CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. LA PERGOLA
van 12 oktober 1995 ( *1 )
|
1. |
De vragen die het Arbeidshof te Luik heeft gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1408/71 (betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen; hierna: de „verordening”) hebben een tweeledige strekking. ( 1 ) Het gaat in de eerste plaats om de vraag, of de betrokkene in casu behoort tot de categorie werknemers die „werkzaamheden in loondienst verrichten” dan wel tot die van „ambtenaren”, zoals bedoeld in artikel 13, lid 2, sub a, respectievelijk sub d. In de tweede plaats gaat het om de vraag, onder welke voorwaarden er sprake is van „ter beschikking” blijven in de zin van artikel 71, lid 1, sub b-i, met het oog op de toepassing van de bepalingen inzake de toekenning van de werkloosheidsuitkering die de bevoegde Lid-Staat ingevolge de verordening moet betalen aan de werknemer die geen grensarbeider is. |
I — De feiten
|
2. |
De onderhavige zaak heeft betrekking op een voor het Arbeidshof te Luik aanhangig geschil tussen H. Naruschawicus, een Belgisch onderdaan die in Duitsland woont, en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (het in België bevoegde orgaan voor de toekenning van werkloosheidsuitkeringen, hierna: de „RVA”). |
|
3. |
Naruschawicus was van 1 juni 1981 tot en met 20 april 1991 als beroepsmilitair werkzaam bij de Belgische strijdkrachten in Duitsland. Gedurende deze periode was zij ambtenaar bij het Belgische Ministerie van Landsverdediging in de rang van korporaal. Volgens de verwijzende rechter betaalde de Belgische overheid gedurende de periode waarin Naruschawicus in dienst was, de sociale-zekerheidsbijdragen aan de RVA. Betrokkene woonde in Duitsland, maar behield haar wettige woonplaats in de zin van de Belgische wetgeving in Blégny. |
|
4. |
De dienstbetrekking tussen de Belgische overheid en Naruschawicus werd in april 1991 beëindigd. Op dat moment, zo vermeldt de verwijzende rechter, werd de dienstbetrekking met terugwerkende kracht geherkwalificeerd. Naruschawicus ontving krachtens wetsbepaling een ontslagbewijs waaruit bleek dat zij „tijdelijke diensten” had volbracht voor de Belgische strijdkrachten in Duitsland, zodat zij in aanmerking kon komen voor een werkloosheidsuitkering uit hoofde van de Belgische, voor werknemers in het algemeen geldende wetgeving. ( 2 ) |
|
5. |
Betrokkene bleef vervolgens in Duitsland wonen en vroeg bij het regionaal bureau van de RVA te Luik, dat uit hoofde van haar wettige woonplaats bevoegd was, een werkloosheidsuitkering aan. Haar aanvraag werd gehonoreerd en de RVA betaalde haar met ingang van 22 april 1991 een werkloosheidsuitkering. Vanaf genoemde datum tot en met 30 juni 1991 onderwierp betrokkene zich bovendien aan de werkloosheidscontrole, waartoe zij zich steeds van Arnsberg (Duitsland), haar woonplaats, naar Luik begaf. Per 1 juli 1991 werd zij door de Belgische strijdkrachten in Duitsland opnieuw in dienst genomen als arbeidskracht in deeltijdverband. |
|
6. |
Bij beschikking van 21 november 1991 besloot de regionaal inspecteur voor de werkloosheid van de RVA, de uitkering van Naruschawicus met ingang van 22 april 1991 in te trekken. Tegelijkertijd vorderde hij terugbetaling van de uitkering die zij vanaf die datum tot en met 30 juni 1991 had ontvangen. Als motivering voor deze beschikking werd vermeld dat betrokkene, doordat zij in het buitenland woonde, niet voldeed aan de in de nationale regeling gestelde voorwaarde voor toekenning van een werkloosheidsuitkering, te weten dat de werkloze zich ter beschikking houdt op de Belgische arbeidsmarkt. ( 3 ) |
|
7. |
Op vordering van Naruschawicus vernietigde de Arbeidsrechtbank te Luik de beschikking van de regionaal inspecteur van de RVA met de overweging, dat haar ingevolge artikel 71, lid 1, sub b-i, van de verordening een recht op uitkering als bedoeld in de Belgische wetgeving kon worden toegekend, ook al woonde zij in Duitsland. |
|
8. |
