ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
29 februari 1996
Zaak T-280/94
O. Lopes
tegen
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
„Ambtenaren — Afwijzing van sollicitaties naar hoger ambt — Glijdende werktijd — Vorderingen tot nietigverklaring en schadevergoeding”
Volledige Franse tekst II-239
Betreft:
Beroep tot nietigverklaring van twee besluiten houdende afwijzing van verzoekers sollicitatie naar een hoger ambt en van een besluit houdende weigering hem machtiging te verlenen om met glijdende werktijd te werken, alsmede tot vergoeding van de materiële en morele schade die hij stelt te hebben geleden door het gedrag van zijn hiërarchieke meerderen en door de omstreden besluiten.
Beslissing:
Nietigverklaring van het op 11 februari 1994 aan verzoeker meegedeelde besluit houdende afwijzing van zijn sollicitatie naar de bij kennisgeving van vacature nr. CJ 68/92 vacant verklaarde ambten, en van het besluit houdende afwijzing van de tegen dit besluit gerichte klacht Cont. 12/94-R. Verwerping voor het overige.
Resumé van het arrest
Verzoeker solliciteert naar een van de twee bij de op 2 december 1992 gepubliceerde kennisgeving van vacature nr. CJ 68/92 vacant verklaarde ambten van jurist-hoofdvertaler bij de Portugese vertaalafdeling.
Na de ontvangen sollicitaties onderling te hebben vergeleken en te hebben vastgesteld, dat geen enkele daarvan aan de eisen van kennisgeving van vacature nr. CJ 68/92 voldoet, besluit het administratief comité van het Hof tijdens zijn vergadering van 15 maart 1993„de ingediende sollicitaties terzijde te leggen (...) en de voorziening in die twee ambten op te schorten”. Ieder van de sollicitanten wordt op de hoogte gebracht van de afwijzing van zijn sollicitatie (met name dit afwijzingsbesluit is het voorwerp van het door verzoeker ingestelde beroep T-547/93).
Later solliciteert verzoeker naar een van de twee bij de op 20 december 1993 gepubliceerde kennisgeving van vacature nr. CJ 82/93 vacant verklaarde ambten van jurist-hoofdvertaler bij de Portugese vertaalaf deling.
Naast de procedure van voorziening in de in kennisgeving van vacature nr. CJ 82/93 bedoelde ambten, hervat het administratief comité van het Hof de procedure van voorziening in de in kennisgeving van vacature nr. CJ 68/92 bedoelde ambten door de aanvankelijke sollicitaties opnieuw te onderzoeken, zonder een nieuwe kennisgeving van vacature te publiceren. Aan het einde van dit gemeenschappelijk onderzoek stelt het administratief comité twee sollicitanten naar de bij kennisgeving van vacature nr. CJ 68/92 vacant verklaarde ambten en twee sollicitanten naar de bij kennisgeving van vacature nr. CJ 82/93 vacant verklaarde ambten als jurist-hoofdvertaler aan. Verzoeker wordt bij twee memoranda van 11 februari 1994 op de hoogte gebracht van de afwijzing van zijn sollicitatie naar die ambten. Hij dient tegen die twee besluiten een klacht in, die wordt ingeschreven onder het nummer Cont. 12/94-R en bij besluit van verweerder van 27 juni 1994 wordt afgewezen.
Verder weigert de griffier van het Hof verzoeker machtiging te verlenen om met glijdende werktijd te werken teneinde cursussen te kunnen volgen aan de universiteit van Trier. De klacht die verzoeker tegen deze weigering indient, wordt ingeschreven onder het nummer Cont. 2/94-R en door verweerder bij besluit van 29 april 1994 afgewezen.
Verweerders verzoek om een memorandum van 24 juni 1987 uit het dossier te verwijderen
Verzoeker legt als bijlage bij zijn repliek een document uit het dossier van een andere bij het Gerecht aanhangige zaak over. Verweerder verzoekt dit document uit het dossier te verwijderen, wegens schending van de regel van vertrouwelijke behandeling van de dossiers van de bij het Gerecht aanhangige zaken.
