61995J0122

Arrest van het Hof van 10 maart 1998. - Bondsrepubliek Duitsland tegen Raad van de Europese Unie. - Framework Agreement on Bananas - GATT van 1994 - Sluitingsakte. - Zaak C-122/95.

Jurisprudentie 1998 bladzijde I-00973


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1 Beroep tot nietigverklaring - Termijnen - Aanvang - Datum van kennisneming van handeling - Subsidiair karakter - Besluit van Raad houdende goedkeuring namens Gemeenschap van internationale overeenkomst - Datum van bekendmaking

(EG-Verdrag, art. 173, vijfde alinea)

2 Beroep tot nietigverklaring - Voor beroep vatbare handelingen - Besluit van Raad houdende goedkeuring namens Gemeenschap van internationale overeenkomst

(EG-Verdrag, art. 173)

3 Beroep tot nietigverklaring - Voor beroep vatbare handelingen - Besluit 94/800 betreffende sluiting van uit Uruguay-Ronde voortvloeiende overeenkomsten - Beroep tot beperkte nietigverklaring van besluit - Ontvankelijkheid

(EG-Verdrag, art. 173; verordening nr. 3290/94 van de Raad; besluit 94/800 van de Raad)

4 Internationale overeenkomsten - Wereldhandelsorganisatie - GATT van 1994 - Kaderovereenkomst betreffende bananen tussen Gemeenschap en bepaalde derde landen - Besluit 94/800 - Verdeling van tariefcontingent in nationale contingenten - Discriminatie - Geen - Eigendomsrecht - Verkregen rechten - Vrije beroepsuitoefening - Evenredigheidsbeginsel - Schending - Geen - Invoering van regeling inzake uitvoercertificaten die alleen marktdeelnemers van categorieën A en C treft - Schending van non-discriminatiebeginsel

(EG-Verdrag, art. 40, lid 3; Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 1994; verordening nr. 404/93 van de Raad; besluit 94/800 van de Raad)

Samenvatting


5 Met betrekking tot de termijn voor de instelling van een beroep tot nietigverklaring blijkt uit de formulering van artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag, dat het criterium van de datum waarop van de handeling kennis is gekregen, voor het ingaan van de beroepstermijn subsidiair is ten opzichte van de criteria van bekendmaking of kennisgeving van de handeling.

Aangezien het een vast gebruik is dat handelingen van de Raad waarbij internationale akkoorden worden gesloten die de Europese Gemeenschap binden, in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt, mag een lidstaat die de nietigverklaring vordert van een besluit houdende goedkeuring namens de Gemeenschap van een dergelijk akkoord, ofschoon hij van het besluit kennis heeft vanaf de vaststelling ervan, rechtmatig ervan uitgaan, dat het besluit in het Publicatieblad zal worden bekendgemaakt. Wanneer voorts dit besluit binnen twee maanden na zijn vaststelling is bekendgemaakt, doet de datum van bekendmaking de beroepstermijn ingaan, ook al is de tekst bekendgemaakt onder de rubriek "Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing".

6 Aan de mogelijkheid van een lidstaat om een beroep tot nietigverklaring van een besluit van de Raad houdende sluiting van een internationaal akkoord in te stellen, noch aan de mogelijkheid waarover hij beschikt om in dat kader in een procedure in kort geding om voorlopige maatregelen te verzoeken, wordt afgedaan door het feit dat het betrokken akkoord door de Gemeenschap zonder voorbehoud is gesloten en de instellingen en de lidstaten zowel gemeenschapsrechtelijk als volkenrechtelijk bindt.

7 Aan de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring van besluit 94/800 betreffende de sluiting namens de Gemeenschap van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde voortvloeiende overeenkomsten, voor zover de Raad daarbij de sluiting van de kaderovereenkomst betreffende bananen met bepaalde derde landen heeft goedgekeurd, staat niet in de weg het feit dat die kaderovereenkomst slechts één onderdeel van het geheel van die overeenkomsten is.

Immers, enerzijds is niet aangetoond, dat de nietigverklaring van het betrokken besluit, enkel voor zover dit betrekking heeft op de sluiting van de kaderovereenkomst, andere concessies en verbintenissen die in het kader van de Uruguay-Ronde tot stand zijn gekomen, zou ondermijnen. Anderzijds zijn, wat de landbouwsector betreft, die overeenkomsten intern ten uitvoer gelegd bij verordening nr. 3290/94, door middel van afzonderlijke aanpassingen van de verschillende gemeenschapsregelingen houdende gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten, zodat een eventuele nietigverklaring van het besluit, in de mate als hierboven vermeld, de aanpassingen van andere sectoren dan de bananensector onverlet laten.

8 De regeling die is tot stand gebracht bij de kaderovereenkomst betreffende bananen tussen de Gemeenschap en bepaalde derde landen, die is opgenomen in een bijlage bij het GATT van 1994, welke op haar beurt een bijlage vormt bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, en die namens de Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 94/800, bepaalt in punt 2 van de kaderovereenkomst, dat het tariefcontingent voor de invoer van bananen uit derde landen en niet-traditionele ACS-bananen in specifieke aandelen wordt onderverdeeld, die aan verschillende derde landen of groepen van derde landen worden toegekend, waarbij een bepaald percentage is gereserveerd voor de landen die partij bij de kaderovereenkomst zijn. Punt 6 van de kaderovereenkomst bepaalt, dat alleen de marktdeelnemers van de categorieën A en C, en niet die van categorie B (de marktdeelnemers die bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen hebben afgezet), verplicht zijn uitvoercertificaten te verkrijgen van de bevoegde autoriteiten van de landen die partij bij de overeenkomst zijn, willen zij uit die landen bananen kunnen invoeren.

De verdeling van het tariefcontingent in nationale contingenten, die bepaalde derde landen bevoordeelt en daardoor de mogelijkheden van de marktdeelnemers van de categorieën A en C om bananen uit derde landen in te voeren beperkt, is niet in strijd met het algemene non-discriminatiebeginsel.

