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft teneinde geschikt te zijn voor het leven van vissen (PB L 222, blz. 1), en richtlijn 79/923/EEG van de Raad van 30 oktober 1979 inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater (PB L 281, blz. 47).

9 Wat meer in het bijzonder het Vegoritismeer en de daarin uitmondende rivier de Soulos betreft, waar het in zaak C-232/95 om gaat, is bij gezamenlijk besluit van de provinciehoofden van Kozani, Florina en Pella nr. 1900 van 22 maart 1979 als kwaliteitsdoelstelling vastgelegd, dat die wateren geschikt moeten worden als zwemwater en als leefomgeving voor vissen.

10 Op basis van kwaliteitsnormen conform de richtlijnen in het in punt 8 genoemde besluit, hebben diezelfde provinciehoofden gezamenlijk besluit nr. 10032 van 4 september 1987 vastgesteld.

11 Bij besluit nr. 555 ten slotte van het provinciehoofd van Florina van 26 maart 1990 werden voor in het Vegoritismeer te lozen afvalwater en afvalstoffen emissienormen vastgelegd en nader gespecificeerd.

12 Voor de Pagasitikosgolf, waar het in zaak C-233/95 om gaat, zijn bij presidentieel decreet nr. 117/87 voorwaarden vastgesteld voor de aansluiting van fabrieken in de agglomeratie van Volos op het rioleringstelsel van de Deyamb, het overheidsbedrijf voor de watervoorziening en de riolering in Volos en omgeving. Iedere vergunning voor aansluiting van een installatie moet voorts worden verleend in overeenstemming met ministerieel besluit 69269/5387/90, waarin onder meer de vereiste kwaliteit van het afvalwater op het moment van afgifte van de vergunning is vastgesteld.

13 Het afvalwater uit het rioleringsysteem van de Deyamb wordt geloosd in de Pagasitikosgolf op basis van besluit nr. 8219 van de provinciale gezondheidsdienst van Magnissia van 19 mei 1994, waarin rekening is gehouden met de milieuvoorschriften van ministerieel besluit 69269/5387/90 en van beschikking nr. 119731 van 15 februari 1978 van het provinciehoofd. Lozingen door niet aangesloten fabrieken in de omgeving van Volos worden eveneens in de twee laatstgenoemde besluiten geregeld.

14 Besluit nr. 8440 van het provinciehoofd van 21 december 1995 ten slotte werd vastgesteld op de grondslag van de besluiten van de ministerraad nr. 46399/1352/86, reeds aangehaald, en nr. 18186/88; in beide laatstgenoemde besluiten worden het toegestane gebruik van de Pagasitikosgolf als ontvangend water en de normen voor de verwijdering van afvalwater nader geregeld.

15 De verschillende studies, plannen en programma's in verband met de toestand van het aquatisch milieu van de waterbekkens en waterlopen die in de procedure ter sprake zijn gekomen, zullen hierna slechts worden genoemd voor zover dat noodzakelijk is voor het onderzoek van de middelen en argumenten van partijen.

De precontentieuze procedure

16 Naar aanleiding van klachten die haar in 1987 bereikten over de verontreinigde toestand van het Vegoritismeer en de daarin uitmondende rivier de Soulos, en in 1989 over de waterverontreiniging in de Pagasitikosgolf, verzocht de Commissie de Griekse autoriteiten om inlichtingen over de maatregelen zij ingevolge, onder meer, richtlijn 76/464 hadden getroffen.

17 Omdat zij het antwoord in beide gevallen onbevredigend achtte, maande de Commissie de Helleense Republiek bij brieven van 29 juni 1989 (in zaak C-232/95) en 27 mei 1991 (in zaak C-233/95) aan, binnen twee maanden haar opmerkingen te maken.

18 Bij brieven van 26 september 1989, respectievelijk 11 september 1991 deden de Griekse autoriteiten de Commissie hun antwoord toekomen met een beschrijving van de door hen getroffen maatregelen.

19 Van oordeel dat die maatregelen niet in overeenstemming waren met richtlijn 76/464, zond de Commissie de Helleense Republiek met redenen omklede adviezen toe, in zaak C-232/95 op 16 oktober 1992 en in zaak C-233/95 op 16 mei 1994, met het verzoek om binnen een termijn van twee maanden de door de richtlijn vereiste maatregelen te treffen.