Het Gerecht is van mening, dat een bij de instelling werkzame ambtenaar de dossiers van de aanhangige zaken slechts mag raadplegen voor de specifieke taken die hem zijn opgedragen, hetgeen in casu niet het geval was. Elke andere uitlegging leidt immers tot uitholling van artikel 5, lid 3, van de instructies voorde griffier van het Gerecht van eerste aanleg van 3 maart 1994, volgens hetwelk het dossier van een bij het Gerecht aanhangige zaak slechts toegankelijk is voor de advocaten of gemachtigden van de partijen in die zaak en voor de door hen naar behoren gemachtigde personen.
In de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval dient het omstreden document evenwel niet uit het dossier te worden verwijderd. Het gaat immers om een rapport betreffende verzoekers kundigheden, prestaties of gedrag in de zin van artikel 26 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (Statuut), dat hem derhalve had moeten worden meegedeeld en aan zijn persoonsdossier had moeten worden toegevoegd. Volgens verzoeker vormt dit besluit overigens een aanwijzing dat er te zijnen nadele misbruik van bevoegdheid is gepleegd.
De vordering tot nietigverklaring
Het middel inzake ontbreken van rechtsgrondslag, dat met name strekt tot nietigverklaring van het op 11 februari 1994 meegedeelde besluit houdende afwijzing van verzoekers sollicitatie naar de ambten die het onderwerp waren van de kennisgeving van vacature nr. CJ 68/92
Het middel doet de vraag rijzen, of het tot aanstelling bevoegd gezag, na alle sollicitaties naar een vacant verklaard ambt te hebben afgewezen, het onderzoek daarvan mag hervatten om ten aanzien van de eisen van de aanvankelijke kennisgeving van vacature een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met de inmiddels ingetreden ontwikkeling van de bekwaamheid of de kundigheden van de sollicitanten.
Door aldus te handelen creëert het tot aanstelling bevoegd gezag voor zichzelf de mogelijkheid om in een vacant ambt te voorzien door de aanstelling van sollicitanten die noch op de uiterste datum voor de indiening van de sollicitaties noch op het ogenblik van de onderlinge vergelijking van hun verdiensten aan de eisen van de aanvankelijke kennisgeving van vacature voldeden en om die reden door het tot aanstelling bevoegd gezag terecht waren afgewezen. Wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag zijn keuze op basis van de gehandhaafde aanvankelijke kennisgeving van vacature wenst te maken, komt deze handelwijze neer op een retroactieve versoepeling van de door dit gezag gestelde voorwaarden, waarvan alleen die sollicitanten kunnen profiteren. Door aldus te handelen schendt het tot aanstelling bevoegd gezag derhalve de op hem rustende verplichting om zich nauwgezet te houden aan de voorwaarden die zijn neergelegd in de kennisgeving van vacature, het wettelijk kader dat dit gezag zichzelf oplegt.
Referentie: Hof 18 maart 1993, Parlement/Frederiksen, C-35/92-P, Jurispr. blz. I-991; Gerecht 18 februari 1993, Mc Avoy/Parlement, T-45/91, Jurispr. blz. II-83
Daarbij komt, dat indien het tot aanstelling bevoegd gezag bij gebreke van sollicitanten die op de datum van publikatie van de kennisgeving van vacature aan de daarin gestelde eisen voldoen, gewoon de ontwikkeling van hun bekwaamheid kan afwachten om vervolgens alleen die sollicitaties opnieuw te onderzoeken, het de ambtenaren die op grond van een juiste inschatting van hun bekwaamheid op die datum niet hadden gesolliciteerd, van zijn selectieveld zou uitsluiten. Een dergelijke uitsluiting dreigt personen wier kundigheden inmiddels vergelijkbaar of zelf hoger zijn geworden dan die van de ambtenaren die te vroeg hadden gesolliciteerd, te benadelen. Een dergelijk resultaat is overduidelijk in strijd met het doel van de artikelen, 27, eerste alinea, en 29, lid 1, van het Statuut, te weten de aanwerving van ambtenaren die uit het oogpunt van bekwaamheid aan de hoogste eisen voldoen, en het op die basis voorzien in de vacante ambten. Het tot aanstelling bevoegd gezag gaat bovendien voorbij aan de essentiële functie van de kennisgeving van vacature, namelijk de belanghebbenden zo juist mogelijk inlichten over de aard van de voorwaarden die voor de vervulling van het desbetreffende ambt worden gesteld, teneinde hen in staat te stellen te beoordelen of het voor hen dienstig is te solliciteren.
