61994B0368

BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN 21 NOVEMBER 1994. - PIERRE BLANCHARD TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - KORT GEDING - VOORLOPIGE MAATREGELEN - AMBTENARENSTATUUT - PERSONEELSCOMITE - VERKIEZINGEN - SCHORSING VAN DE VERKIEZINGSPROCEDURE. - ZAAK T-368/94 R.

Jurisprudentie 1994 bladzijde II-01099
bladzijde IA-00249
bladzijde II-00793


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum

Trefwoorden


++++

Kort geding ° Voorlopige maatregelen ° Voorwaarden ° Ernstige en onherstelbare schade ° Afweging van alle betrokken belangen ° Verzoek om schorsing of uitstel van verkiezing van vertegenwoordigers van ambtenaren in personeelscomité

(EG-Verdrag, art. 186; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)

Samenvatting


De rechter in kort geding moet voor de beoordeling van de spoedeisendheid van de voorlopige maatregelen onderzoeken, of de uitvoering van het bestreden besluit vóór de uitspraak ten gronde de partij die om die maatregelen heeft verzocht, onherstelbare schade kan berokkenen, die ook door nietigverklaring van het bestreden besluit niet zou kunnen worden goedgemaakt. De gevraagde maatregelen mogen, ook al zijn zij voorlopig, hoe dan ook niet onevenredig zijn aan het belang van de verwerende instelling bij de uitvoering van haar besluiten ondanks het daartegen ingestelde beroep.

Moet worden toegewezen, een verzoek om voorlopige maatregelen dat strekt tot schorsing of uitstel van de verkiezing van de vertegenwoordigers van de ambtenaren in het personeelscomité, wanneer blijkt dat een aantal besluiten van het stembureau, besluiten waarvan de wettigheid wordt betwist, als feitelijk gevolg hebben gehad, dat verzoeker zich bij de verkiezingen niet kandidaat kan stellen en hem daardoor ernstige en onherstelbare schade dreigen toe te brengen.

De afweging van de in geding zijnde belangen gebiedt derhalve, dat aan heropening van de verkiezingsprocedure met de mogelijkheid om nieuwe kandidaten te presenteren, de voorkeur wordt gegeven boven gewone schorsing. Deze laatste zou immers tot gevolg hebben, dat het huidige comité, waarvan het mandaat afloopt, tot aan het einde van de procedure in het hoofdgeding in functie blijft. Dit zou de ambtenaren de mogelijkheid ontnemen nieuwe vertegenwoordigers te kiezen, en zou een bron van moeilijkheden opleveren voor de goede werking van de organen die de ambtenaren vertegenwoordigen, aangezien er onenigheid bestaat over de aard van de bevoegdheden die een in dergelijke omstandigheden in functie blijvend comité zou hebben.

Partijen


In zaak T-368/94 R,

P. Blanchard, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door M.-A. Lucas, advocaat te Luik, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E. Korn, advocaat aldaar, Rue de Nassau 21,

verzoeker,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur G. Valsesia als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende een verzoek om uitstel of schorsing van de verkiezingen voor de plaatselijke afdeling Brussel van het personeelscomité van de Commissie,

geeft

DE PRESIDENT VAN HET GERECHT

de navolgende

Beschikking

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, ter griffie van het Gerecht neergelegd op 11 november 1994, heeft verzoeker krachtens artikel 91, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") beroep ingesteld tot nietigverklaring van een aantal besluiten die het stembureau en zijn voorzitter op 3 en 8 november 1994 hebben genomen in het kader van de procedure betreffende de verkiezing van de leden van de plaatselijke afdeling Brussel van het personeelscomité van de Commissie. Bij die besluiten zijn twee door dezelfde vakorganisatie, de Union Syndicale, gepresenteerde lijsten uitgesloten van deelneming aan de verkiezingen.

2 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht ingeschreven afzonderlijke akte heeft verzoeker tevens krachtens artikel 91, lid 4, van het Statuut een verzoek ingediend strekkende tot uitstel of schorsing van de verkiezingen voor de plaatselijke afdeling Brussel van het personeelscomité, die op 22, 23 en 24 november 1994 moeten plaatsvinden.