20 Bij brieven van 8 augustus 1994 deden de Griekse autoriteiten de Commissie hun antwoord toekomen.

21 Door die antwoorden niet tevreden gesteld, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.

22 Bij beschikking van 20 september 1995 heeft de president van het Hof de twee zaken gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.

Ten gronde

23 Tot staving van haar beroep in zaak C-232/95 voert de Commissie drie middelen aan, waarvan de eerste twee gelijk zijn aan de twee in zaak C-233/95 aangevoerde middelen.

24 Met haar eerste, in beide zaken gelijke middel verwijt de Commissie de Helleense Republiek schending van artikel 7, lid 1, van richtlijn 76/464, doordat zij geen programma's heeft vastgesteld ter vermindering van de verontreiniging van het Vegoritismeer en de rivier de Soulos (zaak C-232/95) en van de Pagasitikosgolf (zaak C-233/95).

25 Met haar tweede, eveneens in beide zaken gelijke middel stelt de Commissie, dat de Helleense Republiek artikel 7, lid 2, van richtlijn 76/464 heeft geschonden door de lozing van afvalwater uit industriële installaties en andere inrichtingen, dat onder lijst II van richtlijn 76/464 vallende stoffen kan bevatten, niet aan een voorafgaande vergunning te binden.

26 En ofschoon deze grief in het petitum niet tot uitdrukking is gebracht, blijkt ten slotte uit de motivering van het verzoekschrift in zaak C-232/95, dat de Commissie de Helleense Republiek bovendien verwijt, niet de in artikel 2 van richtlijn 76/464 bedoelde passende maatregelen te hebben genomen ter vermindering van de verontreiniging van het Vegoritismeer en de rivier de Soulos door stedelijk afvalwater.

27 Om te beginnen zij vastgesteld, dat indien de Helleense Republiek geen programma's heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 7, lid 1, van richtlijn 76/464, zoals de Commissie in haar eerste middel stelt, er ook geen vergunningen kunnen zijn verleend uit hoofde van artikel 7, lid 2.

28 Blijkens laatstgenoemde bepaling immers moeten in die vergunningen de emissienormen zijn vermeld die voor iedere toegestane lozing gelden en die worden berekend aan de hand van de kwaliteitsdoelstellingen die tevoren zijn vastgelegd in een programma ter bescherming van de betrokken waterbekkens en waterlopen, in de zin van lid 1 van hetzelfde artikel.

29 Wanneer het eerste middel gegrond is, valt het dus samen met het tweede middel, dat dan geen zelfstandig voorwerp meer heeft en niet meer behoeft te worden onderzocht.

Het ontbreken van programma's in de zin van artikel 7, lid 1, van richtlijn 76/464

Zaak C-232/95

30 Wat de verontreiniging van het aquatisch milieu van het Vegoritismeer en de daarin uitmondende rivier de Soulos betreft, verwijt de Commissie de Helleense Republiek, dat programma's in de zin van artikel 7, lid 1, van richtlijn 76/464 volledig ontbreken, en meer in het bijzonder, dat zij haar zelfs geen algemene studie over de mate van verontreiniging heeft doen toekomen met het oog op een algemene beoordeling van de waterkwaliteit, gelet op de aanwezigheid van de in lijst II van richtlijn 76/464 genoemde stoffen, en met het oog op de bepaling van kwaliteitsdoelstellingen ter vermindering van de waterverontreiniging.

31 Volgens de Commissie moest die studie gebaseerd zijn op analyses van de kwaliteit van de betrokken wateren. De Griekse autoriteiten zouden evenwel niet beschikken over nauwkeurige informatie over de concentraties van gevaarlijke stoffen in het industrieel en stedelijk afvalwater dat in hun waterbekkens en waterlopen wordt geloosd.

32 De Helleense Republiek verwijst in de eerste plaats naar de in de punten 7 en volgende van dit arrest genoemde nationale wettelijke regelingen en gewaagt vervolgens van verscheidene studies en programma's. In dit verband vermeldt zij in het bijzonder twee kredieten die in het kader van een "milieuprogramma 1994-1999" zijn uitgetrokken voor de uitvoering van een programma tot herstel van het milieu rond het Vegoritismeer en de rivier de Soulos en voor een program van maatregelen inzake het ruimere ecosysteem van het Vegoritismeer. De Helleense Republiek wijst bovendien op een algemeen programma voor kwalitatief en kwantitatief waterbeheer in de regio (het zogenoemde "masterplan"), in het kader waarvan de zuiveringsgraad van afvalwater en de emissienormen op wetenschappelijke wijze moeten worden vastgelegd.

