61994B0177

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (DERDE KAMER) VAN 16 DECEMBER 1994. - HENK ALTMANN EN ANDEREN TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - PROCESINCIDENT - VERZOEKSCHRIFT GERICHT TEGEN COMMISSIE EN RAAD VAN GEMEENSCHAPPELIJKE ONDERNEMING JET - PASSIEVE LEGITIMATIE VAN GEMEENSCHAPPELIJKE ONDERNEMING JET - ONTVANKELIJKHEID. - ZAAK T-177/94.

Jurisprudentie 1994 bladzijde II-01245
bladzijde IA-00311
bladzijde II-00969


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1. Ambtenaren ° Beroep ° Recht van beroep ° Personen die aanspraak maken op hoedanigheid van ambtenaar of personeelslid niet zijnde plaatselijk functionaris

(EGA-Verdrag, art. 152)

2. Ambtenaren ° Beroep ° Personen die aanspraak maken op hoedanigheid van ambtenaar of personeelslid niet zijnde plaatselijk functionaris ° Verweerster ° Instelling van tewerkstelling ° Beroep gericht tegen gemeenschappelijke onderneming JET ° Niet-ontvankelijkheid

(EGA-Verdrag, art. 152; Ambtenarenstatuut, art. 1, tweede alinea)

Samenvatting


1. Artikel 152 EGA-Verdrag, dat de gemeenschapsrechter bevoegdheid verleent om uitspraak te doen in elk geschil tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden, binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld in het Statuut of voortvloeiende uit de regeling welke op laatstgenoemden van toepassing is, moet aldus worden uitgelegd, dat het niet alleen van toepassing is op degenen die de hoedanigheid van ambtenaar of van personeelslid, niet zijnde plaatselijk functionaris, bezitten, doch ook op degenen die deze hoedanigheid opeisen.

2. Een beroep, ingesteld door een persoon die de hoedanigheid van tijdelijk functionaris van de Gemeenschappen opeist, moet worden gericht tegen de instelling waartoe de verzoeker behoort. Aangezien de gemeenschappelijke EGA-onderneming Joint European Torus (JET) niet één van de instellingen van de Gemeenschap is die in het EGA-Verdrag worden genoemd, zij door het Ambtenarenstatuut en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden voor hun toepassing niet gelijk is gesteld met een instelling, zij niet zodanige kenmerken bezit, dat, in navolging van hetgeen bij de Europese Investeringsbank is geschied, ervan kan worden uitgegaan, dat de verdragsbepalingen die de gemeenschapsrechter bevoegd verklaren om kennis te nemen van geschillen op het gebied van het communautaire ambtenarenrecht, zich ook uitstrekken tot geschillen tussen de onderneming en haar personeel, moet een beroep, ingesteld tegen de JET of haar raad door verzoekers die de hoedanigheid van tijdelijk functionaris van de Gemeenschappen opeisen, kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.

Partijen


In zaak T-177/94,

H. Altmann en 56 anderen, vermeld in de bijlage bij deze beschikking, vertegenwoordigd door K. Parker, QC, en R. Thompson, Barrister, van de balie van Engeland en Wales, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger en Hoss, advocaten aldaar, Côte d' Eich 15,

verzoekers,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. G. Crosland, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende, in het huidige stadium van de procedure, de ontvankelijkheid van het beroep voor zover het is gericht tegen de raad van de gemeenschappelijke onderneming JET,

geeft

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),

samengesteld als volgt: J. Biancarelli, kamerpresident, C. P. Briët en C. W. Bellamy, rechters,

griffier: H. Jung

de navolgende

Beschikking

Overwegingen van het arrest


De feiten

1 De gemeenschappelijke onderneming Joint European Torus (hierna: "JET" of "gemeenschappelijke onderneming") is opgericht bij besluit 78/471/Euratom van de Raad van 30 mei 1978 (PB 1978, L 151, blz. 10), dat is genomen op grond van de artikelen 46, 47 en 49 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna: "EGA-Verdrag"). De onderneming heeft tot doel een grote torus en bijbehorende installaties te bouwen (hierna: "project") en is gevestigd te Culham in het Verenigd Koninkrijk.

