61992C0420

Conclusie van advocaat-generaal Lenz van 14 april 1994. - ELIZABETH BRAMHILL TEGEN CHIEF ADJUDICATION OFFICER. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: SOCIAL SECURITY COMMISSIONER - VERENIGD KONINKRIJK. - RICHTLIJN 79/7/EEG - VERHOGING VAN PRESTATIES INZAKE OUDERDOM VOOR TEN LASTE KOMENDE ECHTGENOOT. - ZAAK C-420/92.

Jurisprudentie 1994 bladzijde I-03191


Conclusie van de advocaat generaal


++++

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

A ° Inleiding

1. De Social Security Commissioner heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over vragen inzake de uitlegging en de toepassing van richtlijn 79/7/EEG(1) betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.

2. Verzoekster in het hoofdgeding (hierna: "verzoekster") verlangt een verhoging van haar pensioen voor haar ten laste komende echtgenoot. Op het verzoek om verhoging werd afwijzend beslist, omdat verzoekster niet aan alle voor dit recht gestelde voorwaarden voldeed. Deze wettelijke voorwaarden, waaraan het niet voldoen tot de afwijzende beslissing leidde, zijn extra voorwaarden waaraan een vrouw moet voldoen om een verhoging van haar pensioen voor haar ten laste komende echtgenoot te verkrijgen, en gelden niet voor de uitkering aan een man die aanspraak maakt op een verhoging van zijn pensioen voor zijn ten laste komende echtgenote.

3. De bepalingen inzake de voorwaarden voor het recht op een verhoging van ouderdomspensioenen uit hoofde van ten laste komende echtgenoten zijn te vinden in Section 45 en Section 45 A van de Social Security Act 1975.(2) Section 45 regelt de voorwaarden voor een verhoging voor een tot onderhoud verplichte echtgenoot en Section 45 A die voor een tot onderhoud verplichte echtgenote. Section 45 A luidt als volgt:

"1) Indien een vrouw een ouderdomspensioen van categorie A wordt betaald voor een periode:

a) die is ingegaan onmiddellijk na afloop van een periode waarvoor de gepensioneerde aanspraak kon maken op een verhoging van een werkloosheidsuitkering, een uitkering wegens ziekte of een invaliditeitspensioen (...) (verhogingen uit hoofde van volwassen personen ten laste); en

b) gedurende welke (zonder onderbreking) wordt voldaan aan de hierna gestelde vereisten van ofwel lid 2, sub a, ofwel lid 2, sub b,

zal het ouderdomspensioen van categorie A per week worden verhoogd met het bedrag dat ter zake (...) is gespecificeerd (...)

2) De hiervoor in lid 1, sub b, bedoelde vereisten zijn:

a) dat de gepensioneerde met haar echtgenoot samenwoont;

b) dat de gepensioneerde aan het levensonderhoud van haar echtgenoot bijdraagt voor een bedrag dat per week niet onder het gespecificeerde bedrag ligt, en de wekelijkse inkomsten van haar echtgenoot dat bedrag niet te boven gaan.

3) (...)"

4. De in Section 45 A, (1), gestelde voorwaarden hebben geen pendant bij de voorwaarden voor de verhoging van het pensioen van een man.

Niet in geding is dat er sprake is van verschil in behandeling.

5. Verzoekster is van mening, dat dit verschil in behandeling in strijd is met richtlijn 79/7 en in het bijzonder met artikel 4, lid 1, aanhef en derde streepje, dat luidt:

"Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:

° (...)

° (...)

° de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties."

6. Verweerder stelde zich in het hoofdgeding op het standpunt, dat de in geding zijnde bepalingen worden gedekt door de afwijkingsregeling van artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, dat luidt als volgt:

"Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om van haar werkingssfeer uit te sluiten:

(...)

d) de toekenning van verhogingen van prestaties op lange termijn inzake invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen of beroepsziekten voor de ten laste komende echtgenote."

7. De rechterlijke instantie waarbij het hoofdgeding aanhangig is, legt het Hof van Justitie de navolgende prejudiciële vragen voor:

1) Indien een Lid-Staat verschillende regelingen heeft vastgesteld voor, enerzijds, een gepensioneerde man die een recht doet gelden uit hoofde van een ten laste komende echtgenote, en, anderzijds, voor een gepensioneerde vrouw die een recht doet gelden uit hoofde van een ten laste komende echtgenoot, moet de afwijkingsbepaling van artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, van richtlijn 79/7 dan aldus worden uitgelegd, dat deze Lid-Staat ten aanzien van de gepensioneerde vrouw strengere voorwaarden mag stellen dan ten aanzien van de gepensioneerde man?

