Conclusie van advocaat-generaal Lenz van 16 september 1993. - OWENS BANK LTD TEGEN FULVIO BRACCO EN BRACCO INDUSTRIA CHIMICA SPA. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: HOUSE OF LORDS - VERENIGD KONINKRIJK. - EEG-EXECUTIEVERDRAG - UITLEGGING VAN DE ARTIKELEN 21, 22 EN 23 - ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING VAN IN NIET-VERDRAGSLUITENDE STATEN GEWEZEN VONNISSEN. - ZAAK C-129/92.
Jurisprudentie 1994 bladzijde I-00117
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - Inleiding
1. Verzoekster in het hoofdgeding, Owens Bank Ltd (hierna: "verzoekster") is gevestigd in Sint-Vincent en de Grenadinen(1), waar zij als vennootschap en als bank is ingeschreven.
Bracco Industria Chimica SpA is een farmaceutische onderneming, gevestigd in Italië. De president-directeur van die onderneming is F. Bracco, die zijn woonplaats in Italië heeft. Ik zal Bracco en de door hem geleide onderneming hierna "verweerders" noemen.
2. Op 29 januari 1988 werden verweerders door de High Court of Justice of Saint-Vincent veroordeeld tot terugbetaling van een lening ten bedrage van negen miljoen Zwitserse frank, die verzoekster eind januari 1979 aan verweerders zou hebben verstrekt. In die procedure baseerde verzoekster zich met name op bepaalde documenten die de handtekening van Bracco droegen, en op de verklaringen van één van haar personeelsleden, die de overhandiging van het geld bevestigde. De documenten bevatten onder meer een clausule waarin de High Court Sint-Vincent voor alle geschillen betreffende de leningsovereenkomst als bevoegd werd aangewezen.
In de loop van die procedure betoogden verweerders, dat de door verzoekster overgelegde documenten vervalsingen waren en dat getuigen in de procedure valse verklaringen hadden afgelegd. De High Court of Saint-Vincent besliste echter, dat verweerders deze bezwaren niet tijdig hadden aangevoerd, en wees de vordering toe. Het hoger beroep van verweerders tegen dit vonnis werd op 12 december 1989 door de Court of Appeal of Saint-Vincent verworpen.
3. Op 11 juli 1989 wendde verzoekster zich tot een gerecht te Milaan met het verzoek het in Sint-Vincent gewezen vonnis uitvoerbaar te verklaren. Verweerders voerden voor het Italiaanse gerecht onder meer aan, dat verzoekster het litigieuze vonnis op bedrieglijke wijze had verkregen. Deze procedure (hierna: "Italiaanse tenuitvoerleggingsprocedure"(2) was ten tijde van de verwijzingsbeschikking van het House of Lords nog niet beëindigd. Volgens de verklaringen van verweerders heeft het Italiaanse gerecht het verzoek tot uitvoerbaarverklaring van het in Sint-Vincent gewezen vonnis inmiddels bij een nog niet definitieve beslissing verworpen, zonder zich echter uit te spreken over de vraag, of verzoekster dat vonnis op bedrieglijke wijze had verkregen.
4. Reeds in november 1988 hadden verweerders in Italië tegen verzoekster een burgerlijke procedure (hierna: "Italiaanse burgerlijke procedure") aanhangig gemaakt, waarin zij onder meer wilden laten vaststellen, dat zij verzoekster niets verschuldigd waren. Ook in deze procedure was ten tijde van de mondelinge behandeling voor het Hof nog geen definitieve beslissing gegeven.
5. Naast deze procedures en de tenuitvoerleggingsprocedure in Engeland, waar ik dadelijk toe kom, heeft het geschil tussen verweerders en verzoekster nog tot een reeks andere procedures geleid, die hier niet nader moeten worden onderzocht. Vermeldenswaard is echter het (nog niet definitieve) vonnis van een Milanees gerecht in de strafzaak tegen Nano en Layne(3) van 21 juni 1991. In deze uitvoerig en zorgvuldig gemotiveerde beslissing komt het Italiaanse gerecht tot de slotsom, dat de door verzoekster overgelegde documenten vervalsingen waren.
6. Op 7 maart 1990 diende verzoekster krachtens Section 9 van de Administration of Justice Act 1920 een verzoek in om het in Sint-Vincent gewezen vonnis in Engeland uitvoerbaar te verklaren. Ook in deze procedure (hierna: "Engelse tenuitvoerleggingsprocedure") voerden verweerders aan, dat het ten uitvoer te leggen vonnis door verzoekster op bedrieglijke wijze was verkregen. Bovendien verzochten zij het Engelse gerecht op grond van de artikelen 21 en 22 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: "Executieverdrag"), tot verwijzing over te gaan of de uitspraak in de Engelse tenuitvoerleggingsprocedure aan te houden tot de Italiaanse tenuitvoerleggingsprocedure zou zijn afgelopen. Tot staving van hun verzoek voerden verweerders aan, dat de vraag, of verzoekster het in Sint-Vincent gewezen vonnis op bedrieglijke wijze had verkregen, zowel in de Engelse als in de Italiaanse tenuitvoerleggingsprocedure moest worden onderzocht.
7. Het Engelse recht kent verschillende wegen voor de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse (dat wil zeggen niet in Engeland of Wales gegeven) beslissingen in Engeland(4):
- Volgens Section 9 van de Administration of Justice Act 1920 kunnen de beslissingen van bepaalde staten (waaronder Sint-Vincent en de Grenadinen), waarbij de verweerder tot betaling van een geldsom is veroordeeld, in Engeland - door middel van de inschrijving in een register - worden erkend. Deze erkenning heeft tot gevolg, dat het buitenlandse vonnis in beginsel zoals een door Engelse gerechten gegeven beslissing ten uitvoer kan worden gelegd.
Vergelijkbare bepalingen zijn neergelegd in de Foreign Judgments (Reciprocal Enforcement) Act 1933.
- Beslissingen van gerechten van andere staten die partij zijn bij het Executieverdrag, alsook beslissingen van gerechten in andere delen van het Verenigd Koninkrijk, kunnen op grond van de bepalingen van de Civil Jurisdiction and Judgments Act 1982 worden erkend en ten uitvoer gelegd.
- Naar Common Law kan in bepaalde gevallen op grond van een buitenlands vonnis een vordering worden ingesteld. Het gaat daarbij om een gewone burgerlijke procedure, waarvan de eigenaardigheid is, dat de vordering niet op de oorspronkelijke aanspraak (bij voorbeeld de aanspraak tot terugbetaling van een lening) berust, maar op het buitenlandse vonnis waarbij de verweerder tot betaling is veroordeeld.(5)
8. De registratie respectievelijk erkenning van een buitenlands vonnis overeenkomstig Section 9 van de Administration of Justice Act 1920 is onder meer dan uitgesloten, wanneer het betrokken vonnis op bedrieglijke wijze is verkregen.(6) Hetzelfde geldt wanneer de erkenning van een vonnis in strijd zou zijn met de Engelse openbare orde ("public policy").(7) Is een vonnis in een dergelijk geval aanvankelijk toch erkend, dan kan deze erkenning worden betwist.(8) Het aangezochte gerecht kan dan bepalen, dat een in deze procedure opgekomen geschilpunt ("issue") in een procedure op tegenspraak ("trial") wordt beslecht.(9)
Ook met betrekking tot de wijze waarop een dergelijke incidentele procedure wordt georganiseerd, beschikt het gerecht over een zekere beoordelingsvrijheid.(10) Dit wordt geïllustreerd door de beslissing in de zaak Société Coopérative Sidmetal v. Titan International Ltd.(11) In deze zaak ging het om de registratie van een Belgisch vonnis in Engeland. De in het bodemgeschil in het ongelijk gestelde Belgische onderneming had in deze procedure een Engelse firma (haar leverancier) in het geding geroepen. In de procedure voor het Londense gerecht voerde de Engelse firma aan, dat het Belgische gerecht onbevoegd was. Het Engelse gerecht besliste, dat over die vraag een proces zou worden gevoerd, waarbij de Engelse firma de rol van eiseres kreeg toebedeeld.
