CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. B. ELMER
van 7 december 1995 ( *1 )
Inleiding
|
1. |
In de onderhavige zaak heeft het Sozialgericht Stuttgart het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 74 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: „verordening”). ( 1 ) Artikel 74 bepaalt het volgende: „de werkloze werknemer of zelfstandige die krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat werkloosheidsuitkering geniet, [heeft] voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen, recht op de gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste Staat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze Staat woonden”. |
|
2. |
Deze vraag is gerezen in een zaak waarin A. Rincón Moreno, een in Duitsland woonachtig Spaans onderdaan, toestemde in de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst per 15 december 1992 en daarvoor van zijn werkgever een ontslagvergoeding ontving. |
|
3. |
Naar Duits recht heeft een tegen werkloosheid verzekerd werknemer bij werkloosheid in beginsel recht op werkloosheidsuitkeringen ingevolge de werkloosheidsverzekering. § 117 van het Duitse Arbeitsförderungsgesetz ( 2 ) (hierna: „AFG”) voorziet evenwel in schorsing van de betaling van werkloosheidsuitkeringen wanneer de werkloze wegens de beëindiging van zijn dienstbetrekking van zijn werkgever een ontslagvergoeding ontvangt. De §§119 en 119a AFG bevatten voorts nauwkeurige voorschriften over de schorsing van de betaling van werkloosheidsuitkeringen gedurende een wachttijd, indien de werkloze zelf de werkloosheid heeft veroorzaakt. Tijdens de schorsingsperiode blijft het recht van de werkloze werknemer op werkloosheidsuitkeringen in beginsel bestaan, doch zuiver feitelijk worden geen werkloosheidsuitkeringen betaald. De schorsingsperiodes komen in mindering op de volledige periode waarover de werkloze recht heeft op werkloosheidsuitkeringen. |
|
4. |
Tijdens de wachttijd is de werkloze krachtens § 19, lid 2, Sozialgesetzbuch V ( 3 ) en de §§ 155 en 155a AFG verzekerd tegen ziekte. Bovendien blijft hij blijkens de verstrekte inlichtingen tijdens de wachttijd voor bepaalde ongevallen aangesloten bij de ongevallenverzekering. ( 4 ) |
|
5. |
Aangezien Moreno bij de beëindiging van zijn dienstbetrekking per 15 december 1992 van zijn werkgever voormelde ontslagvergoeding ontving, schorste de Duitse Bundesanstalt für Arbeit Moreno's recht op werkloosheidsuitkeringen voor de periode van 16 december 1992 tot 21 februari 1993. Zij legde hem bovendien voor de periode van 16 december 1992 tot 9 maart 1993 een wachttijd op. Aldus ontving Moreno eerst werkloosheidsuitkeringen per 10 maart 1993. |
|
6. |
Bij beschikking van 6 april 1993 weigerde de Bundesanstalt für Arbeit voorts aan Moreno kinderbijslag te verlenen voor de maanden januari en februari 1993 voor zijn in Spanje woonachtige kinderen, op grond dat hij gedurende die twee maanden niet, zoals vereist bij artikel 74 van de verordening, „krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat werkloosheidsuitkering” had genoten. Moreno diende daartegen bezwaar in. De Bundesanstalt für Arbeit wees Moreno's bezwaar af op 27 mei 1993. |
|
7. |
Daarop stelde Moreno op 14 juni 1993 beroep in. Bij beschikking van 29 augustus 1994 heeft het Sozialgericht Stuttgart het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd: „Moet artikel 74 van verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat als werkloze werknemers die krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat werkloosheidsuitkering genieten, ook zijn te beschouwen bij het arbeidsbureau ingeschreven werklozen wier recht op werkloosheidsuitkering is geschorst in verband met een schadevergoeding die hun door hun werkgever krachtens §117 Arbeitsförderungsgesetz (AFG) bij beëindiging van hun arbeidsverhouding is betaald, of doordat een wachttijd krachtens § 119 AFG loopt?” |
Bij het Hof ingediende opmerkingen
|
8. |
Moreno stelt, dat de betaling van een ontslagvergoeding moet worden beschouwd als een werkloosheidsuitkering, aangezien de ontslagvergoeding tot doel heeft de werkloosheidsuitkeringen tijdens de schorsingsperiode te vervangen. Een werkloze werknemer ontvangt in de wachttijd bovendien ook andere prestaties bij werkloosheid: het arbeidsbureau verricht voor hem diensten op het gebied van arbeidsbemiddeling en beroepsadvies en hij is verzekerd tegen ziekte. |
