61993J0463

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 23 januari 1997. - Katholische Kirchengemeinde St. Martinus Elten tegen Landwirtschaftskammer Rheinland. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Verwaltungsgericht Düsseldorf - Duitsland. - Extra heffing op melk - Berekening van referentiehoeveelheid - Inaanmerkingneming van in andere Lid-Staat geproduceerde hoeveelheid. - Zaak C-463/93.

Jurisprudentie 1997 bladzijde I-00255


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelproducten - Extra heffing op melk - Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Bedrijf op eigen en gepachte percelen, deels gelegen op grondgebied van andere Lid-Staat dan die welke referentiehoeveelheid heeft toegekend - Koppeling van referentiehoeveelheid aan alle percelen

(Verordening nr. 857/84 van de Raad, art. 2, lid 1, en 12, sub c en d)

2 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelproducten - Extra heffing op melk - Regels betreffende overgang van referentiehoeveelheden na overdracht van eigendom of bezit - Werkingssfeer - Teruggave, aan eind van pacht, van bedrijf dat niet wordt voortgezet door vertrekkende pachter - Daaronder begrepen

(Verordening nr. 857/84 van de Raad, art. 7, lid 1; verordeningen van de Commissie nr. 1371/84, art. 5, sub 3, en nr. 1546/88, art. 7, eerste alinea, sub 3)

Samenvatting


3 In artikel 2, lid 1, juncto artikel 12, sub c en d, van verordening nr. 857/84 betreffende de toepassing van de extra heffing op melk is het beginsel neergelegd dat de referentiehoeveelheid wordt toegekend aan de percelen, voor zover zij wordt vastgesteld in verhouding tot het geheel van de op het geografische grondgebied van de Gemeenschap gelegen percelen die een producent gedurende het referentiejaar voor de melkproductie heeft geëxploiteerd. Immers, enerzijds is een landbouwexploitant die de geleverde hoeveelheid melk produceert op het geheel van zijn eigen en gepachte percelen en die hij zelf als eigenaar dan wel als pachter beheert in zijn hoedanigheid van eigenaar, respectievelijk pachter, een producent in de zin van artikel 12, sub c, van de verordening; anderzijds wordt ter zake van het in artikel 12, sub d, van dezelfde verordening bedoelde begrip bedrijf niet de voorwaarde gesteld, dat in geval van verpachting de betrokken productie-eenheden moeten zijn gelegen op het grondgebied van de Lid-Staat waar de melk wordt geleverd en die de referentiehoeveelheid heeft toegekend.

Daaruit volgt, dat de referentiehoeveelheid die in 1984 door een Lid-Staat aan een producent is toegekend in het kader van de regeling inzake de extra heffing op melk, gekoppeld is aan het geheel van de eigen of gepachte percelen die door de producent gedurende de referentieperiode worden beheerd met het oog op de melkproductie, zelfs wanneer een gedeelte van die percelen in een andere Lid-Staat is gelegen.

4 In het geval van een gepacht geheel van melkproductie-eenheden, dat een bedrijf in de zin van artikel 12, sub d, van verordening nr. 857/84 vormt, worden de vragen die de pacht en in het bijzonder de beëindiging van de pacht betreffen, geregeld door het nationale recht, doch de gemeenschapsregeling inzake de extra heffing op melk bepaalt, welke gevolgen deze beëindiging heeft voor de van de heffing vrijgestelde referentiehoeveelheden. Ter zake heeft de teruggave van een dergelijk geheel van productie-eenheden aan het einde van de pacht rechtsgevolgen die vergelijkbaar zijn, in de zin van artikel 5, sub 3, van verordening nr. 1371/84, thans artikel 7, eerste alinea, sub 3, van verordening nr. 1546/88, met die van de overdracht van een bedrijf bij het verlenen van de pacht.

Meer in het bijzonder keert de referentiehoeveelheid waarover de vertrekkende pachter beschikt, terug aan de verpachter, indien eerstgenoemde niet voornemens is de melkproductie voort te zetten.