9. De High Court (Mr Justice Sheen) gaf op 7 maart 1990 twee beschikkingen. De eerste betrof een bewarende maatregel (de zogenoemde "Mareva injunction"), die werd bevolen nadat verzoekster zich ertoe had verbonden, een vordering in de door de High Court goedgekeurde vorm in te stellen. Deze vordering, die ertoe strekte, het in Sint-Vincent gewezen vonnis in Engeland te laten registreren (en tevens de geldigheidsduur van de bewarende maatregel te doen verlengen), werd door verzoekster nog dezelfde dag bij de High Court ingesteld.
In de tweede beschikking (hierna: "registratiebeschikking") werd meteen de registratie van het in Sint-Vincent gewezen vonnis overeenkomstig de Administration of Justice Act 1920 bevolen, doch aan verweerders de mogelijkheid geboden, om opheffing van de registratie te verzoeken indien zij daarvoor gronden zouden hebben. Tevens besliste de High Court, dat het aldus erkende vonnis niet vóór de eerste terechtzitting in de hoofdzaak of vóór de beslissing over een eventueel verzoek van verweerders tot opheffing van de registratie, ten uitvoer mocht worden gelegd.
10. Verweerders verschenen en dienden verschillende verzoeken in, waarbij zij zich - zoals gezegd - met name op het Executieverdrag beriepen. De High Court (Sir Peter Pain) besliste op 19 juli 1990, dat het Executieverdrag op de betrokken procedure niet van toepassing was.(12) Op 9 november 1990 gelastte de High Court bovendien, dat tussen de betrokkenen een procedure op tegenspraak zou worden gevoerd over de vraag, of de registratiebeschikking en alle daaropvolgende proceshandelingen moesten worden opgeheven, omdat het in Sint-Vincent gewezen vonnis behoorde tot de beslissingen die overeenkomstig Section 9 (2) (d) (bedrog) of Section 9 (2) (f) (strijd met de openbare orde) van de Administration of Justice Act 1920 in Engeland niet hadden mogen worden geregistreerd.(13)
11. Verzoekster en verweerders gingen tegen die beslissingen in hoger beroep (verweerders tegen het vonnis van 19 juli en verzoekster tegen de beslissing van 9 november 1990). De Court of Appeal verwierp de beroepen op 27 maart 1991.(14) De appelinstantie achtte het Executieverdrag niet van toepassing op procedures inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen uit derde staten en met name op procedures krachtens de Administration of Justice Act 1920. Zelfs wanneer het Executieverdrag toepassing zou vinden, zouden in ieder geval de artikelen 21 en 22 op de onderhavige zaak niet van toepassing zijn.
De Court of Appeal bevestigde bovendien, dat over de vraag, of het in Sint-Vincent gewezen vonnis op bedrieglijke wijze was verkregen, in een procedure op tegenspraak moest worden beslist.
12. Verzoekster en verweerders kwamen tegen de voor hen bezwarende gedeelten van de beslissing op bij het House of Lords. De voorziening van verzoekster werd door het House of Lords op 1 april 1992 verworpen.(15) Met betrekking tot die van verweerders, achtte het nationale gerecht het geboden, het Hof om een beslissing te verzoeken.
13. Het House of Lords heeft dan ook de navolgende vragen met het oog op een prejudiciële beslissing naar het Hof verwezen:
"1) Is het Verdrag van Brussel van 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Executieverdrag) van toepassing op in verdragsluitende staten aanhangige procedures of daarin opgekomen geschilpunten, die betrekking hebben op de erkenning en tenuitvoerlegging van in niet-verdragsluitende staten gegeven beslissingen in burgerlijke en handelszaken?
2) Zijn de artikelen 21, 22 of 23 Executieverdrag van toepassing op procedures of daarin opgekomen geschilpunten, die in meer dan een verdragsluitende staat aanhangig zijn gemaakt met het oog op de tenuitvoerlegging van een in een niet-verdragsluitende staat gegeven beslissing?
3) Indien het gerecht van een verdragsluitende staat ingevolge het Executieverdrag bevoegd is zijn uitspraak op grond van litispendentie aan te houden, aan de hand van welke beginselen van gemeenschapsrecht moet een nationale rechterlijke instantie dan beoordelen, of het nationale gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak dient aan te houden?"
B - Discussie
Inleidende opmerking
14. Vooraleer ik op de door het House of Lords gestelde vragen inga, wil ik proberen de te behandelen problematiek te preciseren. Dit lijkt mij niet overbodig, te meer daar de vertegenwoordigster van verweerders tijdens de mondelinge behandeling voor het Hof de Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk(16) ernstige misverstanden heeft verweten en de relevantie van hun argumenten voor de onderhavige zaak heeft betwist.
15. Verweerders hebben terecht erop gewezen, dat het in casu gaat om procedures die ertoe strekken, de voorwaarden te scheppen voor de gedwongen tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing, gegeven in een staat (hierna: "derde staat") die geen partij is bij het Executieverdrag.(17) Het gaat met andere woorden om procedures waarin de beslissing van een gerecht van een derde staat in één van de staten die partij zijn bij het Executieverdrag (hierna: "verdragsluitende staten") uitvoerbaar moet worden verklaard.(18) De onderhavige zaak betreft daarentegen niet de op de uitvoerbaarverklaring volgende gedwongen tenuitvoerlegging, dat wil zeggen het gedwongen ten uitvoer brengen van het vonnis.
16. Het House of Lords wenst allereerst te vernemen, of het Executieverdrag van toepassing is op procedures die de tenuitvoerlegging van een in een derde staat gewezen vonnis in een staat die partij is het Executieverdrag betreffen (zie de eerste prejudiciële vraag). Vervolgens rijst nog de vraag, of - en in voorkomend geval hoe - de bepalingen van het Executieverdrag betreffende aanhangigheid en samenhang (artikelen 21 tot en met 23) kunnen worden toegepast, wanneer de uitvoerbaarverklaring van een in een derde staat gewezen vonnis gelijktijdig in verschillende verdragsluitende staten wordt gevraagd (zie de tweede en de derde prejudiciële vraag).
17. Verweerders hebben evenwel terecht betoogd, dat de inhoud van de prejudiciële vragen zich daartoe niet beperkt. Het House of Lords wenst bovendien een antwoord op de vraag, of de bepalingen van het Executieverdrag (dan wel sommige daarvan) kunnen worden toegepast op "geschilpunten" ("issues"), die in een procedure inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van een in een derde staat gewezen vonnis opkomen.
Met betrekking tot de onderhavige zaak betekent dit het volgende: de Engelse gerechten hebben beslist, dat over de vraag, of verzoekster het in Sint-Vincent gewezen vonnis op bedrieglijke wijze heeft verkregen, een procedure op tegenspraak moet worden gevoerd.(19) Deze vraag houdt ook het Italiaanse gerecht, dat over de uitvoerbaarverklaring van het vonnis in Italië moet beslissen, bezig. Betekent dit, dat één van die gerechten overeenkomstig de artikelen 21 tot en met 23 Executieverdrag de partijen naar het andere gerecht moet verwijzen of zijn uitspraak moet aanhouden tot het andere gerecht over die vraag heeft beslist? Ik zal hierna de twee aspecten van de prejudiciële vragen behandelen.
