Conclusie van advocaat-generaal Fennelly van 26 oktober 1995. - Associazione Italiana per il World Wildlife Fund, Ente Nazionale per la Protezione Animali, Lega per l'Ambiente - Comitato Regionale, Lega Anti Vivisezione - Delegazione Regionale, Lega per l'Abolizione della Caccia, Federnatura Veneto en Italia Nostra - Sezione di Venezia tegen Regione Veneto. - Verzoek om een prejudiciele beslissing: Tribunale amministrativo regionale per il Veneto - Italie. - Richtlijn 79/409/EEG van de Raad inzake het behoud van de vogelstand - Jacht - Voorwaarden voor uitoefening van afwijkingsbevoegdheid van Lid-Staten. - Zaak C-118/94.
Jurisprudentie 1996 bladzijde I-01223
I - Inleiding
1 Kan een Lid-Staat zich op artikel 9 van de richtlijn inzake het behoud van de vogelstand(1) beroepen om te rechtvaardigen dat hij bij nationale wet aan regionale of provinciale autoriteiten de bevoegdheid delegeert om de jacht toe te staan op vogelsoorten die niet zijn genoemd in de bijlage bij de richtlijn waarin de jacht wordt toegestaan, ook al verplicht deze wet die autoriteiten, zowel de richtlijn als de nationale wettelijke bepalingen in acht te nemen? Dit is de complexe juridische achtergrond van de onderhavige zaak, die aan het Hof is voorgelegd via een vraag van een Italiaanse rechter over de omvang van de verplichtingen die voor de Lid-Staten voortvloeien uit het feit dat zij moeten verzekeren, dat wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder bij wijze van uitzondering afwijkingen mogelijk zijn ingevolge artikel 9 van de richtlijn.
II - De feiten en het procesverloop
2 Op 21 juli 1992 stelde de Giunta Regionale del Veneto (het gewest Veneto) bij besluit nr. 4209 de jachtkalender voor het seizoen 1992/1993 vast. De Associazione Italiana per il World Wild Life Fund (hierna: "WWF Italiana") en een aantal andere organisaties verzochten om nietigverklaring van dit besluit, onder meer op grond dat de kalender de jacht toestond op bepaalde soorten wilde vogels die niet in de desbetreffende bijlage bij de richtlijn werden genoemd, en op grond dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor de ingevolge artikel 9 van de richtlijn toegelaten delegatie.
3 Het Tribunale amministrativo regionale per il Veneto, Sezione II, heeft het Hof de volgende vraag gesteld:
"Vloeit uit artikel 9 van richtlijn 79/409/EEG voor de Italiaanse Staat de verplichting voort, in een bijzondere bepaling of maatregel (naar gelang de tenuitvoerlegging via wet dan wel administratieve maatregel geschiedt) de afzonderlijke elementen te vermelden die de afwijking rechtvaardigen, zoals die in voormelde richtlijn zijn opgesomd?"
III - De relevante bepalingen van Italiaans recht
4 Artikel 1, lid 1, van wet nr. 157 van 11 februari 1992 inzake de bescherming van warmbloedige wilde fauna en de jacht(2) (hierna: "wet nr. 157") verklaart, dat de wilde fauna het onvervreemdbare erfgoed van de staat is en wordt beschermd in het belang van de nationale en internationale gemeenschap. Jachtactiviteiten zijn toegestaan voor zover zij niet strijdig zijn met de vereisten van het behoud van de wilde fauna en geen schade toebrengen aan de landbouw (artikel 1, lid 2). Ingevolge artikel 1, lid 3, stellen gewone gewesten (regioni a statuto ordinario) "regelingen vast voor het beheer en de bescherming van alle soorten wilde fauna overeenkomstig deze wet, internationale overeenkomsten en richtlijnen van de Gemeenschap", terwijl bijzondere gewesten (regioni a statuto speciale) en autonome provincies zulks doen "binnen de grenzen van hun exclusieve bevoegdheden zoals vastgesteld door hun respectieve statuten".
5 Artikel 1, lid 4, van de wet luidt, voor zover hier van belang:
"Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979, richtlijn 85/41/EEG van de Commissie van 25 juli 1985 en richtlijn 91/244/EEG van de Commissie van 6 maart 1991 inzake het behoud van de vogelstand, met de desbetreffende bijlagen, worden in hun geheel in nationaal recht omgezet en ten uitvoer gelegd op de wijze en binnen de termijnen die door deze wet worden voorgeschreven."
Deze bepaling beoogt voorts de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs van 18 oktober 1950 (uitgevoerd bij wet nr. 812 van 24 november 1978) en de Overeenkomst van Bern van 19 september 1979 (uitgevoerd bij wet nr. 503 van 5 augustus 1981).
6 Artikel 18, lid 1, van de wet noemt de soorten waarop mag worden gejaagd en stelt de data van de jachtseizoenen voor de verschillende soorten vast: ingevolge artikel 18, lid 2, kunnen de gewesten evenwel na overleg met het Nationaal instituut voor de wilde fauna (hierna: "INFS"), rekening houdend met de toestand van het milieu ter plaatse, wijzigingen van de data van het jachtseizoen voor bepaalde soorten toestaan, maar zij moeten daarbij de maximale duur van het in het vorige lid vastgestelde seizoen eerbiedigen. Nieuwe lijsten van soorten waarop mag worden gejaagd, moeten worden vastgesteld binnen 60 dagen na de vaststelling van de communautaire regeling of de inwerkingtreding van internationale overeenkomsten, bij presidentieel decreet op voorstel van de minister voor Land- en Bosbouw in samenwerking met de minister van Milieubeheer; de lijst van soorten waarop mag worden gejaagd, kan worden gewijzigd overeenkomstig de geldende gemeenschapsrichtlijnen (artikel 18, lid 3). Ingevolge artikel 18, lid 4, moeten de gewesten na overleg met het INFS de regionale jachtkalender en de regelingen betreffende het gehele jachtseizoen uiterlijk op 15 juni bekend maken, benevens het maximumaantal vogels dat tijdens het jachtseizoen per dag mag worden gedood.
7 Artikel 18, lid 1, van de wet noemt een aantal wilde-vogelsoorten die niet voorkomen op de lijst van vogelsoorten waarop overeenkomstig de richtlijn mag worden gejaagd. De lijst van die soorten is opgenomen in circulaire nr. 3 van het Ministerie van Landbouw van 29 januari 1993(3), die bepaalt, dat deze soorten slechts mogen worden bejaagd indien strikt de hand wordt gehouden aan de in de richtlijn gestelde voorwaarden en criteria, en dat de gewesten en autonome provincies alleen onder deze voorwaarden afwijkingen mogen toestaan.