Immers, het gemeenschapsrecht kent geen algemeen beginsel dat de Gemeenschap zou verplichten in haar externe betrekkingen de verschillende derde landen in elk opzicht gelijk te behandelen. Wanneer een verschil in behandeling van derde landen niet in strijd is met het gemeenschapsrecht, kan een verschil in behandeling van marktdeelnemers uit de Gemeenschap, dat niet meer is dan een automatisch gevolg van het verschil in behandeling van de derde landen waarmee die marktdeelnemers commerciële betrekkingen onderhouden, evenmin worden geacht in strijd met het gemeenschapsrecht te zijn. De beperkingen van de invoermogelijkheden, die de invoering van de nationale contingenten kan meebrengen voor de marktdeelnemers van de categorieën A en C, zijn het automatisch gevolg van het verschil in behandeling van de derde landen, al naar gelang deze al dan niet partij zijn bij de kaderovereenkomst en al naar gelang de omvang van het contingent dat hun bij die overeenkomst is toegekend.

De verdeling in nationale contingenten levert evenmin een schending van de fundamentele rechten of de algemene rechtsbeginselen op.

Immers, wat het eigendomsrecht betreft, kan geen enkele marktdeelnemer een dergelijk recht doen gelden op een marktaandeel dat hij op een tijdstip vóór de invoering van een gemeenschappelijke marktordening in handen had, noch zich op een verkregen recht of op een gewettigd vertrouwen in het voortbestaan van een bestaande situatie beroepen. De beperkingen van de mogelijkheid om bananen uit derde landen in te voeren, die het gevolg zijn van de verdeling van het tariefcontingent, zijn inherent aan de doeleinden van algemeen belang die de Gemeenschap met de gemeenschappelijke marktordening in de sector bananen nastreeft, en doen dus niet onrechtmatig afbreuk aan het recht van vrije beroepsuitoefening van de betrokken marktdeelnemers. Met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel ten slotte blijkt niet, dat de verdeling van het globale contingent in nationale contingenten voor sommige van die landen kennelijk ongeschikt is ter verwezenlijking van de nagestreefde doelen, te weten het garanderen van de afzet van de productie uit de Gemeenschap en van de productie van traditionele ACS-bananen en het integreren van de tot dan toe gecompartimenteerde nationale markten.

Het verschil in behandeling dat gelegen is in de vrijstelling van de marktdeelnemers van categorie B van de regeling inzake de uitvoercertificaten, wat meebrengt dat alleen de marktdeelnemers van de categorieën A en C voor bananen uit de betrokken derde landen een 33 % hogere inkoopprijs moeten betalen, is daarentegen onverenigbaar met het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag, dat slechts een bijzondere uitdrukking is van het algemene gelijkheidsbeginsel, dat een der grondprincipes van het gemeenschapsrecht is, zodat besluit 94/800 nietig moet worden verklaard, voor zover de kaderovereenkomst de marktdeelnemers van categorie B vrijstelt van de daarin getroffen regeling inzake de uitvoercertificaten.

De bij verordening nr. 404/93 ingestelde gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen, en met name de daarin vervatte regeling voor de verdeling van het tariefcontingent, brengt inderdaad een aantal beperkingen of verschillen in behandeling ten nadele van de marktdeelnemers van de categorieën A en C mee, die niet in strijd zijn met het algemene non-discriminatiebeginsel, voor zover zij inherent zijn aan het doel om tot dan toe gecompartimenteerde markten te integreren, gelet op de uiteenlopende situaties waarin de verschillende categorieën van marktdeelnemers zich vóór de invoering van de gemeenschappelijke marktordening bevonden, en het is eveneens waar, dat het nastreven van het doel van deze marktordening, namelijk het garanderen van de afzet van de productie uit de Gemeenschap en de productie van traditionele ACS-bananen, inhoudt dat een zeker evenwicht tussen de betrokken verschillende categorieën van marktdeelnemers tot stand moet worden gebracht.

Evenwel is niet aangetoond, dat dit evenwicht, dat verbroken is door de verhoging van het tariefcontingent en de gelijktijdige verlaging van de invoerrechten, waarvan ook de marktdeelnemers van categorie B profiteren, slechts kon worden hersteld door aan de marktdeelnemers van die categorie een wezenlijk voordeel toe te kennen, dus opnieuw door middel van een verschil in behandeling ten nadele van de andere categorieën van marktdeelnemers, die reeds bij de invoering van het tariefcontingent en de desbetreffende verdelingsregeling met soortgelijke beperkingen en verschillen in behandeling te maken hadden.

Bovendien beoogt de regeling inzake de uitvoercertificaten niet alleen dat evenwicht te herstellen; zij strekt er ook toe financiële hulp te verlenen aan de derde landen die partij bij de kaderovereenkomst zijn, en aldus de beperkingen te compenseren die bij verordening nr. 404/93 aan de verhandeling van bananen uit die landen zijn gesteld ten voordele van communautaire en ACS-bananen. Het blijkt evenwel niet, dat de verhoging van het tariefcontingent en de verdeling ervan in nationale contingenten, alsmede de gelijktijdige verlaging van de douanerechten niet volstonden om die beperkingen te compenseren, en dat dit doel dus moest worden bereikt door slechts aan een deel van de uit die landen importerende marktdeelnemers een financiële last op te leggen.

Partijen


In zaak C-122/95,

Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en B. Kloke, Oberregierungsrat bij dit ministerie, D-53107 Bonn, als gemachtigden,

verzoekster,

ondersteund door

Koninkrijk België, vertegenwoordigd door J. Devadder, adviseur-generaal bij de juridische dienst van het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,

interveniënt,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door R. Bandilla, directeur bij zijn juridische dienst, A. Brautigam, juridisch adviseur, en J.-P. Hix, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Morbilli, directeur-generaal van het directoraat Juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,

verweerder,

ondersteund door

Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door A. J. Navarro González, directeur-generaal Coördinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen, en R. Silva de Lapuerta, abogado del Estado, van de juridische dienst van de staat, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard Emmanuel Servais 4-6,