18. Verweerders hebben in hun schriftelijke opmerkingen en vooral tijdens de mondelinge behandeling voor het Hof betoogd, dat de vraag van een mogelijk bedrog ook in de Italiaanse burgerlijke procedure(20) is opgeworpen. Zij schijnen dat ook in de procedure voor de High Court en voor de Court of Appeal te hebben aangevoerd.(21)
De verwijzingsbeschikking van het House of Lords verwijst uitsluitend naar de "Engelse tenuitvoerleggingsprocedure" en de "Italiaanse tenuitvoerleggingsprocedure".(22) Daar de Italiaanse burgerlijke procedure slechts op één plaats wordt vermeld(23) en voor de rest niet wordt besproken, zou men kunnen aannemen, dat het Hof, volgens de verwijzende rechter, in zijn antwoord op de prejudiciële vragen dit aspect niet moet behandelen.
Ik zal echter volledigheidshalve ook op deze omstandigheid kort ingaan.
19. Ten slotte moet eraan worden herinnerd, dat de Engelse tenuitvoerleggingsprocedure de uitvoerbaarverklaring van een vonnis overeenkomstig de bepalingen van de Administration of Justice Act 1920 betreft. De prejudiciële vragen van het House of Lords verwijzen echter in zeer algemene termen naar procedures die betrekking hebben op "de erkenning en tenuitvoerlegging van in niet-verdragsluitende staten gegeven beslissingen in burgerlijke en handelszaken". Ik zal derhalve in mijn uiteenzetting eerst van de concrete casuspositie uitgaan, maar het Hof dan een antwoord in overweging geven, dat geldt voor alle procedures die bestemd zijn om de tenuitvoerlegging van een in een derde staat gewezen vonnis in de staten die partij zijn bij het Executieverdrag mogelijk te maken.
Toepasselijkheid van het Executieverdrag
Ontoelaatbaarheid van een dubbel exequatur
20. Tussen de partijen die aan de procedure voor het Hof hebben deelgenomen, bestaat eensgezindheid over het feit, dat een beslissing waarbij een gerecht van een verdragsluitende staat een in een andere staat gegeven beslissing erkent en uitvoerbaar verklaart, niet zelf krachtens titel III van het Executieverdrag in een andere verdragsluitende staat kan worden erkend en uitvoerbaar verklaard.
21. Voor zover de oorspronkelijke beslissing door een gerecht van een verdragsluitende staat is gegeven en onder het Executieverdrag valt, volgt dat reeds uit het Verdrag.(24) Zo kan bij voorbeeld een beslissing van een Belgisch gerecht, waarbij de verweerder wegens contractbreuk tot schadevergoeding wordt veroordeeld, in Frankrijk krachtens artikel 31 Executieverdrag ten uitvoer worden gelegd, "nadat zij aldaar (...) van het verlof tot tenuitvoerlegging [is] voorzien". De gevolgen van die uitvoerbaarverklaring beperken zich tot de staat waarvan de gerechten ze hebben uitgesproken. Is het de bedoeling, dat het vonnis ook in Spanje ten uitvoer wordt gelegd, dan moet het eerst door de Spaanse gerechten uitvoerbaar worden verklaard.
Dit blijkt zowel uit de tekst van artikel 31 ("aldaar") als uit de aard van de procedure. De uitvoerbaarverklaring maakt het mogelijk, een buitenlands vonnis in een bepaalde verdragsluitende staat ten uitvoer te leggen. Zij is dus noodzakelijk voorbehouden aan de organen van de staat waarin de beslissing ten uitvoer moet worden gelegd. Luidens artikel 34, tweede alinea, juncto artikel 27, sub 1, Executieverdrag kan het verzoek tot uitvoerbaarverklaring onder meer worden afgewezen, wanneer de erkenning van de beslissing strijdig zou zijn "met de openbare orde van de aangezochte staat". Zoals bekend, heeft dit begrip niet noodzakelijk in iedere verdragsluitende staat dezelfde betekenis. In het zoëven aangehaalde voorbeeld kan de beslissing van de Franse gerechten, het Belgische vonnis in Frankrijk uitvoerbaar te verklaren, dus geenszins de Spaanse gerechten binden. Is het de bedoeling, dat het vonnis ook in Spanje uitvoerbaar wordt verklaard, dan moet de schuldeiser bij het bevoegde Spaanse gerecht een verzoek tot uitvoerbaarverklaring indienen. Dit gerecht beslist dan autonoom, of het vonnis in Spanje ten uitvoer mag worden gelegd.
22. Hetzelfde geldt voor de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen uit derde staten. De beslissing van een verdragsluitende staat waarbij een vonnis uit een derde staat uitvoerbaar wordt verklaard, heeft enkel in die verdragsluitende staat gevolgen. Is het de bedoeling, dat het in een derde staat gewezen vonnis ook in een andere verdragsluitende staat ten uitvoer wordt gelegd, dan moet de schuldeiser zich tot de gerechten van deze verdragsluitende staat wenden ter verkrijging van een beslissing waarbij het in een derde staat gewezen vonnis in deze verdragsluitende staat uitvoerbaar wordt verklaard. In beide gevallen gaat het om procedures die uitsluitend door het recht van de betrokken verdragsluitende staat, met inbegrip van de tussen deze verdragsluitende staat en de derde staat bestaande verdragen, worden beheerst. Titel III van het Executieverdrag is echter op die procedures niet van toepassing. Dit betekent met name, dat de beslissing van verdragsluitende staat A, waarbij het in een derde staat gewezen vonnis in deze verdragsluitende staat uitvoerbaar wordt verklaard, niet krachtens artikel 31 Executieverdrag in verdragsluitende staat B ten uitvoer kan worden gelegd.