De RVA ging van dit vonnis in hoger beroep bij het Arbeidshof. Dit stelde vast, dat ofschoon de nationale wetgeving geen uitdrukkelijk woonplaatsvereiste kent, maar enkel een algemene verplichting voor de werkloze om zich ter beschikking van de bevoegde overheidsinstantie te houden, Naruschawicus geen aanspraken naar Belgisch recht kon doen gelden omdat zij niet aan het woonplaatsvereiste voldeed. Het vroeg zich evenwel af of haar dit recht op grond van het gemeenschapsrecht kon worden toegekend. |
II — Prejudiciële vragen
|
9. |
In het kader van het onderzoek van dit laatste punt besloot het Arbeidshof, het Hof de volgende drie prejudiciële vragen voor te leggen:
|
III — De relevante wetgeving
|
10. |
Voor een antwoord op de gestelde vragen zijn de volgende bepalingen van belang. Onder de personele werkingssfeer van de verordening vallen: „werknemers of zelfstandigen op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der Lid-Staten (...) zijn” (artikel 2, lid 1). De verordening is voorts van toepassing op: „ambtenaren en op personeel dat volgens de toepasselijke wetgeving met hen gelijkgesteld is, voor zover zij onderworpen zijn of geweest zijn aan de wettelijke regelingen van een Lid-Staat, waarop deze verordening van toepassing is” (artikel 2, lid 3). Ratione materiae is de verordening evenwel niet van toepassing (artikel 4, lid 4) op „bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden”. |
|
11. |
De vaststelling van de toe te passen nationale wetgeving geschiedt in beginsel aan de hand van de lex loci laboris. Artikel 13, lid 2, sub a, van de verordening bepaalt, dat „op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing [is] zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat”. ( 4 ) Ten aanzien van „ambtenaren” en „met hen gelijkgestelden” bepaalt de verordening, dat op hen „de wetgeving van toepassing [is] van de Lid-Staat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert” (artikel 13, lid 2, sub d). |
|
12. |
Met betrekking tot de betaling van werkloosheidsuitkeringen bepaalt artikel 71, lid 1, sub b-i, het volgende: „een werknemer die geen grensarbeider is en gedeeltelijk of door onvoorziene omstandigheden of volledig werkloos is, doch ter beschikking blijft van zijn werkgever of van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de bevoegde Staat, heeft recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van die Staat, alsof hij op het grondgebied van die Staat woonde; deze uitkering wordt door het bevoegde orgaan verleend”. |
IV — Antwoord op de prejudiciële vragen
|
13. |
Uit de hierboven weergegeven bepalingen blijkt in de eerste plaats, dat de voorwaarden voor toepassing van de bepalingen van de verordening in casu zijn vervuld, De betrokkene valt onder geen enkele „bijzondere regeling” die ingevolge artikel 4, lid 4, toepassing van de verordening op het onderhavige geval zou kunnen uitsluiten. Overeenkomstig de hierboven geciteerde nationale wetgeving (zie punt 4, voetnoot 2) is betrokkene in haar hoedanigheid van werknemer in dienst van het Belgische Ministerie van Landsverdediging, gedekt door de werkloosheidsverzekering die naar Belgisch recht voor werknemers in het algemeen geldt. ( 5 ) Dat volstaat om, in navolging van de in het arrest Van Poucke ( 6 ) gekozen oplossing, aan te nemen dat het onderhavige geval in alle opzichten onder de uit te leggen verordening valt. In dat arrest verklaarde het Hof immers, dat „een beroepsmilitair (...) binnen de personele werkingssfeer van verordening (EEG) nr. 1408/71 valt, wanneer hij naar nationaal recht onderworpen is aan de algemene regeling inzake verzekering van werknemers (...)” (dictum, punt 1). |
1) De eerste vraag
|
14. |
Dan ga ik thans over tot een onderzoek ten gronde. Met zijn eerste vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof zich uit te spreken over twee alternatieve uitleggingen van de bepalingen van de verordening. Volgens de eerste voorgestelde uitleggingsmogelijkheid is de dienstbetrekking van betrokkene met de Belgische overheid door de eerder genoemde herkwalificatie te beschouwen als een arbeidsverhouding in loondienst; in dat geval zou het bepaalde in artikel 13, lid 2, sub a, van de verordening van toepassing zijn, zodat volgens liet daarin gehanteerde criterium van de lex loci laboris, de in het Duitse recht geldende regeling ter zake van de werkloosheidsuitkering moet worden toegepast. Volgens de tweede door de verwijzende rechter voorgestelde uitlegging daarentegen behoudt betrokkene ondanks deze lierkwalificatie haar hoedanigheid van ambtenaar. Dan zou ingevolge artikel 13, lid 2, sub d, de Belgische wetgeving van toepassing zijn, aangezien het de Belgische overheid is waar de ambtenaar in dienst was. |