|
9. |
Om te kunnen aannemen dat Moreno „krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat werkloosheidsuitkering geniet”, hoeft, volgens de Spaanse regering, alleen in beginsel aanspraak op werkloosheidsuitkeringen te bestaan. Om discriminatie te voorkomen, moet een tijdelijke uitsluiting van werkloosheidsuitkering in dit verband buiten beschouwing worden gelaten. |
|
10. |
Volgens de Duitse regering kan een werkloze werknemer die een ontslagvergoeding ontvangt, worden gelijkgesteld met degene die „werkloosheidsuitkering geniet” in de zin van artikel 74. Tijdens een wachttijd ontvangt een werkloze werknemer daarentegen geen werkloosheidsuitkeringen, geen prestaties van de werkgever noch andere uitkeringen, zodat hij, wanneer de wachttijd loopt, geen „werkloosheidsuitkering” geniet. |
|
11. |
De Commissie betoogt, dat een uitkering niet uit de werkingssfeer van de verordening kan worden uitgesloten alleen omdat zij door de werkgever wordt betaald. Een ontslagvergoeding moet worden beschouwd als een werkloosheidsuitkering, omdat zij naar aanleiding van de werkloosheid wordt betaald en in de plaats komt van de werkloosheidsuitkeringen. Naar Duits recht is de werkloze werknemer tijdens de wachttijd verzekerd tegen ziekte en ongevallen en de prestaties krachtens deze verzekeringen moeten als werkloosheidsuitkeringen worden beschouwd. |
Discussie
|
12. |
Mijns inziens volgt uit de uitdrukking „werkloosheidsuitkering geniet” in artikel 74 van de verordening, dat er een materiële overdracht van vermogen moet zijn ten gunste van de werkloze. In beginsel aangesloten zijn bij de werkloosheidsverzekering is op zich niet voldoende om aan die voorwaarde te voldoen, indien er geen daadwerkelijke ontvangst van prestaties en dus geen materiële overdracht van vermogen is. |
|
13. |
Moreno heeft dus slechts recht op kinderbijslag voor zijn kinderen, indien hij naar Duits recht in de periodes waarin de werkloosheidsuitkeringen waren geschorst, andere prestaties dan werkloosheidsuitkeringen genoot. |
|
14. |
Een bij opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever betaalde ontslagvergoeding kan verschillende betekenissen hebben. Zij kan een beloning zijn voor de inzet van de werknemer of zijn bedoeld als een financiële steun aan de betrokkene voor bijscholing en dergelijke, of nog als een „pleister op de wonde” voor de medewerker die moet afvloeien. Er is evenwel onder alle omstandigheden sprake van een geldsom die naar aanleiding van de beëindiging van de dienstbetrekking wordt betaald en waarvan het bedrag door de partijen onderling wordt vastgesteld. Dientengevolge is een ontslagvergoeding in Duitsland onderworpen aan bijzondere fiscale en sociaalrechtelijke regels, zodat ontslagvergoedingen binnen bepaalde grenzen belastingvrij zijn en er evenmin sociale bijdragen op worden ingehouden. |
|
15. |
§117, lid 3, AFG bepaalt in welke omvang voor de berekening van de periode van schorsing van de werkloosheidsuitkering rekening wordt gehouden met de betaalde ontslagvergoeding. Aldus kan de ontslagvergoeding naar Duits recht worden geacht uit twee delen te bestaan: een deel dat aan de vroegere dienstbetrekking wordt toegerekend, en een deel dat de periode na de beëindiging van de dienstbetrekking dekt. De ratio van de regels betreffende de schorsing van de werkloosheidsuitkeringen bij betaling van een ontslagvergoeding is kennelijk, dat het niet opgaat, werkloosheidsuitkeringen te betalen over een werkloosheidsperiode waarin de betrokkene op andere wijze, namelijk met een deel van de ontslagvergoeding, in zijn levensonderhoud kan voorzien. Aangezien de ontslagvergoeding aldus in de periode waarin de betaling van werkloosheidsuitkeringen is geschorst, kan worden beschouwd als een uitkering die bij werkloosheid wordt ontvangen, is het de vraag of er enig belang aan moet worden gehecht, dat die uitkering door de werkgever wordt betaald. |
|
16. |