Zou men immers een dergelijk "dubbel exequatur" toestaan, dan zou er - zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk terecht heeft opgemerkt - gevaar bestaan, dat een schuldeiser de voorwaarden die een verdragsluitende staat voor de erkenning van vonnissen uit de betrokken derde staat stelt, zou kunnen omzeilen. Stelt bij voorbeeld verdragsluitende staat A de erkenning en tenuitvoerlegging van een vonnis uit een derde staat afhankelijk van bepaalde voorwaarden, terwijl vonnissen uit deze derde staat in verdragsluitende staat B zonder meer uitvoerbaar worden verklaard, dan zou de schuldeiser eerst in verdragsluitende staat B de uitvoerbaarverklaring kunnen verkrijgen en deze beslissing van verdragsluitende staat B dan zonder moeite (krachtens artikel 31 Executieverdrag) in verdragsluitende staat A ten uitvoer kunnen leggen. Ik ben het met de regering van het Verenigd Koninkrijk eens, dat het Executieverdrag niet bedoeld is om dit soort forum shopping mogelijk te maken.(25)
Dat een beslissing van een verdragsluitende staat, waarbij een vonnis van een andere staat uitvoerbaar wordt verklaard, niet zelf in een andere verdragsluitende staat uitvoerbaar kan worden verklaard, is dan ook de bijna eenstemmige mening in de literatuur.(26)
23. Mijns inziens geldt dit ook, wanneer het in een derde staat gewezen vonnis in een verdragsluitende staat niet als zodanig uitvoerbaar wordt verklaard, maar tot grondslag van een burgerlijke procedure wordt gemaakt.(27) Ook de beslissing over een dergelijke actio iudicati strekt tot tenuitvoerlegging van het in een derde staat gewezen vonnis in de betrokken verdragsluitende staat. Zou men toestaan dat een dergelijke beslissing op grond van de bepalingen van titel III van het Executieverdrag uitvoerbaar wordt verklaard, dan zou men niet alleen voor de schuldeiser de boven beschreven mogelijkheden tot het omzeilen van erkenningsvoorschriften openen, maar ook - zoals ik zal aantonen - het in het Executieverdrag neergelegde stelsel van bevoegdheden in de war sturen.(28)
Toepassingsgebied van het Executieverdrag
24. Verweerders voeren in wezen twee argumenten aan tot staving van hun opvatting, dat de bepalingen van het Executieverdrag van toepassing zijn op "in verdragsluitende staten aanhangige procedures of daarin opgekomen geschilpunten, die betrekking hebben op de erkenning en tenuitvoerlegging van in niet-verdragsluitende staten gegeven beslissingen in burgerlijke en handelszaken". Enerzijds stellen zij, dat dit uit de bewoordingen van artikel 1 Executieverdrag blijkt. Ook artikel 16, sub 5, zou bewijzen, dat procedures die de tenuitvoerlegging van vonnissen betreffen, binnen het toepassingsgebied van het Executieverdrag vallen. Anderzijds voeren zij aan, dat de beginselen en doelstellingen van het Executieverdrag tot een dergelijke uitlegging nopen. Het Executieverdrag zou bedoeld zijn om de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de gerechten van de verdragsluitende staten in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken en de rechtsbescherming van degenen die in de Gemeenschap zijn gevestigd te vergroten. Bovendien zou het, in het belang van een goede rechtsbedeling in de Gemeenschap, ertoe moeten bijdragen, parallelle procedures voor de gerechten van verschillende verdragsluitende staten en tegenstrijdige beslissingen, die daarvan het gevolg kunnen zijn, te voorkomen, en daarmee tevens in de mate van het mogelijke uit te sluiten, dat een verdragsluitende staat een in een andere verdragsluitende staat gegeven beslissing weigert te erkennen wegens onverenigbaarheid met een beslissing die in de aangezochte staat tussen dezelfde partijen is gegeven.
In dit verband wijzen verweerders op de nadelige gevolgen die zich volgens hen zouden voordoen, indien de bepalingen van het Executieverdrag geen toepassing zouden vinden. Zowel in de Engelse als in de Italiaanse tenuitvoerleggingsprocedure zouden zij te hunner verdediging hebben aangevoerd, dat verzoekster het in Sint-Vincent gewezen vonnis op bedrieglijke wijze heeft verkregen. Zouden de bepalingen van het Executieverdrag, en met name afdeling 8 van titel II, betreffende aanhangigheid en samenhang, niet van toepassing zijn, dan zou er gevaar bestaan, dat verweerders in beide tenuitvoerleggingsprocedures telkens moeten bewijzen, dat hun betoog met de feiten overeenkomt. Indien verzoekster ook nog in een andere verdragsluitende staat om uitvoerbaarverklaring van haar vonnis zou verzoeken, zouden verweerders ook in de tenuitvoerleggingsprocedure voor de gerechten van deze staat opnieuw moeten bewijzen, dat verzoekster het in een derde staat gewezen vonnis op bedrieglijke wijze heeft verkregen. Over dezelfde vraag zou dus door verschillende gerechten moeten worden beslist. Verweerders zouden dus aanzienlijke extra kosten moeten maken om hun rechten te doen gelden.
Bewoordingen van artikel 1
25. Overeenkomstig artikel 1, eerste alinea, eerste volzin, Executieverdrag wordt dit Verdrag "toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht waarvoor deze zaken zich afspelen". Vervolgens somt artikel 1 enkele rechtsgebieden op, die niet binnen het toepassingsgebied van het Executieverdrag vallen; deze zijn voor de onderhavige zaak niet van belang.
26. Verweerders wijzen erop, dat het in de bedoeling lag, het Executieverdrag een zo ruim mogelijk toepassingsgebied te geven. In het rapport Jenard wordt daarover gezegd:
"In deze oplossing valt in beginsel het gehele vermogensrecht onder het toepassingsgebied van het Verdrag, dat te dien aanzien in de ruimste zin moet worden uitgelegd. Niet vallen onder het Verdrag de staat en de bevoegdheid van personen, erfenissen, testamenten, huwelijksgoederenrecht, faillissement, sociale zekerheid en de arbitrage."(29)
27. De bewoordingen van de betrokken bepaling en de zoëven aangehaalde passage laten vermoeden, dat de daar vermelde procedures in burgerlijke en handelszaken procedures zijn die civiel- of handelsrechtelijke aanspraken betreffen (bij voorbeeld de aanspraak op terugbetaling van een lening), en niet procedures tot erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen.(30) Het is echter juist, dat artikel 1 ook in de door verweerders voorgestane zin zou kunnen worden uitgelegd. Daarbij moet met name in acht worden genomen, dat artikel 1 titel I van het Executieverdrag vormt, waarin het toepassingsgebied van het Verdrag wordt gedefinieerd. Daar titel III van het Executieverdrag de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen regelt, zou de opvatting zijn te verdedigen, dat dergelijke procedures binnen het toepassingsgebied van het Executieverdrag vallen.(31)
Systematiek en doelstellingen van het Executieverdrag
28. Mijns inziens blijkt echter uit de systematiek en de doelstellingen van het Executieverdrag, dat dit niet op procedures van het hier bedoelde soort van toepassing is. Ik zal daarbij eerst alleen de procedures tot erkenning en tenuitvoerlegging van in een derde staat gewezen vonnissen behandelen.(32)
29. Ik ben van mening, dat de vraag, hoe een beslissing van een gerecht uit een derde staat in de Gemeenschap kan worden uitvoerbaar verklaard en ten uitvoer gelegd, in het Executieverdrag niet is noch moest worden geregeld.
30. Allereerst zij erop gewezen, dat volgens artikel 25 Executieverdrag onder "beslissingen" in de zin van het Executieverdrag zijn te verstaan, beslissingen die door een "gerecht van een verdragsluitende staat" zijn gegeven. Voor de verhouding tussen die beslissingen en de vonnissen van derde staten is artikel 27, sub 5, van fundamenteel belang. Volgens deze bepaling wordt een beslissing van een verdragsluitende staat in een andere verdragsluitende staat niet erkend,
"indien de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een niet bij het Verdrag partij zijnde staat tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits deze laatste beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte staat".
Deze bepaling toont enerzijds aan, dat het Executieverdrag zelf ervan uitgaat, dat er gevallen zijn waarin een op grond van het Executieverdrag gegeven beslissing in een andere verdragsluitende staat niet wordt erkend, omdat zij met een in een derde staat gewezen vonnis onverenigbaar is. Anderzijds toont de verwijzing in die bepaling naar de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte staat aan, dat men de vraag van de erkenning van in een derde staat gewezen vonnissen aan het recht van de betrokken verdragsluitende staat heeft willen voorbehouden. Het Executieverdrag regelt enkel de gevolgen, die uit het bestaan van een erkende of voor erkenning vatbare beslissing van een derde staat en een daarmee onverenigbaar vonnis van een verdragsluitende staat voortvloeien, en dat conflict wordt in het voordeel van het vroeger gewezen vonnis van de derde staat beslecht.(33)
31. De Commissie heeft bovendien terecht beklemtoond, dat het Executieverdrag het recht van de verdragsluitende staten om met derde staten overeenkomsten betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen te sluiten, onverlet laat. Of dit uit het door de Commissie aangevoerde artikel 57(34) dan wel (ook) uit andere bepalingen en overwegingen volgt, kan hier in het midden blijven.(35) Alles bij elkaar genomen, staat in ieder geval vast, dat de erkenning en tenuitvoerlegging van in een derde staat gewezen vonnissen is voorbehouden aan het recht van de betrokken verdragsluitende staat (met inbegrip van eventueel bestaande overeenkomsten met derde landen).
