CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

G. TESAURO

van 18 mei 1995 ( *1 )

1. 

In de onderhavige prejudiciële beroepen komen de Monomeles Dioikitiko Protodikeio Rodou en de Trimeles Dioikitiko Protodikeio Rodou terug op het probleem van de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van plaatselijke heffingen die worden geheven wegens de binnenkomst van goederen in een geografisch geïsoleerd gedeelte van het grondgebied van een Lid-Staat. De in casu betwiste financiële last vertoont immers een merkwaardige gelijkenis met het in de Franse overzeese departementen (hierna: „Franse DOM”) toegepaste octroi de mer waarom het in de zaken Legros en Lancry (arresten van het Hof van 16 juli 1992 ( 1 ) respectievelijk 9 augustus 1994 ( 2 )) ging.

2. 

De in casu in geding zijnde heffing, dazio di consumo (verbruiksbelasting) geheten, is ingevoerd tijdens de periode waarin de Dodekanesos onder Italiaans bestuur stond, en wel bij twee uit 1938 en 1939 daterende decreten van de gouverneur van die regio. Nadat de Dodekanesos bij Griekenland was gevoegd (in 1946), zijn deze decreten van kracht gebleven dankzij een reeks opeenvolgende wettelijke maatregelen, waarvan de laatste het decreet van 24 september-20 oktober 1958 was, waarbij de geldende bepalingen betreffende de inkomsten van de gemeenten en de plaatselijke overheden zijn gecodificeerd. Krachtens de ten tijde van de feiten in het hoofdgeding geldende bepalingen nu werd de heffing, enkele uitzonderingen daargelaten, op alle verbruiksgoederen gelegd die de Dodekanesos binnenkwamen of verlieten, en werd zij berekend op basis van de waarde van de goederen bij invoer respectievelijk uitvoer. Het heffingspercentage werd door de gemeenteraden van de hoofdplaatsen van de betrokken gebieden bepaald en mocht, inzonderheid wat de in de eilanden ingevoerde goederen betreft, niet meer dan 4 % van de waarde van de goederen bedragen. Bij niet-betaling van de heffing werd de overtreders een boete opgelegd die tot tienmaal het bedrag van de verschuldigde heffing kon bedragen. De opbrengst van de heffing werd aan de gemeenten van de betrokken regio uitgekeerd.

3. 

Opgemerkt zij, dat de betrokken verbruiksbelasting na de feiten in het hoofdgeding — dus zonder dat dit van invloed kan zijn op de onderhavige zaak — is opgeheven bij artikel 62 van wet nr. 2214 van 27 april 1994, die op 1 juli 1994 in werking is getreden en waarbij de litigieuze heffing door een bijkomende vennootschapsbelasting is vervangen.

4. 

De belangrijkste feiten, zoals die uit de verwij zingsbeschikking en de stukken blijken, zijn de volgende. Tussen 8 november 1991 en 26 februari 1992 voerde Simitzi, verzoekster in de hoofdgedingen, verschillende goederen van diverse oorsprong in op het eiland Kos, zonder de heffing te betalen. Op basis van de geldende wetgeving schreef de burgemeester van Kos verzoekster bijgevolg in het belastingkohier van de gemeente in voor de hoofdsom van de verschuldigde heffingen, zijnde respectievelijk 490000 DR en 259000 DR, alsmede voor de wegens niet-nakoming van de fiscale regeling opgelegde boetes, bedragende respectievelijk 2452000 DR en 1497000 DR. Simitzi stelde twee beroepen — respectievelijk bij de Monomeles Dioikitiko Protodikeio Rodou en bij de Trimeles Dioikitiko Protodikeio Rodou (administratieve rechtbanken van Rhodos) — tot nietigverklaring van die maatregelen in; de geadieerde rechters, die de verenigbaarheid van de betrokken heffing met het gemeenschapsrecht betwijfelen, hebben het Hof om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen verzocht:

„1)

Is een ad valorem-heffing die door een Lid-Staat op uit een andere Lid-Staat ingevoerde goederen wordt toegepast bij het binnenkomen in een regio van het grondgebied van de eerste Lid-Staat, een heffing van gelijke werking als invoerrechten, ondanks het feit dat de heffing eveneens wordt toegepast op de goederen die in die regio worden ingevoerd vanuit een ander deel van diezelfde staat?