|
15. |
Naruschawicus verlangt dat de vraag wordt geherformuleerd. Volgens haar gaat het niet om de vraag, welke van beide door de verwijzende rechter genoemde bepalingen van artikel 13 op het onderhavige geval van toepassing is; de twee mogelijke alternatieven zijn haars inziens veeleer artikel 13 met de daarbij behorende regeling enerzijds en artikel 71, lid 1, sub b-i anderzijds. Het is deze laatste bepaling, aldus Naruschawicus, die de onderhavige situatie rechtstreeks en uitsluitend regelt, daar zij een op zichzelf staande bijzondere regeling bevat voor de betaling van werkloosheidsuitkeringen aan de werkloze werknemer die geen grensarbeider is. Op die manier zou betrokkene — aan te merken als werknemer in de zin van artikel 71 — dus over de mogelijkheid beschikken om de voor betaling van werkloosheidsuitkeringen bevoegde instantie te kiezen, welke mogelijkheid uitdrukkelijk openstaat voor de werkloze werknemer die geen grensarbeider is. |
|
16. |
Vóór alles wil ik onderstrepen, dat de wijze waarop Naruschawicus de vraagstelling wil herformuleren, de door het Hof te onderzoeken problematiek niet correct zou weergeven. Die herformulering gaat immers uit van de veronderstelling, dat de bepalingen inzake werkloosheid —dus de bepalingen van hoofdstuk 6 — bedoeld zijn om zelfstandig te fungeren ten opzichte van de andere bepalingen van de verordening, zodat zij los zouden komen te staan van de in titel II genoemde algemene criteria, welke criteria de nationale wetgeving aanwijzen die, al naar gelang de categorie van werknemers waartoe betrokkene behoort, moet worden toegepast. Zo ligt de zaak echter niet. Artikel 71 ziet niet op de vraag, welke wetgeving als de toepasselijke moet worden aangewezen. Het antwoord op die vraag moet worden gezocht in artikel 13, lid 2. Artikel 71 vooronderstelt immers, dat de bevoegdheidsvraag reeds op basis van die andere bepalingen van de verordening is komen vast te staan, en stelt enkel de voorwaarden vast die concreet moeten zijn vervuld voordat de bevoegde Lid-Staat aan de betrokkene een werkloosheidsuitkering kan uitbetalen. Deze conclusie wordt in de rechtspraak van het Hof uitdrukkelijk bevestigd. In het arrest Cochet, gewezen in een zaak waarin het ging om de bevoegdheid op het gebied van werkloosheidsuitkeringen ten behoeve van een grensarbeider, verklaarde het Hof —een duidelijk standpunt waarmee volgens mij ook in deze zaak rekening te houden valt — het volgende: „(...) moet de term ‚bevoegde staat’ worden gedefinieerd overeenkomstig de algemene regels die zijn vervat in titel II van verordening nr. 1408/71, inzake de ‚vaststelling van de toe te passen wetgeving’, en met name in artikel 13”. ( 7 ) |
|
17. |
Laten wij nu eens nader beschouwen hoe de eerste vraag in de verwijzingsbeschikking is geformuleerd. De verwijzende rechter legt met het oog op de keuze van de toe te passen wetgeving (zie punt 14) de twee hierboven genoemde uitleggingsmogelijkheden voor. Of men de ene dan wel de andere uitlegging aanvaardt, hangt zijns inziens af van de waarde die men wil hechten aan de retroactieve kwalificatie van de rechtsband tussen Naruschawicus en de Belgische overheid, en dus van de vraag of betrokkene aan te merken is als werknemer of als ambtenaar. Mij komt echter voor, dat men voor een juiste beoordeling van dit geval afstand moet nemen van de herkwalificatie van de rechtsband en van het oogmerk waarmee deze in het kader van en krachtens de Belgische wet heeft plaatsgevonden. Van belang is hier, volgens welke criteria de verordening diegenen heeft willen indelen die, omdat zij beroepswerkzaamheden