3 De Commissie heeft op 17 november 1994 haar schriftelijke opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend.

4 Partijen zijn gehoord ter terechtzitting van 18 november 1994.

5 Alvorens de gegrondheid van het bij het Gerecht ingediende verzoek in kort geding te onderzoeken, dient te worden ingegaan op de voorgeschiedenis van het geding als blijkend uit de door partijen neergelegde memories en de ter terechtzitting afgelegde mondelinge verklaringen.

6 Artikel 9 van het Statuut bepaalt, dat bij elke instelling een personeelscomité wordt opgericht. Krachtens artikel 1, tweede alinea, van bijlage II bij het Statuut worden de regels omtrent de verkiezing voor dit comité vastgesteld door de algemene vergadering van de ambtenaren van elke instelling.

7 Krachtens de haar bij genoemd artikel verleende bevoegdheid stelde de algemene vergadering van de ambtenaren van de Commissie met standplaats Brussel op 15 september 1992 een kiesreglement vast, dat op 20 september 1994 door een nieuwe algemene vergadering ongewijzigd is overgenomen voor de verkiezingen voor de plaatselijke afdeling Brussel van het personeelscomité van de Commissie op 22, 23 en 24 november 1994.

8 Artikel 2 van het kiesreglement voorziet in de instelling van een stembureau, dat met name de gepresenteerde kandidaturen moet onderzoeken en kandidaten moet afwijzen, die niet aan de voorwaarden van het reglement voldoen (artikel 7). Artikel 6 van het kiesreglement bepaalt, dat de kandidaatstelling plaatsvindt in de vorm van lijsten met daarop ten hoogste 27 kandidaten en 27 plaatsvervangers.

9 Op 18 oktober 1994 leverde de Union Syndicale, een vakorganisatie van Europese ambtenaren (hierna: "vakorganisatie") in de zin van artikel 24 bis van het Statuut, onder haar naam twee lijsten met 27 kandidatenkoppels bij het stembureau in. Op de ene, "Union syndicale" genaamd, stond L. Schubert, vice-voorzitter van de Union Syndicale, als lijsttrekker vermeld; op de andere, "Research/Union syndicale" genoemd, was de voorzitter van de Union Syndicale, P. Blanchard, lijsttrekker. Deze lijst bestond ten dele uit ambtenaren en personeelsleden van de wetenschappelijke en technische groepen van de Gemeenschappen in de zin van de artikelen 92 tot en met 101 van het Statuut.

10 Uit notulen van 20 oktober 1994 blijkt, dat het stembureau tijdens zijn vergadering van 19 oktober de zeven gepresenteerde lijsten, waaronder de twee lijsten van de Union Syndicale, heeft aanvaard.

11 Op 20 en 24 oktober 1994 dienden twee kandidaten van concurrerende lijsten bij het stembureau een klacht in tegen de aanvaarding van de twee lijsten van de Union Syndicale.

12 Op 3 november 1994 deelde de voorzitter van het stembureau de politiek secretaris van de Union Syndicale mee, dat het bureau die klachten ontvankelijk had geoordeeld, dat het na inwinning van het advies van de juridische dienst van de Commissie van oordeel was dat de inlevering van twee lijsten door één en dezelfde vakorganisatie in strijd was met het kiesreglement, en dat het de Union Syndicale bijgevolg verzocht, slechts één lijst te presenteren.

13 Op 7 november 1994 stemde de Union Syndicale ermee in, haar lijst "Research/Union syndicale" in te trekken en onder een nieuwe benaming opnieuw te presenteren, op voorwaarde dat het stembureau de definitieve aanvaarding van de twee lijsten garandeerde.

14 Op 8 november 1994 schreef de voorzitter van het stembureau in een nota aan de politiek secretaris van de Union Syndicale, dat de door de Union Syndicale gestelde voorwaarden in verband met de naamswijziging van een van haar lijsten door het bureau niet waren aanvaard en dat bijgevolg de lijst "Research/Union syndicale" was geweigerd.

