BESCHIKKING VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (EERSTE KAMER) VAN 19 JUNI 1995. - CHRISTINA KIK TEGEN RAAD VAN DE EUROPESE UNIE EN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - VERORDENING (EG) NR. 40/94 INZAKE HET GEMEENSCHAPSMERK - TALEN - KENNELIJKE NIET-ONTVANKELIJKHEID VAN HET BEROEP. - ZAAK T-107/94.
Jurisprudentie 1995 bladzijde II-01717
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Beroep tot nietigverklaring ° Natuurlijke of rechtspersonen ° Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken ° Bepaling houdende invoering van taalregime van één enkele procedure volgens welke Gemeenschapsmerk kan worden verkregen ° Beroep van merkgemachtigde ° Niet-ontvankelijkheid
(EG-Verdrag, art. 173, vierde alinea; verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 115)
2. Procedure ° Voorwaarden voor ontvankelijkheid van beroepen ° Toelaatbaarheid, gelet op recht van eenieder op eerlijk proces
(Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, art. 6)
1. Artikel 115 van verordening nr. 40/94 van de Raad inzake het Gemeenschapsmerk, dat het taalregime invoert van de bij deze verordening ingevoerde ene enkele procedure voor de verkrijging van een Gemeenschapsmerk brengt rechtsgevolgen teweeg voor een abstracte categorie van personen, te weten de personen die voor zichzelf of voor hun mandanten een Gemeenschapsmerk wensen te verkrijgen.
Het beroep tot nietigverklaring dat tegen deze verordening wordt ingesteld door een natuurlijk persoon die door de bestreden handeling uitsluitend in zijn objectieve hoedanigheid van merkgemachtigde wordt geraakt, evenals elke andere merkgemachtigde die zich, wat de tot dusverre gebruikte taal betreft, in het kader van zijn beroepsactiviteiten feitelijk of potentieel in een gelijke situatie bevindt, is dus niet-ontvankelijk.
2. Het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens neergelegde en in de communautaire rechtsorde erkende beginsel dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces, kan niet eraan in de weg staan dat voor de instelling van een beroep in rechte bepaalde voorwaarden voor de ontvankelijkheid worden voorzien.
In zaak T-107/94,
C. Kik, advocaat en merkgemachtigde, vertegenwoordigd door G. L. Kooy, advocaat te 's-Gravenhage, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van N. Decker, advocaat aldaar, Avenue Marie-Thérèse, 16,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door G. Maganza en G. Houttuin, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur van de directie Juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd dor P. Van Nuffel, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerders,
ondersteund door
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door A. J. Navarro González, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen, en G. Calvo Díaz, abogado del Estado voor communautaire geschillen, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard Emmanuel Servais 4-6,
interveniënt,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van artikel 115 van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993, voor zover daarin de Nederlandse taal wordt uitgesloten als taal van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), alsmede een verzoek om dit Bureau niet in werking te stellen of te doen stellen,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Cruz Vilaça, president, H. Kirschner en V. Tiili, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Rechtskader
1 Bij artikel 2 van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1; hierna: "verordening nr. 40/94") wordt een Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (hierna: "het Bureau") ingesteld.
2 Het gebruik van de talen in de procedures betreffende aanvragen, oppositie, vervallen- en nietigverklaring van merken wordt geregeld in artikel 115 van verordening nr. 40/94. In lid 1 van dit artikel wordt verklaard dat de aanvragen om een Gemeenschapsmerk bij het Bureau kunnen worden ingediend in een van de officiële talen van de Europese Gemeenschap. Volgens lid 2 van dit artikel zijn de talen van het Bureau uitsluitend het Duits, Engels, Frans, Italiaans en Spaans. In de leden 3 tot en met 7 wordt onder meer voorzien dat de aanvrager in zijn aanvraag zelf een "tweede taal" moet aangeven, die een van de talen van het Bureau moet zijn, en dat wanneer de aanvraag is gesteld in een taal die geen taal van het Bureau is, deze tweede taal door het Bureau kan worden gebruikt in zijn correspondentie met de aanvrager, en ten slotte dat de aanvrager wordt geacht de tweede taal als procestaal voor de procedures betreffende oppositie, vervallen- en nietigverklaring te aanvaarden.
Feiten en procesverloop
3 Verzoekster, die de Nederlandse nationaliteit bezit, oefent het beroep van advocaat en merkgemachtigde uit. Zij heeft financiële belangen in een Nederlands octrooibureau.