IV - Richtlijn 79/409/EEG
8 De richtlijn gaat ervan uit, dat bepaalde natuurlijk in het wild levend op het Europese grondgebied van de Lid-Staten voorkomende vogelsoorten(4) waarop het Verdrag van toepassing is, een achteruitgang van hun populatie vertonen, hetgeen "een ernstige bedreiging vormt voor het behoud van het natuurlijk milieu, met name wegens het biologisch evenwicht dat hierdoor wordt bedreigd" (tweede overweging van de considerans). De doeltreffende bescherming van de vogels wordt gezien als "een typisch grensoverschrijdend milieuvraagstuk (...) dat een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid impliceert" (derde overweging). Het doel van deze instandhouding is "de bescherming op lange termijn en het beheer van de natuurlijke bronnen als integrerend deel van het erfgoed van de Europese volkeren" en "het behoud en de aanpassing van het natuurlijke evenwicht van de soorten binnen de grenzen van hetgeen redelijkerwijze mogelijk is" (achtste overweging).
9 De richtlijn legt een aantal algemene verplichtingen op inzake het behoud van de populatie van beschermde soorten, en voor de bescherming, de instandhouding en het herstel van hun leefgebieden (artikelen 2 en 3). De daarna volgende bepalingen bevatten nadere verplichtingen inzake de bescherming van bedreigde soorten en trekvogelsoorten (artikel 4) en de bescherming van wilde vogels en hun eieren in het algemeen, waaronder een verbod op de verhandeling van wilde vogels en beperkingen van de jacht op vogels van beschermde soorten (artikelen 5 tot en met 8). Ingevolge de artikelen 5 en 7 kunnen de Lid-Staten de jacht toestaan op bepaalde in bijlage II bij de richtlijn vermelde wilde-vogelsoorten waarvan de bescherming "vanwege hun populatieniveau, hun geografische verspreiding en de omvang van hun voortplanting in de hele Gemeenschap" daardoor niet in gevaar wordt gebracht (artikel 7, lid 1); er mag niet worden gejaagd zolang de jonge vogels het nest nog niet hebben verlaten of gedurende de verschillende fasen van de broedperiode. Op trekvogels mag niet worden gejaagd tijdens de broedperiode noch tijdens de trek naar de nestplaatsen.
10 Ingevolge artikel 9, lid 1, van de richtlijn mogen de Lid-Staten om onderstaande redenen afwijken van de in artikel 7 neergelegde beperkingen van de jacht:
"indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat (...)
a) - in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid, - in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer,
- ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren,
- ter bescherming van flora en fauna;
b) voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs, het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doeleinden samenhangende teelt;
c) ten einde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan".
11 Artikel 9, lid 2, bepaalt:
"In de afwijkende bepalingen moet worden vermeld:
- voor welke soorten mag worden afgeweken,
- welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan,
- onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen,
- welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen,
- welke controles zullen worden uitgevoerd."
Ingevolge artikel 9, lid 3, zenden de Lid-Staten de Commissie jaarlijks een verslag toe over de toepassing van dit artikel. Zij "zal er voortdurend op toezien, dat de gevolgen van deze afwijkende maatregelen niet onverenigbaar zijn met deze richtlijn" en "neemt in dat verband de nodige initiatieven" (artikel 9, lid 4).
V - Opmerkingen van partijen
12 Overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door WWF Italiana, de Federazione Italiana della Caccia (Italiaanse jachtvereniging), interveniënte in het hoofdgeding, en de Commissie. Het Hof beschikt derhalve niet over opmerkingen van de Italiaanse regering of een andere Italiaanse overheidsinstantie, ook niet die van verweerder in het voor de Italiaanse rechter aanhangig geding tot nietigverklaring. De ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt.
13 Volgens WWF Italiana moet het Hof artikel 18 van wet nr. 157 onverenigbaar met de richtlijn verklaren, hetzij omdat daarin het bejagen van niet in de bijlagen bij de richtlijn vermelde soorten wordt toegestaan, hetzij, gelijk de verwijzende rechter voorstelt, wegens het ontbreken van procedureregels die de inachtneming van de in artikel 9 neergelegde voorwaarden moeten verzekeren. Volgens WWF Italiana beweert de Italiaanse Staat weliswaar dat de richtlijn is omgezet overeenkomstig het bepaalde in wet nr. 157, maar waarborgt hij niet dat de in de richtlijn neergelegde verboden en verplichtingen zullen worden geëerbiedigd. Nu artikel 18 van deze wet heet te zijn aangenomen in overeenstemming met artikel 9 van de richtlijn, kunnen in feite alle in artikel 18, lid 1, vermelde soorten worden bejaagd, hetgeen rechtstreeks in strijd is met de richtlijn.
14 Volgens WWF Italiana werpt de verwijzingsbeschikking twee onderscheiden problemen op, namelijk dat de Italiaanse bepalingen niet voorzien in een specifieke procedure voor het toestaan van afwijkingen en dat de bevoegdheid om dergelijke afwijkingen toe te staan, aan regionale autoriteiten wordt verleend. Door een stilzwijgende afwijking toe te staan, verzekert artikel 18 niet op voldoende duidelijke en precieze wijze de volledige uitvoering van de richtlijn, zoals in de rechtspraak van het Hof wordt verlangd(5); de in dit artikel getroffen afwijkingsregeling geldt niet voor specifieke situaties en voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 9 van de richtlijn. Evenmin, zo wordt betoogd, is het zo dat artikel 18 van wet nr. 157 een lijst bevat van wilde vogels die "theoretisch" mogen worden bejaagd en dat de regionale autoriteiten dienen te verzekeren dat aan de voorwaarden voor toepassing van de afwijkingen wordt voldaan; de verlening van regelgevende bevoegdheden aan gewestelijke autoriteiten rechtvaardigt niet de nationale wettelijke regeling die de in een richtlijn gestelde verplichtingen niet in acht neemt.(6) Evenzo zijn eenvoudige administratieve praktijken niet te beschouwen als een voldoende uitvoering van de ingevolge een richtlijn op de Lid-Staten rustende verplichtingen(7); in al deze gevallen heeft de Lid-Staat in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel gehandeld. WWF Italiana concludeert, dat de betrokken Italiaanse wettelijke bepalingen in strijd zijn met de richtlijn, doordat zij de jacht op niet in bijlage II opgenomen vogelsoorten toestaan en doordat zij de methoden, procedures, controles of beperkingen aan de hand waarvan de voor het reguleren van de jacht verantwoordelijke autoriteiten overeenkomstig artikel 9 van de richtlijn het doden van beschermde soorten mogen toestaan, niet in nationaal recht hebben omgezet.