2 Volgens de bij voormeld besluit gevoegde statuten van JET (hierna: "statuten") zijn de leden van de gemeenschappelijke onderneming de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, een aantal Lid-Staten, bepaalde organisaties van Lid-Staten met taken op het gebied van de atoomenergie, en een organisatie van een derde land. De organen van de gemeenschappelijke onderneming zijn de JET-raad en de directeur van het project.

3 Artikel 8 van de statuten heeft betrekking op het team van het project. Volgens dit artikel wordt het personeel van de gemeenschappelijke onderneming door haar leden ter beschikking gesteld. Het personeel dat door de United Kingdom Atomic Energy Authority (hierna: "UKAEA") ter beschikking wordt gesteld, blijft in dienst van deze organisatie (artikel 8.4). Het personeel dat door de andere leden ter beschikking wordt gesteld, wordt door de Commissie aangeworven in tijdelijke ambten (artikel 8.5). In dit laatste geval moet het lid dat deze personen ter beschikking stelt, hen na afloop van hun arbeidscontract in het kader van het project weer in dienst te nemen ("return ticket"-systeem, artikel 8.8).

4 In 1983 verzocht een aantal personeelsleden van de UKAEA die ter beschikking van JET waren gesteld, om door de Commissie te worden aangeworven als tijdelijk functionaris. Toen deze verzoeken niet werden ingewilligd, stelden zij beroep in bij het Hof. In zijn arrest van 15 januari 1987 (gevoegde zaken 271/83, 15/84, 36/84, 113/84, 158/84, 203/84 en 13/85, Ainsworth e.a., Jurispr. 1987, blz. 167) stelde het Hof vast, dat de JET-directie kandidaten van Britse nationaliteit verplichtte zich tot de UKAEA te wenden en niet tot een van de andere leden, en dat deze praktijk een discriminatie op grond van nationaliteit vormde waarvoor geen objectieve rechtvaardiging bestond en die derhalve onwettig was, doch dat deze praktijk niet van invloed was geweest op de positie van de verzoekers (r.o. 19-29). Het Hof oordeelde echter, dat, gelet op de bijzondere positie van de UKAEA als ontvangende organisatie van het project, het bij de statuten ingevoerde verschil in behandeling van onder de UKAEA en onder de Commissie vallend personeel objectief gerechtvaardigd was (r.o. 30-39).

5 Omdat zij van mening waren, dat de feitelijke situatie sinds de uitspraak van dit arrest was gewijzigd, dienden in februari 1990 206 personeelsleden van de UKAEA die ter beschikking van JET waren gesteld, een petitie in bij het Europees Parlement met het verzoek er bij de Commissie en de Raad op aan te dringen een einde te maken aan de discriminatoire praktijken waarvan zij zich slachtoffer voelden.

6 Na deze petitie en een aantal discussies besloot de Commissie het probleem te laten bestuderen door een "commissie van wijzen", het zogenoemde "Pandolfi-panel", en een extern adviseur. In het op 16 september 1992 gedateerde rapport van het Pandolfi-panel werd onder meer voorgesteld om het bij JET tewerkgestelde UKAEA-personeel de mogelijkheid te geven door de Commissie te worden aangesteld volgens bepaalde nog vast te stellen modaliteiten.

7 Na publikatie van dit rapport verzocht elk van de verzoekers in deze zaak, die allen de Britse nationaliteit hebben en bij JET werkende UKAEA-personeelsleden zijn, de directeur van JET bij tussen 18 en 29 januari 1993 gedateerde brieven om te worden aangesteld als tijdelijk functionaris van de Gemeenschap. Deze verzoeken zijn onbeantwoord gebleven.