4 Bij op 15 maart 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster onderhavig beroep tegen artikel 115 van verordening nr. 40/94 ingesteld.
5 Bij respectievelijk op 8 april 1994 en 19 mei 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akten hebben de Commissie en de Raad een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Verzoekster heeft haar opmerkingen betreffende de exceptie van niet-ontvankelijkheid ter griffie van het Gerecht neergelegd op 24 juni 1994.
6 Bij beschikking van 14 september 1994 is het Koninkrijk Spanje toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Raad en de Commissie. Het Koninkrijk Spanje heeft zijn memorie in interventie ter griffie van het Gerecht neergelegd op 25 oktober 1994. Verzoekster heeft haar opmerkingen betreffende deze memorie ter griffie van het Gerecht neergelegd op 12 december 1994.
Conclusies van partijen
7 In haar verzoekschrift concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:
° te bewerkstelligen dat de Raad zijn beslissing om de Nederlandse taal als taal bij het Bureau uit te sluiten, herziet;
° het Bureau niet in werking te stellen of te doen stellen voordat de Raad zijn beslissing om de Nederlandse taal als taal van het Bureau uit te sluiten, heeft herzien.
8 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
° uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het beroep, zonder in te gaan op de zaak ten principale;
° het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk te verklaren of subsidiair voor zover het is gericht tegen de Commissie;
° verzoekster te verwijzen in de kosten.
9 De Raad concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
° verzoekster te verwijzen in de kosten.
10 In haar opmerkingen betreffende de exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert verzoekster, dat het het Gerecht behage:
° artikel 115 van verordening nr. 40/94 nietig te verklaren;
° de met de oprichting van het Bureau gepaard gaande uitvoeringshandelingen van de Raad en de Commissie onwettig te verklaren;
° verweerders te verwijzen in de kosten.
11 Het Koninkrijk Spanje concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
° verzoekster te verwijzen in de kosten.
12 In haar opmerkingen betreffende de memorie in interventie concludeert verzoekster, dat het het Gerecht behage:
° het beroep ontvankelijk te verklaren;
° interveniënt te verwijzen in de kosten van de interventie.
In rechte
De ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
13 In hun exceptie van niet-ontvankelijkheid stellen de Commissie en de Raad primair, dat het Gerecht niet bevoegd is gevolg te geven aan de conclusies van verzoekster, zoals die door haar zijn geformuleerd in haar verzoekschrift. Door het Gerecht te verzoeken "te bewerkstelligen dat de Raad zijn beslissing herziet" en "het Bureau niet in werking te stellen of te doen stellen voordat de Raad zijn beslissing heeft herzien", vraagt verzoekster het Gerecht immers om de Raad te gelasten zijn wetgeving aan te pasen, terwijl de gemeenschapsrechter enkel de wettigheid van reeds van kracht zijnde handelingen kan nagaan en geen uitspraak kan doen over de vast te stellen wetgevende handelingen.
14 De Commissie en de Raad beklemtonen evenwel subsidiair, dat indien het Gerecht het beroep mocht herkwalificeren, door de conclusies van verzoekster uit te leggen als een verzoek om nietigverklaring in de zin van artikel 173 EG-Verdrag, het beroep niettemin niet-ontvankelijk zou zijn.
15 De Commissie merkt namelijk op, dat een dergelijk verzoek om nietigverklaring uitsluitend betrekking zou hebben op verordening nr. 40/94 van de Raad en dus niet op een handeling van de Commissie.
16 De Raad stelt dat niet aan de in artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag vastgelegde voorwaarden voor ontvankelijkheid is voldaan, omdat de bestreden handeling een normatieve handeling is, die verzoekster niet rechtstreeks of individueel raakt. Hij verwijst in het bijzonder naar de tweede overweging van verordening nr. 40/94, volgens welke zij "de instelling behelst van een communautair merkensysteem dat de ondernemingen volgens één enkele procedure in staat stelt Gemeenschapsmerken te verkrijgen die een eenvormige bescherming genieten en rechtsgevolgen hebben op het gehele grondgebied van de Gemeenschap". Hij leidt daaruit af, dat de verordening van algemene toepassing is op de economische subjecten en dat daartegen niet met een beroep uit hoofde van artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag kan worden opgekomen (arresten Hof van 14 december 1962, gevoegde zaken 16/62 en 17/62, Confédération nationale des producteurs de fruits et légumes, Jurispr. 1962, blz. 943; 24 november 1992, gevoegde zaken C-15/91 en C-108/91, Buckl, Jurispr. 1992, blz. I-6099, r.o. 24, en beschikking Gerecht van 29 oktober 1993, zaak T-463/93, Jurispr. II-1205, r.o. 17).