15 De Federazione Italiana della Caccia (hierna: "Federcaccia") stelt zich op het standpunt, dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is, op grond dat de door de verwijzende rechter opgeworpen vraag veeleer betrekking heeft op de verenigbaarheid van de betrokken Italiaanse bepalingen met artikel 9 van de richtlijn dan op de uitlegging van de draagwijdte van die bepaling.
16 Ofschoon volgens de richtlijn enkel de in bijlage II vermelde soorten mogen worden bejaagd, is zij volgens Federcaccia niet zo strikt, dat geen enkele afwijking is toegestaan; zo staat artikel 9, lid 1, sub c, de vangst van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden "selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden" toe, waarbij bijzonder belang wordt gehecht aan plaatselijke gebruiken en behoeften. Federcaccia erkent, dat noch in artikel 1, noch in artikel 18 van wet nr. 157 de voorwaarden worden vermeld waaronder overeenkomstig de richtlijn afwijkingen kunnen worden toegestaan, hetgeen zij aanmerkt als een leemte die tot moeilijkheden bij de uitvoering van deze bepalingen kan leiden. Ingevolge artikel 189 van het Verdrag zijn de Lid-Staten evenwel vrij om de middelen te kiezen waarmee zij de doelstellingen van de richtlijn bereiken; wet nr. 157 is "niet ongevoelig" voor de noodzaak van het behoud van de vogelstand, die de Raad tot de vaststelling van de richtlijn heeft gebracht, en voorziet in een dynamisch stelsel van toezicht op de voorschriften ervan, zoals blijkt uit het decreet van 22 november 1993(8), waarbij twee soorten zijn afgevoerd van de lijst van vogels waarop mag worden gejaagd.
17 Federcaccia merkt voorts op, dat wet nr. 157 behalve de richtlijn ook de Overeenkomsten van Parijs en van Bern uitvoert en dat laatstgenoemde overeenkomst regels bevat die gelijksoortig, en in sommige gevallen identiek, zijn aan de communautaire maatregel. De Overeenkomst van Bern staat toe - althans, zij verbiedt niet, hetgeen op hetzelfde neerkomt - de jacht op negen van de twaalf van bijlage II van de richtlijn uitgesloten soorten, die wel mogen worden bejaagd ingevolge wet nr. 157; de Gemeenschap is tot deze overeenkomst toegetreden bij "besluit nr. 82 van 3 december 1981"(9), waardoor zij stilzwijgend, maar veelbetekenend, heeft ingestemd met lijsten van te bejagen wilde-vogelsoorten welke verschillen van de lijsten in bijlagen II/1 en II/2 bij de richtlijn. Door deze twee supranationale instrumenten om te zetten en uit te voeren, heeft de Italiaanse Staat derhalve vrijwel geheel voldaan aan de ingevolge het gemeenschapsrecht en het internationale recht op hem rustende verplichtingen.
18 Volgens Federcaccia volgt daaruit, dat de in casu door de nationale rechter gestelde vraag, of het onontbeerlijk is dat de in artikel 9, lid 2, van de richtlijn neergelegde elementen in een uitdrukkelijke bepaling worden genoemd, veeleer betrekking heeft op de verenigbaarheid van de wet waarbij de richtlijn in nationaal recht is omgezet, dan op de uitlegging van de richtlijn zelf. Een dergelijke vraag kan enkel worden opgeworpen in een procedure ingevolge artikel 169 van het Verdrag en niet in een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 177. Hoe dan ook is het bepaalde in artikel 9 dermate duidelijk, dat de nationale rechter van oordeel is, dat dit artikel rechtstreekse werking heeft, en er kan dan ook geen vraag van uitlegging rijzen; de rechter verklaart zelf, dat de wettigheid van de kalender enkel en alleen afhangt van artikel 18 van wet nr. 157.
19 De Commissie, die met betrekking tot wet nr. 157 tegen de Italiaanse Staat de procedure van artikel 169 van het Verdrag heeft ingeleid, werpt bedenkingen op tegen enkele van de uitgangspunten van de nationale rechter in de verwijzingsbeschikking, te weten de rechtsgevolgen van een in nationaal recht omgezette richtlijn(10), de bevoegdheid van de nationale rechter om een met het gemeenschapsrecht strijdige bepaling van nationaal recht buiten toepassing te laten(11), en de verplichting van de Lid-Staten om ook bepalingen van een richtlijn die duidelijk, nauwkeurig bepaald en onvoorwaardelijk zijn, in nationaal recht om te zetten.(12) Volgens de Commissie kan het Hof de gestelde vragen evenwel beantwoorden zonder in te gaan op de onjuiste stellingen van de nationale rechter.
20 Met betrekking tot de prejudiciële vraag verwijst de Commissie naar de vaste rechtspraak van het Hof inzake de vereisten voor de omzetting van een richtlijn in nationaal recht.(13) Nationale maatregelen waarbij van het recht op afwijking gebruik wordt gemaakt, moeten er blijk van geven dat aan alle in artikel 9, leden 1 en 2, gestelde voorwaarden is voldaan; louter administratieve maatregelen zijn voor een correcte omzetting van deze bepalingen niet voldoende. Voorts bestaat er nog een stilzwijgende voorwaarde, die de uitdrukkelijk uit de rechtspraak van het Hof voortvloeiende voorwaarden logisch aanvult, namelijk dat elke afwijking beperkt moet zijn in de tijd. Ten slotte eist artikel 9 dat de Lid-Staten de bevoegdheid tot afwijking enkel dan aan plaatselijke autoriteiten delegeren, indien de bevoegdheden van deze autoriteiten naar behoren zijn vastgelegd en indien alle in de richtlijn gestelde materiële en formele voorwaarden uitdrukkelijk worden genoemd.