Franse Republiek, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en G. Mignot, secretaris buitenlandse zaken bij die directie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard Joseph II 8 B,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. Christoforou en U. Wölker, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

interveniënten,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van artikel 1, lid 1, eerste streepje, van besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336, blz. 1), voor zover de Raad daarbij heeft ingestemd met de sluiting van de kaderovereenkomst betreffende bananen met de Republiek Costa Rica, de Republiek Colombia, de Republiek Nicaragua en de Republiek Venezuela,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. Gulmann, M. Wathelet en R. Schintgen (rapporteur), kamerpresidenten, G. F. Mancini, P. J. G. Kapteyn, J. L. Murray, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, G. Hirsch en P. Jann, rechters,

advocaat-generaal: M. B. Elmer

griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 4 februari 1997, waar de Duitse regering vertegenwoordigd was door E. Röder; de Belgische regering door J. Devadder; de Raad door A. Brautigam en J.-P. Hix; de Spaanse regering door R. Silva de Lapuerta; de Franse regering door F. Pascal, attaché centrale administratie bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en de Commissie door U. Wölker, P. J. Kuyper, juridisch adviseur, en K.-D. Borchardt, lid van haar juridische dienst,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 juni 1997,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 april 1995, heeft de Bondsrepubliek Duitsland krachtens artikel 173, eerste alinea, EG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van artikel 1, lid 1, eerste streepje, van besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336, blz. 1; hierna: "litigieus besluit"), voor zover de Raad daarbij heeft ingestemd met de sluiting van de kaderovereenkomst betreffende bananen met de Republiek Costa Rica, de Republiek Colombia, de Republiek Nicaragua en de Republiek Venezuela (hierna: "kaderovereenkomst").

2 Bij titel IV van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (PB L 47, blz. 1), is een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bananen ingesteld, die in de plaats kwam van de verschillende bestaande nationale regelingen.

3 Artikel 18, lid 1, van verordening nr. 404/93 bepaalde in zijn oorspronkelijke versie, dat voor elk jaar een tariefcontingent van 2 miljoen ton nettogewicht werd geopend voor de invoer van bananen uit derde landen en niet-traditionele ACS-bananen. In het kader van dit contingent werd op de invoer van bananen uit derde landen een recht van 100 ECU per ton geheven, terwijl op de invoer van niet-traditionele ACS-bananen een nulrecht van toepassing was.

4 Ingevolge artikel 19, lid 1, van die verordening is het geopende tariefcontingent verdeeld als volgt: 66,5 % voor de categorie marktdeelnemers die bananen uit derde landen en/of niet-traditionele ACS-bananen hebben afgezet; 30 % voor de categorie marktdeelnemers die bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen hebben afgezet, en 3,5 % voor de categorie in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers die vanaf 1992 zijn begonnen andere bananen dan bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen af te zetten.

5 Artikel 20 van verordening nr. 404/93 bepaalt, dat de Commissie de bepalingen ter uitvoering van titel IV vaststelt.

6 Daartoe heeft de Commissie verordening (EEG) nr. 1442/93 van 10 juni 1993 vastgesteld, houdende bepalingen ter toepassing van de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap (PB L 142, blz. 6). In deze verordening is de verdeling van het tariefcontingent tussen de drie categorieën van marktdeelnemers - categorieën A, B en C genoemd - overgenomen.

7 Op 19 februari 1993 verzochten de Republiek Colombia, de Republiek Costa Rica, de Republiek Guatemala, de Republiek Nicaragua en de Republiek Venezuela de Gemeenschap om een consultatie uit hoofde van artikel XXII, lid 1, van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (hierna: "GATT") over verordening nr. 404/93. Toen die consultatie geen bevredigende oplossing opleverde, leidden genoemde Latijns-Amerikaanse staten in april 1993 de geschillenbeslechtingsprocedure van artikel XXIII, lid 2, van het GATT in.

8 Op 18 januari 1994 bracht de groep van deskundigen die in het kader van die procedure was aangewezen, een rapport uit waarin hij vaststelde, dat de invoerregeling van verordening nr. 404/93 onverenigbaar was met de GATT-regels.

9 Dat rapport is niet door de verdragsluitende partijen aangenomen.

10 Op 28 en 29 maart 1994 kwam de Gemeenschap met de Republiek Colombia, de Republiek Costa Rica, de Republiek Nicaragua en de Republiek Venezuela tot een regeling in de vorm van de kaderovereenkomst.

11 Deze kaderovereenkomst bestaat uit twee documenten; het eerste - getiteld "Agreement outcome of the negotiations between Colombia, Costa Rica, Nicaragua, Venezuela and the European Community on the EC's import regime for bananas" - vormt een soort preambule van de eigenlijke overeenkomst; het tweede document, getiteld "Framework Agreement on Bananas", bevat de technische bepalingen van de regeling met de Latijns-Amerikaanse staten.

12 Het eerste document heeft de volgende inhoud:

"The attached draft agreement on bananas represents a satisfactory outcome of the negotiations on bananas in the context of the Uruguay Round.

The agreement also constitutes the outcome of Article XXVIII negotiations and consultations on bananas between the EC and the abovementioned countries.

Furthermore, the agreement constitutes a settlement of the dispute on bananas which is the subject of a GATT panel report. It was agreed, therefore, that Colombia, Costa Rica, Nicaragua, Venezuela and the EC will not pursue the adoption of the said panel report.

Colombia, Costa Rica, Nicaragua and Venezuela agreed that they would not initiate GATT dispute settlement procedures against the EC's regime for bananas for the duration of the attached agreement."

13 Het tweede document, de eigenlijke kaderovereenkomst, bepaalt in punt 1 het totale basistariefcontingent op 2 100 000 ton voor 1994 en op 2 200 000 ton voor 1995 en volgende jaren, onder voorbehoud van verhogingen als gevolg van uitbreiding van de Gemeenschap.

14 In punt 2 van de kaderovereenkomst zijn de percentages van het contingent vermeld die respectievelijk aan Colombia, Costa Rica, Nicaragua en Venezuela zijn toegekend. Deze staten ontvangen 49,4 % van het totale contingent, terwijl 90 000 ton voor niet-traditionele invoer aan de Dominicaanse Republiek en aan de andere ACS-staten is toegekend, en het saldo aan de andere derde landen.

15 De punten 3 tot en met 5 betreffen de toepassing of de wijziging van de contingenten per land ingeval een van deze landen zijn contingent niet kan leveren, of in geval van een verhoging van het contingent.