uitoefenen, onder haar werkingssfeer vallen. De verwijzende rechter formuleert de vraag aldus, omdat zijns inziens in feite de categorie werknemers, volgens de definitie die het gemeenschapsrecht daaraan geeft, een wat men zou kunnen noemen zuiver nominalistische betekenis moet hebben en juist daarom in alle opzichten inhoudelijk gescheiden moet blijven van de categorie ambtenaren. Die zienswijze overtuigt mij niet. Het onderscheid tussen de twee categorieën heeft in de context die hier aan de orde is, niet het belang dat de verwijzingsbeschikking daaraan toekent. Dat is ook de opvatting van het Hof. Het arrest Van-Poucke, waarin het Hof bevestigde dat ambtenaren in het stelsel van het Verdrag als werknemer zijn aan te merken ( 8 ), maakt duidelijk dat de twee categorieën zich verhouden als generalis tegenover specialis: de categorie werknemers omvat onder meer ambtenaren. |
|
18. |
Hiervan uitgaande kan men hooguit stellen, dat de tweede categorie een bijzondere vorm is van de eerste, en dat de bijzonderheid schuilt in het feit dat de ambtenaar de duurzame arbeidsprestatie, waarvoor hij wordt betaald, in dienst van de staat of een ander overheidsorgaan levert, en niet ten behoeve van een privaatrechtelijke werkgever. Het is dus niet het objectieve en wezenlijke karakter van de arbeidsprestatie, maar het enkele gegeven betreffende de subjectieve kwalificatie van de instelling waar de werknemer in dienst is, dat — ook in het onderhavige geval — de bijzondere categorie, ambtenaren, kenmerkt binnen de ruimere categorie, werknemers. |
|
19. |
Definieert men aldus de verhouding tussen de twee categorieën, dan laat de dienstbetrekking van Naruschawicus zich op grond van haar objectieve kenmerken onder het begrip overheidsdienst rangschikken. De door de verwijzende rechter zelf verschafte gegevens wettigen immers deze conclusie. Volgens de verwijzingsbeschikking was het Belgische Ministerie van Landsverdediging de werkgever van betrokkene, was betrokkene aldaar tussen 1981 en 1991 ononderbroken werkzaam in de rang van korporaal, ontving zij daarvoor een salaris en betaalde de overheid gedurende die periode de sociale-zekerheidsbijdragen aan de RVA. |
|
20. |
Of men Naruschawicus nu beschouwt als ambtenaar in dienst van de Belgische strijdkrachten, zoals haar positie was vóór de retroactieve lierkwalificatie van haar rechtsband met de overheid, of als werknemer die „tijdelijke diensten” heeft volbracht bij de Belgische strijdkrachten, haar positie na de herkwalificatie, maakt voor haar arbeidsverhouding met de Belgische overheid in wezen geen verschil. Die verhouding heeft de kenmerken zoals die objectief uit de verwijzingsbeschikking naar voren komen, en geen andere. Voor de toepassing van de verordening blijft betrokkene vallen onder de categorie ambtenaren, dat wil zeggen werknemers die hun arbeidsprestatie in dienst van de overheid verrichten. Deze oplossing strookt volledig met de rechtspraak van het Hof, dat op het gebied van vrij verkeer van werknemers en sociale zekerheid heeft verklaard, dat de materiële elementen die een arbeidsverhouding kenmerken, zwaarder dienen te wegen dan de formele kwalificatie daarvan. ( 9 ) Daarbij komt nog het volgende. Toen het Hof preciseerde, dat de toepasselijke nationale wetgeving in de zin van de verordening dient te worden bepaald aan de hand van de uit het gemeenschapsrecht af te leiden criteria, kwam het tot de conclusie dat de kwalificatie van de arbeidsverhouding van openbare orde is en als zodanig niet door partijen naar believen kan worden geregeld. Een herkwalificatie zoals in het onderhavige geval, die heeft plaatsgevonden op basis van de wetgeving van een Lid-Staat, kan derhalve geen wijziging brengen in de vaststelling van de toe te passen nationale wetgeving zoals die door de communautaire verordening wordt bepaald. Volgens het Hof „kunnen de Lid-Staten niet zelf bepalen in hoeverre hun eigen wettelijke regeling of die van een andere Lid-Staat van toepassing is”. ( 10 ) |
|
21. |