Partijen


In zaak C-463/93,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Verwaltungsgericht Duesseldorf (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen

Katholische Kirchengemeinde St. Martinus Elten

en

Landwirtschaftskammer Rheinland, in aanwezigheid van: A. Derksen, J. Thyssen,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de regeling inzake de extra heffing op melk, zoals die is neergelegd in verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 10), in verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing (PB 1984, L 90, blz. 13), in de versie van verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 (PB 1985, L 68, blz. 1), alsmede in verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1988, L 139, blz. 12),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE

(Zesde kamer),

samengesteld als volgt: J. L. Murray, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, C. N. Kakouris, P. J. G. Kapteyn, G. Hirsch (rapporteur) en H. Ragnemalm, rechters,

advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer

griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- Katholische Kirchengemeinde St. Martinus Elten, vertegenwoordigd door J. Lukanow, advocaat te Euskirchen,

- A. Derksen, vertegenwoordigd door M. Duesing, advocaat te Muenster,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Schmidt, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Katholische Kirchengemeinde St. Martinus Elten, vertegenwoordigd door J. Lukanow, de Landwirtschaftskammer Rheinland, vertegenwoordigd door A. Hensen, Assessorin, A. Derksen, vertegenwoordigd door M. Duesing, en de Commissie, vertegenwoordigd door C. Schmidt, ter terechtzitting van 2 mei 1996,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 mei 1996,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 18 november 1993, ingekomen bij het Hof op 13 december daaraanvolgend, heeft het Verwaltungsgericht Duesseldorf het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de regeling inzake de extra heffing op melk, zoals die is neergelegd in verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (PB 1984, L 90, blz. 10), in verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing (PB 1984, L 90, blz. 13), in de versie van verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 (PB 1985, L 68, blz. 1), alsmede in verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1988, L 139, blz. 12).

2 Die vraag is gerezen in een geding, na de beëindiging van een pachtovereenkomst, tussen Katholische Kirchengemeinde St. Martinus Elten (hierna: "Kirchengemeinde"), een parochie, en de Landwirtschaftskammer Rheinland (hierna: "Landwirtschaftskammer") over de koppeling van een referentiehoeveelheid aan gepachte percelen die zowel in Duitsland als in Nederland zijn gelegen.

3 De Kirchengemeinde is naar eigen zeggen eigenaar van ongeveer 23,7 ha weiland. Het grootse gedeelte daarvan, 17,7 ha, is in Nederland gelegen, de rest in Duitsland. Alle weilanden zijn op lange termijn verpacht. De pachter, die zelf eigenaar is van een in Duitsland gelegen bedrijf van 1,07 ha, gebruikte dat land voor de productie van melk, die hij aan een Duitse melkfabriek leverde.

4 Om de productie van melk en zuivelproducten in de Gemeenschap te beperken, is bij verordening nr. 856/84 in verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1968, L 148, blz. 13), een artikel 5 quater ingevoegd, waarbij een extra heffing is ingesteld voor het geval de geproduceerde hoeveelheden melk een vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijden. Volgens formule A van die regeling, waarvoor de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden hebben gekozen, is de van de extra heffing vrijgestelde referentiehoeveelheid in beginsel gelijk aan de hoeveelheid melk die de producent gedurende het referentiejaar heeft geleverd. De Bondsrepubliek Duitsland heeft 1983 als referentiejaar gekozen.

5 Artikel 5 quater, lid 3, van verordening nr. 804/68 luidt als volgt: "De som van [deze] referentiehoeveelheden mag (...) niet meer bedragen dan een gegarandeerde totale hoeveelheid die gelijk is aan de som van de hoeveelheden melk die in de betrokken Lid-Staat in het kalenderjaar 1981 zijn geleverd aan bedrijven die melk of andere zuivelprodukten bewerken of verwerken, verhoogd met 1 %."

6 In 1984 kende de Landwirtschaftskammer de pachter een referentiehoeveelheid toe. Berekend op basis van zijn totale melkproductie tijdens het referentiejaar, bedroeg die hoeveelheid toentertijd 182 000 kg.