16 Punt 6 bepaalt, dat op het punt van het beheer van de contingenten, inclusief de verhogingen, de bepalingen van verordening nr. 404/93 ongewijzigd blijven gelden. Voorts wordt gepreciseerd:

"The supplying countries with country quotas may deliver special export certificates for up to 70 % of their quota, which, in turn, constitute a prerequisite for the issuance, by the Community, of certificates for the importation of bananas from said countries by $Category A' and $Category C' operators.

The authorization to deliver the special export certificates shall be granted by the Commission in order to make it possible to improve regular and stable trade relations between producers and importers and on the condition that the export certificates will be issued without any discrimination among the operators."

17 In punt 7 wordt het invoerrecht voor hoeveelheden binnen het contingent bepaald op 75 ECU per ton.

18 Volgens de punten 8 en 9 zal de overeengekomen regeling uiterlijk op 1 oktober 1994 in werking treden en op 31 december 2002 vervallen.

19 De punten 10 en 11 luiden als volgt:

"This agreement will be incorporated into the Community's Uruguay Round Schedule.

This agreement represents a settlement of the dispute between Colombia, Costa Rica, Venezuela, Nicaragua and the Community on the Community's banana regime. The parties to this agreement will not pursue the adoption of the GATT panel report on this issue."

20 De punten 1 en 7 van de kaderovereenkomst vormen een onderdeel van Schedule LXXX bij het GATT van 1994, dat de lijst van de douaneconcessies van de Gemeenschap bevat. Het GATT van 1994 vormt op zijn beurt bijlage 1 A van de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (hierna: "WTO-overeenkomst"). De kaderovereenkomst is in een bijlage bij Schedule LXXX opgenomen.

21 Op 25 juli 1994 diende de Bondsrepubliek Duitsland een verzoek om advies over de verenigbaarheid van de kaderovereenkomst met het Verdrag in.

22 Bij arrest van 5 oktober 1994, Duitsland/Raad (C-280/93, Jurispr. blz. I-4973), verwierp het Hof het door de Bondsrepubliek Duitsland tegen verordening nr. 404/93 ingestelde beroep tot nietigverklaring.

23 In een in het proces-verbaal van de Raad opgenomen verklaring van 20 december 1994 ter zake van de vaststelling van het besluit houdende sluiting van de overeenkomsten van de Uruguay-Ronde, voorzien voor 22 december daaraanvolgend, beklemtoonde de Duitse regering, dat zij, "ofschoon zij het besluit van de Raad betreffende de sluiting door de Gemeenschap van de overeenkomst betreffende de WTO heeft goedgekeurd, de kaderovereenkomst onwettig acht", en dat deze goedkeuring "niet mag worden uitgelegd als een goedkeuring" van de kaderovereenkomst.

24 Op 21 december 1994 stelde de Commissie verordening (EG) nr. 3224/94 vast, tot vaststelling van overgangsmaatregelen voor de uitvoering van de kaderovereenkomst betreffende bananen die is gesloten binnen het raam van de Uruguay-Ronde van multilaterale handelsbesprekingen (PB L 337, blz. 72).

25 Op 22 december 1994 stelde de Raad met eenparigheid van stemmen het litigieuze besluit vast, waarvan artikel 1, lid 1, eerste streepje, luidt als volgt:

"1. Namens de Europese Gemeenschap worden, voor wat betreft het gedeelte dat onder haar bevoegdheid valt, de volgende multilaterale overeenkomsten en besluiten goedgekeurd:

- de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, alsmede de in de bijlagen 1, 2 en 3 van deze overeenkomst opgenomen overeenkomsten."

26 Dit besluit is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen L 336 (blz. 1) van 23 december 1994, onder de rubriek "Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing". Uit door het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen verstrekte informatie blijkt, dat het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen L 336 eerst op 13 februari 1995 beschikbaar was.

27 Verordening (EG) nr. 3290/94 van de Raad van 22 december 1994 inzake de aanpassingen en de overgangsmaatregelen in de landbouwsector voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde (PB L 349, blz. 105), bevat een bijlage XV betreffende bananen. Daarbij is artikel 18, lid 1, van verordening nr. 404/93 aldus gewijzigd, dat voor 1994 de omvang van het tariefcontingent bepaald is op 2,1 miljoen ton nettogewicht en voor de volgende jaren op 2,2 miljoen ton nettogewicht. In het kader van dit tariefcontingent wordt op de invoer van bananen uit derde landen een recht van 75 ECU per ton geheven.

28 In verordening (EG) nr. 478/95 van de Commissie van 1 maart 1995 tot vaststelling van aanvullende bepalingen voor de toepassing van verordening nr. 404/93 betreffende de regeling inzake het tariefcontingent voor de invoer van bananen in de Gemeenschap en tot wijziging van verordening nr. 1442/93 (PB L 49, blz. 13) zijn de nodige maatregelen voor de uitvoering van de kaderovereenkomst vastgesteld "op een grondslag die niet langer een overgangsregeling is".

29 In zijn advies 3/94 van 13 december 1995 (Jurispr. blz. I-4577) stelde het Hof vast, dat het verzoek om advies van de Bondsrepubliek Duitsland niet behoefde te worden beantwoord, daar het zonder voorwerp was geraakt, nu de kaderovereenkomst, opgenomen in de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde voortvloeiende overeenkomsten, tegelijk met deze overeenkomsten was gesloten nadat het verzoek om advies bij het Hof was ingediend.

De ontvankelijkheid van het beroep

30 De Raad werpt een aantal middelen van niet-ontvankelijkheid op, ontleend aan het feit dat het beroep te laat is ingesteld, en aan het feit dat de kaderovereenkomst, nu zij is goedgekeurd, de Gemeenschap en de lidstaten bindt en een onderdeel vormt van de overeenkomst tot oprichting van de WTO in haar geheel.

31 In de eerste plaats betoogt de Raad, daarin ondersteund door het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek en de Commissie, dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het in strijd met artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag niet is ingesteld binnen de termijn van twee maanden te rekenen vanaf de dag waarop verzoekster van de bestreden handeling kennis heeft gekregen, in casu 22 december 1994, de datum waarop de Raad het litigieuze besluit heeft vastgesteld.