33 Ter terechtzitting heeft de Helleense Republiek voorts gewezen op een nieuw programma, "Stabiliteit van het waterniveau en sanering van het Vegoritismeer". Dit programma zou op 4 juli 1997 zijn ingegaan en de uitvoering ervan zou duren tot 2001.

34 In dit verband zij eraan herinnerd, dat richtlijn 76/464 met name tot doel heeft de verontreiniging door stoffen die wegens hun schadelijkheid op een in de bijlage opgenomen lijst II zijn vermeld, te verminderen. Om dat doel te bereiken, zijn de lidstaten ingevolge artikel 7, lid 1, van richtlijn 76/464 gehouden te beginnen met het opstellen van programma's waarin overeenkomstig artikel 7, lid 3, kwaliteitsdoelstellingen zijn vastgesteld.

35 In zijn arrest van 12 december 1996, Commissie/Duitsland (C-298/95, Jurispr. blz. I-6747, punten 22 en 26), heeft het Hof vastgesteld, dat waar de lidstaten verplicht zijn op dit gebied programma's ter vermindering van de verontreiniging op te stellen, dit specifieke programma's moeten zijn. Het Hof beklemtoonde, dat de doelstelling van verminderde vervuiling door middel van algemene saneringsprogramma's niet noodzakelijkerwijs in overeenstemming is met het meer specifieke doel van de betrokken richtlijn.

36 Als programma's in de zin van artikel 7, lid 1, van richtlijn 76/464 noemt de Helleense Republiek weliswaar het "milieuprogramma 1994-1999" of de gedeelten ervan die betrekking hebben op het aquatisch milieu van het Vegoritismeer en de Soulos, alsmede het zogenoemde "master plan", maar zij toont niet aan, dat die twee programma's specifiek betrekking hebben op stoffen van lijst II, en vermeldt evenmin de kwaliteitsdoelstellingen aan de hand waarvan de vermindering van de door die stoffen veroorzaakte verontreiniging moet plaatsvinden.

37 Die twee programma's kunnen dus niet worden aangemerkt als programma's in de zin van artikel 7, lid 1, van richtlijn 76/464. Deze conclusie wordt bevestigd door het ter terechtzitting onthulde bestaan van een nieuw programma met de titel "Stabiliteit van het waterniveau en sanering van het Vigoritismeer", dat volgens de Griekse regering de realisering beoogt van de "in de richtlijn genoemde kwaliteitsdoelstellingen".

38 Voorts moet worden vastgesteld, dat ook dit nieuwe programma als zodanig de verweten niet-nakoming niet kan beëindigen. Volgens vaste rechtspraak immers moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en kan het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening houden (arresten van 3 juli 1997, Commissie/Frankrijk, C-60/96, Jurispr. blz. I-3827, punt 15, en 17 september 1996, Commissie/Italië, C-289/94, Jurispr. blz. I-4405, punt 20). Zoals de Griekse regering ter terechtzitting zelf heeft erkend, was bedoeld programma op die datum nog niet tot uitvoering gebracht.

39 Ook van de verschillende, in de punten 7 en volgende van dit arrest genoemde wettelijke, bestuursrechtelijke, ministeriële en provinciale maatregelen heeft de Griekse regering ter terechtzitting verklaard, dat zij niet zijn te beschouwen als programma's in de zin van artikel 7, lid 1, van richtlijn 76/464.

40 Derhalve moet worden vastgesteld dat de Helleense Republiek, door geen specifieke programma's op te stellen ter vermindering van de verontreiniging van het Vegoritismeer en de rivier de Soulos door stoffen van lijst II, haar verplichtingen krachtens artikel 7, lid 1, van richtlijn 76/464 niet is nagekomen.

Zaak C-233/95

41 Ten aanzien van het aquatisch milieu in de Pagasitikosgolf legt de Commissie een lijst over van verschillende stoffen waarmee de wateren aldaar zijn verontreinigd, en verwijt zij de Helleense Republiek geen programma's te hebben opgesteld in de zin van artikel 7, lid 1, van richtlijn 76/464. De door de Helleense Republiek meegedeelde besluiten stellen immers enkel met betrekking tot bepaalde stoffen beperkingen aan lozingen van industrieel afvalwater, en zijn evenmin gebaseerd op in concrete programma's omschreven kwaliteitsdoelstellingen ter vermindering van de bestaande vervuiling.