7 Na het overlijden van de pachter in 1989 is de referentiehoeveelheid, die na correctie is vastgesteld op 191 004 kg, eerst door de Landwirtschaftskammer overgedragen aan een vennootschap naar burgerlijk recht, die door de erfgename van de pachter en door A. Derksen, die in het geding is geroepen, was opgericht om hun referentiehoeveelheden gemeenschappelijk te exploiteren. Deze vennootschap werd naar aanleiding van de beëindiging van de pacht op 15 november 1990 ontbonden, en Derksen verwierf de percelen van de erfgenamen samen met de bijbehorende referentiehoeveelheden. Op zijn verzoek van 13 december 1990 werden aan Derksen vervolgens naast zijn eigen referentiehoeveelheden ook die van de erfgename overgedragen.

8 Op 5 december 1991 verzocht de Kirchengemeinde voor de in Nederland gelegen percelen om afgifte van een verklaring als bedoeld in § 9, lid 2, sub 3, van de Milch-Garantiemengen-Verordnung, dat bij de beëindiging van de pacht en na de overdracht van het gebruik van de in Nederland gelegen landbouwpercelen aan haar, de referentiehoeveelheden aan haar zouden worden toegekend.

9 De Landwirtschaftskammer wees dat verzoek af, op grond dat de koppeling van de referentiehoeveelheid aan de gebruikte percelen noodzakelijkerwijs beperkt is tot het nationale grondgebied, omdat aan elke Lid-Staat een gegarandeerde totale hoeveelheid wordt toegekend waarvan elke referentiehoeveelheid deel uitmaakt, zodat het niet mogelijk is een Duits melkquotum aan buiten Duitsland gelegen percelen te koppelen.

10 Daarop stelde de Kirchengemeinde beroep in bij het Verwaltungsgericht, dat in de verwijzingsbeschikking de wettigheid van de weigering van de Landwirtschaftskammer betwijfelt. Blijkens de verwijzingsbeschikking is het Verwaltungsgericht van oordeel, dat indien de betrokken oppervlakten niet in Nederland, maar in Duitsland hadden gelegen, de Landwirtschaftskammer een verklaring betreffende de overgang van een gedeelte van de referentiehoeveelheid, evenredig aan de tot de Kirchengemeinde behorende percelen, had moeten afgeven.

11 Derhalve heeft het Verwaltungsgericht Duesseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 177 van het Verdrag verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:

"Kon de referentiehoeveelheid voor melk die op 2 april 1984 is toegekend aan een Duitse melkproducent die een boerderij in Duitsland en daarnaast in Duitsland en in Nederland nog gepachte percelen exploiteert en die aan een Duitse koper levert, gedeeltelijk worden gekoppeld aan de percelen van deze melkproducent die hij in Nederland heeft gepacht, met als gevolg dat de desbetreffende referentiehoeveelheid na beëindiging van de pachtovereenkomst op de verpachter overgaat, of kon het aan de Duitse melkproducent toegekende quotum uitsluitend aan Duitse percelen worden gekoppeld?"

12 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen in de eerste plaats te vernemen, aan welke gedeelten van de gepachte percelen die voor de melkproductie worden gebruikt, een referentiehoeveelheid is gekoppeld, wanneer een gedeelte van die percelen in een andere Lid-Staat is gelegen. In de tweede plaats vraagt hij te preciseren, welke regeling op een dergelijke referentiehoeveelheid van toepassing is in geval van beëindiging van de pacht.

De koppeling van het melkquotum aan in een andere Lid-Staat gelegen percelen

13 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat deze vraag betrekking heeft op het beginsel dat de regeling inzake de melkquota beheerst, namelijk dat een referentiehoeveelheid op het ogenblik waarop zij wordt toegekend, wordt gekoppeld aan de percelen die de belanghebbende voor de melkproductie gebruikt. Volgens de verwijzende rechter is dat beginsel neergelegd in de gemeenschapsregeling betreffende de extra heffing.