VI - Onderzoek van de aan het Hof gestelde vraag i) De bevoegdheid van het Hof van Justitie
21 Federcaccia betwist wat zij aanmerkt als de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing van de nationale rechter aan het Hof, op grond dat de door de Italiaanse rechter gestelde vraag niet de draagwijdte van artikel 9 van de richtlijn betreft, maar de verenigbaarheid van de uitvoeringsbepalingen met de richtlijn, en de nationale rechter niet de uitlegging van artikel 9 behoefde om de in het hoofdgeding aanhangige geschilpunten op te lossen. Ter terechtzitting heeft Federcaccia zich tevens beroepen op het arrest van het Hof van 15 juni 1995 in de zaak Zabala Erasun e.a.(14)
22 De door Federcaccia opgeworpen bezwaren betreffen niet zozeer de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing, als wel de bevoegdheid van het Hof. Om te beginnen moet men zich evenwel afvragen, of Federcaccia de bevoegdheid van het Hof dan wel de ontvankelijkheid van de door de nationale rechter gestelde vraag wel kán aanvechten. Aangezien volgens vaste rechtspraak "de bevoegdheid om de aan het Hof voor te leggen vragen vast te stellen alleen aan de nationale rechter toekomt, [kunnen] partijen de inhoud daarvan niet wijzigen, noch ook vorderen dat zij geacht zullen worden zonder voorwerp te zijn geraakt; (...) artikel 177 vestig[t] een niet-contentieuze procedure, waaraan ieder initiatief van partijen vreemd is en in de loop waarvan laatstgenoemden slechts worden uitgenodigd om te worden gehoord".(15) De partijen in het hoofdgeding kunnen derhalve de bevoegdheid van het Hof om een prejudiciële beslissing te geven, noch de ontvankelijkheid van het verzoek om een dergelijke beslissing aanvechten.(16)
23 Het is in ieder geval niet zo, dat de nationale rechter het Hof heeft verzocht zich uit te spreken over de verenigbaarheid van de relevante nationale bepalingen met de richtlijn. Zowel uit de bewoordingen als uit de teneur van de vraag blijkt, dat de nationale rechter de uitlegging beoogt te verkrijgen van artikel 9 van de richtlijn, in omstandigheden waarin "duidelijk blijkt" dat de uitlegging van de relevante bepalingen van gemeenschapsrecht "verband houdt met een reëel geschil [en] met het voorwerp van het hoofdgeding".(17) In casu is het mogelijk, dat de nationale rechter de uitlegging van de richtlijn noodzakelijk acht voor de uitlegging van de bepalingen van wet nr. 157 die daarnaar uitdrukkelijk verwijzen, of om de verenigbaarheid van deze wet met de richtlijn te beoordelen; hoe dan ook moet de nationale rechter wet nr. 157 uitleggen in het licht van de richtlijn waarvan deze wet de uitvoering heet te zijn.(18) Het Hof kan zich in de context van de onderhavige procedure weliswaar niet uitspreken over de verenigbaarheid van nationale bepalingen met het gemeenschapsrecht, maar het kan de nationale rechter "de uitleggingsgegevens verschaffen die hem in staat zullen stellen de voor hem opgeworpen rechtsvraag op te lossen".(19)
24 Voorts staat het niet aan het Hof, het belang te beoordelen van de vragen die ter oplossing van het bij de nationale rechter aanhangige geschil zijn gesteld(20); volgens vaste rechtspraak is het "uitsluitend een zaak (...) van de nationale rechter (...) om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, te oordelen over de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis alsmede over de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt".(21)
25 De verwijzing van Federcaccia naar het arrest Zabala Erasun is evenmin op haar plaats. Weliswaar kan het Hof, ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid, zo nodig een onderzoek instellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is geadieerd, maar het dossier in de onderhavige zaak bevat generlei aanwijzing, dat de zaak niet langer bij de nationale rechter aanhangig is of dat het oordeel van het Hof voor de werkelijke beslechting van het voorgelegde geschil niet noodzakelijk is.(22) Mijns inziens is het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing derhalve ontvankelijk en is het Hof bevoegd de gevraagde uitspraak te doen.
ii) De verplichtingen van de Lid-Staten ingevolge de richtlijn
26 De nationale rechter heeft in casu de vraag opgeworpen, in hoeverre de Lid-Staten de redenen dienen te vermelden die rechtvaardigen dat zij van de bij artikel 9 geboden mogelijkheid tot afwijking gebruik maken. Hoewel de kernvraag in het bij hem aanhangig geding inhoudt, of de jachtkalender van de Giunta Regionale van het gewest Veneto in overeenstemming is met de richtlijn, kan volgens de nationale rechter de geldigheid van de kalender alleen worden beoordeeld aan de hand van de uitvoeringsmaatregel, wet nr. 157; hij wenst dan ook te zien vastgesteld, of de richtlijn bij wet nr. 157 naar behoren is omgezet. Voor een passend antwoord aan de verwijzende rechter moet nader worden onderzocht, hoe ver de verplichtingen van de Lid-Staten ingevolge de richtlijn in verband met de jacht op wilde vogels gaan, en kan niet worden volstaan met een onderzoek naar de motiveringsplicht. Aan de hand van deze uitleggingsgegevens zal de nationale rechter kunnen bepalen of, en zo ja, in hoeverre artikel 9 van de richtlijn van belang is voor de vraag of de in geding zijnde jachtkalender geldig is.