2) Mag een Lid-Staat inzonderheid een voorwaarde opleggen als vervat in Section 45 A van de Social Security Act 1975, volgens welke de gepensioneerde vrouw onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop zij recht kreeg op een ouderdomspensioen, voor die echtgenoot recht moet hebben gehad op een verhoging van een uitkering wegens werkloosheid, ziekte of invaliditeit, indien deze voorwaarde niet geldt voor de man die voor zijn ten laste komende echtgenote een verhoging van het ouderdomspensioen aanvraagt?

3) Indien de nationale rechter, in het licht van de antwoorden op de vragen 1 en 2, moet bepalen of een nationale wettelijke regeling voldoet aan het evenredigheidsvereiste in de zin van het gemeenschapsrecht, en dus kan vallen onder de afwijkingsbepaling van artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, van richtlijn 79/7, welke specifieke criteria dient hij dan toe te passen?

8. Partij in de procedure waren verzoekster, de Britse regering en de Commissie.

9. Bij de juridische beoordeling kom ik nog nader terug op de afzonderlijke feiten en de argumenten van partijen.

B ° Standpuntbepaling

10. Tal van omstandigheden zijn in de onderhavige zaak onomstreden. Zo valt verzoekster binnen de in artikel 2 gedefinieerde persoonlijke werkingssfeer van de richtlijn, daar zij behoort tot de "beroepsbevolking" c.q. tot de "gepensioneerde (...) werknemers en zelfstandigen". De feiten vallen binnen de in artikel 3 gedefinieerde materiële werkingssfeer van de richtlijn, daar het hier gaat om uitkeringen die in het kader van een wettelijke regeling voor uitkeringen bij ouderdom kunnen worden toegekend.

11. De partijen zijn unaniem van mening, dat artikel 4 van de richtlijn een basisbepaling is, die als voorbeeld enkele gebieden opsomt waarop het beginsel van gelijke behandeling ten uitvoer moet worden gelegd. Artikel 7 van de richtlijn bevat daarentegen een machtiging aan de Lid-Staten, bepaalde bij wet geregelde onderwerpen van de werkingssfeer van de richtlijn uit te sluiten. Deze uitsluitingsmogelijkheid mag echter ° in overeenstemming met het doel van de richtlijn, het waarborgen van de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid ° niet onbegrensd in de tijd gelden. Derhalve wordt de Lid-Staten in artikel 7, lid 2, de plicht opgelegd, periodiek de gebieden te onderzoeken die krachtens lid 1 zijn uitgezonderd "ten einde na te gaan of het, gelet op de sociale ontwikkeling terzake, gerechtvaardigd is deze uitzonderingen te handhaven", alsmede de Commissie hiervan in kennis te stellen.(3)

12. De centrale vraag van het prejudiciële verzoek is, of een wettelijke regeling zoals die van Section 45 A (1) van de Social Security Act 1975 in de voor de procedure relevante redactie door artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, van richtlijn 79/7 kan worden gedekt en derhalve van de werkingssfeer van de richtlijn kan worden uitgesloten.

13. Verzoekster betoogt in wezen, dat de discriminerende voorwaarden niet door de uitzonderingsbepaling van artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, van de richtlijn worden gedekt. Overeenkomstig 's Hofs rechtspraak moet deze afwijking eng worden uitgelegd.(4) Deze bepaling sluit slechts de toekenning van verhogingen van het pensioen van een man ten gunste van zijn ten laste komende echtgenote van de werkingssfeer van de richtlijn uit. Zodra ook wordt voorzien in verhogingen ten gunste van een ten laste komende echtgenoot, valt de verhogingsregeling buiten het kader van de afwijkingsbepaling, met als gevolg dat de meer algemene bepaling van artikel 4, lid 1, aanhef en derde streepje, die voorschrijft dat verhogingen uit hoofde van de echtgenoot zonder discriminatie moeten worden uitgewerkt, van toepassing is. Voorts is het niet toegestaan, nieuwe vormen van discriminatie in te voeren die binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen.