2)

Is een ad valorem-heffing die door een Lid-Staat op naar een andere Lid-Staat uitgevoerde goederen wordt toegepast bij het verlaten van een regio van het grondgebied van de eerste Lid-Staat, een heffing van gelijke werking als uitvoerrechten, ondanks het feit dat de heffing eveneens wordt toegepast op de goederen die uit die regio worden uitgevoerd naar een ander deel van diezelfde staat?

3)

Zijn de wetsbepalingen krachtens welke die twee ad valorem-heffingen worden toegepast, verenigbaar met het gemeenschapsrecht?

4)

Ingeval de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord: gezien het feit dat het toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht zich mede uitstrekt tot het grondgebied van de Lid-Staat in een deel waarvan bedoelde ad valorem-heffingen worden toegepast, en dat voor dat gebied in de communautaire Verdragen geen bijzondere voorzieningen zijn getroffen, laat het gemeenschapsrecht dan een regeling toe volgens welke een heffing wordt toegepast op de goederen die in het betrokken deel speciaal en alleen uit andere regio's van diezelfde Lid-Staat worden ingevoerd, en laat het een regeling toe, volgens welke een heffing wordt toegepast op de goederen die vanuit dat deel speciaal en alleen naar andere regio's van die staat worden uitgevoerd of betekent die bijzondere heffing misschien een ongunstiger behandeling van de goederen die uit voormelde regio's afkomstig of daarvoor bestemd zijn, vergeleken met de goederen die uit andere Lid-Staten afkomstig of daarvoor bestemd zijn, waardoor het vrije verkeer van goederen binnen het communautaire grondgebied wordt belemmerd?

5)

Ingeval bedoelde ad valorem-heffingen als een binnenlandse belasting zouden worden aangemerkt, zijn die heffingen dan economische heffingen die het karakter van omzetbelasting bezitten en is de cumulatieve toepassing ervan samen met de belasting over de toegevoegde waarde dan volgens artikel 33 van richtlijn 77/388/EEG van de Raad verboden?”

5. 

Vooraf wil ik opmerken, dat serieus kan worden getwijfeld aan de relevantie van sommige van die vragen. Uit de stukken, met name uit de verwijzingsbeschikkingen zelf, en uit de verklaringen van verzoekster in het hoofdgeding en de Griekse regering ter terechtzitting blijkt, dat de geschillen die tot de onderhavige procedure hebben geleid, uitsluitend de heffing betreffen die wordt toegepast bij de binnenkomst van goederen in de Dodekanesos, ongeacht of het daarbij om echte invoer uit andere Lid-Staten dan wel om uit andere regio's van Griekenland afkomstige goederen gaat. Ik zie dus niet in hoe de beantwoording van de vragen over de heffing bij uitvoer de verwijzende rechters kan helpen bij de beslechting van de voor hen aanhangige geschillen.

Dienaangaande wil ik eraan herinneren, dat volgens artikel 177 en de vaste rechtspraak van het Hof ( 3 ) de procedure van de prejudiciële verwijzing een instrument van samenwerking tussen het Hof van Justitie en de nationale rechterlijke instanties is, inhoudende dat het Hof de nationale rechter de elementen van uitlegging van het gemeenschapsrecht verschaft die laatstgenoemde met het oog op de beslechting van de voor hem aanhangige geschillen nodig heeft. In het kader van deze samenwerking is de nationale rechter, die als enige rechtstreeks kennis heeft van de feiten van het geding, ongetwijfeld het best in staat de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen. Het Hof heeft echter tot taak, bij te dragen tot de rechtsbedeling in de Lid-Staten, niet adviezen te geven over algemene of hypothetische vragen; juist om die reden heeft het Hof steeds geweigerd vragen van verwijzende rechters te beantwoorden, wanneer de bepaling van gemeenschapsrecht waarvan zij om uitlegging verzoeken, duidelijk niet van toepassing is.

6. 

Nu lijkt het mij echter overduidelijk dat, mocht het Hof de Griekse wetgeving waarbij een heffing op uit de Dodekanesos uitgevoerde goederen is ingesteld, in strijd met artikel 16 van het Verdrag achten, die vaststelling van geen nut zou zijn voor de beslechting van de voor de verwijzende rechters aanhangige geschillen, die een heffing over in die regio ingevoerde goederen betreffen.