27 Gezien het scala van in de verwijzingsbeschikking en door partijen naar voren gebrachte argumenten is het wellicht zinvol, te herinneren aan de rechtspraak van het Hof betreffende het algemene probleem van de omzetting van richtlijnen. Deze vraag is voor het Hof reeds enkele malen aan de orde gesteld, in de context van door de Commissie ingestelde beroepen wegens niet-nakoming. Het oordeel van het Hof dienaangaande in de eerste twee zaken waarin dit probleem aan de orde kwam, verdient in extenso te worden aangehaald:
"Met betrekking tot de omzetting van de richtlijn in nationaal recht moet worden opgemerkt, dat zulks niet noodzakelijkerwijs vereist dat de bepalingen van de richtlijn formeel en letterlijk worden overgenomen in een uitdrukkelijke en specifieke wetsbepaling, doch dat een algemene juridische context kan volstaan wanneer deze daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende bepaalde en duidelijke wijze verzekert (zie het arrest van 23 mei 1985, zaak 29/84, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1985, blz. 1667). De nauwkeurigheid van de omzetting is evenwel van bijzonder belang in een geval als het onderhavige, waar het beheer van het gemeenschappelijk patrimonium wordt toevertrouwd aan de Lid-Staten voor hun respectieve grondgebied."(23)
28 Het Hof overwoog, dat "de nationale wettelijke regeling dient te waarborgen dat op de vogelsoorten die niet in bijlage II worden genoemd, niet mag worden gejaagd" en dat een nationale wettelijke regeling die niet uitsluit dat op andere dan de in bijlage II bij de richtlijn vermelde soorten kan worden gejaagd, "een dubbelzinnige rechtstoestand" creëert, die onverenigbaar is met de verplichtingen van de Lid-Staten ingevolge de richtlijn.(24) Bovendien "volgt uit de algemene beschermingsregeling van de richtlijn (...) dat de nationale wetgeving de lijst van jaagbare vogelsoorten van bijlage II niet mag uitbreiden".(25)
29 Deze rechtspraak en de bewoordingen van artikel 9 onderstrepen het zeer uitzonderlijk karakter van de mogelijkheid die deze bepaling biedt om af te wijken van het in artikel 5 vervatte verbod om beschermde vogels te doden en van de in artikel 7 aan de jacht gestelde beperkingen. Artikel 7 vormt een permanente afwijking die de jacht op de aldaar genoemde soorten toestaat, onder voorwaarden die met name betrekking hebben op de instandhouding van hun populatieniveau en de bescherming in bijzonder precaire perioden van het jaar. De jacht op andere wilde-vogelsoorten kan overeenkomstig artikel 9, gelijk het Hof met stelligheid heeft verklaard, slechts gerechtvaardigd zijn, indien is voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
"de Lid-Staat moet de afwijking beperken tot gevallen waarin er geen andere bevredigende oplossing bestaat; de afwijking moet berusten op ten minste één van de in artikel 9, lid 1, sub a, b en c, limitatief opgesomde redenen; de afwijking moet voldoen aan de in artikel 9, lid 2, nauwkeurig omschreven vormvoorwaarden, die tot doel hebben de afwijkingen tot het strikt noodzakelijke te beperken en de controle ervan door de Commissie mogelijk te maken. [De mogelijkheid van afwijking] moet (...) een concrete en gerichte toepassing vinden, teneinde tegemoet te komen aan nauwkeurige eisen en specifieke situaties."(26)
30 De in artikel 9 gestelde voorwaarden zijn duidelijk cumulatief, en aangezien het artikel zelf een afwijking is van de verboden van de artikelen 5 tot en met 8, moeten zij eng worden uitgelegd. Het bestaan van een andere bevredigende oplossing voor het probleem van de veiligheid van het luchtverkeer of de bescherming van gewassen, dat anders een beroep op artikel 9 zou kunnen rechtvaardigen, sluit uit, dat op grond van deze bepaling van het verbod wordt afgeweken; ook het jagen voor recreatiedoeleinden is verboden, daar dit niet een van de gronden is waarop een Lid-Staat van deze verbodsbepalingen mag afwijken. Voorts impliceert de in de vorige alinea aangehaalde analyse van deze bepaling door het Hof, dat de leden 1 en 2 van artikel 9 in hun onderlinge samenhang moeten worden gelezen; de in lid 2 gestelde formele voorwaarden hebben tot doel, een streng toezicht op de naleving van de in lid 1 gestelde voorwaarden mogelijk te maken. Tevens is het Hof blijkens de aangehaalde rechtspraak weliswaar bereid, de mogelijkheid te overwegen dat een nationale wettelijke bepaling door artikel 9 wordt gerechtvaardigd, maar in een niet-nakomingsprocedure is het aan de Lid-Staat, aan te tonen dat aan de voorwaarden om aldus te mogen afwijken, is voldaan.(27)
31 De vereisten van de richtlijn met betrekking tot de omzetting van artikel 9 in nationaal recht zijn verfijnd in een aantal latere arresten, waarin Lid-Staten zich over het algemeen, in de meeste gevallen vruchteloos, op deze bepaling beriepen ter rechtvaardiging van nationale bepalingen die op het eerste gezicht strijdig waren met de richtlijn. In het arrest Commissie/Duitsland boog het Hof zich over nationale bepalingen waarbij werd afgeweken van het verbod op onder meer het doden en vangen van beschermde vogels en het vernielen van hun nesten en eieren, wanneer deze handelingen werden verricht "in het kader van een normaal gebruik van de bodem voor landbouw-, bosbouw- of visserijdoeleinden" of "bij verwerking van de daardoor verkregen produkten"; het Hof verklaarde dat deze afwijkingen niet voldeden "aan de vereisten van artikel 9 van de richtlijn, daar [dergelijke] activiteiten niet onder een van de in artikel 9 van de richtlijn genoemde gronden kunnen worden gebracht".(28) Ook in het arrest Commissie/Nederland achtte het Hof nationale bepalingen op grond waarvan het de eigenaren of gebruikers van gronden waar beschermde vogels schade dreigden toe te brengen of overlast te veroorzaken, was toegestaan deze vogels te doden of te vangen, niet in overeenstemming met artikel 9, lid 1, op grond dat "de tekst van [de nationale bepalingen] de afgifte van vergunningen niet afhankelijk stelt van de voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, zoals artikel 9, lid 1, van de richtlijn bepaalt".(29) In het arrest Commissie/Frankrijk verklaarde het Hof nationale bepalingen die de nesten en eieren van bepaalde soorten wilde vogels niet beschermden, met de richtlijn onverenigbaar; aangezien de in geding zijnde Franse bepalingen noch de redenen voor afwijking, noch de in artikel 9, lid 2, gestelde criteria en voorwaarden aangaven, vormden zij een schending van artikel 5 van de richtlijn.(30) Het Hof verklaarde, dat voor een correcte omzetting van de richtlijn in nationaal recht zowel de erin neergelegde verboden als de criteria waaraan de Lid-Staten moeten voldoen om van die verboden te mogen afwijken, in specifieke nationale bepalingen moeten zijn neergelegd.(31)
32 De vereisten voor de omzetting in nationaal recht staan er uiteraard niet aan in de weg, dat de Lid-Staten uitvoerende bevoegdheden delegeren aan regionale of provinciale autoriteiten. Volgens vaste rechtspraak "heeft iedere Lid-Staat de vrijheid de bevoegdheden intern naar eigen goeddunken te verdelen en richtlijnen via maatregelen van regionale of plaatselijke overheden ten uitvoer te leggen. Deze bevoegdheidsverdeling ontslaat hem echter niet van de verplichting ervoor te zorgen, dat de bepalingen van de richtlijn nauwkeurig in nationaal recht worden omgezet."(32) Onlangs beklemtoonde het Hof, dat "het betrokken nationale recht daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn door de nationale autoriteiten dient te verzekeren, dat de uit dit recht voortvloeiende rechtssituatie voldoende bepaald en duidelijk dient te zijn en dat de begunstigden in staat moeten zijn, kennis te krijgen van al hun rechten en deze zo nodig geldend te maken voor de nationale rechterlijke instanties".(33)
33 In het geval van wet nr. 157 lijken de gewesten en autonome provincies formeel weliswaar verplicht, de richtlijn overeenkomstig artikel 1, leden 3 en 4, te eerbiedigen, maar de bewoordingen van artikel 18, lid 1, van deze wet zouden deze autoriteiten hebben kunnen doen aannemen, dat de Italiaanse Staat met betrekking tot deze soorten en voor de aangegeven perioden reeds had vastgesteld, dat aan de voorwaarden van artikel 9 reeds was voldaan. In wezen wijst de enkele toevoeging, zonder enige uitdrukkelijke rechtvaardiging, van een aantal beschermde soorten aan de lijst waarop ingevolge artikel 7 en bijlage II bij de richtlijn mag worden gejaagd, erop, dat de stelling dat wet nr. 157 als een afwijking is te beschouwen, onjuist is. Zoals gezegd is de jacht op zich geen reden voor afwijking. Het zou wel erg eufemistisch zijn, te stellen dat dit leidt tot "een rechtstoestand die voor meer dan één uitleg vatbaar is", welke onverenigbaar is met de omzettingsvereisten van de richtlijn.