Deze uitlegging beantwoordt ook aan het doel van het Executieverdrag, de formaliteiten waaraan de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen onderworpen zijn, te vereenvoudigen, zoals het in artikel 220 EEG-Verdrag (de rechtsgrondslag voor het Executieverdrag) en in de preambule van het Executieverdrag is neergelegd. Zoals gezegd, kunnen beslissingen waarbij een vonnis in een verdragsluitende staat wordt erkend en uitvoerbaar verklaard, in een andere verdragsluitende staat niet uitvoerbaar worden verklaard. De toepassing van het Executieverdrag op dergelijke procedures zou dus van geen belang zijn voor het bereiken van het genoemde doel.
32. Minder belangrijk in dit verband lijkt mij daarentegen de verwijzing van de Commissie naar het arrest van het Hof in de zaak Hagen. In dat arrest overwoog het Hof onder meer:
"Er zij op gewezen, dat het Executieverdrag niet tot doel heeft het procesrecht één te maken, maar de rechterlijke bevoegdheid voor de beslechting van civiel- en handelsrechtelijke geschillen binnen de Gemeenschap te verdelen (...)."(36)
De Commissie lijkt uit deze uitspraak en uit de bewoordingen van artikel 220 EEG-Verdrag te willen afleiden, dat het Executieverdrag niet van toepassing is op procedures die een band met derde staten vertonen. Ik aarzel, deze opvatting tot de mijne te maken. Het lijkt mij echter niet noodzakelijk, die vraag hier nader te onderzoeken. Enerzijds kan moeilijk worden betwist, dat in de onderhavige zaak de volgens bedoelde opvatting vereiste intracommunautaire aanknoping niet ontbreekt, aangezien de erkenning en tenuitvoerlegging van de in Sint-Vincent gegeven beslissing de gerechten van twee verdragsluitende staten bezighoudt. Anderzijds zal het Hof in de thans aanhangige zaak "Harrods" wellicht de gelegenheid vinden om op die vraag in te gaan.(37)
33. Voorts moet worden gewezen op de samenhang tussen titel II ("Bevoegdheid") en titel III ("Erkenning en tenuitvoerlegging") van het Executieverdrag. De door het Executieverdrag vereenvoudigde procedure tot tenuitvoerlegging van vonnissen van een verdragsluitende staat in een andere verdragsluitende staat is "het resultaat van titel II".(38) De vaststelling van bevoegdheidsregels en daarbij aansluitende procedurele bepalingen (met name de artikelen 21 tot en met 23) dient om de erkenning en tenuitvoerlegging van de in de betrokken procedures gegeven beslissingen te vergemakkelijken. Zoals gezegd, beperken de gevolgen van een beslissing van een verdragsluitende staat, waarbij een in een derde staat gewezen vonnis uitvoerbaar wordt verklaard, zich tot het grondgebied van die verdragsluitende staat. Een dergelijke exequaturbeslissing kan in een andere verdragsluitende staat niet zelf uitvoerbaar worden verklaard.(39) Er kan dus ook nooit sprake zijn van onverenigbaarheid tussen dergelijke beslissingen die in verschillende Lid-Staten zijn gegeven. Wordt het in een derde staat gewezen vonnis in verdragsluitende staat A uitvoerbaar verklaard, terwijl de uitvoerbaarverklaring in verdragsluitende staat B wordt geweigerd, dan heeft dit enkel tot gevolg, dat de schuldeiser tot tenuitvoerlegging kan overgaan in verdragsluitende staat A, maar niet in verdragsluitende staat B.
Van onverenigbaarheid van in verschillende verdragsluitende staten gewezen vonnissen zou hoogstens sprake kunnen zijn in de verhouding tussen een dergelijke exequaturbeslissing en een op grond van het Executieverdrag (bij voorbeeld in de Italiaanse burgerlijke procedure) gegeven beslissing (zie hieronder, punt 60).
34. Belangrijk lijkt mij echter vooral, dat titel II van het Executieverdrag voor de betrokken procedures geen bevoegde rechter aanwijst. Zou het Executieverdrag ook op procedures inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van in een derde staat gewezen vonnissen van toepassing zijn geweest, dan zou het volgens zijn inherente logica ook hebben geregeld, welke gerechten voor die procedures bevoegd zouden moeten zijn.
35. Een dergelijke bevoegdheidsregel ontbreekt echter. Luidens artikel 2 Executieverdrag worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat, in beginsel opgeroepen voor de gerechten van die staat. Deze bevoegdheidsregel is duidelijk niet afgestemd op procedures inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van in een derde staat gewezen vonnissen. De tegengestelde opvatting zou betekenen, dat een dergelijk vonnis in beginsel enkel in de staat waar de schuldenaar woonplaats heeft, ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. Ook verweerders betwisten echter niet, dat een schuldeiser de keuze heeft, in welke staat hij het door hem verkregen vonnis ten uitvoer wenst te laten leggen, gesteld natuurlijk, dat de betrokken staat dit vonnis erkent. De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft bovendien terecht beklemtoond, dat er zeker gevallen kunnen zijn, waarin een vonnis in verschillende staten ten uitvoer wordt gelegd.(40)
36. De enige andere bevoegdheidsregel van het Executieverdrag, waaraan men hier zou kunnen denken, is artikel 16, sub 5.(41) Volgens deze bepaling zijn, ongeacht de woonplaats, bij uitsluiting bevoegd "ten aanzien van de tenuitvoerlegging van beslissingen: de gerechten van de verdragsluitende staat van de plaats van tenuitvoerlegging".
37. In de zaak AS-Autoteile Service(42) had het Hof voor het eerst gelegenheid, zich over de uitlegging van die bepaling uit te spreken. Het ging daar om de vraag, of de in § 767 van de Duitse Zivilprozessordnung bedoelde actie ter afwering van de tenuitvoerlegging onder artikel 16, sub 5, Executieverdrag valt. Het Hof heeft deze vraag in beginsel bevestigend beantwoord.