8 Verzoekers hebben vervolgens op 12 en 17 augustus 1993 twee gezamenlijke klachten ingediend tegen de afwijzing van hun verzoeken. Deze klachten zijn gezonden aan de secretaris-generaal van de Commissie, de secretaris-generaal van de Raad, de directeur van JET en de voorzitter van de JET-raad. Alleen de Commissie stuurde een op 14 januari 1994 gedateerd en tegen het eind van diezelfde maand ontvangen antwoord, waarbij deze klachten werden afgewezen. In dit besluit preciseerde de Commissie, dat zij antwoordde op een klacht tegen de stilzwijgende besluiten tot afwijzing van de "bij het tot aanstelling bevoegd gezag" ingediende verzoeken om aanstelling als tijdelijk functionaris.

Het procesverloop

9 Bij op 22 april 1994 ter griffie van het Gerecht ingeschreven verzoekschrift hebben Altmann en 56 anderen, vermeld in de aangehechte bijlage die een onderdeel van deze beschikking vormt, het onderhavige beroep ingesteld. Het beroep is zowel tegen de Commissie als tegen de JET-raad gericht.

10 Van oordeel dat de JET-raad geen communautaire instelling of orgaan is, heeft de griffie het verzoekschrift enkel aan de Commissie betekend.

11 Het verweerschrift van de Commissie is op 29 juli 1994 ter griffie neergelegd.

12 Toen de griffie het verweerschrift op 1 augustus 1994 aan verzoekers betekende maakte zij hen erop attent, dat het verzoekschrift niet aan de JET-raad was betekend, aangezien niet duidelijk was hoe deze in een procedure voor het Gerecht als verwerende partij kon worden beschouwd.

13 Bij brief van 12 augustus 1994 beklaagden verzoekers zich over de gevolgde procedure en zetten de redenen uiteen waarom het verzoekschrift huns inziens aan de JET-raad moest worden betekend.

14 Van oordeel dat verzoekers een incident hadden opgeworpen in de zin van artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, heeft het Gerecht de Commissie en de JET-raad bij brieven van 22 september 1994 verzocht hun opmerkingen in te dienen over het verzoek om het verzoekschrift aan de JET-raad te betekenen; het verzoekschrift is de JET-raad ter informatie toegezonden.

15 Bij op 12 respectievelijk 17 oktober 1994 ter griffie ontvangen aktes hebben de Commissie en de JET-raad hun opmerkingen over het verzoek ingediend.

Conclusies van partijen

16 In hun verzoekschrift concluderen verzoekers dat het het Gerecht behage:

1) te verklaren, dat de toepassing van de statuten en de aanvullende bepalingen daarvan, op de tewerkstelling van verzoekers bij JET sinds het arrest Ainsworth e.a. discriminerend en ongerechtvaardigd is geweest;

2) de Commissie en/of de JET-raad te gelasten de nodige maatregelen te nemen opdat verzoekers voor de duur van het JET-project tijdelijk functionaris van de Gemeenschap kunnen worden, hetzij als "ander personeelslid" hetzij anderszins;

3) de Commissie en/of de JET-raad te gelasten maatregelen te nemen om een einde te maken aan alle administratieve praktijken die tot doel of tot gevolg hebben dat:

a) de leden van de JET-raad worden verhinderd of ontmoedigd aan verzoekers "return tickets" te verlenen ter verkrijging van de status van tijdelijk functionaris van de Gemeenschap; of

b) verzoekers worden verhinderd of belemmerd te solliciteren naar posten bij JET, op grond dat zij in dat geval hun status zouden wijzigen en tijdelijk functionaris van de Gemeenschap zouden worden; of

c) verzoekers worden verhinderd of belemmerd onder dezelfde voorwaarden als de andere personeelsleden van het JET-team naar dergelijke posten te solliciteren;

4) voor zover:

a) naar het oordeel van het Gerecht een van de praktijken of situaties waarover verzoekers zich beklagen, een noodzakelijk gevolg van de statuten is, en/of

b) de bepalingen van de statuten de toepassing van een van de door verzoekers gevraagde maatregelen verhinderen of belemmeren,

te verklaren, dat de statuten in zoverre discriminerend, ongerechtvaardigd en dus onwettig zijn;

5) de Commissie en/of de JET-raad te gelasten alle nodige maatregelen te nemen om de statuten te wijzigen in het licht van een uitspraak als gevorderd in sub 4 hierboven;