Mijns inziens behoeft het Hof die vragen dus niet te beantwoorden, doch hooguit na te gaan of het feit dat ook op goederen die de betrokken regio verlaten een heffing wordt gelegd, van belang kan zijn voor de kwalificatie van de heffing die het voorwerp van de onderhavige procedure vormt.

7. 

Gelet op het voorgaande behoeven naar mijn mening alleen de volgende vragen een antwoord: a) Is de betrokken heffing als een bij de artikelen 9 en 13 van het Verdrag verboden heffing van gelijke werking als een invoerrecht aan te merken, ook al wordt zij tevens op uit andere regio's van het Griekse grondgebied afkomstige goederen gelegd? b) Verandert het feit dat zij op nationale goederen wordt toegepast de aard ervan? c) Zo zij daarentegen een binnenlandse belasting is, verdraagt zij zich met artikel 95 van het Verdrag en met richtlijn 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting?

8. 

Laat mij in herinnering brengen, dat het Hof in voormeld arrest Legros ( 4 ) reeds de gelegenheid heeft gehad zich over de eerste vraag uit te spreken. In die zaak oordeelde het Hof, dat een proportionele heffing over de douanewaarde van goederen, die door een Lid-Staat wordt toegepast op uit een andere Lid-Staat ingevoerde goederen wegens hun binnenkomst in een regio van het grondgebied van eerstgenoemde Lid-Staat, een heffing van gelijke werking als een invoerrecht is, ook al wordt die heffing tevens gelegd op uit een ander deel van dezelfde staat afkomstige goederen die in die regio worden binnengebracht. ( 5 ) Het Hof overwoog, dat de omstandigheid dat niet de overschrijding van een staatsgrens, maar de overgang van de ene regio naar de andere tot de belasting aanleiding gaf, in dat verband irrelevant was. Aangezien „de rechtvaardiging van het verbod van douanerechten op goederen die tussen de Lid-Staten circuleren, is gelegen in de belemmering die geldelijke lasten, hoe gering ook, die wegens grensoverschrijding worden toegepast, voor het goederenverkeer opleveren”, vormt volgens het Hof „een heffing die aan een regionale grens wegens het binnenbrengen van produkten in een regio van een Lid-Staat wordt toegepast, (...) een minstens even ernstige belemmering voor het vrije verkeer van goederen als een heffing die bij de nationale grens wordt toegepast wegens het binnenbrengen van produkten in een Lid-Staat als geheel”. ( 6 )

9. 

Anderzijds oordeelde het Hof, dat de heffing waarom het in die zaak ging, geen binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 van het Verdrag was, daar zij niet behoorde tot een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen, waardoor groepen produkten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve, onafhankelijk van de oorsprong der produkten toegepaste criteria, zoals volgens vaste rechtspraak vereist is ( 7 ), doch uitsluitend op de in een bepaalde regio van een Lid-Staat binnengebrachte goederen werd gelegd, terwijl alle produkten van oorsprong uit die regio stelselmatig ervan werden vrijgesteld, louter en alleen op grond van hun regionale oorsprong.

Juist op dit punt nu verschilt de tot op 1 juli 1994 toegepaste verbruiksbelasting volgens de Griekse regering van de in de zaak Legros aan de orde zijnde heffing. De verbruiksbelasting trof immers eveneens de goederen die de Dodekanesos verlieten, daaronder begrepen de plaatselijke produkten. Dit verschil toont volgens de Griekse regering aan, dat het om een nationale belastingregeling ging, die zonder onderscheid op alle goederen van toepassing was en die bestemd was om de plaatselijke overheden de nodige financiële middelen voor hun institutionele activiteiten te verschaffen. Juist het feit dat de heffing op alle goederen werd gelegd, sluit uit dat zij beschermend was en/of de mededinging kon vervalsen.

10. 

Dat betoog kan niet worden aanvaard. Los van de uit de stukken blijkende omstandigheid dat het heffingspercentage voor goederen die de Dodekanesos verlieten hoe dan ook lager was dan voor de binnenkomende goederen, kan men er niet om heen, dat de belasting verschuldigd was wegens grensoverschrijding, in de eigenlijke zin van het woord voor de produkten die naar andere Lid-Staten werden uitgevoerd, of in oneigenlijke zin voor de produkten die voor andere delen van het Griekse grondgebied bestemd waren. Daaruit volgt, dat de produkten die in de Dodekanesos werden geproduceerd en aldaar rechtstreeks in het verkeer gebracht, in ieder geval aan de belasting ontsnapten, en dus dat alleen deze goederen fiscaal gunstiger werden behandeld.