15 Op 8 november 1994 verzocht verzoeker het stembureau de lijst "Research/Union syndicale" onder een andere, niet naar die vakorganisatie verwijzende benaming te aanvaarden. De voorzitter van het bureau wees dat verzoek af.

16 Na bij de Commissie een klacht te hebben ingediend, heeft verzoeker, lijsttrekker van de lijst "Research/Union syndicale", tegen al deze besluiten het beroep in het hoofdgeding ingesteld.

In rechte

17 Ingevolge het bepaalde in de artikelen 185 en 186 EG-Verdrag juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB 1993, L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.

18 Artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt, dat de in de artikelen 185 en 186 van het Verdrag bedoelde verzoeken om voorlopige maatregelen de omstandigheden moeten vermelden waaruit het spoedeisend karakter blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de maatregelen waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomen. De gevraagde maatregelen dienen een voorlopig karakter te hebben, in die zin dat zij de beslissing ten gronde niet prejudiciëren (zie laatstelijk de beschikking van de president van het Gerecht van 10 mei 1994, zaak T-88/94 R, Société commerciale des potasses et de l' azote, Jurispr. 1994, blz. II-263).

Argumenten van partijen

19 Tot staving van de gegrondheid van het beroep in het hoofdgeding voert verzoeker vijf middelen aan. In de eerste plaats stelt hij, dat de bestreden besluiten in strijd zijn met de artikelen 7 en 18 van het kiesreglement, die zijns inziens het stembureau enkel de bevoegdheid verlenen, enerzijds de gepresenteerde kandidatenlijsten te onderzoeken en diegenen af te wijzen die niet aan de voorwaarden van het reglement voldoen, en anderzijds over tijdens de kiesverrichtingen gerezen geschillen te oordelen. Eens de lijsten zijn aanvaard, is het stembureau daarentegen niet bevoegd zijn eigen beslissingen te herzien.

20 In de tweede plaats betoogt verzoeker, dat geen enkele bepaling van het Statuut een vakorganisatie verbiedt, bij een en dezelfde verkiezing met meer dan een lijst uit te komen. Uit het advies van de juridische dienst van de Commissie, op basis waarvan het stembureau zijn besluiten heeft genomen, blijkt niet, dat inlevering van meerdere lijsten, dus de omstandigheid dat een en dezelfde vakorganisatie meer dan 27 kandidatenkoppels presenteert, in strijd is met de geest van het kiesstelsel. Verzoeker erkent, dat daardoor de zetelverdeling kan worden beïnvloed, doch stelt, dat dat een inherent gevolg van het kiesstelsel is. Voorts wijst hij op het vaststaande feit, dat ambtenaren en personeelsleden die geen lid van een vakorganisatie zijn, zoveel lijsten kunnen inleveren als zij willen, hetgeen eveneens de zetelverdeling beïnvloedt, zonder dat dit als in strijd met het kiesstelsel wordt gezien.

21 In de derde plaats stelt verzoeker schending van de beginselen van vrijheid en democratie: een verbod voor een vakorganisatie om twee lijsten te presenteren, vormt een beperking van de vrijheid van de ambtenaren om hun vertegenwoordigers aan te wijzen en levert discriminatie op ten opzichte van niet-georganiseerde ambtenaren, die meer dan een lijst mogen presenteren.

22 In de vierde plaats stelt verzoeker, dat de bestreden besluiten in strijd zijn met het beginsel, dat de mening van het personeel moet kunnen worden geuit. Een vermeerdering van het aantal kandidaten beantwoordt aan dit vereiste, want daardoor kunnen alle meningen van het personeel tot uiting komen. Bovendien is de presentatie van de lijst "Research/Union syndicale" gerechtvaardigd, daar er binnen de diensten van de Commissie wetenschappelijke en technische groepen bestaan, die specifieke problemen en noden hebben. Uit artikel 1, vierde alinea, van bijlage II bij het Statuut en uit de regeling van de Commissie van 27 april 1988 betreffende de samenstelling en de werking van het personeelscomité nu vloeit het algemene beginsel voort, dat de belangen van alle personeelscategorieën in het comité aan bod moeten komen. De presentatie van een lijst bestaande uit ambtenaren van de wetenschappelijke en technische groepen geeft uitvoering aan dit beginsel.