Dit standpunt vindt steun in de uitspraak van het Hof in de zaak De Wit. ( 11 ) In dat arrest, dat het geval betrof van een ambtenaar van de Nederlandse overheid die in dienst was geweest van de Nederlandse strijdkrachten in Duitsland, schonk het Hof overeenkomstig de suggestie van advocaat-generaal Jacobs uitdrukkelijk aandacht aan het vereiste, niet voorbij te mogen gaan aan het door de wetgever beoogde doel. Aan de hand van deze interpretatieregel kwam het Hof tot de volgende conclusie: „iemand die in dienst is geweest van een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon en die, ofschoon buiten Nederland wonend, om die reden onderworpen was aan de Nederlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid, heeft een even nauwe band met Nederland als iemand die in Nederland heeft gewoond” (r. o. 21). Afgezien van de in het oog springende gelijkenis met de onderhavige casus, is dit precedent nog van belang voor de te kiezen uitleggingstechniek. Dezelfde overwegingen als het Hof voor die oplossing aanvoerde, pleiten er immers voor om de situatie van een werkneemster als Naruschawicus te plaatsen in de categorie „ambtenaren”, uitgelegd in de zin die het meest beantwoordt aan het doel van de verordening. Uit het voorgaande kunnen thans hoe dan ook twee conclusies worden getrokken die van belang zijn voor de vraag, welke nationale wet op het onderhavige geval van toepassing is en welke oplossing in de bevoegde staat moet worden gekozen voor wat betreft de concrete betaling van de betrokken uitkering. |
|
22. |
Wat het eerste punt betreft voert bovenstaande redenering tot de conclusie, dat het onderhavige geval valt onder artikel 13, lid 2, sub d, van de verordening, bepalende dat op ambtenaren en met hen gelijkgestelden de wetgeving van toepassing is van de Lid-Staat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert. De toepasselijke nationale wet is dus de Belgische. |
|
23. |
Nu het onderhavige geval eenmaal is geplaatst in het kader van artikel 13, lid 2, sub d, kan de tweede conclusie worden geformuleerd als volgt. De verordening regelt het recht van de werkloze migrerende werknemer op verkrijging van een werkloosheidsuitkering. Dat het hier gaat om een ambtenaar en niet om een werknemer, is stellig van belang, maar uitsluitend in dier voege dat dit de Lid-Staat waaronder zijn dienst ressorteert, en niet een andere Lid-Staat, jegens de betrokkene bevoegd maakt. Van belang is dat de verordening de verplichting de werkloze bij te staan, in het algemeen regelt, met het oog op het onvervreemdbare sociale recht van degene die door het verlies van zijn werk gedwongen is ander werk te vinden en zich in een beschermenswaardige behoeftige situatie bevindt, los van de vraag, welke staat bevoegd is. De Belgische wet, die in het onderhavige geval de betaling van de uitkering regelt, dient dus de materie met alle beleidsvrijheid zodanig te regelen, dat de door het gemeenschapsrecht erkende verworven rechten van de werknemer veilig worden gesteld. Dit sluit noodzakelijkerwijs uit, dat de retroactieve — volgens de verwijzende rechter overigens „fictieve” — herkwalificatie van de arbeidsverhouding ten koste zou kunnen gaan van de rechten van de betrokkene, daaronder begrepen het recht op de uitkeringen waarin de verordening ten behoeve van de werkloze voorziet. Ik hoef hier nauwelijks aan toe te voegen, dat in casu moet zijn voldaan aan de voorwaarden waaraan de verordening de verkrijging van een dergelijke uitkering verbindt. Daarmee kom ik toe aan het voorwerp van de tweede vraag die het Arbeidshof stelt. |
2) De tweede vraag
|
24. |
De verwijzende rechter vraagt het Hof vast te stellen, of een werknemer die geen grensarbeider is, krachtens artikel 71, lid 1, sub b-i, van de verordening aanspraak kan maken op werkloosheidsuitkering ten laste van de bevoegde staat, onafhankelijk van enig woonplaatsvereiste, wanneer hij zich als werkzoekende bij de diensten voor de arbeidsbemiddeling laat inschrijven. |
|
25. |