17 Bovendien beklemtoont de Raad, dat verzoekster een "merkgemachtigde" is, die ondernemingen vertegenwoordigt die een Gemeenschapsmerk wensen te verkrijgen, en bijgevolg niet zelf een Gemeenschapsmerk aanvraagt. Artikel 115 van verordening nr. 40/94 is evenwel slechts van toepassing op aanvragers van een Gemeenschapsmerk. Bijgevolg wordt verzoekster door deze bepaling slechts indirect geraakt.
18 Ten slotte betoogt de Raad, dat verzoekster door de bestreden bepaling niet individueel wordt geraakt, omdat zij door de bestreden bepaling wordt geraakt als iedere andere merkgemachtigde, en zich dus niet kan beroepen op "zekere bijzondere hoedanigheden of een feitelijke situatie welke haar ten opzichte van ieder ander karakteriseert" (arrest Hof van 26 juni 1990, zaak C-152/88, Sofrimport, Jurispr. 1990, blz. I-2507).
19 In zijn memorie in interventie stelt het Koninkrijk Spanje om te beginnen, dat het Gerecht niet bevoegd is "te bewerkstelligen dat de Raad zijn beslissing herziet". Vervolgens verklaart het, dat het verzoek om "het Bureau niet in werking te stellen of te doen stellen voordat de Raad zijn beslissing heeft herzien", als een verzoek om voorlopige maatregelen in de zin van artikel 185 EG-Verdrag moet worden beschouwd. Dit verzoek is eveneens niet-ontvankelijk, omdat verzoekster geen enkel element heeft aangevoerd, dat een dreigende schade of de spoedeisendheid kan aantonen, die de opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling kan rechtvaardigen.
20 Subsidiair voegt het hieraan toe, dat indien dit verzoek mocht worden beschouwd als een verzoek om nietigverklaring, het eveneens niet-ontvankelijk is, omdat verzoekster niet voldoet aan de bij artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag gestelde voorwaarden.
21 In haar opmerkingen betreffende de exceptie van niet-ontvankelijkheid stelt verzoekster om te beginnen, dat zij met haar beroep altijd de nietigverklaring van artikel 115 van verordening nr. 40/94 op het oog heeft gehad. Zij verzoekt het Gerecht dan ook het petitum van haar verzoekschrift aldus te lezen.
22 Weliswaar erkent verzoekster dat haar beroep tot nietigverklaring van dit artikel slechts tegen de Raad gericht kan zijn, doch zij betoogt dat de Commissie de uitvoering van deze bepaling dient te verzekeren en dat de gemeenschapsrechter bevoegd is om de wettigheid van uitvoeringshandelingen na te gaan. Bijgevolg verzoekt zij het Gerecht tevens "de ter uitvoering van dit artikel reeds gerealiseerde en nog te realiseren uitvoeringshandelingen onwettig dan wel ongeldig te verklaren".
23 Met betrekking tot de in artikel 173 EG-Verdrag neergelegde voorwaarden betoogt verzoekster, dat zij door de verordening rechtstreeks en individueel wordt geraakt, ook al is het niet uitgesloten dat de verordening zich richt tot onbepaalde categorieën van personen en van toepassing is op objectief bepaalde situaties.
24 Om aan te tonen dat zij rechtstreeks wordt geraakt, verwijst verzoekster onder meer naar het morele belang dat zij ontleent aan haar naam en faam op het gebied van het merkenrecht, en naar haar commerciële belang, dat voortvloeit uit de rechten die zij in een Nederlands octrooibureau heeft. Het bij artikel 115 van verordening nr. 40/94 ingevoerde taalregime brengt haar daadwerkelijk reeds thans in een nadelige concurrentiepositie ten opzichte van haar concurrenten die in een van de talen van het Bureau werken, als gevolg van de hogere kosten wegens vertalingen of het werken in een andere dan haar moedertaal.
25 Verzoekster stelt met nadruk, dat zij niet optreedt als vertegenwoordiger van een beroepsgroep of van ondernemingen die een Gemeenschapsmerk wensen te verkrijgen, en evenmin als vertegenwoordiger van de groep der merkgemachtigden, omdat haar beroep juist een einde wil maken aan de bij artikel 115 van verordening nr. 40/94 gecreëerde interne discriminatie binnen deze groep. Zij is van mening dat haar morele en commerciële belang haar karakteriseren ten opzichte van iedere andere merkgemachtigde en dat de bestreden handeling haar dus individueel raakt.