23 In de vijfde plaats beroept verzoeker zich op schending van de vrijheid van vakvereniging en van het beginsel dat alle personeelsleden verkiesbaar zijn: wanneer vakorganisaties niet meer dan één lijst mogen presenteren, dan komt dat erop neer dat zodra er 27 kandidatenkoppels zijn, diegenen van hun leden die potentiële kandidaten zijn, voor de keuze worden gesteld om ofwel die vakorganisatie te verlaten en een afzonderlijke lijst te presenteren, ofwel zich niet kandidaat te stellen. Het derde bestreden besluit, waarbij is geweigerd de lijst "Research/Union syndicale" onder een andere benaming te aanvaarden, is zowel in strijd met het beginsel dat alle ambtenaren verkiesbaar zijn, als met dat van de bescherming van het gewettigd vertrouwen, daar de naamsverandering een reactie was op eerdere besluiten van het stembureau, waarin bezwaar werd gemaakt tegen het feit dat de twee lijsten de naam "Union syndicale" droegen.

24 Ten bewijze van de spoedeisendheid van de gevraagde maatregelen en het bestaan van ernstige en onherstelbare schade voert verzoeker aan, dat de verkiezingen gepland zijn voor 22, 23 en 24 november 1994 en dat de bestreden besluiten hem en de andere kandidaten van dezelfde lijst de mogelijkheid ontnemen, verkozen te worden. Indien voorts het Gerecht geen voorlopige voorziening treft, blijft de kans bestaan dat de verkiezingen aan het slot van de procedure ten gronde worden nietig verklaard, wat tot ernstige verstoringen binnen de betrokken instelling zou kunnen leiden. Toewijzing van de gevraagde maatregelen daarentegen schaadt de Commissie in het geheel niet, daar het aftredende personeelscomité tot de nieuwe verkiezingen in functie blijft.

25 Op het eerste middel van verzoeker antwoordt de Commissie, dat het stembureau ingevolge artikel 18 van het kiesreglement de wettigheid van het verloop van de verkiezingsprocedure moet garanderen. Haars inziens was het bureau bevoegd om naar aanleiding van twee klachten van kandidaten van andere lijsten, de handeling waarbij de twee "Union syndicale"-lijsten waren aanvaard, in te trekken, daar die aanvaarding onwettig was.

26 Met betrekking tot het tweede middel merkt de Commissie op, dat verzoeker de eerste is om toe te geven, dat de presentatie van bijkomende lijsten de zetelverdeling kan beïnvloeden. Anders dan verzoeker meent, is dat haars inziens niet het gevolg van de werking van het kiesstelsel, maar van de inlevering van meer dan een lijst per politieke familie. Deze lijstvermeerdering is in strijd met de in het kiesreglement vastgestelde limiet van 27 kandidaten en 27 plaatsvervangers per lijst of groepering die bij de verkiezingen opkomt, welke limiet gerechtvaardigd is omdat de gelijkheid van kansen voor de kandidaten moet worden gewaarborgd.

27 Op verzoekers derde middel antwoordt de Commissie, dat de beperking van het aantal lijsten per vakorganisatie geen afbreuk doet aan de vrijheid van de ambtenaren om hun vertegenwoordigers aan te wijzen.

28 Met betrekking tot het vierde middel stelt de Commissie, dat de geldende bepalingen alle categorieën en groepen ambtenaren een correcte vertegenwoordiging bij de verkiezingen van het personeelscomité garanderen. Volgens haar behoren overigens minder dan de helft van de kandidaten van de lijst "Research/Union syndicale" tot de wetenschappelijke en technische groepen.