6) de Commissie en/of de JET-raad te gelasten alle aanbevelingen uit het rapport van het Pandolfi-panel uit te voeren;

7) de Commissie te gelasten verzoekers schadeloos te stellen voor de verliezen die zij door hun ongerechtvaardigde discriminatie hebben geleden, te weten het financiële verlies sinds de uitspraak van het Hof in de zaak Ainsworth e.a., het verlies aan loopbaanperspectieven en, in voorkomend geval, het verlies aan anciënniteit in rang en daarmee samenhangende pensioenrechten;

8) richtsnoeren op te stellen die de Commissie bij de begroting van de door verzoekers geleden verliezen en schade moet volgen, alsmede de termijnen te bepalen waarbinnen zij concrete voorstellen moet doen om hen schadeloos te stellen;

9) verweerders te verwijzen in de kosten van het geding; en

10) overeenkomstig 's Hofs Statuut en/of zijn eigen Reglement voor de procesvoering alle aanvullende maatregelen te treffen en alle aanvullende vergoedingen toe te kennen die het noodzakelijk, passend of billijk acht.

17 De Commissie, die van mening is dat het eerste petitumonderdeel is gericht op nietigverklaring van haar besluit van 14 januari 1994, concludeert in haar verweerschrift dat het Gerecht behage:

° het beroep in zijn geheel ongegrond te verklaren;

° kosten rechtens.

Argumenten van partijen en van de JET-raad over de bevoegdheid van laatstgenoemde om als verweerder in het geding op te treden

18 Verzoekers betogen, dat de JET-raad uitgebreide taken heeft (zie de artikelen 4.2.1, 4.2.2, sub b, d, en k, 8.5 en 8.9 van de statuten), in het bijzonder op het gebied van het beheer en de tewerkstelling van personeel, hetgeen meebrengt dat elk arrest dat de JET-raad niet bindt, zijn werking kan verliezen door diens verzet.

19 Voorts zijn de procedures en regels waarover verzoekers zich beklagen, door de JET-raad vastgesteld en worden door hem gehandhaafd. In het bijzonder heeft de raad pogingen van verzoekers verijdeld om, door middel van "return tickets" van andere leden dan de UKAEA, door de Commissie te worden aangeworven, en heeft hij de uitvoering van de aanbevelingen van het Pandolfi-panel verhinderd.

20 Hoewel dus de aanstelling van het JET-personeel in theorie de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Commissie en de JET-raad is, is het in de praktijk de JET-raad die hierover het laatste woord heeft.

21 Als adressaat van de door verzoekers ingediende klachten, die naar hun mening bij een stilzwijgend besluit zijn afgewezen, kan de JET-raad overigens zeer wel voor het Gerecht worden gedaagd.

22 Mocht het Gerecht ten slotte van oordeel zijn, dat de gelaakte handelwijze een uitvloeisel is van de statuten van JET en dat deze onwettig zijn, dan dient het arrest voor de JET-raad bindend te zijn, aangezien elke wijziging van de statuten door een lid van de JET-raad moet worden voorgesteld en door de raad moet worden goedgekeurd.

23 Aangezien deze argumenten nauw zijn verbonden met de grond van de zaak, moeten zij tegelijkertijd met deze worden onderzocht. Verzoekers vragen daarom het verzoekschrift aan de JET-raad te betekenen.

24 De Commissie herinnert er om te beginnen aan, dat de bevoegdheid van het Gerecht in casu wordt geregeld door artikel 152 EGA-Verdrag, artikel 3, lid 1, sub a, van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij besluit 94/149/EGKS, EG van de Raad van 7 maart 1994 (PB 1994, L 66, blz. 29), de artikelen 90 en 91 van het Ambtenarenstatuut en door artikel 73 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: "RAP"). In die context is het beroep strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 14 januari 1994 ontvankelijk voor zover het tegen de Commissie is gericht.

25 Vervolgens betoogt de Commissie, dat de organen van de gemeenschappelijke onderneming de JET-raad en de directeur van het project zijn. De gemeenschappelijke onderneming wordt echter noch vertegenwoordigd noch gevormd door de JET-raad.