26 In haar opmerkingen betreffende de memorie in interventie van het Koninkrijk Spanje verklaart verzoekster dat artikel 115 van verordening nr. 40/94 tot cliëntenverlies zal leiden en reeds tot cliëntenverlies heeft geleid, hetgeen een "ernstige, onmiddellijke en onherstelbare schade" oplevert, waardoor een voorlopige maatregel, zoals de opschorting van het begin van de werkzaamheden van het Bureau, spoedeisend is.
27 Ten slotte beroept verzoekster zich op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: "EVRM"), op grond waarvan verzoekster het recht op een eerlijke inhoudelijke beoordeling van de zaak zou hebben, waarvoor haar geen andere rechtsgang open zou staan dat het door haar ingestelde beroep.
Beoordeling door het Gerecht
28 Krachtens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beslissing. In casu acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende voorgelicht en beslist het dat de behandeling niet behoeft te worden voortgezet.
29 In artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt bepaald dat het verzoekschrift onder meer het voorwerp van het geschil moet aangeven. Blijkens de rechtspraak van het Hof (zie bij voorbeeld arrest Hof van 27 februari 1980, zaak 168/78, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1980, blz. 347, r.o. 17-23) dient de rechter dit voorwerp te bepalen, wanneer dit door de verzoeker en de verweerder verschillend wordt uitgelegd.
30 In casu stelt het Gerecht om te beginnen vast, dat er een discrepantie bestaat tussen de bewoordingen waarin het eerste petitum in het verzoekschrift wordt geformuleerd, en de algemene inhoud van het verzoekschrift. In haar verzoekschrift concludeert verzoekster namelijk, dat het het Gerecht behage, "te bewerkstelligen dat de Raad zijn beslissing om de Nederlandse taal als taal bij het Bureau uit te sluiten, herziet", om vervolgens slechts middelen en argumenten aan te voeren, strekkende tot de vaststelling van de onwettigheid van deze uitsluiting. Ook al lijkt de tekst van het petitum op het eerste gezicht dus te vorderen dat het Gerecht de Raad een bevel geeft, gelet op de inhoud van verzoeksters argumenten tot staving van het petitum, moet worden aangenomen dat het in werkelijkheid is gericht op de nietigverklaring van artikel 115 van verordening nr. 40/94.
31 Deze uitleg van het verzoekschrift wordt bevestigd door het feit dat verzoekster aan het eind van haar verzoekschrift stelt dat zij "rechtstreeks en persoonlijk in haar belang is getroffen" door de handeling van de Raad, hetgeen impliciet doch stellig een verwijzing naar artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag vormt.
32 Uit het voorgaande volgt dat het eerste petitum van het verzoekschrift in wezen strekt tot nietigverklaring van artikel 115 van verordening nr. 40/94, voor zover in dit artikel de Nederlandse taal als taal van het Bureau wordt uitgesloten.
33 Het Gerecht stelt vast dat in zoverre het beroep is gericht tegen een handeling die van de Raad alleen afkomstig is. Voor zover het beroep tegen de Commissie is gericht, is het bijgevolg zonder voorwerp en moet het dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
34 Zo een verzoeker al het voorwerp van zijn beroep in het stadium van zijn opmerkingen betreffende de exceptie van niet-ontvankelijkheid kan uitbreiden, door daarin de handelingen ter uitvoering van de bestreden handeling op te nemen, zij in casu bovendien opgemerkt dat verzoekster in geen enkel opzicht heeft gepreciseerd, op welke "reeds gerealiseerde uitvoeringshandelingen" haar beroep betrekking had, alsook dat het niet aan het Gerecht staat om hypothetische handelingen, zoals "nog te realiseren uitvoeringshandelingen", te toetsen.