14 Het beginsel van de koppeling van de referentiehoeveelheid aan de percelen vloeit voort uit artikel 2 van verordening nr. 857/84, gelezen in samenhang met artikel 12, sub c en d, van die verordening.

15 Voor formule A bepaalt artikel 2, lid 1, van verordening nr. 857/84: "De (...) referentiehoeveelheid is gelijk aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die door de producent tijdens het kalenderjaar 1981 is geleverd (...) verhoogd met 1 %."

16 Artikel 12, sub c, van verordening nr. 857/84 definieert een producent als "de landbouwexploitant, natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke of rechtspersonen, waarvan het bedrijf op het geografische grondgebied van de Gemeenschap is gevestigd". Artikel 12, sub d, van de verordening definieert de term "bedrijf" als "het geheel van produktie-eenheden die door de producent worden beheerd en die op het geografische grondgebied van de Gemeenschap zijn gevestigd".

17 Uit de definitie van het begrip "producent", en dus van "bedrijf", in artikel 12, sub c en d, van verordening nr. 857/84, blijkt, aldus het arrest van 9 juli 1992 (zaak C-236/90, Maier, Jurispr. 1992, blz. I-4483, r.o. 11), dat het begrip producent slechts betrekking heeft op een landbouwexploitant die met het oog op de melkproductie op eigen verantwoordelijkheid een geheel van productie-eenheden exploiteert.

18 In voormeld arrest Maier (r.o. 11 en 12) heeft het Hof erkend dat de pachter, anders dan de verpachter, de hoedanigheid van producent heeft, zodat hetzelfde moet gelden voor een landbouwexploitant die de geleverde hoeveelheid melk produceert op het geheel van zijn eigen en gepachte percelen en die hij zelf als eigenaar dan wel als pachter beheert.

19 Meer in het bijzonder met betrekking tot de voorwaarden waaraan het geheel van de door de producent beheerde productie-eenheden, namelijk de verschillende eigen en gepachte percelen, moet voldoen, stellen de Landwirtschaftskammer (in haar mondelinge opmerkingen) en Derksen, dat de referentiehoeveelheid enkel kan worden gekoppeld aan de percelen die zijn gelegen in de Lid-Staat die de referentiehoeveelheid heeft toegekend. Deze restrictie volgens welke de referentiehoeveelheid alleen kan worden gekoppeld aan de percelen die zijn gelegen in de Lid-Staat die het melkquotum heeft toegekend, is volgens hen noodzakelijk om de stabiliteit van de aan elke Lid-Staat toegekende gegarandeerde totale hoeveelheid te verzekeren. De Kirchengemeinde en de Commissie wijzen daarentegen elk territorialiteitsbeginsel bij de toekenning van het melkquota af.

20 Deze laatste stelling moet worden aanvaard.

21 Uit het arrest van 13 juli 1989 (zaak 5/88, Wachauf, Jurispr. 1989, blz. 2609, r.o. 9) blijkt immers, dat artikel 12, sub d, van verordening nr. 857/84 betrekking heeft op elk geheel van productie-eenheden die aan twee voorwaarden voldoen, namelijk dat zij worden beheerd door een producent, dat wil zeggen door iemand die melk of andere zuivelproducten rechtstreeks aan de consument verkoopt of aan de koper levert (artikel 12, sub c, van verordening nr. 857/84), alsmede dat zij op het geografische grondgebied van de Gemeenschap zijn gevestigd.

22 Ter zake van het begrip bedrijf wordt dus niet de voorwaarde gesteld, dat in geval van verpachting de betrokken productie-eenheden moeten zijn gelegen op het grondgebied van de Lid-Staat waar de melk wordt geleverd en die de referentiehoeveelheid heeft toegekend. De regeling inzake de referentiehoeveelheden staat bijgevolg niet eraan in de weg, dat een gedeelte van de productie-eenheden gelegen is op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die van de melkfabriek waaraan de melk wordt geleverd.