26 Ook al zijn de taken en verantwoordelijkheden van de JET-raad, waarvan sommige betrekking hebben op personeelskwesties, in de statuten vastgelegd, het is niettemin onjuist te stellen, dat de JET-raad beslissingsbevoegdheid heeft ten aanzien van de aanstelling van personeel, door middel van het geven van aanwijzingen aan de Commissie. Integendeel, volgens artikel 4.2.2, sub d, van de statuten beperkt de JET-raad zich tot het selecteren van de directeur en het hogere personeel, en vindt aanstelling plaats door de Commissie of de UKAEA. De aanwerving van personeel is geregeld in artikel 8 van de statuten en valt onder de verantwoordelijkheid van de Commissie dan wel van de UKAEA.

27 De Commissie voegt hieraan toe, dat de JET-raad geen zelfstandige rechtspersoon is waartegen een rechtsvordering kan worden ingesteld met betrekking tot zijn taken en verantwoordelijkheden. Alleen de gemeenschappelijke onderneming zelf bezit ingevolge artikel 49 van het EGA-Verdrag rechtspersoonlijkheid en het is dus deze onderneming waartegen beroep moet worden ingesteld. Een beroep dat enkel is gericht tegen de JET-raad als orgaan van de gemeenschappelijke onderneming, is daarom niet-ontvankelijk.

28 De Commissie is evenwel van mening, dat het op grond van de bepalingen van artikel 49, vijfde alinea, EGA-Verdrag ° volgens welke de geschillen waarbij de gemeenschappelijke ondernemingen betrokken zijn, onder voorbehoud van de krachtens het Verdrag aan de communautaire rechterlijke instanties verleende bevoegdheden, door de bevoegde nationale rechterlijke instanties worden beslecht ° juncto artikel 22.1 van de JET-statuten ° volgens hetwelk op zaken die niet zijn geregeld bij de statuten het Engelse recht van toepassing is ° niet duidelijk is of het Gerecht bevoegd is kennis te nemen van een tegen de gemeenschappelijke onderneming ingesteld beroep.

29 De JET-raad herinnert eraan, dat de rechtspersoon die het JET-project uitvoert, de gemeenschappelijke onderneming is, geregeld in de artikelen 45 tot en met 51 EGA-Verdrag en bestaande uit de Commissie en veertien andere leden (staten, organisaties en laboratoria). De JET-raad is slechts een orgaan van deze onderneming, dat verantwoording verschuldigd is aan de leden (artikelen 3.1 en 4.2.1 van de statuten). De directeur van het project (artikel 7.1) vertegenwoordigt de gemeenschappelijke onderneming in rechte.

30 Volgens de JET-raad is de gemeenschappelijke onderneming geen werkgever. Overeenkomstig de statuten (artikelen 4.2.2, sub d, 8.1, 8.3, 8.4 en 8.5) is hij slechts belast met de selectie van het hoger personeel. Daarentegen wordt het personeel in dienst genomen door de UKAEA dan wel de Commissie, afhankelijk van de omstandigheden, en vervolgens ter beschikking van het project gesteld. De JET-raad geeft de Commissie in geen geval aanwijzingen.

31 De JET-raad is daarom van mening, dat er goede praktische en juridische gronden zijn die zich ertegen verzetten, dat hij als verwerende partij in het geding betrokken wordt.

Beoordeling van het Gerecht

32 Volgens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer het kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een beroep, of wanneer dit beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, beslissen bij met redenen omklede beschikking, zonder de behandeling voort te zetten.

33 In het kader van het krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering opgeworpen procesincident, dat slechts de vraag betreft of het verzoekschrift in deze zaak aan de JET-raad had moeten worden betekend, dient het Gerecht noodzakelijkerwijs te onderzoeken of het bevoegd is kennis te nemen van een beroep van personen die de hoedanigheid van tijdelijk functionaris van de Europese Gemeenschappen opeisen, tegen de gemeenschappelijke onderneming of tegen de JET-raad.