Artikel 74 van de verordening stelt evenwel niet als voorwaarde, dat de uitkering door de overheid, een werkloosheidsfonds of een andere soortgelijke instelling wordt betaald. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de wijze waarop een uitkering wordt gefinancierd, van geen belang voor de vraag, of een sociale-zekerheidsuitkering onder de verordening valt. Zo heeft het Hof in zijn arrest van 3 juni 1992 ( 5 ) in verband met uitkeringen van een werkgever bij ziekte het volgende verklaard: „De omstandigheid dat deze uitkeringen financieel ten laste van de werkgever komen, kan (...) niet verhinderen dat zij binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallen. De kwalificatie van een uitkering als een onder deze verordening vallende prestatie van sociale zekerheid hangt immers niet af van de financieringswijze (...)” |
|
17. |
Willen prestaties onder artikel 74 vallen, dan moet er sprake zijn van een „krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat [genoten] werkloosheidsuitkering”. De betaling door een werkgever van een ontslagvergoeding kan als zodanig niet worden geacht voort te vloeien uit de wettelijke regeling van een Lid-Staat. Maar wanneer die betaling naar Duits recht wordt geacht voor een bepaalde periode in de plaats te komen van de betaling van werkloosheidsuitkeringen, ligt het mijns inziens voor de hand, het genot van een dergelijke ontslagvergoeding gelijk te stellen met het genot van een uitkering krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat. |
|
18. |
De vraag is dus, welke betekenis eraan moet worden gehecht, dat de werkloze tijdens de wachttijd — na afloop van de schorsingsperiode in verband met de ontslagvergoeding — verzekerd is tegen ziekte en ongevallen. Zowel artikel 4, lidi, sub g, als artikel 74 van de verordening bezigen de algemene term werkloosheidsuitkering. In deze bepalingen wordt niet gepreciseerd, of deze term alleen uitkeringen in geld omvat, of ook andere prestaties in verband met werkloosheid kan omvatten. Geen van deze bepalingen stelt voorwaarden wat de aard van de werkloosheidsuitkeringen betreft, of stelt minimumvoorwaarden betreffende de ontvangen uitkeringen. Zoals gezegd, moet als beslissend worden beschouwd, dat er een materiële overdracht van vermogen is geweest. Zo staat niets eraan in de weg, dat prestaties waarbij geen geld wordt betaald, voldoen aan de voorwaarden van artikel 74, zolang maar vaststaat, dat een materiële overdracht van vermogen in het voordeel van de werkloze heeft plaatsgehad. De omstandigheid dat de werkloze naar Duits recht gedekt is tegen ziekte en ongevallen, impliceert een uitgave ten laste van het werkloosheidsfonds of de overheid, die de kosten daarvan dragen, en een financieel voordeel voor de werkloze, die daarvoor zelf geen geld behoeft uit te geven. Er is dus een materiële overdracht van vermogen ten voordele van de werkloze en deze is dus in het genot van werkloosheidsuitkeringen krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat. |
|
19. |
Tot staving van deze conclusie kan er verder op worden gewezen, dat het Hof in een arrest ( 6 ) over de uitlegging van het begrip werkloosheidsuitkering in artikel 67, lidi, juncto artikel 4, lid 1, sub g, van de verordening heeft verklaard dat, waar de tekst van deze bepalingen prestaties ter bevordering van de bijscholing van actieve werknemers niet uitsluit, „voor de uitlegging van artikel 67, lid 1, juncto artikel 4, lid 1, sub g, van verordening nr. 1408/71 van de Raad [moet] worden uitgegaan van de fundamentele doelstelling van artikel 51 EEG-Verdrag, te weten het scheppen van de gunstigste voorwaarden ter verwezenlijking van de vrijheid van de werknemers uit de Gemeenschap ten aanzien van het verkeer en het aanvaarden van werk op het grondgebied van elk van de Lid-Staten”. |
|
20. |
Daarom moet artikel 74 van de verordening mijns inziens aldus worden uitgelegd, dat ook prestaties van de ziekte- en ongevallenverzekering onder het begrip werkloosheidsuitkering vallen. |
|
21. |
Ik zie daarom geen reden om hier in te gaan op de vraag, of prestaties van instanties voor arbeidsbemiddeling, bij voorbeeld in de vorm van adviezen, als „werkloosheidsuitkering” kunnen worden beschouwd. |
|
22. |