14. De regering van het Verenigd Koninkrijk verdedigt daarentegen de opvatting, dat de in geding zijnde regeling wel door de afwijkingsbepaling van artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, van de richtlijn wordt gedekt. Voorts betoogt zij, dat verzoeksters uitlegging aan de afwijkingsregeling van artikel 7 haar inhoud ontneemt.(5) Een uitlegging die ertoe leidt, dat een Lid-Staat zich niet meer op artikel 7 van de richtlijn kan beroepen zodra een bepaling ten gunste van bepaalde categorieën vrouwen is vastgesteld, ontneemt die afwijkingsbepaling haar inhoud, daar zij de Lid-Staten ertoe zou dwingen, dit soort uitkeringen, die ingevolge artikel 7 van de richtlijn uitdrukkelijk van de werkingssfeer ervan zijn uitgezonderd, volledig nieuw te regelen.

15. Deze consequentie zou in strijd zijn met het doel van de richtlijn, het waarborgen van de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid, daar zij de Lid-Staten er uiteindelijk toe brengt, vast te houden aan de status quo.

16. De regering van het Verenigd Koninkrijk beschrijft de omstandigheden waaronder de omstreden voorwaarden zijn ingevoerd, als volgt. Bij een wetswijziging in 1984 inzake de aanpassing van de wetgeving van deze Lid-Staat aan de vereisten van richtlijn 79/7 heeft men ter uitvoering van artikel 4, lid 1, aanhef en derde streepje, aan tot onderhoud verplichte vrouwen bij de wet verhogingen op hun uitkeringen wegens ziekte, invaliditeit en werkloosheid toegekend. De vrouwen die recht hadden op deze uitkeringen, leden op grond van de destijds geldende rechtssituatie bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een aanzienlijk inkomensverlies. Dit kwam doordat bij de inwerkingtreding van richtlijn 79/7 ingevolge artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, alleen aan tot onderhoud verplichte mannen ten gunste van hun ten laste komende echtgenote verhogingen op uitkeringen bij ouderdom werden verleend. Om de bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd reeds van sociale uitkeringen(6) afhankelijke vrouwen een aanzienlijk inkomensverlies te besparen, heeft men voor deze categorie personen onder de beschreven omstandigheden een recht op verhogingen van het ouderdomspensioen in het leven geroepen. Deze tot enkele personen en uitkeringen beperkte toegangsmogelijkheid tot verhogingen moet niet worden opgevat als de invoering van een nieuwe uitkering in de zin van de toekenning van een algemene verhoging aan gepensioneerde vrouwen ten gunste van hun ten laste komende echtgenoot. De uitkering is uitgesloten voor vrouwen die bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd op gewone wijze hun beroepswerkzaamheid beëindigen.

17. De Commissie is van mening, dat de omstreden bepaling binnen de werkingssfeer van de afwijkingsbepaling van artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, van de richtlijn valt en derhalve niet in strijd met de richtlijn is.

18. Ter beantwoording van de vraag of de omstreden regelingen binnen de werkingssfeer van de afwijkingsbepaling van artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, vallen, moet allereerst worden uitgegaan van de bewoordingen van de bepaling. Deze spreekt van verhogingen van prestaties inzake ouderdom voor de ten laste komende echtgenote. De omstreden verhogingen van het pensioen werden oorspronkelijk, dat wil zeggen vóór de wetswijziging van 1984, uitsluitend aan tot onderhoud verplichte mannen toegekend ten gunste van hun ten laste komende echtgenote. De vroegere regeling werd ongetwijfeld door artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, gedekt. Deze regeling werd bij de wetswijziging in beginsel gehandhaafd. De toelating tot vergelijkbare pensioenverhogingen werd enkel opengesteld voor een duidelijk afgegrensde categorie personen en wel voor vrouwen die bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd reeds hun actieve beroepsleven hadden beëindigd en die voor hun onderhoud uitkeringen wegens ziekte, invaliditeit of werkloosheid ontvingen, in het kader waarvan hun verhogingen voor de ten laste komende echtgenoot werden toegekend.

19. Het blijven toekennen van verhogingen bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en de daarmee gepaard gaande wijziging van het recht op uitkeringen wegens ziekte, invaliditeit en werkloosheid in een recht op een ouderdomspensioen, strekt er in feite toe ° zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk heeft betoogd °, een aanzienlijk inkomensverlies van deze vrouwen vanaf dat tijdstip te verhinderen. Juridisch-technisch kan deze maatregel een zekere coherentie tot stand brengen bij de toekenning van uitkeringen wegens ziekte, invaliditeit, werkloosheid en ouderdomspensioenen. Door de partiële uitbreiding van de categorie personen die hierop aanspraak kan maken, hebben de uitkeringen in beginsel niet hun karakter van verhogingen van prestaties op lange termijn inzake ouderdom voor de ten laste komende echtgenote verloren.