32 Tot staving van dit middel voert de Raad aan, dat de datum van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen dan wel - wanneer die datum, zoals hier het geval is, niet dezelfde is als die waarop het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen beschikbaar is gekomen - de datum waarop het Publicatieblad daadwerkelijk is verschenen, enkel in het geval van besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing ervan - wat in casu niet het geval is - als ingangsdatum van de beroepstermijn is te beschouwen.

33 De Bondsrepubliek Duitsland brengt daartegen in, dat blijkens de formulering van artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag de datum waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen, alleen in aanmerking kan komen wanneer er geen bekendmaking of kennisgeving heeft plaatsgehad, en dat de omstandigheid dat het litigieuze besluit geen handeling is waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing ervan, daarbij irrelevant is.

34 Artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag bepaalt, dat het beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.

35 Uit de formulering zelf van die bepaling blijkt, dat het criterium van de datum waarop van de handeling kennis is gekregen, voor het ingaan van de beroepstermijn subsidiair is ten opzichte van de criteria van bekendmaking of kennisgeving van de handeling.

36 Voorts moet worden vastgesteld, dat het vast gebruik is dat handelingen van de Raad waarbij internationale akkoorden worden gesloten die de Europese Gemeenschap binden, in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt.

37 Derhalve mocht verzoekster ervan uitgaan, dat het litigieuze besluit, waarbij de overeenkomst tot oprichting van de WTO en de in de bijlagen daarbij opgenomen overeenkomsten, waaronder het GATT van 1994, namens de Europese Gemeenschap zijn goedgekeurd, in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen zou worden bekendgemaakt.

38 Het litigieuze besluit is inderdaad bekendgemaakt binnen twee maanden nadat het door de Raad was vastgesteld; het desbetreffende Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen was beschikbaar op 13 februari 1995.

39 Bijgevolg moet worden geconcludeerd, dat de datum van bekendmaking de beroepstermijn heeft doen ingaan.

40 Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland het onderhavige beroep heeft ingesteld binnen de termijn van twee maanden te rekenen vanaf de daadwerkelijke bekendmaking van het litigieuze besluit in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, moet het eerste middel van niet-ontvankelijkheid, namelijk dat het beroep te laat is ingesteld, worden afgewezen.

41 In de tweede plaats betoogt de Raad, dat een lidstaat een door de Gemeenschap zonder voorbehoud gesloten internationaal akkoord dat de instellingen gemeenschapsrechtelijk en volkenrechtelijk bindt, niet opnieuw ter discussie kan stellen door middel van een beroep tot nietigverklaring van de handeling waarbij dat akkoord namens de Gemeenschap is gesloten.

42 Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren, dat het Hof in zijn advies 3/94 (punt 22), ter motivering van zijn beslissing dat een krachtens artikel 228, lid 6, van het Verdrag ingediend verzoek om advies niet behoeft te worden beantwoord wanneer het een reeds gesloten akkoord betreft, uitdrukkelijk heeft vastgesteld, dat de lidstaat of de gemeenschapsinstelling die om advies heeft verzocht, in elk geval de mogelijkheid heeft beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen het besluit van de Raad om het akkoord te sluiten, alsmede de mogelijkheid in dat kader in een procedure in kort geding om voorlopige maatregelen te verzoeken.

43 In de derde plaats betoogt de Raad, dat de kaderovereenkomst slechts één onderdeel is van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde voortvloeiende overeenkomsten, en dat er dus geen afzonderlijk beroep tot nietigverklaring tegen kan worden ingesteld, daar anders het precaire evenwicht tussen de in dat kader over en weer tot stand gekomen concessies en verbintenissen in gevaar zou worden gebracht. De Raad beroept zich in dit verband op het arrest van 28 april 1988, LAISA e.a./Raad (31/86 en 35/86, Jurispr. blz. 2285), waarin het Hof oordeelde, dat een aantal bepalingen van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 232) als elementen van een groter geheel waarin de resultaten van de toetredingsonderhandelingen zijn neergelegd, niet opnieuw ter discussie konden worden gesteld.

44 Dienaangaande zij in de eerste plaats beklemtoond, dat het Hof in het arrest LAISA e.a./Raad (punt 18) de beroepen tot nietigverklaring niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond dat de bestreden bepalingen een integrerend bestanddeel van de Toetredingsakte vormden en dus geen handeling van de Raad in de zin van artikel 173 van het Verdrag waren.

45 Vervolgens zij opgemerkt, dat de Raad in casu geenszins heeft aangetoond, dat de nietigverklaring van het litigieuze besluit, enkel voor zover dit betrekking heeft op de sluiting van de kaderovereenkomst, andere concessies en verbintenissen die in het kader van de Uruguay-Ronde tot stand zijn gekomen, zou ondermijnen.

46 Tevens moet erop worden gewezen, dat wat de landbouwsector betreft, de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde voortvloeiende overeenkomsten intern ten uitvoer zijn gelegd bij verordening nr. 3290/94, door middel van afzonderlijke aanpassingen van de verschillende gemeenschapsregelingen houdende gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten. Bijgevolg zou een eventuele nietigverklaring van het litigieuze besluit, voor zover dit betrekking heeft op de sluiting van de kaderovereenkomst, de aanpassingen van andere sectoren dan de bananensector onverlet laten.

47 Aangezien alle middelen van niet-ontvankelijkheid van de Raad falen, is het beroep ontvankelijk.

Ten gronde

48 De Bondsrepubliek Duitsland, daarin ondersteund door het Koninkrijk België, betoogt, dat de bij de kaderovereenkomst ingevoerde regeling fundamentele rechten van de marktdeelnemers van de categorieën A en C aantast - te weten het recht van vrije beroepsuitoefening en het eigendomsrecht - en hen discrimineert ten opzichte van de marktdeelnemers van categorie B. Voorts is de kaderovereenkomst huns inziens in strijd met het vertrouwens- en het evenredigheidsbeginsel.

49 Tot staving van die middelen zet verzoekster uiteen, dat de toekenning van nationale contingenten aan de derde landen die partij bij de kaderovereenkomst zijn, de mogelijkheden van de marktdeelnemers van de categorieën A en C om bananen uit derde landen in te voeren, beperkt. Daarbij komt, dat die marktdeelnemers de waarde van productmerken die naar het land van oorsprong verwijzen, dreigen te verliezen en gedwongen worden tot een dure diversificatie van hun bevoorradingsbronnen.