Een eerste argument voor een bevestigend antwoord op deze vraag is te vinden in het volgende citaat uit hetgeen advocaat-generaal Slynn in de zaak Aubin heeft opgemerkt over de voorwaarden voor toepassing van artikel 71, lid 1, sub b: „De ‚beschikbaarheid voor de diensten voor arbeidsbemiddeling’ hangt mijns inziens af van de vraag, of de werknemer op het juiste moment heeft gemeld dat hij werk zoekt op het grondgebied van de Lid-Staat waar deze diensten voor arbeidsbemiddeling zijn gevestigd”. Hij voegt daar even verder in zijn conclusie aan toe: „Het zich beschikbaar stellen gebeurt gewoonlijk door de inschrijving. ” ( 12 ) In casu heeft de verwijzende rechter het Hof overigens voldoende beoordelingselementen aangereikt voor de conclusie, dat aan de door de verordening gestelde voorwaarden is voldaan. Betrokkene heeft in feite niet alleen voldaan aan de formele voorwaarden van inschrijving, maar ook, zo begrijp ik uit de verwijzingsbeschikking, aan de voorwaarde om zich regelmatig naar België te begeven om aan te tonen dat zij ter beschikking bleef van de bevoegde diensten van de staat waaronder zij ressorteerde. Het feit dat de „beschikbaarheid” van de werkloze ten aanzien van haar voormalige werkgever in casu strookte met de voorschriften van de verordening, vindt indirect, maar het is wel veelzeggend, bevestiging in de omstandigheid dat Naruschawicus later opnieuw bij dezelfde instantie, de Belgische Landsverdediging, in dienst is getreden. |
|
26. |
Om aan te geven wanneer de werkloze voldoet aan de verplichting zich ter beschikking te houden van de bevoegde dienst, kan een andere, meer algemene overweging van nut zijn, die eveneens pleit voor een bevestigend antwoord op de gestelde vraag. De uit te leggen regel van gemeenschapsrecht voorziet in een uitzondering op het voor werkloosheidsuitkeringen geldende algemene territorialiteitsbeginsel, doordat zij de werknemer de mogelijkheid biedt, de uitkering ook te ontvangen wanneer hij in een andere Lid-Staat woont. Deze uitzondering, bedoeld om de werkloze werknemer meer keuzemogelijkheden te bieden en hem het vinden van een nieuwe betrekking te vergemakkelijken, staat uitsluitend open voor werknemers die gedurende hun laatste werkzaamheid in een andere Lid-Staat dan de bevoegde staat hebben gewoond. ( 13 ) Mijn overtuiging is nu, dat een bepaling die afwijkt van het algemene beginsel, moet worden gelezen op een wijze die recht doet aan het specifieke doel dat ermee wordt beoogd. Derhalve mag het vereiste van beschikbaarheid niet zodanig worden opgevat, dat dat doel ten onrechte op de achtergrond raakt, doordat de uitdrukkelijk aan de werkloze toegestane mogelijkheid om buiten de voor uitbetaling van de uitkering bevoegde staat te blijven wonen, iedere betekenis verliest. Met de voorwaarde van beschikbaarheid heeft de gemeenschapswetgever de werknemer stellig niet de mogelijkheid willen ontnemen, zijn woonplaats te kiezen. Integendeel. Het fundamentele beginsel van vrij verkeer doet zich, in de hierboven aangegeven zin, tenslotte ook gelden in de regeling waarin het gemeenschapsrecht voor het geval van werkloosheid voorziet. In het kader van de verordening valt het dus niet te rechtvaardigen, dat de werkloze problemen ondervindt door een territoriale band, doordat hij in de voor de betaling van de socialezekerheidsuitkering bevoegde Lid-Staat zou moeten wonen. Meer nog dan de bewoordingen van deze bepaling, strookt de door mij voorgestane uitlegging van artikel 71, sub b-i, met de aan het systeem van de verordening ten grondslag liggende logica. Hieraan zij toegevoegd, dat hoe dan ook de letterlijke bewoordingen van de bepaling aangeven dat de werkloze, die ter beschikking blijft van de diensten van de bevoegde staat, recht heeft op uitkering volgens de wettelijke regeling van die staat, „alsof hij op het grondgebied van die staat woonde”. De verordening erkent met zoveel woorden, dat de voorwaarde van beschikbaarheid ten volle vervuld kan zijn, ook al woont de betrokkene niet in die staat. Krachtens een uitdrukkelijke, hier toe te passen bepaling van de gemeenschapswetgever is beschikbaarheid dus gelijkwaardig aan het hebben van een woonplaats. De door het Hof op dit punt geformuleerde interpretatieregels dwingen overigens tot hetzelfde resultaat. De nationale rechter, die in