20. Verzoekster wil uit de verschillende formuleringen in artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, en artikel 4, lid 1, aanhef en derde streepje, waar sprake is van "ten laste komende echtgenote" respectievelijk "echtgenoot", een argument afleiden ter ondersteuning van haar opvatting.

21. Mijns inziens moet de verhouding tussen artikel 4, lid 1, aanhef en derde streepje, en artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, worden verduidelijkt aan de hand van de systematiek ervan.

22. Wanneer in artikel 4, lid 1, aanhef en derde streepje, het gebod van gelijke behandeling voor "verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot" wordt opgelegd, dan geldt dit in beginsel voor alle binnen de materiële werkingssfeer van de richtlijn vallende uitkeringsstelsels. Volgens artikel 3, lid 1, sub a, zijn dit "de wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen de volgende eventualiteiten:

° ziekte,

° invaliditeit,

° ouderdom,

° arbeidsongevallen en beroepsziekten,

° werkloosheid"

alsmede volgens sub b,

"de sociale-bijstandsregelingen, voor zover deze een aanvulling vormen op of in de plaats komen van de sub a bedoelde regelingen".(7)

23. De afwijkingsbepaling voor de toekenning van verhogingen in artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, heeft daarentegen een meer beperkte werkingssfeer, daar zij slechts geldt voor "prestaties op lange termijn inzake invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen of beroepsziekten", terwijl de uitkeringen inzake ziekte en werkloosheid niet worden genoemd. Het is dus geenszins zo, dat de werkingssfeer van artikel 4, lid 1, aanhef en derde streepje, samenvalt met die van artikel 7, lid 1, aanhef en sub d. Aanschouwelijk gezegd: de werkingssfeer van de uitzonderingsbepaling van artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, is een segment van de werkingssfeer van artikel 4, lid 1, aanhef en derde streepje. De verschillende woordkeuze in de twee bepalingen ° echtgenoot respectievelijk echtgenote ° is derhalve niet het beslissende criterium ter bepaling van de werkingssfeer van deze bepalingen. Verzoeksters tekstargument acht ik derhalve niet overtuigend.

24. Blijft nog na te gaan, of de wijze waarop het Verenigd Koninkrijk door middel van de Sections 45 en 45 A van de Social Security Act gebruik heeft gemaakt van de afwijkingsregeling van artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, met het doel van die richtlijn in overeenstemming is. Zoals reeds herhaaldelijk opgemerkt, beoogt richtlijn 79/7 de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.(8) Ook de afzonderlijke bepalingen moeten in het licht van dit doel worden uitgelegd.

25. De Britse regering heeft met de wetswijziging van 1984 de haar in het kader van de afwijkingsbepaling van artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, geboden mogelijkheden niet volledig uitgeput. De nieuwe regeling kan als een minder verreikende regeling worden gezien ten opzichte van het voordien geoorloofde, veel verder gaande gebruik van de afwijking.

26. Mijns inziens is de verhogingsregeling door de partiële uitbreiding van de kring gerechtigde personen niet komen te liggen buiten de werkingssfeer van de uitzondering. Het opnemen van een specifieke categorie van vrouwen als potentiële gerechtigden is een stap op de weg naar de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toekenning van het recht op verhogingen.

27. De rechtsopvatting van verzoekster zou als praktische consequentie een "alles of niets"-oplossing hebben. De volledige uitsluiting van vrouwen als gerechtigden zou door artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, worden gedekt, terwijl daarentegen iedere wijziging van de rechtssituatie ten gunste van vrouwen alleen maar de volledige gelijkstelling zou kunnen zijn.

28. De regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie hebben mijns inziens terecht betoogd, dat het resultaat van deze zienswijze vooruitgang bij de opneming van vrouwen in de kring van gerechtigden verhindert en derhalve in strijd is met het doel van geleidelijke gelijkstelling. Zij zou naar alle waarschijnlijkheid uitlopen op een versterking van de status quo.