50 De Bondsrepubliek Duitsland beklemtoont voorts, dat de regeling inzake de uitvoercertificaten inhoudt, dat in het land van afgifte taksen moeten worden betaald, zodat de invoer uit die landen duurder wordt. Het feit dat de regeling inzake de uitvoercertificaten alleen op de marktdeelnemers van de categorieën A en C wordt toegepast, betekent dus dat dezen worden gediscrimineerd ten opzichte van de marktdeelnemers van categorie B, die reeds worden bevoordeeld doordat de bij verordening nr. 404/93 ingevoerde verdeelsleutel van toepassing is op de verhoging van het tariefcontingent ingevolge de kaderovereenkomst. Die discriminatie kan niet worden gerechtvaardigd door het belang van de Gemeenschap bij de beëindiging van de betwisting van de gemeenschapsregeling inzake de invoer van bananen, door de betrokken derde landen voor de instanties van het GATT.

51 De Raad, daarin ondersteund door het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek en de Commissie, ontkent dat de kaderovereenkomst in strijd is met de fundamentele beginselen van gemeenschapsrecht waarop verzoekster zich beroept. Hij betoogt, dat de invoering van de nationale contingenten en van de regeling inzake de uitvoercertificaten geen verslechtering van de mededingingssituatie van de marktdeelnemers van de categorieën A en C teweegbrengt. Dienaangaande merkt hij op, dat de in de kaderovereenkomst overeengekomen verhoging van het tariefcontingent en verlaging van de douanerechten de beschikbaarheid van bananen uit derde landen vergroot en de mededinging tussen de marktdeelnemers van alle categorieën versterkt.

52 De Raad en de aan zijn zijde interveniërende partijen voegen daaraan toe, dat de verschillende behandeling die het gevolg is van het feit dat de marktdeelnemers van categorie B verplicht zijn dure uitvoercertificaten te verkrijgen, objectief gerechtvaardigd is door de noodzaak het door verordening nr. 404/93 beoogde mededingingsevenwicht tussen die marktdeelnemers en die van de categorieën A en C te herstellen. Dienaangaande brengen zij in herinnering, dat het Hof in het arrest Duitsland/Raad (reeds aangehaald) de wettigheid van een aantal aan de marktdeelnemers van categorie B toegekende voordelen heeft erkend in verband met de noodzaak dat evenwicht tot stand te brengen. Door de in de kaderovereenkomst overeengekomen verhoging van het tariefcontingent en verlaging van de invoerrechten, was dat evenwicht echter verbroken ten nadele van de marktdeelnemers van categorie B.

53 Ter beoordeling van de gegrondheid van het onderhavige beroep moet eerst het middel ontleend aan schending van het algemene non-discriminatiebeginsel worden onderzocht, en vervolgens de middelen ontleend aan schending van het eigendomsrecht, het recht van vrije beroepsuitoefening, alsmede het vertrouwens- en het evenredigheidsbeginsel.

Het middel ontleend aan schending van het algemene non-discriminatiebeginsel

54 Om te kunnen beoordelen of dit middel gegrond is, moet worden onderscheiden tussen, enerzijds, de invoering van de nationale contingenten en, anderzijds, de vrijstelling van de marktdeelnemers van categorie B van de regeling inzake de uitvoercertificaten.

55 Met betrekking tot het eerste punt moet erop worden gewezen, dat het Hof in het arrest Duitsland/Raad (reeds aangehaald) de wettigheid heeft erkend van de invoering van het algemene tariefcontingent voor de invoer van bananen uit derde landen en niet-traditionele ACS-bananen, zulks als tegenwicht voor de traditionele invoer uit de ACS-landen, waarvoor ingevolge de Overeenkomst van Lomé een gunstregeling geldt.

56 Tevens zij eraan herinnerd, dat het gemeenschapsrecht geen algemeen beginsel kent dat de Gemeenschap zou verplichten in haar externe betrekkingen de verschillende derde landen in elk opzicht gelijk te behandelen. In het arrest van 28 oktober 1982, Faust/Commissie (52/81, Jurispr. blz. 3745, punt 25) heeft het Hof verklaard, dat wanneer een verschil in behandeling van derde landen niet in strijd is met het gemeenschapsrecht, een verschil in behandeling van marktdeelnemers uit de Gemeenschap, dat niet meer is dan een automatisch gevolg van het verschil in behandeling van de derde landen waarmee die marktdeelnemers commerciële betrekkingen onderhouden, evenmin kan worden geacht in strijd met het gemeenschapsrecht te zijn.

57 Vastgesteld moet worden, dat de beperkingen van de invoermogelijkheden, die de invoering van de nationale contingenten kan meebrengen voor de marktdeelnemers van de categorieën A en C, het automatisch gevolg is van het verschil in behandeling van de derde landen, al naar gelang deze al dan niet partij zijn bij de kaderovereenkomst en al naar gelang de omvang van het contingent dat hun bij die overeenkomst is toegekend.

58 Bijgevolg moet het middel ontleend aan schending van het algemene non-discriminatiebeginsel ongegrond worden verklaard, wat de invoering van de nationale contingenten betreft.

59 Met betrekking tot het verschil in behandeling dat gelegen is in de vrijstelling van de marktdeelnemers van categorie B van de regeling inzake de uitvoercertificaten, moet meteen worden opgemerkt, dat deze niet het automatisch gevolg is van een verschillende behandeling van sommige derde landen ten opzichte van andere.

60 Dit verschil in behandeling vloeit immers niet voort uit het feit dat de regeling inzake de uitvoercertificaten, zoals die in de kaderovereenkomst is voorzien, voor de invoer uit bepaalde derde landen geldt, ongeacht of deze al dan niet partij bij de kaderovereenkomst zijn, maar uit het feit dat van de marktdeelnemers die commerciële betrekkingen hebben met de derde landen die voor hun uitvoer aan de regeling inzake de uitvoercertificaten zijn onderworpen, sommigen verplicht zijn uitvoercertificaten te verkrijgen, en anderen niet.