34 In het arrest Commissie/Italië(34) onderzocht het Hof de verenigbaarheid met de richtlijn van nationale bepalingen ingevolge welke de regionale overheid met de uitvoering van de richtlijn was belast. De Italiaanse wet nr. 968 uit 1977 verleende de gewesten de bevoegdheid, de vangst en de verkoop van trekvogels toe te staan voor gebruik als levende lokvogels of voor recreatiedoeleinden. Het Hof wees erop, dat het bezwaar van de Commissie "niet was gericht tegen de bevoegdheid van de gewesten op het stuk van de jacht of tegen de door hen vastgestelde wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen".(35) De Italiaanse regering kon zich evenwel niet op artikel 9 beroepen ter rechtvaardiging van de kennelijke schending van de verboden van artikel 5; aangezien het betrokken nationale voorschrift niet de criteria en voorwaarden bedoeld in artikel 9, lid 2, van de richtlijn vermeldde, en de gewesten evenmin verplichtte om deze criteria en voorwaarden in acht te nemen, "voert het een element van rechtsonzekerheid in met betrekking tot de verplichtingen waaraan de gewesten zich bij hun regelingen hebben te houden. Er is bijgevolg geen garantie dat de vangst van bepaalde vogelsoorten tot het strikte minimum beperkt blijft (...) en dat de middelen, installaties of methoden zich niet lenen voor massaal of niet-selectief vangen en niet tot de plaatselijke verdwijning van een vogelsoort kunnen leiden. De essentiële elementen van artikel 9 van de richtlijn zijn derhalve niet volledig, duidelijk en ondubbelzinnig in de Italiaanse regeling overgenomen."(36) In latere procedures betreffende dezelfde nationale wet verklaarde het Hof, dat "het in strijd [zou] zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, indien een Lid-Staat de regelgevende bevoegdheid van de gewestelijke autoriteiten zou kunnen inroepen om een nationale wettelijke regeling te rechtvaardigen die niet in overeenstemming is met de verbodsbepalingen uit een richtlijn".(37) De redenering in die zaak, die eveneens afwijkingen ten aanzien van de jacht in Italië betrof, is, toegepast op de onderhavige zaak, mijns inziens dwingend.
35 De gevolgen in het Italiaanse recht van de ministeriële circulaire van 29 januari 1993, die de gewesten en autonome provincies verplichtte, enkel in overeenstemming met de richtlijn afwijkingen toe te staan, staan in casu niet aan het Hof ter beoordeling. Er zij evenwel op gewezen, dat voor een behoorlijke omzetting van de voorwaarden en criteria van artikel 9 vereist is, dat uitvoeringsbepalingen uitdrukkelijk vermelden, dat voor een afwijking enkel plaats is "indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat", een essentiële conditio sine qua non, die in de circulaire niet wordt genoemd. Voorts is duidelijk, dat een administratieve praktijk van een Lid-Staat, die op zich in overeenstemming is met de richtlijn, niet volstaat voor een correcte uitvoering van de richtlijn(38); anderzijds aanvaardt het Hof wel, dat de nationale wettelijke bepalingen worden aangevuld met andere maatregelen, mits deze "een algemene strekking [hebben] en (...) voor particulieren rechten en verplichtingen [kunnen] doen ontstaan", en de nationale autoriteit die bevoegd is dergelijke maatregelen te treffen, de richtlijn inderdaad eerbiedigt.(39)
36 Mijns inziens volgt uit de opzet van de richtlijn, dat een Lid-Staat die verkiest, door middel van een bepaling van nationaal recht van de richtlijn af te wijken en de vaststelling van uitvoeringsmaatregelen aan gewestelijke of provinciale autoriteiten over te laten, niet bij wijze van uitzondering in afwijking van artikel 9 de jacht mag toestaan, als ware dit een integraal onderdeel van de bepalingen op grond waarvan ingevolge artikel 7 van de richtlijn het jagen is toegestaan. Zoals gezegd wordt in artikel 7 niet geëist, dat vooraf aan bepaalde voorwaarden is voldaan, en staat deze bepaling het jagen op de genoemde soorten toe onder bepaalde minimumvoorwaarden die de instandhouding van de populatie van die bepaalde soort verzekeren. De omvang van de jacht die is toegestaan onder dekking van een afwijking ingevolge artikel 9, hangt af van de redenen waarom de afwijking is toegestaan; het lijkt mij bij voorbeeld heel waarschijnlijk, dat de jacht die wordt gerechtvaardigd door de veiligheid van het luchtverkeer, geografisch meer beperkt wordt dan bij voorbeeld de jacht die ernstige schade aan gewassen en vee moet voorkomen. Elke nationale afwijking van artikel 9 moet beperkt blijven tot de omvang waarin die afwijking duidelijk noodzakelijk is.
37 Uit het bovenstaande volgt mijns inziens, dat artikel 9 van de richtlijn geen rechtvaardiging kan zijn voor nationale bepalingen waarbij de jacht op bepaalde vogelsoorten die niet voorkomen in de betrokken bijlagen bij de richtlijn, wordt toegestaan, tenzij die bepalingen duidelijke en objectieve criteria bevatten waaruit blijkt, dat aan de voorwaarden voor een afwijking van artikel 9 is voldaan, en deze de jacht in elk geval beperken tot het strikt noodzakelijke "teneinde tegemoet te komen aan nauwkeurige eisen en specifieke situaties", of voldoende duidelijk de verplichting van de gewestelijke autoriteiten om zich aan die voorwaarden te houden, aangeven.