38. Veel belangwekkender is het arrest in de zaak Reichert en Kockler(43), betreffende de Actio Pauliana van het Franse recht. Het Hof overwoog daar:
"Vanuit deze gezichtshoek moet mede in aanmerking worden genomen, dat de belangrijkste reden voor de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de plaats van tenuitvoerlegging van een vonnis is gelegen in het feit, dat alleen de gerechten van de Lid-Staat op wiens grondgebied de gedwongen executie wordt gevorderd, de voorschriften inzake het optreden binnen dat grondgebied van de met de gedwongen executie belaste instanties kunnen toepassen."(44)
Vervolgens citeert het Hof het rapport Jenard, naar luid waarvan onder "geschillen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van vonnissen" moeten worden verstaan, de geschillen die kunnen ontstaan door "het gebruikmaken van de sterke arm, van dwangmaatregelen of van bezitsontneming van roerende en onroerende goederen (beslag) ten einde de materiële tenuitvoerlegging van beslissingen en akten te verzekeren".(45)
Zoals advocaat-generaal Gulmann in zijn conclusie opmerkte, gaat het dus bij de procedures waarop artikel 16, sub 5, Executieverdrag van toepassing is, om zaken die rechtstreeks verband houden met de tenuitvoerlegging.(46)
39. Procedures inzake de uitvoerbaarverklaring van rechterlijke beslissingen betreffen echter - zoals de vertegenwoordigster van verweerders ter terechtzitting nogmaals heeft beklemtoond - niet de tenuitvoerlegging, maar het daaraan voorafgaande stadium van de procedure. Zij vallen derhalve niet onder artikel 16, sub 5.(47) Dit stemt ook overeen met het beginsel, dat bepalingen zoals artikel 16, sub 5 - als uitzondering op de algemene regel van artikel 2 - in geval van twijfel strikt moeten worden uitgelegd.(48)
40. Zelfs indien men het daarmee niet eens zou zijn en het begrip "tenuitvoerlegging van beslissingen" ruim zou willen uitleggen, zou artikel 16, sub 5, hier niet kunnen worden toegepast. Volgens de wettelijke definitie in artikel 25 zijn immers enkel de beslissingen van de gerechten van een verdragsluitende staat beslissingen in de zin van het Executieverdrag(49), terwijl het in casu gaat om de tenuitvoerlegging van een beslissing van een derde staat.(50)
41. Verweerders zijn er zich terdege van bewust, dat het in titel II van het Executieverdrag neergelegde stelsel van bevoegdheden niet past op gevallen als het onderhavige. Om toch het gewenste resultaat - en met name de toepasselijkheid van de artikelen 21 tot en met 23 Executieverdrag - te bereiken, stellen zij voor, dat de bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staten in dergelijke gevallen moet worden bepaald naar analogie van de artikelen 57 en 4 Executieverdrag.(51)
42. Deze constructie kan niet worden aanvaard. In de gevallen waarin het Executieverdrag van toepassing is, bepaalt dit zelf welk gerecht bevoegd is. In het rapport Jenard wordt daarover gezegd:
"Meer in het algemeen gezien heeft het Verdrag, door gemeenschappelijke bevoegdheidsregels te geven, eveneens tot doel (...) op het gebied waarop het Verdrag van toepassing moet zijn, het bestaan van een echte rechtsorde te verzekeren die de grootst mogelijke rechtszekerheid zal bieden. In deze geest definieert de in titel II neergelegde codificatie van de bevoegdheidsregels wie, rekening gehouden met alle daarbij betrokken belangen, de rechter is die territoriaal gezien het meest in aanmerking komt om van een geschil kennis te nemen (...)."(52)
Zoals het Hof heeft geoordeeld, voorziet het Executieverdrag ter bereiking van deze doelstelling in een aantal bevoegdheidsregels die bepalen, in welke gevallen, die limitatief zijn opgesomd, iemand kan worden opgeroepen voor de gerechten van een andere staat dan die waar hij woonplaats heeft.(53) De bevoegdheid van de gerechten van de staat waar de verweerder woonplaats heeft (artikel 2 Executieverdrag) is dus het algemene beginsel, waarvan slechts in de in het Executieverdrag uitdrukkelijk vermelde gevallen mag worden afgeweken:
"De bevoegdheidsregels die van dit algemene beginsel afwijken, mogen derhalve niet aldus worden uitgelegd, dat zij buiten de door het Executieverdrag voorziene gevallen gelden."(54)
43. De door verweerders voorgestelde oplossing zou dus met de door het Executieverdrag beoogde doelstellingen, inzonderheid de rechtszekerheid, niet zijn overeen te brengen. Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het Executieverdrag voor procedures die strekken tot erkenning en tenuitvoerlegging van in een derde staat gewezen vonnissen, geen passende bevoegdheidsregels bevat.(55) Dit bevestigt, dat het Executieverdrag op dergelijke procedures niet van toepassing is.
44. Hetzelfde geldt mijns inziens voor de gevallen waarin het recht van een verdragsluitende staat bepaalt, dat een in een derde staat gewezen vonnis door middel van een actio iudicati ten uitvoer wordt gelegd. Ook voor deze gevallen ontbreekt in het Executieverdrag duidelijk een geschikte bevoegdheidsregel.
45. Op de vraag, of toch ten minste de artikelen 21, 22 of 23 Executieverdrag op de hier bedoelde procedures kunnen worden toegepast, en de daartoe voorgedragen argumenten zal ik later ingaan.(56)
46. De voorgaande overwegingen bevestigen mijns inziens, dat de bevoegdheidsregels van het Executieverdrag en zijn titel II in het algemeen slechts zijn afgestemd op "oorspronkelijke" procedures, waarin nog geen beslissing is gegeven, maar niet op procedures die strekken tot tenuitvoerlegging van reeds gegeven beslissingen.(57)
De enige bepaling die aan een dergelijke uitlegging in de weg zou kunnen staan, is artikel 16, sub 5, waarvan de inhoud reeds boven werd besproken. Deze bepaling moet - zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk heeft opgemerkt - worden gezien als een vreemd voorwerp, dat niet echt bij de overige bepalingen van titel II lijkt te passen.(58) Afgezien van het feit, dat zij een in de grond vanzelfsprekende regeling bevat(59), hoort zij inhoudelijk thuis in titel III van het Executieverdrag. Zij vindt eerst toepassing, wanneer reeds een vonnis is gewezen, waarvan de tenuitvoerlegging reeds is of thans moet worden nagestreefd. Het lijkt erop, dat die bepaling enkel deswege in titel II werd opgenomen, omdat men daar alle bevoegdheden zonder uitzondering wilde opsommen.(60) Het bestaan ervan verandert dus mijns inziens niets aan het feit, dat - met uitzondering van artikel 16, sub 5 - de in titel II van het Executieverdrag bedoelde bevoegdheden tot het instellen van een oorspronkelijke vordering zijn.
47. Ik kom thans tot de vraag, of het Executieverdrag van toepassing is op individuele geschilpunten ("issues") die in procedures tot erkenning en tenuitvoerlegging van in een derde staat gewezen vonnissen opkomen. Zoals gezegd, heeft de High Court in het hoofdgeding beslist, dat over twee aspecten van de tenuitvoerleggingsprocedure - de vraag, of verzoekster het in Sint-Vincent gewezen vonnis op bedrieglijke wijze heeft verkregen en de vraag, of de erkenning van dit vonnis in Engeland in strijd was met de openbare orde - een procedure op tegenspraak ("trial") zal worden gevoerd.
48. Wanneer men zich op een louter formeel standpunt stelt, zou men zeker tot de opvatting kunnen komen, dat die incidentele procedure een procedure in burgerlijke en handelszaken in de zin van artikel 1 Executieverdrag is en dat de bepalingen van dit Verdrag, inclusief de artikelen 21 tot en met 23, dus op die procedure zouden kunnen worden toegepast.
Deze opvatting is door de vertegenwoordigster van verweerders tijdens de mondelinge behandeling voor het Hof zeer welsprekend voorgedragen. Ik ben niettemin van mening, dat zij niet kan worden gevolgd.
49. Allereerst moet worden bedacht, dat de toepassing van de bepalingen van het Executieverdrag inzake bevoegdheid op individuele geschilpunten of, om precies te zijn, op procedures die individuele geschilpunten betreffen, tot ongewenste gevolgen zou leiden.
