Trefwoorden
Samenvatting

Trefwoorden

++++

1. Beroep wegens niet-nakoming ° Recht van beroep van Commissie ° Uitoefening niet afhankelijk van specifiek procesbelang ° Beroep strekkende tot vaststelling van niet-nakoming, in concreet geval, van uit niet-omgezette richtlijn voortvloeiende verplichting ° Ontvankelijkheid ° Rechtstreekse werking van betrokken bepalingen ° Irrelevant

(EEG-Verdrag, art. 155 en 169)

2. Milieu ° Milieu-effectbeoordeling van bepaalde projecten ° Richtlijn 85/337 ° Tardieve nationale uitvoeringsmaatregelen die na verstrijken van omzettingstermijn ingeleide vergunningsprocedures vrijstelt van verplichte beoordeling ° Ontoelaatbaarheid ° Datum waarop procedure is ingeleid ° Criterium voor bepaling ° Begrip "thermische centrale met warmtevermogen van ten minste 300 MW" ° Uitlegging ° Verplichtingen van nationale instanties, voorgeschreven in artikelen 2, 3 en 8 ° Concrete en eenduidige verplichtingen

(Richtlijn 85/337 van de Raad, art. 2, 3, 8 en 12, lid 1, en bijlagen I, sub 2, en II, sub 12)

Samenvatting

1. Bij de uitoefening van haar aan de artikelen 155 en 169 van het Verdrag ontleende bevoegdheden behoeft de Commissie geen specifiek procesbelang aan te tonen wanneer zij een beroep wegens niet-nakoming instelt. Artikel 169 beoogt immers niet, de eigen rechten van de Commissie te beschermen. Zij moet in het algemeen belang van de Gemeenschap ambtshalve erop toezien, dat de Lid-Staten het Verdrag en de ter uitvoering hiervan door de instellingen vastgestelde bepalingen toepassen en een eventuele niet-nakoming van de daaruit voortvloeiende verplichtingen met het oog op de beëindiging ervan doen vaststellen. Gelet op haar rol van hoedster van het Verdrag, is de Commissie dus bij uitsluiting bevoegd te beslissen, of het opportuun is om een niet-nakomingsprocedure in te leiden, en op grond van welk aan de betrokken Lid-Staat toe te rekenen handelen of nalaten de procedure moet worden ingeleid.

Daaruit volgt dat een Lid-Staat die een gemeenschapsrichtlijn niet binnen de gestelde termijn heeft omgezet, en tegen wie een beroep wegens niet-nakoming is ingeleid, niet betreffende dit nalaten, maar betreffende de niet-naleving in een concreet geval van een uit die richtlijn voortvloeiende verplichting, niet met een beroep op het feit dat hij niet de nodige maatregelen tot omzetting van de richtlijn heeft genomen, de ontvankelijkheid van het beroep kan betwisten of zich ertegen kan verzetten dat het Hof een verzoek, strekkende tot vaststelling van bedoelde niet-nakoming, behandelt.

Evenmin kan hij in een beroep dat is ingesteld omdat hij in een concreet geval de door de richtlijn opgelegde verplichtingen niet zou hebben nageleefd, en waarvan de gegrondheid dus moet worden beoordeeld op basis van een uitlegging van de richtlijn omtrent de verplichtingen die zij aan de Lid-Staten oplegt, de ontvankelijkheid van dat beroep betwisten op grond dat de betrokken bepalingen van de richtlijn aan particulieren geen individuele rechten toekennen, omdat de vraag of particulieren zich op de richtlijn kunnen beroepen, voor een dergelijk beroep irrelevant is.

2. Richtlijn 85/337 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, en met name artikel 12, lid 1, moet aldus worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzet dat een Lid-Staat die deze richtlijn na 3 juli 1988, op welke dag de omzettingstermijn verstreek, in zijn nationale recht heeft omgezet, de vergunningsprocedure voor een project, die na de sluitingsdatum van de omzettingstermijn is ingeleid, vrijstelt van de bij de richtlijn opgelegde verplichtingen. Voor het bepalen van de datum waarop de procedure is ingeleid is het enige bruikbare criterium ° omdat het aan het rechtszekerheidsbeginsel beantwoordt en geschikt is voor handhaving van het nuttig effect van de richtlijn ° de formele datum van indiening van de vergunningsaanvraag, met uitsluiting van informele contacten en gesprekken tussen de bevoegde instantie en de opdrachtgever.

Voorts moet bijlage I, sub 2, van de richtlijn, op grond waarvan projecten voor thermische centrales met een warmtevermogen van ten minste 300 MW aan een beoordeling moeten worden onderworpen, aldus worden uitgelegd, dat deze beoordeling moet geschieden ongeacht of deze projecten zelfstandig worden gerealiseerd dan wel aan een reeds bestaande installatie worden aangebouwd of functioneel daarmee in nauwe verbinding zullen staan. Een project van dit type dat verband vertoont met een reeds bestaande installatie kan daardoor niet vallen onder de categorie "wijzigingen in projecten van bijlage I", bedoeld in bijlage II, sub 12, voor welke categorie de beoordeling enkel facultatief is.

Ten slotte dienen artikel 2 van de richtlijn, dat voor de instantie die in elke Lid-Staat bevoegd is om projecten goed te keuren, een verplichting behelst om bepaalde projecten op hun milieu-effecten te beoordelen, artikel 3, dat de inhoud van de beoordeling omschrijft en de daarbij in aanmerking te nemen factoren opsomt en de bevoegde instantie een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid laat omtrent de wijze waarop de beoordeling in elk concreet geval het best kan geschieden, en artikel 8, dat de betrokken nationale instantie verplicht om in het kader van de vergunningsprocedure rekening te houden met de in het kader van de beoordelingsprocedure ingewonnen informatie, aldus te worden uitgelegd, dat zij, de details van de betrokken bepalingen buiten beschouwing gelaten, de nationale instanties die bevoegd zijn ter zake van de vergunningverlening, eenduidig de verplichting opleggen om de betrokken projecten op hun milieu-effecten te beoordelen.