29 Wat verzoekers vijfde middel betreft, ontkent de Commissie, dat de beperking van het aantal lijsten de vrijheid van vakvereniging of het beginsel dat alle ambtenaren verkiesbaar zijn aantast. De weigering van de voorzitter van het stembureau om de lijst onder een andere benaming te aanvaarden, was gerechtvaardigd, daar het ging om een poging tot verkapte schending van het verbod van lijstvermeerdering. Dit besluit tast geen enkel gewettigd vertrouwen aan, daar verzoeker zich niet op precieze garanties van de administratie kan beroepen. In geen geval kan er in het kader van een onwettige situatie als de onderhavige sprake zijn van schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.

30 Ten slotte betwist de Commissie, dat verzoeker ernstige en onherstelbare schade dreigt te lijden. Zij stelt, dat toewijzing van de gevraagde maatregelen de belangen van het personeel zou schaden, daar in dat geval het huidige comité tot het einde van de procedure in het hoofdgeding in functie zou moeten blijven, met bevoegdheden die beperkt zijn tot de afhandeling van de lopende zaken.

Oordeel van de rechter in kort geding

31 Het is vaste rechtspraak, dat de rechter in kort geding voor de beoordeling van de spoedeisendheid van de voorlopige maatregelen moet onderzoeken, of de uitvoering van de omstreden besluiten vóór de uitspraak ten gronde de partij die om die maatregelen heeft verzocht, onherstelbare schade kan berokkenen, die ook door nietigverklaring van het bestreden besluit niet zou kunnen worden goedgemaakt. De gevraagde maatregelen mogen, ook al zijn ze voorlopig, hoe dan ook niet onevenredig zijn aan het belang van de verwerende instelling bij de uitvoering van haar besluiten ondanks het daartegen ingestelde beroep (beschikking van de president van het Gerecht van 11 maart 1994, zaak T-589/93 R, Ryan-Sheridan, JurAmbt. 1994, blz. II-257).

32 In dit verband kan niet worden ontkend, dat de gevraagde maatregelen spoedeisend zijn, gelet op het feit dat de verkiezingen voor de plaatselijke afdeling Brussel van het personeelscomité op 22, 23 en 24 november 1994 zullen plaatsvinden.

33 Voorts zij opgemerkt dat, gelet op de gegevens waarover de rechter in kort geding beschikt en zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de prima facie gegrondheid van verzoekers argumenten waarmee deze de presentatie van meer dan een lijst door een zelfde vakorganisatie tracht te rechtvaardigen, sommige van de bestreden besluiten ontegenzeglijk als feitelijk gevolg hebben gehad, dat verzoeker zich bij de verkiezingen ook niet kandidaat kan stellen op een andere lijst dan die van een vakorganisatie.

34 Op een desbetreffende vraag ter terechtzitting van 18 november 1994 hebben partijen erkend, dat de ambtenaren en andere personeelsleden volgens het kiesreglement ook buiten de vakorganisaties om lijsten voor de verkiezingen van het personeelscomité kunnen presenteren.

35 De bestreden besluiten kunnen dus op het eerste gezicht schending opleveren van het recht om zich verkiesbaar te stellen voor het personeelscomité, dat aan iedere ambtenaar evenals aan andere personeelsleden die aan bepaalde voorwaarden voldoen, is toegekend bij artikel 1, eerste alinea, van bijlage II bij het Statuut en bij artikel 7 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen. De aard van dit recht brengt mee, dat schending ervan de rechthebbenden ernstige en onherstelbare schade kan toebrengen. Dergelijke schade moet bijgevolg worden voorkomen; tegelijkertijd moeten de ambtenaren die aan de verkiezingen wensen deel te nemen, in een situatie van gelijkheid worden gebracht.