50. Zouden deze procedures procedures in burgerlijke en handelszaken in de zin van artikel 1 zijn, dan zouden ook de bevoegdheidsregels van het Executieverdrag erop van toepassing zijn. Zoals verweerders in hun schriftelijke opmerkingen zeer terecht hebben opgemerkt, zou hier ten hoogste sprake kunnen zijn van de in artikel 2 bepaalde bevoegdheid van de gerechten van de staat waar de verweerder woonplaats heeft. Dat zou voor de onderhavige zaak betekenen, dat de Italiaanse gerechten bevoegd zouden zijn om te beslissen over de vraag, of verzoekster het in een derde land gewezen vonnis op bedrieglijke wijze heeft verkregen. De Engelse gerechten zouden hoogstens dan gerechtigd zijn over die vraag te beslissen, wanneer hun bevoegdheid op een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter zou berusten.(61) Normaal gesproken zou dat ertoe leiden, dat de gerechten van een verdragsluitende staat, waarin een in een derde staat gewezen vonnis ten uitvoer moet worden gelegd, niet meer in staat zouden zijn, zelfstandig over de uitvoerbaarheid te beslissen, zodra de schuldenaar woonplaats heeft in een verdragsluitende staat.
Dat kan echter niet juist zijn. Een kleine wijziging in de feiten van het hoofdgeding volstaat om de onzinnigheid van die oplossing aanschouwelijk te maken: zouden verweerders hun woonplaats niet in Italië, maar bij voorbeeld in Frankrijk hebben, dan zouden de Franse gerechten over het betrokken geschilpunt moeten beslissen, ofschoon de tenuitvoerlegging van het in een derde staat gewezen vonnis in Italië en in Engeland moet plaatsvinden.
51. Bovenal moet echter worden opgemerkt, dat verweerders de door verzoekster ingeleide procedure tot uitvoerbaarverklaring vrij willekeurig in twee of zelfs meer delen splitsen en ervan uitgaan, dat de door de High Court bevolen "trial" een volledig autonome procedure is. Ik twijfel, of dit standpunt juist is. De door de High Court bevolen procedure strekt tot opheldering van geschilpunten die in de loop van de procedure tot uitvoerbaarverklaring zijn opgekomen, en past in het kader van deze procedure. Mijns inziens is het dus veel natuurlijker, te spreken van een incidentele procedure, zoals ik trouwens tot nog toe steeds heb gedaan. Het gaat in casu dus waarschijnlijk om één enkele procedure, die weliswaar verschillende stadia omvat, doch moeilijk in verschillende zelfstandige procedures kan worden gesplitst. In elk geval ben ik het eens met de door Sir Peter Pain aanschouwelijk geformuleerde zienswijze, dat het Executieverdrag op een dergelijke procedure niet van toepassing is.(62)
52. Tot het beantwoorden van de vraag, of de betrokken procedure naar Engels recht een integrerend deel van de exequaturprocedure dan wel veeleer een zelfstandige procedure is, zijn natuurlijk uitsluitend de Engelse gerechten bevoegd. De vraag, of het eventueel om een procedure in de zin van het Executieverdrag gaat, moet volgens mij echter alleen op grond van het Executieverdrag zelf worden beantwoord. Daarbij moet met name worden bedacht, dat anders de vraag, of het Executieverdrag van toepassing is, in ruime mate van het nationale recht zou afhangen. Vindt het Executieverdrag toepassing wanneer, zoals naar Engels recht, over een geschilpunt een eigen procedure wordt gevoerd, doch niet wanneer volgens het recht van een verdragsluitende staat alle vraagpunten in één en dezelfde procedure moeten worden opgehelderd? Zou men ook dit laatste geval willen aannemen, dat het Executieverdrag op individuele geschilpunten kan worden toegepast, dan zouden moeilijk oplosbare afbakeningsproblemen rijzen. De Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk hebben terecht gewezen op de gevaren die dat voor de rechtszekerheid zou meebrengen.
53. Voor geschilpunten die in een procedure inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van in een derde staat gewezen vonnissen opkomen, geldt dus volgens mij niets anders dan voor die procedures zelf: het Executieverdrag is in het ene noch in het andere geval van toepassing. Dat is ook de mening van de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie.
De tweede prejudiciële vraag
54. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst het House of Lords te vernemen, of de artikelen 21, 22 of 23 van toepassing zijn op procedures als hier in geding. Deze vraag moet waarschijnlijk worden gezien tegen de achtergrond van de in deze zaak door de lagere instanties gegeven beslissingen. Zowel de High Court als de Cour of Appeal hebben daarin de opvatting gehuldigd, dat de artikelen 21 tot en met 23 niet zouden kunnen worden toegepast, zelfs indien het Executieverdrag als zodanig toepassing zou vinden.
Het antwoord op de tweede vraag volgt dus eigenlijk reeds uit de overwegingen met betrekking tot de eerste. Is het Executieverdrag als zodanig niet van toepassing, dan zou dit ook voor de hier onderzochte bepalingen betreffende aanhangigheid en samenhang moeten gelden.
55. Verweerders voeren weliswaar aan, dat het Executieverdrag zelfs dan van toepassing moet zijn, wanneer zijn bevoegdheidsregels geen toepassing vinden. Verweerders schijnen daarmee te bedoelen, dat de artikelen 21 tot en met 23 Executieverdrag kunnen worden toegepast, ook wanneer de bevoegdheid van de aangezochte gerechten niet uit de bepalingen van het Executieverdrag, maar uit het toepasselijke nationale recht voortvloeit. Zij beroepen zich daarbij met name op het arrest van het Hof in de zaak Overseas Union Insurance.(63)
56. Deze zaak betrof een geschil tussen een reeks in de Gemeenschap gevestigde herverzekeringsmaatschappijen en een in de Verenigde Staten gevestigde verzekeringsmaatschappij. De Amerikaanse maatschappij dagvaardde de herverzekeraars voor het Tribunal de commerce de Paris tot betaling van uit hoofde van de herverzekeringspolissen verschuldigde bedragen. De herverzekeraars voerden aan, dat het Franse gerecht onbevoegd was. Zij stelden bovendien bij de High Court te Londen een vordering in, strekkende tot vaststelling dat zij niet verplicht waren de uit de herverzekeringspolissen voortvloeiende verplichtingen na te komen. De High Court besloot overeenkomstig artikel 21, tweede alinea, Executieverdrag haar uitspraak aan te houden tot het Franse gerecht zich over zijn bevoegdheid zou hebben uitgesproken.
De herverzekeraars gingen van die beslissing in hoger beroep. Daarop verzocht de Court of Appeal het Hof om een prejudiciële beslissing, onder meer over de vraag, of artikel 21 ongeacht de woonplaats van de partijen van toepassing was. De achtergrond voor deze vraag vormde het feit, dat de Amerikaanse maatschappij buiten de Gemeenschap was gevestigd en dat de Engelse gerechten dus overeenkomstig artikel 4 Executieverdrag hun bevoegdheid aan het Engelse recht ontleenden.
57. Het Hof wees erop, dat artikel 21 niet verwijst naar de woonplaats van de partijen in de procedure, en leidde daaruit af:
"Blijkens zijn bewoordingen moet artikel 21 derhalve worden toegepast zowel wanneer de bevoegdheid van het gerecht door het Executieverdrag zelf wordt bepaald als wanneer zij overeenkomstig artikel 4 Executieverdrag voortvloeit uit de wetgeving van een verdragsluitende staat."(64)
58. Mijns inziens is deze uitspraak echter niet van belang voor de beslissing in de onderhavige zaak. Anders dan verweerders menen, betrof het arrest Overseas Union Insurance een constellatie die met de onderhavige niet vergelijkbaar is. Het Hof verwees uitdrukkelijk naar procedures waarvoor de bevoegdheid van de betrokken gerechten - via artikel 4 - uit het Executieverdrag zelf voortvloeit. Dat is in casu niet het geval.