Het feit dat de bestreden regeling ook op goederen die de regio verlieten een financiële last legde die in grote mate vergelijkbaar was met die welke op de invoer werd gelegd, kan mijns inziens dus de verbruiksbelasting geen ander karakter verlenen, in die zin dat zij om die reden zou kunnen worden beschouwd als een belasting die op bepaalde groepen produkten volgens objectieve, onafhankelijk van de oorsprong der produkten toegepaste criteria wordt toegepast.

Met betrekking tot het argument dat de heffing niet beschermend was ten slotte, acht ik het voldoende eraan te herinneren dat, zoals het Hof in het arrest Sociaal Fonds Diamantarbeiders van 1 juli 1969 ( 8 ) preciseerde, een eenzijdig opgelegde geldelijke last die wegens grensoverschrijding op buitenlandse goederen wordt gelegd en geen douanerecht is in eigenlijke zin, een heffing van gelijke werking in de zin van de artikelen 9 en 12 van het Verdrag oplevert, zelfs wanneer deze last geen discriminerende of beschermende werking heeft en het belaste produkt niet met een nationaal produkt concurreert.

11. 

Voorts vragen de verwijzende rechters, of de op de in de Dodekanesos binnengebrachte goederen toegepaste heffing een heffing van gelijke werking als een invoerrecht is, ook al wordt zij tevens gelegd op uit een ander deel van Griekenland afkomstige goederen.

12. 

Dienaangaande wijs ik erop, dat het Hof in het recente arrest Lancry, dat eveneens het in de Franse DOM toegepaste octroi de nier betrof, preciseerde, dat „het beginsel zelf van de douane-unie, die zich volgens artikel 9 EEG-Verdrag over het gehele goederenverkeer uitstrekt, (...) immers [vereist] dat het vrije verkeer van goederen binnen de unie over de gehele lijn is verzekerd en niet alleen in de handel tussen de Lid-Staten. Dat in de artikelen 9 en volgende alleen de handel tussen de Lid-Staten uitdrukkelijk wordt vermeld, heeft hiermee te maken, dat aan het bestaan van heffingen met de kenmerken van een douanerecht binnen de staten zelf nooit is gedacht. De afwezigheid van zulke heffingen is een onontbeerlijke voorwaarde voor de verwezenlijking van een douane-unie die het gehele goederenverkeer omvat, zodat zij ingevolge de artikelen 9 en volgende verboden zijn.” ( 9 )

Zo bezien is volgens het Hof de schade die de instelling van een regionale douanebarrière de eenheid van het communautaire douanegebied toebrengt dus dezelfde, ongeacht of de belasting nationale dan wel uit andere Lid-Staten afkomstige goederen wegens overschrijding van die grens treft.

13. 

In mijn conclusie in de zaak Lancry heb ik — daarin door het Hof niet gevolgd — de omgekeerde stelling verdedigd, namelijk dat wanneer een uit een bepaalde Lid-Staat afkomstig produkt van de ene naar de andere regio van dezelfde Lid-Staat wordt overgebracht, niet is voldaan aan de fundamentele en onontbeerlijke voorwaarde voor toepassing van de artikelen 9 en volgende van het Verdrag, namelijk de overschrijding van de grens van een andere Lid-Staat. Ik heb opgemerkt, dat de eenheid van het douanegebied niet los kan worden gezien van de in het Verdrag neergelegde regeling inzake de douaneunie, die de belemmeringen voor het handelsverkeer tussen de Lid-Staten beoogt weg te nemen, en niet ook die in het handelsverkeer tussen de regio's of gemeenten van één Lid-Staat. Op grond van die overwegingen heb ik geconcludeerd, dat voor de stelling dat artikel 12 de interregionale en intercommunale rechten afschaft niet alleen geen grondslag in het Verdrag te vinden is, doch dat het volgen ervan bovendien een sedert decennia vaststaande rechtspraak inzake zuiver interne situaties ter discussie zou stellen, niet alleen op het punt van de douane-unie en het vrije verkeer van goederen, maar ook op dat van het dienstenverkeer en het verkeer van personen in het algemeen.

14. 