Referentie: Hof 30 oktober 1974, Grassi/Raad, 188/73, Jurispr. blz. 1099; Gerecht 8 november 1990, Bataille e.a./Parlement, T-56/89, Jurispr. blz. II-597, r.o. 48; Gerecht 27 juni 1991, Valverde Mordt/Hof van Justitie. T-156/89, Jurispr. blz. II-407, r.o. 62
In die omstandigheden had het tot aanstelling bevoegd gezag van verweerder niet het recht de sollicitaties die het eerst had afgewezen, opnieuw te onderzoeken.
De middelen strekkende tot nietigverklaring van het besluit houdende aßvijzing van venoekers sollicitatie naar de ambten die het onderwerp waren van kennisgeving van vacature nr. CJ 82/93
De vijf middelen van verzoeker inzake, respectievelijk, schending van de bevoegdheidsregels, schending van de artikelen 26 en 43 van het Statuut, schending van artikel 45, lid 1, eerste alinea, van het Statuut, schending van het beginsel van gelijke behandeling en schending van het recht op ontwikkeling van een carrière, berusten grotendeels op dezelfde argumenten, feitelijk en rechtens, stukken en documenten als die welke verzoeker — met name in zijn eerste, tweede en vijfde middel — tot staving van zijn beroep in zaak T-547/93 heeft aangevoerd, en moeten derhalve worden afgewezen om dezelfde redenen als die welke zijn genoemd in het arrest dat vandaag in die zaak is gewezen.
Het middel inzake ontbreken van motivering, strekkende tot nietigverklaring van het besluit houdende weigering van machtiging om met glijdende werktijd te werken
De in artikel 25, eerste alinea, van het Statuut neergelegde motiveringsplicht heeft tot doel de betrokkene voldoende gegevens te verstrekken om vast te stellen of het hem bezwarende besluit gegrond is en of het zin heeft een beroep bij het Gerecht in te stellen, en het Gerecht in staat te stellen zijn toetsing te verrichten.
Referentie: Hof 26 november 1981, Michel/Parlement, 195/80, Jurispr. blz. 2861; Gerecht 12 februari 1992, Volger/Parlement, T-52/90, Jurispr. blz. II-121; Gerecht 23 februari 1994, Coussios/Commissie, T-18/92 en T-68/92, JurAmbt. blz. II-171; Gerecht 22 maart 1995, Kotzonis/Commissie, T-586/93, JurAmbt. blz. II-203
De omvang van de motiveringsplicht moet steeds worden beoordeeld in het licht van de concrete omstandigheden, met name de inhoud van de handeling, de aard van de aangevoerde gronden en het belang dat de geadresseerde bij het krijgen van toelichtingen heeft. Een besluit is derhalve voldoende gemotiveerd wanneer het is genomen binnen een context die de betrokken ambtenaar bekend is, zodat deze de strekking ervan kan begrijpen.
Referentie: Hof 23 maart 1988, Hecq/Commissie, 19/87, Jurispr. blz. 1681; Gerecht 6 juli 1995, Ojha/Commissie, T-36/93, JurAmbt. blz. II-497
In het onderhavige geval heeft verweerder zijn weigering wettig gerechtvaardigd door erop te wijzen dat geen erticele bepaling van het Statuut en geen enleei besluit met algemene strekking van het bevoegde tot aanstelling bevoegd gezag van het Hof voorziet in de gevraagde mogelijkheid om met glijdende werktijd te werken. Daar verweerder van mening was, dat hij niet het recht had een machtiging als de door verzoeker gevraagde te verlenen, beschikte hij over geen enkele beoordelingsvrijheid en was hij derhalve niet gehouden de opportuniteit van zijn besluit te motiveren. Het Gerecht herinnert eraan, dat het motiveringsvereiste niet mag worden verward met de controle van de interne wettigheid van het besluit, waarop het tweede door verzoeker aangevoerde middel in het onderhavige geval betrekking heeft.