het concrete geval dient na te gaan of de beschikbaarheid van de werkloze werknemer aan de door de verordening gestelde voorwaarden voldoet, moet zich in ieder geval laten leiden door het criterium dat het Hof in het arrest Van Munster heeft aangereikt: bij de uitlegging van de nationale wetgeving dient te worden voorkomen, dat het resultaat „de migrerende werknemer ervan weerhoudt daadwerkelijk zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen”. ( 14 ) De aanwending van een dergelijke interpretatieregel laat dus niet toe, ook niet aan degene die buiten de context van de toe te passen gemeenschapsbepalingen zou willen treden, om het vereiste „ter beschikking blijft” zo op te vatten, dat dit de verplichting inhoudt ook op het grondgebied van de bevoegde staat te wonen. |
3) De derde vraag
|
27. |
Zoals ook de Commissie en Naruschawicus in hun opmerkingen te kennen geven, behoeft de derde vraag van de verwijzende rechter mijns inziens geen beantwoording. Het komt mij namelijk voor, dat de gelijkstelling van betrokkene met een werknemer in de zin van artikel 71, lid 1, sub b, niet zozeer haar grond vindt in de bijzondere persoonlijke en beroepsmatige banden met de bevoegde staat, die voor het Hof in de zaak Miethe ( 15 ) reden waren voor een extensieve uitlegging van de bepaling in dier voege, dat daaronder ook de „atypische grensarbeider” kwam te vallen, maar veeleer in de arbeidsverhouding van betrokkene met het Belgische Ministerie van Landsverdediging, waardoor de onderhavige situatie onder de werkingssfeer van artikel 13, lid 2, sub d, kon worden gebracht. Ik geloof dan ook, dat het antwoord op de derde vraag van de verwijzende rechter in de antwoorden op de voorgaande vragen besloten ligt. Ik geef het Hof derhalve in overweging, de vragen van het Arbeidshof te Luik te beantwoorden als volgt:
|
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) De in onderhavige zaak toepasselijke versie van verordening nr. 1408/71 is die neergelegd in verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juli 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6). Deze is op 1 juli 1982 in werking getreden (zie artikel 3 verordening nr. 2001/83).
( 2 ) Deze kwalificatie met terugwerkende kracht, die op het eerste gezicht merkwaardig voorkomt, vindt haar bestaansgrond in de Belgische sociale-zckerheidsregeling. De wet van 28 juni 1960 (artikelen 1 en 2) —waarbij militairen die naar het burgerleven „terugkeren” ex tune aan de algemene sociale-zckerheidsregeling worden onderworpen —bepaalt immers, dat zij bij hun vertrek een ontslagbewijs ontvangen met de verklaring dat zij „tijdelijke diensten” nebben volbracht bij het Ministerie van Landsverdediging. In onderhavig geval stond in het ontslagbewijs van betrokkene, dat zij bij het leger „tijdelijke diensten” had verricht tussen 21 april 1981 en 20 april 1991. Zie wet van 28 juni 1960 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de personen die bij het leger tijdelijke diensten volbracht hebben, Belgisch Staatsblad, 1960, blz. 5413. Voor een beter begrip van de feiten in deze zaak en in het bijzonder de figuur van de kwalificatie met terugwerkende kracht, worden de volgende bepalingen geciteerd:
„art. 1) Voor het bepaalde in dit hoofdstuk komen in aanmerking militairen die, zonder erom te hebben verzocht, om enige reden in het burgerleven zijn teruggekeerd (...);
art. 2) Militairen die voor het bepaalde in dit hoofdstuk in aanmerking komen, worden beschouwd als over de hele duur van hun militaire prestaties zonder onderbreking onderworpen te zijn geweest aan de bepalingen van de besluitwet van 28 december 1944, betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot werkoosheidsuitkering en de verzekering tegen ziekte en invaliditeit (...);
art. 4, § 3) De minister van Landsverdediging geeft aan de betrokken militairen, de dag dat zij uit het leger weggaan, een attest van ontslag af, in twee exemplaren. (...) De militairen (...) dienen het tweede exemplaar in bij een van de betalingsinstellingen die opgericht zijn in het kader van de wetgeving inzake werkloosheid”.