29. Voor het concrete geval van verzoekster leidt deze uitlegging tot het voor haar spijtige resultaat, dat zij ingevolge het gemeenschapsrecht geen recht op de gewenste verhoging heeft. Voor alle vrouwen die reeds verhogingen genieten of nog zullen genieten, is dit een vooruitgang vergeleken met de vroegere rechtssituatie.

30. Voorts behoeft met het oog op de onderhavige zaak geen antwoord te worden gegeven op de vraag of, wanneer voor vrouwen in het algemeen een recht wordt ingevoerd, dit recht zonder verschil in behandeling moet worden geregeld, omdat het hier een objectief begrensde uitzondering op een afwijking betreft.

31. Als tussenresultaat kan worden vastgesteld, dat bepalingen zoals die van de Sections 45 en 45 A van de Social Security Act, door artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, zijn gedekt.

Vraag 3

32. Vervolgens moet nog worden geantwoord op de derde vraag van de verwijzende rechter, die betrekking heeft op de "specifieke criteria" die bij het evenredigheidsbeginsel moeten worden toegepast. Daarmee zal zijn bedoeld, dat afwijkingen niet verder mogen gaan dan passend en noodzakelijk is ter verwezenlijking van het nagestreefde doel.(9)

33. De opvattingen van partijen met betrekking tot deze vraag kunnen als volgt worden samengevat.

Verzoekster is van mening, dat deze vraag slechts relevant is wanneer haar rechtsopvatting niet wordt aanvaard. Wanneer artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, van toepassing is, dient de verwijzende rechter na te gaan of de wettelijke regeling binnen de grenzen van de afwijkingsbepaling ligt, waarbij het evenredigheidsbeginsel moet worden toegepast.

De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft betoogd, dat er in de onderhavige zaak geen ruimte voor de toepassing van het evenredigheidsbeginsel is. Mocht dit beginsel niettemin door het Hof toepasselijk worden geacht, dan wijst zij subsidiair op de door advocaat-generaal Van Gerven in zaak C-9/91(10) voorgestane beperkte functie van het evenredigheidsbeginsel bij de toepassing van de artikelen 7 en 8 van richtlijn 79/7.

De Commissie stelt zich op het standpunt, dat het evenredigheidsbeginsel in de onderhavige zaak niet van toepassing is. De in de zaak Thomas(11) gestelde vraag inzake de toepassing van het evenredigheidsbeginsel was reeds daarom anders, omdat het daar om de uitlegging van artikel 7, lid 1, aanhef en sub a, ging, dat beoordelingsvrijheid laat bij de uitlegging van de woorden "die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties".

34. Het Hof heeft bij de afbakening van de grenzen van afwijkingsregelingen het evenredigheidsbeginsel toegepast. In het arrest Johnston(12) overwoog het inzake de uitlegging van de afwijkingsbepaling van artikel 2, lid 2, van richtlijn 76/207(13), dat "bij de vaststelling van de draagwijdte van een afwijking van een individueel recht, zoals het in de richtlijn neergelegde beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, het evenredigheidsbeginsel, een van de algemene rechtsbeginselen die ten grondslag liggen aan de communautaire rechtsorde, moet worden geëerbiedigd. Op grond van dit beginsel mogen afwijkingen niet verder gaan dan passend en noodzakelijk is ter verwezenlijking van het nagestreefde doel".(14)

35. De rol van de rechterlijke instanties van de Lid-Staten bij de toepassing van het evenredigheidsbeginsel kan als volgt worden beschreven. Moeten bij de beoordeling ook feitelijke omstandigheden in aanmerking worden genomen en gewaardeerd, dan is dit de taak van de rechterlijke instantie van de Lid-Staat waarbij het geding aanhangig is.(15) Het evenredigheidsbeginsel speelt dus pas een rol, voor zover er beoordelingsvrijheid bestaat.

36. In de zaken C-9/91(16) en C-328/91(17), waarin de verwijzende rechter vroeg of het evenredigheidsbeginsel van toepassing was, ging het om de uitlegging van artikel 7, lid 1, aanhef en sub a, van richtlijn 79/7, dat een onzeker rechtsbegrip bevat.(18) Zelfs in deze zaken heeft het Hof het evenredigheidsbeginsel niet uitdrukkelijk toegepast.