61 Vervolgens moet worden beklemtoond, dat deze verschillende behandeling van de marktdeelnemers van de categorieën A en C ten opzichte van die van categorie B manifest is doordat, gelijk verzoekster heeft gesteld en de Raad uitdrukkelijk heeft erkend, eerstgenoemden als gevolg van het feit dat zij onder de regeling inzake de uitvoercertificaten vallen, voor bananen uit de betrokken derde landen een 33 % hogere inkoopprijs moeten betalen dan laatstgenoemden.

62 Derhalve moet worden nagegaan, of dit verschil in behandeling onverenigbaar is met het verbod van artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag, dat slechts een bijzondere uitdrukking is van het algemene gelijkheidsbeginsel, dat een der grondprincipes van het gemeenschapsrecht is (zie, met name, arresten van 19 oktober 1977, Ruckdeschel en Ströh, 117/76 en 16/77, Jurispr. blz. 1753, punt 7, en Moulins et Huileries de Pont-à-Mousson en Providence agricole de la Champagne, 124/76 en 20/77, Jurispr. blz. 1795, punt 16; 25 oktober 1978, Koninklijke Scholten-Honig en De Bijenkorf, 125/77, Jurispr. blz. 1991, punt 26, en Royal Scholten-Honig en Tunnel Refineries, 103/77 en 145/77, Jurispr. blz. 2037, punt 26), dan wel of het, gelijk met name de Raad en de Commissie stellen, objectief gerechtvaardigd kan zijn door de noodzaak het mededingingsevenwicht tussen de diverse categorieën van marktdeelnemers te herstellen.

63 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Hof in het arrest Duitsland/Raad (reeds aangehaald) heeft erkend, dat de bij verordening nr. 404/93 ingestelde gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen, en met name de daarin vervatte regeling voor de verdeling van het tariefcontingent, een aantal beperkingen of verschillen in behandeling ten nadele van de marktdeelnemers van de categorieën A en C meebrengt, die hun mogelijkheden om bananen uit derde landen in te voeren, beperkt zien, terwijl de marktdeelnemers van categorie B, die tot dan toe gedwongen waren hoofdzakelijk bananen uit de Gemeenschap en ACS-bananen af te zetten, de mogelijkheid krijgen bepaalde hoeveelheden bananen uit derde landen in te voeren.

64 Het Hof oordeelde, dat die verschillende behandeling niet in strijd is met het algemene non-discriminatiebeginsel, voor zover zij inherent is aan het doel om tot dan toe gecompartimenteerde markten te integreren, gelet op de uiteenlopende situaties waarin de verschillende categorieën van marktdeelnemers zich vóór de invoering van de gemeenschappelijke marktordening bevonden, en dat het nastreven van het doel van deze marktordening, namelijk het garanderen van de afzet van de productie uit de Gemeenschap en de productie van traditionele ACS-bananen, inhoudt dat een zeker evenwicht tussen de verschillende categorieën van marktdeelnemers tot stand moet worden gebracht (punt 74).

65 Wanneer nu het aldus bij verordening nr. 404/93 tot stand gebrachte evenwicht wordt verbroken doordat een of meer parameters die tot dat evenwicht bijdragen, zoals bij voorbeeld de omvang van het tariefcontingent of het niveau van de op de invoer toepasselijke douanerechten, wijzigingen ondergaan, al is het ook om redenen die geen verband houden met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen, kan het nodig zijn dat evenwicht te herstellen. De vraag blijft evenwel, of dat in casu mocht gebeuren ten koste van de marktdeelnemers van de categorieën A en C, door de marktdeelnemers van categorie B vrij te stellen van de regeling inzake de uitvoercertificaten.

66 Daarbij moet worden vastgesteld, dat de regeling van verordening nr. 404/93 inzake de verdeling van het tariefcontingent, volgens welke regeling 30 % van dat contingent voor de marktdeelnemers van categorie B is bestemd, ook van toepassing is op de in de kaderovereenkomst overeengekomen verhoging van dat contingent.

67 Enerzijds volgt daaruit, dat de marktdeelnemers van categorie B op dezelfde wijze als die van de categorieën A en C profiteren van de verhoging van het contingent en de gelijktijdige verlaging van de douanerechten, die volgens de Raad en de Commissie de oorzaak zijn van de verstoring van het evenwicht tussen de verschillende categorieën van marktdeelnemers. Anderzijds gelden de beperkingen en de verschillen in behandeling ten nadele van de marktdeelnemers van de categorieën A en C, die de in verordening nr. 404/93 neergelegde invoerregeling voor bananen meebrengt, ook voor het gedeelte van het contingent, dat met die verhoging overeenkomt.

68 Bijgevolg moet worden erkend, dat de Raad ter rechtvaardiging van een maatregel als die welke in casu aan de orde is, had moeten aantonen, dat het evenwicht dat verbroken is door de verhoging van het tariefcontingent en de gelijktijdige verlaging van de invoerrechten, waarvan ook de marktdeelnemers van categorie B profiteren, slechts kon worden hersteld door aan de marktdeelnemers van die categorie een wezenlijk voordeel toe te kennen, dus opnieuw door middel van een verschil in behandeling ten nadele van de andere categorieën van marktdeelnemers, die reeds bij de invoering van het tariefcontingent en de desbetreffende verdelingsregeling met soortgelijke beperkingen en verschillen in behandeling te maken hadden.

69 Vastgesteld moet echter worden, dat de Raad, waar hij zich op de verbreking van dat evenwicht beroept en daarbij enkel stelt, dat de vrijstelling van de marktdeelnemers van categorie B van de regeling inzake de uitvoercertificaten gerechtvaardigd was door de noodzaak dit evenwicht te herstellen, dit bewijs niet heeft geleverd.

70 Voorts zij opgemerkt, dat de Raad uitdrukkelijk erkent, dat de regeling inzake de uitvoercertificaten niet alleen het evenwicht tussen de verschillende categorieën van de communautaire marktdeelnemers beoogt te herstellen, doch er ook toe strekt financiële hulp te verlenen aan de derde landen die partij bij de kaderovereenkomst zijn, en aldus de beperkingen te compenseren die bij verordening nr. 404/93 aan de verhandeling van bananen uit die landen zijn gesteld ten voordele van communautaire en ACS-bananen.