Het Hof heeft echter zijn keuze gemaakt. Zonder mijn standpunt in de zaak Lancry te herzien, neem ik akte van die rechtspraak, volgens welke de vraag die ons vandaag bezighoudt aldus moet worden beantwoord, dat een heffing die door een Lid-Staat wordt toegepast bij de binnenkomst van goederen, welke dan ook, in een regio van zijn grondgebied, een heffing van gelijke werking als een invoerrecht is, ook al wordt zij tevens gelegd op uit een ander deel van dezelfde staat afkomstige goederen.

15. 

Nu met betrekking tot de aard van de betrokken heffing is komen vast te staan, dat het om een heffing van gelijke werking als een douanerecht gaat, behoeft mijns inziens de vraag over de verenigbaarheid ervan met artikel 95 van het Verdrag en met richtlijn 77/388 niet te worden beantwoord. Volgens vaste rechtspraak van het Hof ( 10 ) kan een en dezelfde last in het systeem van het Verdrag immers niet tegelijkertijd behoren tot de categorie van de heffingen van gelijke werking in de zin van de artikelen 9, 12 en 13 van het Verdrag én tot die van de binnenlandse belastingen in de zin van artikel 95.

16. 

Voor het geval dat het Hof een heffing als de verbruiksbelasting onwettig zou verklaren, heeft de Griekse regering gevraagd de gevolgen van het te wijzen arrest in de tijd te beperken. In dat verband wijst zij op de rampzalige financiële consequenties voor de plaatselijke administraties van een arrest waarbij de betrokken heffing in strijd met het gemeenschapsrecht werd verklaard, en voorts op de onzekerheid die omtrent de precieze draagwijdte van het verbod van heffingen van gelijke werking bestond tot voormelde arresten in de zaken Legros en Lancry.

Dienaangaande moet erop worden gewezen dat, zoals bekend, wanneer het Hof in het kader van zijn bevoegdheid ex artikel 177 een bepaling van gemeenschapsrecht uitlegt, deze uitlegging de betekenis ervan verduidelijkt en preciseert zoals de bepaling vanaf haar inwerkingtreding had moeten zijn begrepen en toegepast. Dit betekent, dat de uitgelegde bepaling in beginsel door de rechter ook moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die vóór het uitleggingsarrest zijn ontstaan, mits deze rechtsbetrekkingen nog effect sorteren (dus niet vervallen of verjaard zijn) en voldaan is aan de voorwaarden om bij de bevoegde rechter een geding betreffende de toepassing van de betrokken bepaling aanhangig te kunnen maken.

17. 

Het Hof heeft verklaard, dat het slechts bij uitzondering, met toepassing van het beginsel van rechtszekerheid, aanleiding kan vinden om voor iedere belanghebbende beperkingen te stellen aan de mogelijkheid, met een beroep op de uitgelegde bepaling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen weer in geding te brengen. ( 11 ) Bij elk arrest in die zin paste het Hof steeds twee criteria toe. In de eerste plaats evalueerde het de mogelijke praktische gevolgen van zijn arrest, indien de gevolgen ervan niet in de tijd werden beperkt; daarbij preciseerde het evenwel, dat „dit er niet mag toe leiden, dat de objectiviteit van het recht geweld wordt aangedaan en omwille van de weerslag die een rechterlijke beslissing voor het verleden kan hebben, de toepassing van dat recht in de toekomst in gevaar wordt gebracht”. ( 12 ) In de tweede plaats vroeg het Hof zich af, of er sprake was van een objectieve onzekerheid met betrekking tot de draagwijdte van de in het uitleggingsarrest uitgelegde bepaling van gemeenschapsrecht, en in welke mate het gedrag van de gemeenschapsinstellingen zelf mogelijkerwijs tot die onzekerheid had bijgedragen. ( 13 )

18. 

Wil men deze in 's Hofs rechtspraak ontwikkelde criteria op de onderhavige zaak toepassen, dan moet het geval waarin de verbruiksbelasting werd gelegd op uit de Lid-Staten in de Dodekanesos ingevoerde produkten worden onderscheiden van dat waarin zij op uit andere regio's van de Helleense Republiek werd toegepast.