Op de gestelde vraag moet mijns inziens dus worden geantwoord, dat als „werkloze werknemer (...) die krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat werkloosheidsuitkering geniet” in de zin van artikel 74 van de verordening ook moet worden beschouwd de bij de bevoegde nationale instantie ingeschreven werkloze wiens recht op werkloosheidsuitkering krachtens voorschriften, zoals de Duitse, is geschorst in verband met een ontslagvergoeding die hem door zijn werkgever bij beëindiging van zijn arbeidsverhouding is betaald, of doordat een wachttijd loopt, wanneer hij tijdens deze wachttijd krachtens voorschriften, zoals de Duitse, gedekt is tegen ziekte en ongevallen. |
|
23. |
Volgens Moreno en de Spaanse regering kan in casu ook worden gewezen op artikel 73 juncto artikel 1 van de verordening, betreffende de gezinsleden van een actieve werknemer, omdat de dekking van de ziekteen ongevallenverzekering impliceert, dat een werkloze werknemer tijdens de wachttijd voldoet aan de definitie van werknemer in de zin van de verordening. Daartegen hebben de Duitse regering en de Commissie ingebracht, dat die verzekeringen niet meebrengen, dat Moreno onder artikel 73 valt. De Commissie heeft daaraan toegevoegd, dat artikel 74 een lex specialis is ten opzichte van artikel 73. De Commissie vraagt zich ook af, of Moreno onder de definitie van de verordening van het begrip werknemer valt, dat zowel in artikel 73, als in artikel 74 wordt gebruikt. |
|
24. |
Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat er bij de nationale rechter geen twijfel over bestaat, dat Moreno onder de groep personen valt waarop de verordening van toepassing is, juist zoals hij ervan uitging, dat Moreno als een werkloze werknemer kan worden beschouwd, zodat de gegrondheid van zijn aanspraak aan artikel 74 van de verordening moet worden getoetst. Derhalve wenst de rechter enkel uitlegging van de uitdrukking „krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat werkloosheidsuitkering genieten” in artikel 74. In zijn rechtspraak heeft het Hof verklaard ( 7 ): „Ingevolge artikel 177 van het Verdrag — welk artikel stoelt op een duidelijke scheiding van bevoegdheden tussen de nationale rechter en het Hof — mag het Hof geen kennis nemen van de feiten van het geding, noch ook de overwegingen, welke tot een verzoek om interpretatie hebben geleid, beoordelen. De vraag, of de bepalingen of begrippen van gemeenschapsrecht waarvan interpretatie wordt gevraagd, inderdaad op het te berechten geval van toepassing zijn, valt buiten de bevoegdheid van het Hof en behoort tot die van de nationale rechter. Wanneer dan ook een rechterlijke instantie om uitlegging van een gemeenschapsvoorschrift of van een daarmede verband houdend rechtsbegrip vraagt, moet worden aangenomen dat zij deze interpretatie voor de berechting van het bij haar aanhangige geding nodig acht.” |
|
25. |
Ik meen daarom niet te moeten ingaan op de vraag, of Moreno als een werknemer in de zin van de verordening moet worden beschouwd, of ook of artikel 73 van de verordening, dat actieve werknemers betreft, in casu van toepassing kan zijn. |
Conclusie
|
26. |
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de gestelde vraag te beantwoorden als volgt: „Als ‚werkloze werknemer (...) die krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat werkloosheidsuitkering geniet’, in de zin van artikel 74 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening (EEG) nr. 3427/89 van de Raad van 30 oktober 1989, moet ook worden beschouwd een bij de bevoegde nationale instantie ingeschreven werkloze wiens recht op werkloosheidsuitkering krachtens voorschriften, zoals de Duitse, is geschorst in verband met een ontslagvergoeding die hem door zijn werkgever bij beëindiging van zijn arbeidsverhouding is betaald, of doordat een wachttijd loopt, wanneer hij tijdens deze wachttijd krachtens voorschriften, zoals de Duitse, gedekt is tegen ziekte en ongevallen.” |
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) Zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, btz. 6) en bij verordening (EEG) nr. 3427/89 van de Raad van 30 oktober 1989 (PB 1989, L 331, biz. 1).
( 2 ) BGBl. I 1969, biz. 582.
( 3 ) Sozialgesetzbuch — Fünftes Buch: Gesetzliche Krankenversicherung.
( 4 ) Zie § 165 AFG.
( 5 ) Zaak C-45/90, Paletta, Jurispr. 1992, blz. I-3423, r. o. 18.
( 6 ) Arrest van 4 juni 1987, zaak 375/85, Campana, Jurispr. 1987, blz. 2387.
( 7 ) Zie bij voorbeeld arrest van 9 juü 1969, zaak 10/69, Portelangc, Jurispr. 1969, blz. 309.