71 Beklemtoond zij evenwel, dat de Raad het Hof onvoldoende gegevens heeft verstrekt die kunnen verklaren, dat de verhoging van het tariefcontingent en de verdeling ervan in nationale contingenten, alsmede de gelijktijdige verlaging van de douanerechten niet volstonden ter compensatie van de beperkingen, ingevolge verordening nr. 404/93, van de verhandeling van bananen uit de derde landen die partij bij de kaderovereenkomst zijn, en dat dit doel dus moest worden bereikt door slechts aan een deel van de uit die landen importerende marktdeelnemers een financiële last op te leggen.

72 Bijgevolg moet worden geconcludeerd, dat het middel ontleend aan schending van het algemene non-discriminatiebeginsel gegrond is, wat de in de kaderovereenkomst geregelde vrijstelling van de marktdeelnemers van categorie B van de regeling inzake de uitvoercertificaten betreft.

73 Mitsdien behoeft de gegrondheid van de overige middelen slechts te worden onderzocht voor zover zij tegen de invoering van de nationale contingenten zijn gericht.

De middelen ontleend aan schending van het eigendomsrecht, het recht van vrije beroepsuitoefening en het vertrouwens- en het evenredigheidsbeginsel

74 Er zij aan herinnerd, dat verzoekster deze middelen reeds heeft aangevoerd in de zaak die tot het arrest Duitsland/Raad (reeds aangehaald) heeft geleid, en wel tegen de in titel IV van verordening nr. 404/93 neergelegde regeling voor het handelsverkeer met derde landen, met name tegen de opening van een tariefcontingent voor de invoer van bananen uit derde landen en niet-traditionele ACS-bananen, alsmede tegen de wijze waarop dit contingent over de marktdeelnemers van de categorieën A, B en C is verdeeld.

75 In die zaak betoogde verzoekster, dat het door de marktdeelnemers van categorie A geleden verlies van marktaandelen een aantasting vormde van hun eigendomsrecht, hun recht op vrije beroepsuitoefening en hun verworven rechten. Voorts stelde zij, dat de regeling voor het handelsverkeer met derde landen in strijd was met het evenredigheidsbeginsel, omdat het nagestreefde doel had kunnen worden bereikt met middelen die een minder nadelige invloed hadden op de mededinging en de belangen van bepaalde categorieën van marktdeelnemers.

76 In genoemd arrest Duitsland/Raad heeft het Hof al die middelen evenwel als ongegrond beoordeeld.

77 Het Hof overwoog met name, dat geen enkele marktdeelnemer een eigendomsrecht kan doen gelden op een marktaandeel dat hij op een tijdstip vóór de invoering van een gemeenschappelijke marktordening in handen had (punt 79), noch zich kan beroepen op een verkregen recht of op een gewettigd vertrouwen in het voortbestaan van een bestaande situatie (punt 80). Voorts oordeelde het Hof, dat de uit de opening van het tariefcontingent en de verdeelsleutel ervan voortvloeiende beperkingen van de mogelijkheid om bananen uit derde landen in te voeren, inherent zijn aan de doeleinden van algemeen belang die de Gemeenschap met de gemeenschappelijke marktordening in de sector bananen nastreeft, en dus niet onrechtmatig afbreuk doen aan het recht van vrije beroepsuitoefening van de traditionele importeurs van bananen uit derde landen (punten 82 en 87). Ten slotte stelde het Hof vast, dat de gewraakte maatregelen niet in strijd waren met het evenredigheidsbeginsel, daar niet was bewezen, dat zij kennelijk ongeschikt waren om het nagestreefde doel te bereiken (punten 94 en 95).

78 Wat het eigendomsrecht, de vrije beroepsuitoefening en de bescherming van het gewettigd vertrouwen betreft, geldt in casu hetzelfde voor de verdeling van het tariefcontingent in nationale contingenten.

79 In verband met het evenredigheidsbeginsel moet worden opgemerkt, dat verzoekster niet heeft aangetoond dat, anders dan het Hof met betrekking tot de invoering van het globale contingent voor derde landen zelf heeft geoordeeld, de verdeling van dit contingent in nationale contingenten voor sommige van die landen, kennelijk ongeschikt was ter verwezenlijking van de nagestreefde doelen, te weten het garanderen van de afzet van de productie uit de Gemeenschap en van de productie van traditionele ACS-bananen en het integreren van de tot dan toe gecompartimenteerde nationale markten.

80 Voor zover overigens al die middelen dienen om duidelijk te maken dat de invoering van nationale contingenten de marktdeelnemers van de categorieën A en C anders treft dan die van categorie B, vallen zij samen met het middel ontleend aan schending van het algemene non-discriminatiebeginsel.

81 Mitsdien moeten de middelen ontleend aan schending van het eigendomsrecht, aantasting van de vrije beroepsuitoefening en niet-inachtneming van het vertrouwens- en het evenredigheidsbeginsel, eveneens ongegrond worden verklaard.

82 Uit het voorgaande volgt, dat artikel 1, lid 1, eerste streepje, van het litigieuze besluit, voor zover de Raad daarbij heeft ingestemd met de sluiting van de kaderovereenkomst, moet worden nietigverklaard, voor zover deze kaderovereenkomst de marktdeelnemers van categorie B vrijstelt van de daarin getroffen regeling inzake uitvoercertificaten, met verwerping van het beroep voor het overige.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

83 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Volgens artikel 69, lid 3, eerste alinea, van het Reglement kan het Hof evenwel de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen. Aangezien elk der partijen op een punt in het ongelijk is gesteld, moeten zij elk in hun eigen kosten worden verwezen. Overeenkomstig artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering zullen de Commissie en de lidstaten die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten dragen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende:

1) Verklaart nietig artikel 1, lid 1, eerste streepje, van besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten, voor zover de Raad daarbij heeft ingestemd met de sluiting van de kaderovereenkomst betreffende bananen tussen, enerzijds, de Gemeenschap en, anderzijds, de Republiek Costa Rica, de Republiek Colombia, de Republiek Nicaragua en de Republiek Venezuela, voor zover die kaderovereenkomst de marktdeelnemers van categorie B vrijstelt van de daarin getroffen regeling inzake de uitvoercertificaten.

2) Verwerpt het beroep voor het overige.

3) Verstaat dat elk der partijen, daaronder begrepen de interveniënten, de eigen kosten zal dragen.