Wat het eerste geval betreft, zie ik niet de minste reden om de gevolgen van het arrest in de tijd te beperken. Artikel 29 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Helleense Republiek en de aanpassing van de Verdragen ( 14 ), dat in deel IV („Overgangsmaatregelen”) is opgenomen, bepaalde dat de heffingen van gelijke werking als douanerechten geleidelijk in opeenvolgende stappen moesten worden afgeschaft tegen 1 januari 1986. Dienaangaande was er in geen enkele uitzondering voorzien en voorts bevatte de Toetredingsakte geen enkele bepaling met bijzondere voorwaarden voor de toepassing van het gemeenschapsrecht in de Dodekanesos, wat daarentegen wel het geval was met betrekking tot de Franse DOM. Voorts wijst niets erop — en de Griekse regering heeft dat ook niet aangevoerd— dat, weerom anders dan het geval was bij het in de Franse DOM toegepaste octroi de mer, enige handeling van de gemeenschapsinstellingen rechtmatige twijfel heeft doen rijzen met betrekking tot de verenigbaarheid van de betrokken financiële last met het gemeenschapsrecht.

19. 

De zaken liggen daarentegen helemaal anders voor het geval waarin de betrokken heffing werd gelegd op goederen die niet uit een andere Lid-Staat, doch uit een andere regio van dezelfde Lid-Staat afkomstig waren. Tot voormeld arrest Lancry lag de rechtspraak op dit punt vast: de verdragsbepalingen waren niet van toepassing op louter nationale situaties en het feit dat een nationale wettelijke regeling onverenigbaar werd verklaard voor zover zij op uit een andere Lid-Staat werd toegepast, bracht niet noodzakelijkerwijs mee, dat zij ook op nationale produkten niet mocht worden toegepast. ( 15 ) Het arrest Lancry betekende dus een radicale ommekeer van het tot dan toe door het Hof ingenomen standpunt. ( 16 ) Daaruit volgt, dat de Helleense Republiek en de plaatselijke overheden van de Dodekanesos er tot de datum van dat arrest redelijkerwijs mochten van uitgaan, dat de nationale wettelijke regeling betreffende de verbruiksbelasting geen probleem van verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht opleverde, althans voor zover zij op uit die Lid-Staat afkomstige produkten werd gelegd.

20. 

Gelet op deze overwegingen en in het bijzonder de vereisten van het beginsel van de rechtszekerheid indachtig, geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren, dat op de onverenigbaarheid met het Verdrag van een dergelijke verbruiksbelasting, voor zover deze werd gelegd op uit de Helleense Republiek afkomstige produkten, geen beroep kan worden gedaan met betrekking tot rechtsbetrekkingen die vóór 9 augustus 1994, de datum van het arrest Lancry, hadden opgehouden effect te sorteren. Aangezien de betrokken regeling evenwel per 1 juli 1994 ingetrokken is, kan op deze onverenigbaarheid dus slechts een beroep worden gedaan tot staving van vorderingen tot terugbetaling van de heffing door hen die vóór die datum tegen de betrokken heffing een beroep in rechte hebben ingesteld of een daarmee gelijk te stellen bezwaarschrift hebben ingediend.

21. 

Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vragen van de verwijzende rechters te beantwoorden als volgt:

„1)

De bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende heffingen van gelijke werking als invoerrechten moeten aldus worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een ad valorem-heffing die door een Lid-Staat op uit een andere Lid-Staat ingevoerde goederen wordt toegepast wegens hun binnenkomst in een regio van het grondgebied van eerstgenoemde Lid-Staat, ook al wordt zij tevens gelegd op uit een ander deel van dezelfde staat afkomstige goederen die in die regio worden binnengebracht.

2)

De bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende heffingen van gelijke werking als invoerrechten moeten aldus worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een ad valorem-heffing die door een Lid-Staat wordt toegepast op alle goederen die in een regio van zijn grondgebied worden binnengebracht, ook al wordt zij op uit andere delen van die Lid-Staat afkomstige goederen gelegd.

3)

Op de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende heffingen van gelijke werking als invoerrechten kan geen beroep worden gedaan tot staving van vorderingen tot terugbetaling van een heffing als de verbruiksbelasting die over uit andere delen van dezelfde Lid-Staat afkomstige goederen vóór 9 augustus 1994 is voldaan, behalve in het geval van verzoekers die vóór die datum tegen de betrokken heffing een beroep in rechte hebben ingesteld of een daarmee gelijk te stellen bezwaarschrift hebben ingediend.”


( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.

( 1 ) Zaak C-163/90, Legros e. a., Jurispr. 1952, blz. I-1625.