36 In die omstandigheden en gelet op de aard van de betrokken procedure, zijn gewone schorsingsmaatregelen geen passende remedie voor partijen. Indien de rechter in kort geding immers enkel schorsing van de lopende verkiezingsprocedure zou gelasten, gelijk verzoeker vraagt, zou het huidige comité tot aan het einde van de procedure in het hoofdgeding in functie blijven, hetgeen de ambtenaren en de andere personeelsleden gedurende de gehele duur van die procedure de mogelijkheid zou ontnemen, zich via verkiezingen over de vernieuwing van het personeelscomité ° waarvan het mandaat intussen zou zijn afgelopen ° uit te spreken. Aangezien partijen het bovendien niet eens zijn over de aard van de bevoegdheden van het comité in een dergelijk geval, zou schorsing van de verkiezingsprocedure een bron van moeilijkheden opleveren voor de goede werking van de organen die de ambtenaren vertegenwoordigen. De afweging van de in geding zijnde belangen gebiedt derhalve, dat de verkiezingsprocedure wordt geschorst, met uitstel van de verkiezingen, en dat de mogelijkheid wordt geboden om nieuwe kandidaten te presenteren, van welke mogelijkheid verzoeker zelf gebruik dient te kunnen maken.

37 Op een vraag ten aanzien van de praktische gevolgen van dergelijke door de kort-gedingrechter bevolen maatregelen hebben partijen ter terechtzitting van 18 november 1994 erkend, dat in een geval als het onderhavige de verkiezingsprocedure moet worden geschorst en de termijn voor de kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van het personeelscomité moet worden heropend volgens door de kort-gedingrechter te bepalen modaliteiten.

38 Gelet op het voorgaande, dienen de modaliteiten voor de heropening van de verkiezingsprocedure met inachtneming van het geldende kiesreglement als volgt te worden gepreciseerd. Artikel 7 van het kiesreglement staat niet toe, dat de reeds door het stembureau goedgekeurde lijsten door de kandidaten worden ingetrokken. Het stembureau dient een nieuwe termijn van zes werkdagen te stellen waarbinnen nieuwe kandidatenlijsten kunnen worden ingeleverd. De aanduiding van deze lijsten mag geen aanleiding geven tot verwarring met die van de reeds door het stembureau goedgekeurde lijsten, noch met de naam van de vak- en beroepsorganisaties die ze hebben gepresenteerd. In voorkomend geval oefent het stembureau ten opzichte van de nieuwe lijsten de bevoegdheden uit die het krachtens het kiesreglement, en met name krachtens artikel 7 daarvan, heeft. De verkiezingen dienen plaats te vinden op een door het stembureau te bepalen datum, doch zo snel mogelijk na het verstrijken van de termijn voor de presentatie van nieuwe kandidatenlijsten.

Dictum


DE PRESIDENT VAN HET GERECHT,

rechtdoende bij voorraad,

beschikt:

1) De procedure voor de verkiezing van de leden van de plaatselijke afdeling Brussel van het personeelscomité van de Commissie wordt geschorst.

2) De door het stembureau reeds goedgekeurde lijsten mogen overeenkomstig artikel 7 van het kiesreglement niet door de kandidaten worden ingetrokken.

3) Het stembureau bepaalt onverwijld een nieuwe termijn van zes werkdagen voor de indiening van nieuwe kandidatenlijsten. De aanduiding van deze lijsten mag geen aanleiding geven tot verwarring met die van de reeds door het stembureau goedgekeurde lijsten, noch met de naam van de vak- en beroepsorganisaties van Europese ambtenaren die ze hebben gepresenteerd.

4) Verzoeker kan zich onder dezelfde voorwaarden als elke andere kandidaat op het bepaalde sub 3 beroepen.

5) In voorkomend geval oefent het stembureau ten opzichte van de nieuwe lijsten de bevoegdheden uit die het krachtens het kiesreglement, en met name krachtens artikel 7 daarvan, heeft.

6) De verkiezingen vinden plaats op een door het stembureau te bepalen datum, doch zo snel mogelijk na het verstrijken van de sub 3 bedoelde termijn.

7) Voor het overige blijven alle bepalingen van het kiesreglement van toepassing.

8) De beslissing over de kosten wordt aangehouden.

Luxemburg, 21 november 1994.