Het middel inzake schending van artikel 24, derde alinea, van het Statuut en van de algemene bepalingen ter uitvoering daarvan, strekkende tot nietigverklaring van het besluit houdende weigering van machtiging om met glijdende werktijd te werken
Volgens artikel 55, tweede alinea, eerste zin, van het Statuut kan de normale arbeidsduur van de ambtenaren niet meer dan 42 uur per week bedragen, overeenkomstig een door het tot aanstelling bevoegd gezag vastgesteld rooster. Ingevolge artikel 2, lid 1, vierde streepje, van het besluit van het Hof betreffende het tot aanstelling bevoegd gezag, is het Hof bevoegd voor de vaststelling van dit rooster.
Artikel 24, derde alinea, van het Statuut, volgens hetwelk de Gemeenschappen de bij- en nascholing van de ambtenaar vergemakkelijken, voor zover dit verenigbaar is met de eisen van een goede werking der diensten en in overeenstemming is met haar eigen belangen, staat niet toe, dat van het aldus vastgestelde rooster wordt afgeweken. Dienaangaande wordt in artikel 57 van het Statuut juncto artikel 6, tweede alinea, van bijlage V bij het Statuut enkel bepaald, dat de instelling buitengewoon verlof kan verlenen binnen de grenzen van het door haar krachtens artikel 24, derde alinea, van het Statuut vastgestelde bij- en nascholingsprogramma.
Vaststaat overigens, dat de uitdrukking „glijdende werktijd” doelt op een wijze van organisatie en beheer van de arbeidsduur van de ambtenaren die ten tijde van de feiten noch in het Statuut, noch in het door het tot aanstelling bevoegd gezag vastgestelde rooster, noch in een door het tot aanstelling bevoegd gezag vastgesteld algemeen uitvoeringsbesluit was voorzien. Aangaande verweerders opvatting, dat de invoering van glijdende werktijd moeilijk te verenigen valt met de eisen van een goede werking van zijn diensten, herinnert het Gerecht eraan, dat de instellingen over een grote beoordelingsvrijheid beschikken om hun diensten te organiseren naar de eis van de taken die hun zijn toevertrouwd.
Referentie: Hecq/Commissie, reeds aangehaald;Gerecht 16 december 1993, Turner/Commissie, T-80/92, Jurispr. blz. II-1465
Artikel 56, eerste alinea, van het Statuut juncto artikel 5, punt 1, achtste streepje, van het besluit van het Hof betreffende het tot aanstelling bevoegd gezag, volgens welke tot het doen verrichten van arbeid gedurende de nacht of op zon- en feestdagen slechts machtiging kan worden verleend volgens de door de griffier vastgestelde procedure, beoogt de bescherming van de belangen van de ambtenaren in zeer bijzondere situaties van urgentie of buitengewone toevloed van werk, waarin het belang van de instelling een dergelijk rooster eist. Deze bepalingen zouden volledig van hun doel worden afgewend, indien zij zouden kunnen worden gebruikt om machtiging voor glijdende werktijd te verlenen als die welke door verzoeker werd gevraagd.
De vordering tot schadevergoeding
In de omstandigheden van de onderhavige zaak zal de nietigverklaring van de bestreden handeling een passend herstel vormen voor de schade die verzoeker heeft geleden door het op 11 februari 1994 officieel ter kennis gebrachte tweede besluit houdende afwijzing van zijn sollicitatie naar de in kennisgeving nr. CJ 68/92 bedoelde ambten.
Bovendien strekt de vordering tot schadevergoeding tot herstel van de schade die zou zijn veroorzaakt door bezwarende besluiten waarvan ook de nietigverklaring is gevorderd, alsmede, in voorkomend geval, door maatregelen ter voorbereiding van die besluiten. Deze vorderingen zijn derhalve nauw met elkaar verbonden, zodat de afwijzing van de vordering tot nietigverklaring de afwijzing van de vordering tot schadevergoeding moet meebrengen.
Dictum:
Het door verweerder op 10 januari 1995 ingediende verzoek om een als bijlage bij de repliek in zaak T-280/94 gevoegd document en sommige daarop betrekking hebben passages uit het dossier te verwijderen, wordt afgewezen.
Het op 11 februari 1994 aan verzoeker meegedeelde besluit van verweerder houdende afwijzing van diens sollicitatie naar de bij kennisgeving nr. CJ 68/92 vacant verklaarde ambten, en verweerders besluit van 27 juni 1994, voor zover het tegen dat besluit gerichte gedeelte van de klacht Cont. 12/94-R daarbij is afgewezen, worden nietig verklaard.
Het beroep wordt verworpen voor het overige.