37. Advocaat-generaal Van Gerven heeft in zaak C-9/91 gewezen op de beperkte werking van dit beginsel bij de toepassing van de artikelen 7 en 8 van richtlijn nr. 79/7, daar deze bepalingen reeds een afweging van belangen bevatten.(19)

38. Advocaat-generaal Tesauro stelde zich in zaak C-328/91 op het standpunt, dat het evenredigheidsbeginsel in dit kader geen zelfstandige betekenis toekomt.(20)

39. Dit alles is slechts van praktische betekenis wanneer men er in beginsel van uitgaat, dat het evenredigheidsbeginsel van toepassing is. In de onderhavige procedure gaat het om de bepaling van de werkingssfeer van de afwijkingsregeling van artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, van richtlijn 79/7. De bewoordingen van dit artikel bevatten geen vage rechtsbegrippen. Volgens de door mij hiervóór verdedigde uitlegging van de toepasselijke bepalingen blijft de wettelijke regeling van de betrokken Lid-Staat binnen het kader van de afwijking. Een afbakening van de afwijking die een belangenafweging noodzakelijk maakt, is onder de gegeven omstandigheden dus niet nodig. Derhalve behoeft de verwijzende rechter het evenredigheidsbeginsel niet toe te passen.

C ° Conclusie

40. Mitsdien geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:

Artikel 7, lid 1, aanhef en sub d, van richtlijn 79/7/EEG moet aldus worden uitgelegd, dat dit artikel bepalingen zoals die van de Sections 45 en 45 A van de Social Security Act dekt, voor zover die bepalingen de kring van gerechtigde personen uitbreiden tot een categorie vrouwen, ook wanneer de criteria ter afbakening van deze categorie een extra voorwaarde voor het recht van vrouwen blijken te zijn.

Onder de gegeven omstandigheden is het evenredigheidsbeginsel niet van toepassing.

(*) Oorspronkelijke taal: Duits.

(1) ° Richtlijn van de Raad van 19 december 1978 (PB 1979, L 6, blz. 24).

(2) ° In de voor de beoordeling van de onderhavige zaak relevante tekst, zoals gewijzigd in 1984. Volledigheidshalve merk ik op, dat Sections 45 en 45 A van de Social Security Act 1975 met ingang van 8 juli 1992 zijn afgeschaft en zijn vervangen door Sections 83 en 84 van de Social Security Contributions and Benefits Act 1992, die een vergelijkbare inhoud hebben.

(3) ° Zie artikel 8, lid 2, van de richtlijn.

(4) ° Arresten van 26 februari 1986 (zaak 152/84, Marshall, Jurispr. 1986, blz. 723) en 15 mei 1986 (zaak 222/84, Johnston, Jurispr. 1986, blz. 1651).

(5) ° Onder verwijzing naar het arrest van 7 juli 1992 (zaak C-9/91, Equal Opportunities Commission, Jurispr. 1992, I-4297, r.o. 14-19).

(6) ° Uitkeringen wegens ziekte, invaliditeit en werkloosheid.

(7) ° De verplichting om de verhogingen gelijk te trekken, is het Verenigd Koninkrijk ° naar tijdens de procedure betoogd ° voor uitkeringen inzake ziekte, invaliditeit en werkloosheid nagekomen door de wetswijziging van 1984.

(8) ° Zie dienaangaande de titel van de richtlijn, een verwijzing in de considerans en artikel 1 van de richtlijn. Zie ook arrest van 7 juli 1992 (zaak C-9/91, Equal Opportunities Commission, Jurispr. 1992, blz. I-4292, r.o. 14).

(9) ° Arrest van 15 mei 1986 (zaak 222/84, Johnston, Jurispr. 1986, blz. 1651, r.o. 38).

(10) ° Zie de conclusie van 12 mei 1992 in zaak C-9/91 (reeds aangehaald, blz. I-4318, punt 13).

(11) ° Arrest van 30 maart 1993 (zaak C-328/91, Thomas e.a., Jurispr. 1993, I-1247).

(12) ° Zie zaak Johnston, reeds aangehaald.

(13) ° Richtlijn van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40).

(14) ° Zie zaak Johnston, reeds aangehaald, r.o. 38.

(15) ° Zie zaak Johnston, reeds aangehaald, r.o. 39.

(16) ° Arrest van 7 juli 1992, zaak C-9/91, reeds aangehaald.

(17) ° Zie zaak Thomas e.a., voetnoot 11.

(18) ° De gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties .

(19) ° Conclusie van advocaat-generaal Van Gerven (reeds aangehaald, punt 13).

(20) ° Zie de conclusie van advocaat-generaal Tesauro (reeds aangehaald, punt 14).