( 2 ) Gevoegde zaken C-363/93, C-407/93, C-40S/93, C-109/93, C-110/93 en C-411/93, Lancry c. a., Jurispr. 1991, blz. I-3957.

( 3 ) Voor een gedetailleerde opsomming van de arresten betreffende deze materie, zie het arrest van 16 juli 1992 (zaak C-343/90, Lourenço Dias, Jurispr. 1992, blz. I-1673, r. o. II-23).

( 4 ) Reeds aangehaald in voetnoot 1,

( 5 ) R. o. 18.

( 6 ) R. o. 16.

( 7 ) Zie, bij voorbeeld, het arrest van 3 februari 1981 (zaak 90/79, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1981, blz. 283, r. o. 14).

( 8 ) Gevoegde zaken 2/69 en 3/69 (Jurispr. 1969, blz. 211, inzonderheid r. o. 18).

( 9 ) Reeds aangehaald in voetnoot 2, r. o. 29.

( 10 ) Zie, bij voorbeeld, bet arrest van 7 mei 1987 (zaak 193/85, Co-Fruita, Jurispr. 1987, blz. 2085, r. o. 8-11).

( 11 ) Zie met name arresten van 8 april 1976 (zaak 43/75, Dcfrenne, Jurispr. 1976, blz. 455, r. o. 71-75), 2 februari 1988 (zaak 24/86, Blaizot, Jurispr. 1988, blz. 379, r. o. 27-33), 17 mei 1990 (zaak C-262/88, Barber, Jurispr. 1990, blz. I-1889, r. o. 41-45), en het reeds aangehaalde arrest Legros (r. o. 30-36).

( 12 ) Zie laatstelijk bet arrest Legros, reeds aangehaald, r. o. 30.

( 13 ) Ibid., r. o. 31 en 32.

( 14 ) PB 1979, L 291, blz. 17.

( 15 ) Voor een analyse van die rechtspraak verwijs ik naar mijn conclusie in voormelde zaak Lancry. Ik wil mij er hier toe beperken het arrest in de zaak Drei Glocken (arrest van 14 juli 1988, zaak 407/85, Jurispr. 1988, blz. 4233) in herinnering te brengen, waarin het Hof de uitbreiding van een verbod op de verkoop van op basis van zachte tarwe of een mengsel van zachte en harde tarwe vervaardigde deegwaren tot ingevoerde produkten onverenigbaar met de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag verklaarde. In die zaak antwoordde het Hof op het betoog van de Italiaanse regering, die de Italiaanse Deegwarenwet verdedigde met het argument dat die wet nodig was om de afzetmarkt voor harde tarwe te waarborgen, met de volgende precisering: „In de eerste plaats zij opgemerkt dat luer de uitbreiding van de Deegwarenwet tot ingevoerde produkten in geding is, en dat bet gemeenschapsrecht niet vereist dat de wetgever de wet intrekt ten aanzien van de op Italiaans grondgebied gevestigde deeg-warenproducenten” (cursivering van mij).

( 16 ) De doctrine is in detail op die ommekeer ingegaan. Zie de noot onder liet arrest van A. Rigaux en D. Simon, in Europe, 1994, Act. n. 361, blz. 10. Deze auteurs zijn van mening, dat dit arrest de opvattingen over de bestaansreden van de in de artikelen 9 en volgende van het Verdrag neergelegde verboden en de aldaar gehanteerde begrippen invoer en uitvoer radicaal wijzigt en spreken dienaangaande van een waarlijk „juridisch gedrocht”; zie ook de commentaar van J. P. Keppenne, en P. Van Ypersele: „Vers une application du droit communautaire à des obstacles à la libre circulation des marchandises a l'intérieur d'un Etat membre”, in Journal da tribunaux/droit européen, 1994, blz. 179, waarin de auteurs de nieuwe richting van de rechtspraak goedkeuren, en wat de gevolgen van het arrest in de Belgische rechtsorde betreft, opmerken, dat zo tevoren het nationale Arbitragehof bij uitsluiting bevoegd was om de verenigbaarheid van eventuele door tic diverse gewesten en gemeenschappen van het Koninkrijk België gecreëerde belemmeringen met de beginselen van het vrije verkeer van goederen te beoordelen, thans ook het Hof van Justitie bevoegd zal zijn om mogelijke geschillen op dit punt te beslechten.