42 Nadat zij tijdens de schriftelijke procedure gewag had gemaakt van de eerder genoemde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, van studies over de ecologische situatie in de Pagasitikosgolf en van een in 1995 door een speciaal team van deskundigen van het bevoegde ministerie opgesteld geïntegreerd programma, heeft de Helleense Republiek ter terechtzitting erkend, dat zij het Hof geen concrete programma's ter uitvoering van de artikelen 2 en 7 van richtlijn 76/464 kon voorleggen.

43 Vastgesteld moet dus worden, dat de Helleense Republiek, door geen programma's vast te stellen ter vermindering van de verontreiniging van de Pagasitikosgolf door stoffen van lijst II, haar verplichtingen krachtens artikel 7, lid 1, van richtlijn 76/464 niet is nagekomen.

Het ontbreken van de in artikel 2 van richtlijn 76/464 bedoelde maatregelen

44 In zaak C-232/95 verwijt de Commissie de Helleense Republiek, niet de in artikel 2 van richtlijn 76/464 bedoelde maatregelen te hebben genomen om het lozen van stedelijk afvalwater in de rivier de Soulos en het Vegoritismeer te controleren.

45 De Helleense Republiek merkt op, dat er te Ptolemaida reeds een zuiveringsstation bestaat voor de volledige zuivering van stedelijk afvalwater en dat een ander station te Amyntaion in aanbouw is, en voorts dat volgens richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB L 135, blz. 40), een opvangsysteem voor agglomeraties met minder dan 2 000 inwoners niet verplicht is.

46 Dienaangaande zij erop gewezen, dat artikel 2 van richtlijn 76/464 bepaalt: "De lidstaten nemen alle passende maatregelen (...) ter vermindering van de verontreiniging van [de in artikel 1 bedoelde] wateren door de gevaarlijke stoffen (...) en groepen van stoffen die worden genoemd in lijst II (...), overeenkomstig deze richtlijn, die slechts een eerste stap is om dit doel te bereiken."

47 Ofschoon deze bepaling ook zo kan worden gelezen, dat aan de in artikel 2 van richtlijn 76/464 bedoelde verplichting enkel wordt voldaan door middel van in de richtlijn zelf genoemde maatregelen, moet in ieder geval worden geconstateerd dat de Helleense Republiek omstandig, en zonder op tegenspraak van de Commissie te stuiten, heeft verklaard, dat een zuiveringsstation voor stedelijk afvalwater in bedrijf was en dat een tweede station in aanbouw was; bovendien zijn de lidstaten krachtens richtlijn 91/271 niet verplicht voor agglomeraties met minder dan 2 000 inwoners te voorzien in een opvangsysteem voor de afvoer van stedelijk afvalwater.

48 In die omstandigheden kan het middel ontleend aan schending van artikel 2 van richtlijn 76/464, niet slagen.

49 Gelet op het voorgaande moet dus worden vastgesteld dat de Helleense Republiek, door geen programma's met kwaliteitsdoelstellingen en termijnen voor de uitvoering daarvan op te stellen ter vermindering van de verontreiniging van het Vegoritismeer en de daarin uitmondende rivier de Soulos en van de Pagasitikosgolf door gevaarlijke stoffen van lijst II van richtlijn 76/464/EEG, de verplichtingen niet is nagekomen die krachtens deze richtlijn, en met name artikel 7 ervan, op haar rusten.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

50 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dat is gevorderd. Aangezien verweerster op de voornaamste punten in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1) Door geen programma's met kwaliteitsdoelstellingen en termijnen voor de uitvoering daarvan op te stellen ter vermindering van de verontreiniging van het Vegoritismeer en de daarin uitmondende rivier de Soulos en van de Pagasitikosgolf door gevaarlijke stoffen van lijst II van richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, is de Helleense Republiek de verplichtingen niet nagekomen die krachtens deze richtlijn, en met name artikel 7 ervan, op haar rusten.

2) Het beroep wordt voor het overige verworpen.

3) De Helleense Republiek wordt in de kosten verwezen.