38 Federcaccia heeft zich beroepen op de Overeenkomst van Bern van 3 december 1981 inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk milieu in Europa, namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 82/72/EEG van de Raad(40), en in het bijzonder op het feit dat deze overeenkomst geen bescherming verleent aan bepaalde vogelsoorten die ingevolge de richtlijn niet mogen worden bejaagd. In de eerste plaats ontheft het feit dat de overeenkomst niet geldt voor bepaalde bedreigde vogelsoorten, de Lid-Staten niet van hun verplichtingen ingevolge de richtlijn; het niet verbieden van de jacht op deze soorten staat niet gelijk aan het toestaan van de jacht daarop. Bovendien is in besluit 82/72/EEG van de Raad geen aanwijzing te vinden, dat de goedkeuring door de Gemeenschap van de overeenkomst hoe dan ook wijziging heeft gebracht in de verplichtingen van de Lid-Staten ingevolge de richtlijn, die in de considerans van het besluit wordt aangehaald. Ten slotte, gelijk de Commissie heeft opgemerkt, staat artikel 12 van de overeenkomst de overeenkomstsluitende partijen toe, strengere maatregelen te treffen dan in de overeenkomst zijn opgenomen; de richtlijn moet als zulk een maatregel worden aangemerkt.
39 Ter terechtzitting heeft Federcaccia zich erop beroepen, dat de Italiaanse regering de Commissie op 12 augustus 1992 in kennis had gesteld van de afwijkingen die zij op basis van artikel 9 van de richtlijn wilde toestaan; de kennisgeving van een afwijking betekent op zich evenwel niet, dat deze in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 9, leden 1 en 2. Volgens de Commissie heeft Italië artikel 18 van wet nr. 157 hoe dan ook niet genoemd als een afwijking, ingevolge artikel 9 toegestaan in haar verslag van oktober 1993 betreffende de uitvoering van de richtlijn.(41) Federcaccia heeft ook naar de ministeriële circulaire van 23 januari 1993 en naar de door het gewest Veneto op 9 december 1993 aangenomen wet nr. 50 verwezen, tot staving van haar stelling dat in de relevante Italiaanse teksten de criteria zijn neergelegd op basis waarvan de Lid-Staten van de verboden van de richtlijn mogen afwijken. Niet alleen is dit in tegenspraak met de stelling dat wet nr. 157 als zodanig de afwijking is, maar ook valt moeilijk in te zien hoe deze maatregelen van belang kunnen zijn voor de geldigheid van een besluit dat is vastgesteld op 21 juli 1992.
iii) De verplichtingen van de nationale rechter
40 Wanneer een nationale rechter zich gesteld ziet voor een kennelijke tegenstrijdigheid tussen een maatregel van nationaal recht of een administratieve handeling vastgesteld krachtens een nationale bepaling ter uitvoering van een gemeenschapsrichtlijn, en de bewoordingen van die richtlijn, betekent het bestaan van de nationale uitvoeringsbepalingen niet, dat hij de bepalingen van de richtlijn niet meer in aanmerking dient te nemen, zoals de nationale rechter in casu lijkt te menen. Ook moet de nationale rechter, indien hij niet in staat is te bepalen of zulk een nationale maatregel of administratieve handeling in essentie in overeenstemming is met de richtlijn, nagaan of die maatregel of handeling met de bewoordingen van de richtlijn in overeenstemming is. De rechter treft zelfs ingevolge de artikelen 5 en 189 van het Verdrag "alle algemene of bijzondere maatregelen (...) om de nakoming (...) te verzekeren" van de verplichting van de Lid-Staat om het door een bepaalde richtlijn beoogde resultaat te bereiken; hieruit "volgt, dat de nationale rechter bij de toepassing van nationaal recht, en met name van de bepalingen van een speciaal ter uitvoering van [de] richtlijn (...) vastgestelde wet, dit nationale recht moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn".(42) Dit geldt ook, indien de richtlijn de Lid-Staat de mogelijkheid geeft, af te wijken van haar bepalingen; in die omstandigheden behoort "de nationale rechter, voor wie de richtlijn wordt ingeroepen, wel (...) vast te stellen, of de omstreden nationale maatregel de beoordelingsruimte van de Lid-Staten overschrijdt en dus niet kan worden beschouwd als een rechtmatige afwijking".(43)
41 Het bestaan van een regel van Italiaans recht, waarnaar de nationale rechter verwijst, en die hem in de onderhavige procedure zou verhinderen de verenigbaarheid van wet nr. 157 met de richtlijn te onderzoeken, is door de Commissie in twijfel getrokken. Hoe dit ook zij, volgens vaste rechtspraak van het Hof is "onverenigbaar met de vereisten welke in de eigen aard van het gemeenschapsrecht besloten liggen, elke bepaling van een nationale rechtsorde of enige wetgevende, bestuurlijke of rechterlijke praktijk die ertoe zou leiden, dat aan de werking van het gemeenschapsrecht wordt afgedaan, doordat aan de rechter die dit gemeenschapsrecht heeft toe te passen, de bevoegdheid wordt ontzegd, daarbij terstond al het nodige te doen om toepassing te onthouden aan de nationale wettelijke bepalingen die (...) de volle werking van de gemeenschapsregels zouden kunnen verhinderen".(44) Mijns inziens volgt hieruit, dat de nationale rechter in casu, overeenkomstig de ingevolge het Verdrag op Italië rustende verplichtingen, niet alleen bevoegd maar zelfs verplicht is, na te gaan of de bij besluit nr. 4209 van de Giunta Regionale del Veneto vastgestelde jachtkalender in overeenstemming is met de beperkende voorwaarden van artikel 9 van de richtlijn, hetzij door uitlegging van de desbetreffende bepaling van wet nr. 157 overeenkomstig de richtlijn, hetzij door alle bepalingen van deze wet die in strijd zijn met de richtlijn, buiten toepassing te laten.
VII - Conclusie
42 Gezien het voorafgaande moet de vraag van het Tribunale amministrativo regionale per il Veneto, Sezione II, mijns inziens worden beantwoord als volgt:
"1) Artikel 9 van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, kan niet worden ingeroepen ter rechtvaardiging van bepalingen in een nationale wet, die aan gewestelijke of provinciale autoriteiten de bevoegdheid delegeren om de jacht toe te staan op vogelsoorten die niet voorkomen in de desbetreffende bijlagen bij de richtlijn, indien deze bepalingen geen duidelijke en objectieve criteria bevatten waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor een afwijking van dit artikel is voldaan, dan wel de jacht niet beperken tot hetgeen strikt noodzakelijk is, teneinde tegemoet te komen aan nauwkeurige eisen en specifieke situaties, of de verplichtingen van de gewestelijke autoriteiten om zich aan die voorwaarden te houden, niet met voldoende duidelijkheid aangeven.