23 Derhalve moet worden vastgesteld, dat in artikel 2, lid 1, juncto artikel 12, sub c en d, het beginsel is neergelegd dat de referentiehoeveelheid wordt toegekend aan de percelen, voor zover zij wordt vastgesteld in verhouding tot het geheel van de percelen die een producent gedurende het referentiejaar voor de melkproductie heeft geëxploiteerd.

24 Het beginsel van de koppeling van de referentiehoeveelheid aan de percelen die op het ogenblik van de toekenning worden beheerd, komt, wat de gedeeltelijke overdracht van het bedrijf betreft, in het bijzonder tot uiting in het algemene beginsel dat de referentiehoeveelheid naar rato van de overgedragen landerijen aan de cessionaris wordt toegewezen (arrest van 19 mei 1993, zaak C-81/91, Twijnstra, Jurispr. 1993, blz. I-2455, r.o. 25).

25 Wat de gevolgen van die uitlegging betreft, zij opgemerkt dat de aldus uitgelegde regeling inzake de referentiehoeveelheden, anders dan de Landwirtschaftskammer en Derksen hebben gesteld, in casu de dwingende eisen betreffende de verzekering van de stabiliteit van de aan elke Lid-Staat toegekende gegarandeerde totale hoeveelheden niet aantast, en evenmin, meer in het bijzonder, het doel van de regeling inzake de referentiehoeveelheden, namelijk de beperking van de communautaire melkproductie.

26 Ingevolge artikel 5 quater, lid 3, van verordening nr. 804/68 mag de som van de door een Lid-Staat toegekende individuele referentiehoeveelheden niet meer bedragen dan de aan die Lid-Staat toegekende gegarandeerde totale hoeveelheid. De gegarandeerde totale hoeveelheid heeft dus tot gevolg, dat de nationale productie van elke Lid-Staat wordt beperkt tot de in 1981 geproduceerde hoeveelheden melk.

27 In de veronderstelling dat in 1981, en niets in het dossier wijst op het tegendeel, de totale melkproductie van de producent, met inbegrip van het gedeelte dat met gebruikmaking van in een andere Lid-Staat gelegen percelen is geproduceerd, aan een melkfabriek van de betrokken Lid-Staat is geleverd, wordt die productie - anders dan in de casuspositie van het arrest van 14 juli 1994 (zaak C-351/92, Graff, Jurispr. 1994, blz. I-3361) - opgenomen in de berekening van de gegarandeerde totale hoeveelheid van die Lid-Staat. Wanneer nadien een referentiehoeveelheid wordt toegekend die overeenkomt met de hoeveelheid waarmee bij de vaststelling van de gegarandeerde totale hoeveelheid rekening is gehouden, lijkt elk gevaar van overschrijding van de gegarandeerde totale hoeveelheid uitgesloten.

28 Mitsdien moet op het eerste gedeelte van de vraag worden geantwoord, dat de in 1984 door een Lid-Staat aan een producent in het kader van de regeling inzake de extra heffing toegekende referentiehoeveelheid gekoppeld is aan het geheel van de eigen of gepachte percelen die door de producent worden beheerd met het oog op de melkproductie, zelfs wanneer een gedeelte van die percelen in een andere Lid-Staat is gelegen.

De toepasselijke regeling in geval van beëindiging van de pacht

29 Voor een nuttig antwoord op dit gedeelte van de vraag, betreffende de regeling die van toepassing is in geval van beëindiging van de pacht, is in de eerste plaats van belang, dat ingevolge artikel 7 van de verordeningen nrs. 857/84 en 1546/88 in geval van verkoop, verhuur of overdracht door vererving van een bedrijf de overeenkomstige referentiehoeveelheid geheel of gedeeltelijk aan de koper, de huurder of de erfgenaam wordt overgedragen.