34 Op grond van artikel 152 EGA-Verdrag en artikel 3, lid 1, sub a, van besluit 88/591 van de Raad van 24 oktober 1988 (reeds aangehaald) is het Gerecht bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden, binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld in het Ambtenarenstatuut of voortvloeiende uit de regeling welke voor hen toepasselijk is.

35 Volgens vaste rechtspraak (zie, bij voorbeeld, arrest Ainsworth e.a., reeds aangehaald, r.o. 12) moet artikel 152 EGA-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat het niet alleen van toepassing is op degenen die de hoedanigheid van ambtenaar of van personeelslid, niet zijnde plaatselijk functionaris, bezitten, doch ook op degenen die deze hoedanigheid opeisen.

36 Ook al betreft de onderhavige zaak een geschil tussen de Gemeenschap en personen die de hoedanigheid van personeelslid opeisen, het Gerecht is niettemin van oordeel, dat wil de JET-raad als verwerende partij in het geding kunnen worden betrokken, hij moet kunnen worden aangemerkt als deel uitmakend van de Gemeenschap.

37 Volgens vaste rechtspraak (zie bij voorbeeld arresten Hof van 9 juni 1964, gevoegde zaken 94/63 en 96/63, Bernusset, Jurispr. 1964, blz. 617; 7 april 1965, zaak 28/64, Mueller, Jurispr. 1965, blz. 296, en 4 juni 1981, zaak 167/80, Curtis, Jurispr. 1981, blz. 1499) moeten beroepen worden gericht tegen de instelling waartoe de verzoeker behoort.

38 Vanuit dit oogpunt beschouwd is het Gerecht van oordeel, dat de gemeenschappelijke onderneming geen instelling van de Gemeenschap is. De instellingen van de Gemeenschap zijn immers omschreven in hoofdstuk I van de derde titel van het EGA-Verdrag (artikelen 107-160 C) en omvatten het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer. Deze derde titel, met het opschrift "Bepalingen inzake de Instellingen", heeft eveneens betrekking op het Economisch en Sociaal Comité (artikelen 165-170). De gemeenschappelijke onderneming daarentegen is door de Raad opgericht krachtens, met name, de artikelen 46, 47 en 49 van dit Verdrag, die in de tweede titel "Bepalingen ter bevordering van de vooruitgang op het gebied van de kernenergie" zijn opgenomen.

39 De gemeenschappelijke onderneming valt evenmin onder artikel 1, tweede alinea, van het Ambtenarenstatuut, volgens hetwelk het Economisch en Sociaal Comité en de Rekenkamer voor de toepassing van dit Statuut worden gelijkgesteld met de instellingen der Gemeenschappen.

40 Het Gerecht merkt echter op, dat het Hof zich in zijn arrest van 15 juni 1976 (zaak 110/75, Mills, Jurispr. 1976, blz. 955) bevoegd heeft verklaard om uitspraak te doen over elk geschil tussen de Europese Investeringsbank (hierna: "EIB") en haar personeelsleden, ofschoon deze noch aan het Ambtenarenstatuut noch aan de RAP zijn onderworpen en de EIB niet tot de instellingen van de Gemeenschap behoort. Deze beslissing was gebaseerd op het feit dat, in de eerste plaats, de EIB is opgericht bij artikel 129 EEG-Verdrag, aan welk Verdrag ook haar statuten zijn gehecht (r.o. 7-9), in de tweede plaats, dat de ambtenaren en bedienden van de EIB ingevolge deze statuten onder het gezag van de president staan en door hem worden benoemd en ontslagen (r.o. 10), en in de derde plaats, dat het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Gemeenschappen van toepassing is op het personeel van de EIB, dat daardoor dezelfde rechtspositie heeft gekregen als het personeel van de instellingen (r.o. 11-13). Het Hof concludeerde hieruit, dat de EIB deel uitmaakt van de Gemeenschap en dat artikel 179 EEG-Verdrag mede betrekking heeft op geschillen tussen de EIB, als een bij het Verdrag opgericht en met rechtspersoonlijkheid bekleed gemeenschapsorgaan, en haar personeelsleden.