2) Indien de nationale rechter niet in staat is te bepalen, of een administratieve handeling waarbij een kalender voor de jacht op wilde vogels wordt vastgesteld, in overeenstemming is met nationale bepalingen die uitvoering geven aan de richtlijn, moet hij nagaan of de administratieve handeling in wezen in overeenstemming is met de richtlijn."
(1) - Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB 1979, L 103, blz. 1; hierna: "richtlijn").
(2) - Gewoon supplement van de Gazzetta ufficiale della Reppubblica italiana (GURI) van 25.2.1992, nr. 46, blz. 3.
(3) - GURI nr. 38 van 16.2.1993, blz. 37.
(4) - Kortheidshalve, zij het minder juist, zal ik hierna spreken van "Europa" in plaats van het "Europese grondgebied van de Lid-Staten".
(5) - Arrest van 8 juli 1987, zaak 247/85, Commissie/België, Jurispr. 1987, blz. 3029.
(6) - Arrest van 17 januari 1991, zaak C-157/89, Commissie/Italië, Jurispr. 1991, blz. I-57.
(7) - Arrest van 15 maart 1990, zaak C-339/87, Commissie/Nederland, Jurispr. 1990, blz. I-851.
(8) - GURI nr. 76 van 1.4.1994, blz. 39.
(9) - Bedoeld is naar ik aanneem besluit 82/72/EEG van de Raad van 3 december 1981 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk milieu in Europa (PB 1982, L 38, blz. 1).
(10) - Onder verwijzing naar de arresten van 4 december 1974 (zaak 41/74, Van Duyn, Jurispr. 1974, blz. 1337), 28 oktober 1975 (zaak 36/75, Rutili, Jurispr. 1975, blz. 1219) en 22 juni 1989 (zaak 103/88, Fratelli Costanzo, Jurispr. 1989, blz. 1839).
(11) - Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 9 maart 1978 (zaak 106/77, Simmenthal, Jurispr. 1978, blz. 629) en uitspraak nr. 170 van de Italiaanse Corte costituzionale uit 1984 (Granital).
(12) - Onder verwijzing naar het arrest van 6 mei 1980 (zaak 102/79, Commissie/België, Jurispr. 1980, blz. 1473).
(13) - Arrest van 8 juli 1987, Commissie/België, aangehaald in voetnoot 5, r.o. 9; zie hierna, punt 27.
(14) - Gevoegde zaken C-422/93, C-423/93 en C-424/93, Jurispr. 1995, blz. I-1567.
(15) - Arrest van 9 december 1965, zaak 44/65, Hessische Knappschaft, Jurispr. 1965, blz. 1147.
(16) - Arrest van 19 januari 1994, zaak C-364/92, SAT Fluggesellschaft, Jurispr. 1994, blz. I-43, r.o. 8-14.
(17) - Arrest van 3 maart 1994, gevoegde zaken C-332/92, C-333/92 en C-335/92, Eurico Italia e.a., Jurispr. 1994, blz. I-711, r.o. 17.
(18) - Arrest van 10 april 1984, zaak 14/83, Von Colson en Kamann, Jurispr. 1984, blz. 1891, r.o. 26.
(19) - Zie bij voorbeeld arrest van 23 november 1989, zaak C-150/88, Parfümeriefabrik 4711, Jurispr. 1989, blz. I-3891, r.o. 12.
(20) - Arrest van 16 maart 1978, zaak 117/77, Algemeen Ziekenfonds Drenthe-Platteland, Jurispr. 1978, blz. 825, r.o. 6 en 7.
(21) - Arrest van 6 juli 1995, zaak C-62/93, BP Soupergaz, Jurispr. 1995, blz. I-1883, r.o. 10.
(22) - Arrest Zabala Erasun, reeds aangehaald in voetnoot 14, r.o. 17, 28 en 29.
(23) - Arrest van 8 juli 1987, zaak 262/85, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 3073, r.o. 9; zie ook het in voetnoot 5 aangehaalde arrest van 8 juli 1987, Commissie/België, r.o. 9.
(24) - Arrest van 8 juli 1987, Commissie/België, aangehaald in voetnoot 5, r.o. 14 en 16.
(25) - Arrest van 8 juli 1987, Commissie/Italië, aangehaald in voetnoot 23, r.o. 12.
(26) - Arrest van 8 juli 1987, Commissie/Italië, aangehaald in voetnoot 23, r.o. 7.
(27) - Zie bij voorbeeld de arresten van 8 juli 1987, Commissie/België, aangehaald in voetnoot 5, r.o. 34, en Commissie/Italië, aangehaald in voetnoot 23, r.o. 14.
(28) - Arrest van 17 september 1987, zaak 412/85, Jurispr. 1987, blz. 3503, r.o. 19.
(29) - Arrest van 13 oktober 1987, zaak 236/85, Jurispr. 1987, blz. 3989, r.o. 13.
(30) - Arrest van 27 april 1988, zaak 252/85, Jurispr. 1988, blz. 2243, r.o. 11.
(31) - Arrest Commissie/Frankrijk, aangehaald in voetnoot 30, r.o. 19, en arrest van 15 maart 1990, Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 7, r.o. 28.
(32) - Arrest van 14 januari 1988, gevoegde zaken 227/85, 228/85, 229/85 en 230/85, Commissie/België, Jurispr. 1988, blz. 1, r.o. 9.
(33) - Arrest van 23 maart 1995, zaak C-365/93, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1995, blz. I-499, r.o. 9.
(34) - Reeds aangehaald in voetnoot 23.
(35) - T.a.p., r.o. 33.
(36) - T.a.p., r.o. 39.
(37) - Arrest van 17 januari 1991, Commissie/Italië, aangehaald in voetnoot 6, r.o. 17.
(38) - Arrest van 13 oktober 1987, Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 29, r.o. 18.
(39) - Arrest van 15 maart 1990, Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 7, r.o. 7 en 8.
(40) - Aangehaald in voetnoot 9.
(41) - Wel werd kennis gegeven van afwijkingen ten aanzien van negen van de twaalf soorten genoemd in artikel 18, lid 1 [Tweede verslag over de uitvoering van richtlijn 79/409/EEG inzake het behoud van de vogelstand, COM(93) 572 def. van 24 november 1993, blz. 88].
(42) - Arrest Von Colson en Kamann, t.a.p., aangehaald in voetnoot 18.
(43) - Arrest van 1 februari 1977, zaak 51/76, Nederlandse Ondernemingen, Jurispr. 1977, blz. 113, r.o. 29.
(44) - Arrest van 19 juni 1991, zaak C-213/89, Factortame e.a., Jurispr. 1991, blz. I-2433, r.o. 20.