( 3 ) De woonplaatsverplichting van de werkloze is neergelegd in het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid (Belgisch Staatsblad, 1964, blz. 506), waarvan artikel 153 luidt als volgt: „Om aanspraak op werkloosheidsuitkering te kunnen malien, moet de werkloze zich regelmatig op de werklozencontrole aanmelden, ten einde er zijn controlekaart te laten stempelen”, en in het ministerieel besluit betreffende werldoosheid van 4 juni 1964 (Belgisch Staatsblad, 1964, blz. 6340), waarvan artikel 68 het volgende bepaalt: „De werldozen zijn ertoe gehouden zich te onderwerpen aan de controle welke wordt ingericht door het gemeentebestuur hunner gewone verblijfplaats.”
( 4 ) Volgens het beginsel van de lex loci laboris, dient de verstrekking van de uitkering te geschieden door het „bevoegde orgaan”, zoals gedefinieerd in artikel 1, sub o:
|
„i) |
het orgaan waarbij de betrokkene is aangesloten op het tijdstip waarop hij om prestaties verzoekt, of |
|
ii) |
het orgaan dat aan de betrokkene prestaties verschuldigd is of zou zijn indien hij of een of meer van zijn gezinsleden woonden op het grondgebied van de Lid-Staat, waarop zich dit orgaan bevindt, of |
|
iii) |
het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-Staat aangewezen orgaan, of |
|
iv) |
indien het een regeling betreft inzake de verplichtingen van de werkgever ten aanzien van de in artikel 4, lid 1, bedoelde prestaties, de werkgever of de in zijn rechten gesubrogeerde verzekeraar, dan wel bij ontstentenis van dezen, het lichaam of de autoriteit welke door de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-Staat is aangewezen”. |
( 5 ) Hier zij verwezen naar artikel 2 van de Belgische wet van 28 juni 1960, die in dit opzicht zeer duidelijk is (zie voetnoot 2).
( 6 ) Arrest van 24 maart 1994 (zaak C-71/93, Jurispr. 1994, blz. I-1101).
( 7 ) Arrest van 7 maart 1985 (zaak 145/84, Jurispr. 1985, blz. 801, r. o. 11); zie laatstelijk ook arrest van 29 juni 1995 (zaak C-454/93, Van Gestel, Jurispr. 1995, blz. I-1707, in het bijzonder r. o. 13 en 14).
( 8 ) Reeds aangehaald in voetnoot 6; punt 2 van liet dictum.
( 9 ) Arresten van 12 februari 1974 (zaak 152/73, Sotgiu, Jurispr. 1974, blz. 153); 17 december 1980 en 26 mei 1982 (zaak 149/79, Commissie/België, Jurispr. 1980, blz. 3881, en Jurispr. 1982, blz, 1845), alsmede, ter zake van gelijke behandeling, arrest van 28 september 1994 (zaak C-7/93, Beune, Jurispr. 1994, blz. I-4471).
( 10 ) Arresten van 23 september 1982 (zaak 276/81, Kuijpers, Jurispr. 1982, blz. 3027), 12 juni 1986 (zaak 302/84, Ten Holder, Jurispr. 1986, blz. 1821) en 10 juli 1986 (zaak 60/85, Luijten, Jurispr. 1986, blz. 2365).
( 11 ) Arrest van 30 maart 1993 (zaak C-282/91, Jurispr. 1993, blz. I-1221).
( 12 ) Arrest van 27 mei 1982 (zaak 227/81, Jurispr. 1982, blz. 1991, met name blz. 2012; cursivering van mij).
( 13 ) Arresten van 15 december 1976 (zaak 39/76, Mouthaan, Jurispr. 1976, blz. 1901) en 12 juni 1986 (zaak 1/85, Mietile, Jurispr. 1986, blz. 1837).
( 14 ) Arrest van 5 oktober 1994 (zaak C-165/91, Jurispr. 1991, blz. I-1661).
( 15 ) Reeds aangehaald ¡n voetnoot 13.