41 Het Gerecht is niettemin van oordeel, dat de positie van de gemeenschappelijke onderneming niet vergelijkbaar is met die van de EIB, zoals het Hof deze in het arrest Mills reeds aangehaald heeft samengevat. In de eerste plaats is de gemeenschappelijke onderneming niet opgericht bij het EGA-Verdrag zelf, maar bij een krachtens de artikelen 46, 47 en 49 van dit Verdrag genomen besluit van de Raad. In de tweede plaats zijn haar leden de Gemeenschap zelf, bepaalde Lid-Staten en nationale organisaties ° waaronder een organisatie van een derde land ° met taken op het gebied van de atoomenergie. In de derde plaats, ook al selecteert de JET-raad de directeur en het hogere personeel van het project met het oog op hun aanstelling door de Commissie dan wel de UKAEA en bepaalt hij de duur van hun tewerkstelling, de gemeenschappelijke onderneming is niet de werkgever van het personeel. Het gehele personeel dat de gemeenschappelijke onderneming ter beschikking wordt gesteld, is in dienst van de UKAEA of van de Commissie, overeenkomstig de artikelen 8.4 en 8.5 van de statuten. Ten slotte geldt het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Gemeenschappen, anders dan in het geval van de EIB (zie artikel 22 van dit protocol), niet voor de gemeenschappelijke onderneming.

42 Bovendien volgt naar het oordeel van het Gerecht uit de statuten van JET, dat alleen de Commissie of een door haar aangewezen en krachtens delegatie optredende autoriteit arbeidscontracten kan afsluiten waarbij personeel van de gemeenschappelijke onderneming als tijdelijk functionaris van de Gemeenschap wordt aangeworven (zie arrest Gerecht van 30 november 1994, zaak T-558/93, Duechs, Jur Ambt. blz. II-0000, r.o. 39).

43 Voorts blijkt uit punt 5.11 van de aanvullende bepalingen betreffende de aanwerving van en het beheer over het personeel van de gemeenschappelijke onderneming (hierna: "aanvullende bepalingen"), vastgesteld door de JET-raad krachtens artikel 8.5 van de statuten en overgelegd als bijlage 4 bij de petitie aan het Europees Parlement, dat de bevoegdheid van de directeur van JET om tijdelijke functionarissen van de Europese Gemeenschappen tot en met de rang A 4 aan te werven, een door de Commissie gedelegeerde bevoegdheid is. Uit punt 4.8 van deze bepalingen blijkt eveneens, dat, wat de rechten en verplichtingen van de tijdelijke functionarissen betreft, de directeur de bevoegdheden uitoefent die hem door de Commissie zijn gedelegeerd. In andere gevallen vraagt hij de Commissie om de geschikte maatregelen te nemen (punt 5.10 van de aanvullende bepalingen).

44 Gelet op een en ander is het Gerecht van oordeel, dat de gemeenschappelijke onderneming geen deel uitmaakt van de Gemeenschap. De bij artikel 152 EGA-Verdrag aan het Gerecht verleende bevoegdheid omvat niet de geschillen tussen de gemeenschappelijke onderneming JET en de haar ter beschikking gestelde personen die de hoedanigheid van tijdelijk functionaris van de Gemeenschap opeisen. Dit geldt a fortiori voor de JET-raad, die slechts een orgaan van de gemeenschappelijke onderneming is (zie artikelen 3.1 en 4.2.1 van de statuten).

45 Bijgevolg moet het beroep op grond van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard, voor zover het is gericht tegen de gemeenschappelijke onderneming en tegen de JET-raad. Onder deze omstandigheden behoeft geen gevolg te worden gegeven aan het door verzoekers ingediende verzoek om het verzoekschrift aan de JET-raad te betekenen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

46 Aangezien het verzoekschrift de JET-raad niet formeel is betekend en deze zich niet door een raadsman heeft doen vertegenwoordigen, behoeft geen uitspraak te worden gedaan over zijn kosten. Voor het overige moet de beslissing omtrent de kosten in afwachting van de eindbeslissing worden aangehouden.

Dictum


HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)

beschikt:

1) Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen de JET-raad.

2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

Luxemburg, 16 december 1994.