35 Voor zover het beroep tot nietigverklaring is gericht tegen de Raad, zij eraan herinnerd, dat ingevolge artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag voor de ontvankelijkheid van een door een natuurlijke of rechtspersoon tegen een verordening ingesteld beroep tot nietigverklaring als voorwaarde geldt, dat de bestreden verordening in werkelijkheid een beschikking is die de verzoeker rechtstreeks en individueel raakt, en dat het criterium voor het onderscheid tussen een verordening en een beschikking in de al dan niet algemene strekking van de betrokken handeling moet worden gezocht (zie bij voorbeeld beschikking Hof van 12 juli 1993, zaak C-168/93, Government of Gibraltar en Gibraltar Development Corporation, Jurispr. 1993, blz. I-4009; beschikking Gerecht van 11 januari 1995, zaak T-116/94, Cassa nazionale di previdenza ed assistenza a favore degli avvocati e procuratori, Jurispr. 1995, blz. II-3, en arrest Gerecht van 21 februari 1995, zaak T-472/93, Campo Ebro, Jurispr. 1995, blz. II-42). Een handeling heeft een algemene strekking, indien zij van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor abstract aangewezen categorieën van personen (zie bij voorbeeld arresten Hof van 21 november 1989, zaak C-244/88, Usines coopératives de déshydratation du Vexin, Jurispr. 1989, blz. 3811, en 27 maart 1990, zaak C-229/88, Cargill, Jurispr. 1990, blz. I-1303).
36 In casu blijkt uit verordening nr. 40/94, dat zij één enkele procedure beoogt in te stellen volgens welke de ondernemingen een Gemeenschapsmerk kunnen verkrijgen. Als onderdeel van deze procedure brengt het bij artikel 115 ingevoerde taalregime rechtsgevolgen teweeg voor een abstract aangewezen categorie van personen, te weten de personen die voor zichzelf of voor hun mandanten een Gemeenschapsmerk wensen te verkrijgen. Daaruit volgt dat verzoekster door de bestreden handeling uitsluitend in haar objectieve hoedanigheid van merkgemachtigde wordt geraakt, net als elke andere merkgemachtigde die zich, wat de tot dusverre gebruikte taal betreft, in het kader van zijn beroepsactiviteiten feitelijk of potentieel in een gelijke situatie bevindt (zie in analoge zaken en bij wijze van voorbeeld arrest Hof van 14 juli 1983, zaak 231/82, Spijker, Jurispr. 1983, blz. 2559, r.o. 9, en beschikkingen Gerecht van 29 oktober 1993, zaak T-463/93, GUNA, Jurispr. 1993, blz. II-1205, r.o. 17, en 21 februari 1995, zaak T-117/94, Associazione agricoltori della provincia di Rovigo, Jurispr. 1995, blz. II-455).
37 Bijgevolg is het tegen verordening nr. 40/94 ingestelde beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk.
38 Het tweede petitum van verzoekster, waarbij zij het Gerecht verzoekt het Bureau niet in werking te stellen of te doen stellen, moet worden uitgelegd als een verzoek om hetzij een bevel van het Gerecht aan de Raad, hetzij opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 115 van verordening nr. 40/94 krachtens artikel 185 EG-Verdrag. Ter zake zij enerzijds opgemerkt dat de gemeenschapsrechter niet bevoegd is om bevelen te geven aan de instellingen (zie bij voorbeeld beschikking Gerecht van 29 november 1993, zaak T-56/92, Koelman, Jurispr. 1993, blz. II-1267, r.o. 18), en anderzijds dat verzoeken om opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling ingevolge artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering bij afzonderlijke akte moeten worden gedaan, hetgeen in casu niet is geschied. Dit onderdeel van het beroep moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
39 Bovendien kan verzoekster zich in casu niet beroepen op artikel 6 EVRM, dat door de gemeenschapsrechter in de communautaire rechtsorde wordt erkend (zie arrest Hof van 15 mei 1986, zaak 222/84, Johnston, Jurispr. 1986, blz. 1651, r.o. 18, en arrest Gerecht van 23 februari 1995, zaak T-535/93, F., JurAmt. 1995, blz. II-0000), doch in een situatie als de onderhavige niet van toepassing is. Deze bepaling, volgens welke eenieder recht heeft op een eerlijk proces, kan niet eraan in de weg staan dat voor de instelling van een beroep bepaalde voorwaarden voor de ontvankelijkheid worden voorzien (zie in deze zin arrest Hof van 1 april 1987, zaak 257/85, Dufay, Jurispr. 1987, blz. 1561, r.o. 10).
40 Uit het voorgaande volgt dat het beroep in zijn geheel kennelijk niet-ontvankelijk is.
Kosten
41 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Daar verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij in haar eigen kosten te worden verwezen, alsmede in de kosten van de Raad en de Commissie.
42 Het Koninkrijk Spanje, dat heeft geïntervenieerd ter ondersteuning van de conclusies van de Raad en de Commissie, zal overeenkomstig artikel 87, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering zijn eigen kosten dragen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekster wordt verwezen in haar eigen kosten, alsmede in de kosten van de Raad en de Commissie. Interveniënt zal zijn eigen kosten dragen.
Luxemburg, 19 juni 1995.