30 In geval van beëindiging van de pacht heeft het Hof in het arrest Wachauf (reeds aangehaald, r.o. 13) de artikelen 7, leden 1 en 4, van verordening nr. 857/84, als geheel bezien, aldus uitgelegd, dat de gemeenschapswetgever de referentiehoeveelheid aan het einde van de pacht in beginsel wilde laten terugkeren aan de verpachter, die opnieuw de beschikking over het bedrijf verkrijgt, onverminderd de mogelijkheid voor de Lid-Staten evenwel om de referentiehoeveelheid geheel of gedeeltelijk aan de vertrekkende pachter toe te kennen.

31 Zich baserend op artikel 5, sub 3, van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1984, L 132, blz. 11), dat van toepassing was ten tijde van de feiten in het hoofdgeding - thans artikel 7, eerste alinea, sub 3, van verordening nr. 1546/88 - merkte het Hof in het arrest Wachauf (r.o. 15) meer in het bijzonder op, dat de rechtsgevolgen van de teruggave van een gepacht bedrijf aan het einde van de pacht vergelijkbaar zijn, in de zin van artikel 5, eerste alinea, sub 3, van verordening nr. 1371/84, met die van de overdracht van het bedrijf bij het verlenen van de pacht; in beide gevallen gaat het bezit van de betrokken productie-eenheden over in het kader van de door de pacht ontstane contractuele betrekkingen. Bijgevolg is de teruggave van een gepacht geheel van landbouwproductie-eenheden aan het einde van de pacht, een van de gevallen van toepassing van artikel 5, sub 3, van verordening nr. 1371/84, voor zover de overdracht van dat geheel uit hoofde van de verlening van de pacht onder artikel 5, sub 1, valt. Dit is het geval, wanneer het om een "bedrijf" in de zin van artikel 12, sub d, van verordening nr. 857/84 gaat, zoals hiervoor uitgelegd in het antwoord op de vraag van de verwijzende rechter.

32 De vragen die de pacht en in het bijzonder de beëindiging van de pacht betreffen, worden dus geregeld door het nationale recht dat van toepassing is op het concrete geval in het hoofdgeding, doch de gemeenschapsregeling inzake de extra heffing bepaalt, welke gevolgen deze beëindiging heeft voor de referentiehoeveelheden.

33 Zoals de advocaat-generaal in punt 26 van zijn conclusie heeft opgemerkt, keren de referentiehoeveelheden waarover een pachter beschikt, in beginsel terug naar de verpachter, wanneer eerstgenoemde een bedrijf opgeeft, tenzij de Lid-Staten gebruik maken van de hun bij artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84, in de versie van verordening nr. 590/85, en bij artikel 7, sub 4, van verordening nr. 1546/88 geboden mogelijkheid.

34 In casu is het niet relevant of ten gunste van de vertrekkende pachter gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die is geboden bij artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84, in de versie van verordening nr. 590/85, en bij artikel 7, sub 4, van verordening nr. 1546/88. Uit de bewoordingen van artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd, blijkt immers, dat die mogelijkheid enkel bestaat indien de vertrekkende pachter voornemens is de melkproductie voort te zetten. Uit de stukken nu blijkt, dat de erfgename niet langer voornemens is de melkproductie voort te zetten na de verkoop van het bedrijf.

35 Mitsdien moet op dit onderdeel van de vraag worden geantwoord, dat bij het einde van de pacht de referentiehoeveelheid weer toevalt aan de verpachter, indien de voormalige pachter niet voornemens is de melkproductie voort te zetten.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

36 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door het Verwaltungsgericht Duesseldorf bij beschikking van 18 november 1993 gestelde vraag, verklaart voor recht:

De in 1984 door een Lid-Staat aan een producent in het kader van de regeling inzake de extra heffing toegekende referentiehoeveelheid is gekoppeld aan het geheel van de eigen of gepachte percelen die door de producent worden beheerd met het oog op de melkproductie, zelfs wanneer een gedeelte van die percelen in een andere Lid-Staat is gelegen. Bij het einde van een pacht valt de referentiehoeveelheid weer toe aan de verpachter, indien de voormalige pachter niet voornemens is de melkproductie voort te zetten.