59. Weliswaar heeft het Hof in genoemd arrest aan die bepalingen en met name aan artikel 21 ook een zeer algemeen gehouden overweging gewijd, waarop verweerders zich beroepen:
"[Deze] afdeling (...) strekt [ertoe] om, in het belang van een goede rechtsbedeling in de Gemeenschap, parallelle procedures voor de gerechten van de verschillende verdragsluitende staten en met elkaar strijdige beslissingen, die daarvan het gevolg kunnen zijn, te voorkomen. Deze regeling wil dus in de mate van het mogelijke en van meet af aan uitsluiten dat er een situatie ontstaat als bedoeld in artikel 27, sub 3, namelijk dat een beslissing niet wordt erkend wegens onverenigbaarheid met een beslissing die in de aangezochte staat tussen dezelfde partijen is gegeven. Bijgevolg moet ter bereiking van die doelstellingen aan artikel 21 een zo ruime uitlegging worden gegeven, dat het in beginsel alle situaties omvat waarin voor gerechten van verdragsluitende staten dezelfde vorderingen aanhangig zijn, ongeacht de woonplaats van de partijen."(65)
60. Het verrast derhalve niet, dat in de literatuur de opvatting wordt gehuldigd, dat artikel 21 Executieverdrag zeer algemeen van toepassing is, wanneer een zelfde geschil voor gerechten van verschillende verdragsluitende staten aanhangig wordt gemaakt, ongeacht of de aangezochte gerechten hun bevoegdheid aan de bepalingen van het Executieverdrag dan wel aan andere bepalingen ontlenen.(66) Het ware derhalve denkbaar, de artikelen 21 tot en met 23 Executieverdrag - rechtstreeks of op overeenkomstige wijze - op gevallen als het onderhavige toe te passen.(67) Laten wij nu eens aannemen, dat een van de Italiaanse gerechten (hetzij het gerecht dat over de uitvoerbaarheid in Italië heeft te beslissen, hetzij het gerecht waarvoor de Italiaanse burgerlijke procedure aanhangig is) tot de conclusie komt, dat verzoekster bedrog heeft gepleegd, en nemen wij verder aan, dat die beslissing in beginsel in Engeland kan worden erkend.(68) Hebben de Engelse gerechten intussen beslist, dat het in Sint-Vincent gewezen vonnis in Engeland ten uitvoer mag worden gelegd, dan zou zijn te verwachten, dat bedoelde Italiaanse beslissing niet meer zou kunnen worden erkend, omdat zij met de Engelse exequaturbeslissing onverenigbaar zou zijn. Dan zou zich een van de situaties voordoen, die het Executieverdrag wil voorkomen. Om dit gevaar te vermijden, zou men inderdaad aan een (rechtstreekse of overeenkomstige) toepassing van de artikelen 21 tot en met 23 kunnen denken.
61. Dat de artikelen 21 tot en met 23 een algemene regeling bevatten, die in beginsel ook kan worden toegepast op gevallen waarin het Executieverdrag dit niet uitdrukkelijk bepaalt, lijdt volgens mij geen twijfel. Het volstaat immers te verwijzen naar de ontstaansgeschiedenis van artikel 25, lid 2, van het Toetredingsverdrag van 1978.(69) Deze bepaling is bedoeld om de eenvormige uitlegging van artikel 57 te waarborgen.(70) Te dien einde bepaalt artikel 25, lid 2, sub a, van het Toetredingsverdrag, dat een gerecht dat krachtens artikel 57 zijn bevoegdheid aan een bijzonder verdrag ontleent, in elk geval artikel 20 Executieverdrag in acht moet nemen.(71) Volgens het rapport Schlosser werd de vraag van de toepasselijkheid van artikel 21 bewust opengelaten om de oplossing ervan "aan de rechtspraak en de doctrine over te laten".(72)
62. Ik denk niet dat het nodig is, hier langer bij het door verweerders verdedigde gedachtenbouwsel stil te staan. Om de artikelen 21 tot en met 23 zelfs maar te kunnen toepassen, is volgens mij vereist, dat de betrokken procedure ten minste wat haar onderwerp betreft, onder het Executieverdrag valt. Dat is, zoals gezegd, met de exequaturprocedure niet het geval. Het Executieverdrag is op gewone, "oorspronkelijke" rechtsvorderingen afgestemd. Tot procedures inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van in een derde staat gewezen vonnissen strekt het zich niet uit. Wat de in dergelijke procedures op te lossen geschilpunten betreft, zij zouden slechts dan als procedures in de zin van het Executieverdrag kunnen worden beschouwd, wanneer men ze uit hun samenhang met de tenuitvoerleggingsprocedure losmaakt. Dit lijkt mij om voormelde redenen niet aangewezen.
63. Ik zal hierna dan ook slechts subsidiair ingaan op de vraag, welke van de bepalingen van de artikelen 21 tot en met 23 relevant zijn indien men, in strijd met de hier gehuldigde opvatting, zou willen aannemen, dat die bepalingen als zodanig op gevallen als het onderhavige van toepassing zijn. Daarbij zal ook blijken, dat het ter terechtzitting aangevoerde argument van verweerders, dat de weigering om die bepalingen toe te passen, een "gapende bres" ("gaping hole") in verweerders' rechtsbescherming zou slaan, niet kan overtuigen. Het zou voor verweerders zeker lastig zijn, in iedere verdragsluitende staat waar verzoekster zou proberen het in Sint-Vincent gewezen vonnis ten uitvoer te doen leggen, het bewijs te moeten leveren, dat verzoekster dit vonnis op bedrieglijke wijze heeft verkregen. De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft evenwel terecht erop gewezen, dat de daaruit voortvloeiende nadelen in vele gevallen door toepassing van de nationale procedurevoorschriften kunnen worden verholpen, zonder dat de bepalingen van het Executieverdrag betreffende aanhangigheid en samenhang moeten worden toegepast. De onderhavige zaak illustreert dit volgens mij.
64. Wat de exequaturprocedures zelf betreft, zou dan enkel artikel 22 relevant kunnen zijn. De Engelse tenuitvoerleggingsprocedure betreft alleen de vraag, of het in Sint-Vincent gewezen vonnis in Engeland ten uitvoer mag worden gelegd. Hetzelfde geldt voor de Italiaanse tenuitvoerleggingsprocedure, waarin wordt beslist, of het vonnis in Italië ten uitvoer kan worden gelegd. Mitsdien ontbreekt ook bij de door het Hof verdedigde ruime uitlegging van artikel 21(73) de vereiste identiteit van het onderwerp van het geding. Dat geldt ook voor de verhouding tussen de Engelse tenuitvoerleggingsprocedure en de Italiaanse burgerlijke procedure. Ook hier ontbreekt wellicht de identiteit van het onderwerp van het geding in de zin van artikel 21.
65. Om dezelfde reden kan artikel 23 niet worden toegepast. Het ligt weliswaar in de aard der zaak, dat de Engelse gerechten even exclusief bevoegd zijn, over het verlof tot tenuitvoerlegging in Engeland te beslissen, als de Italiaanse gerechten ten aanzien van de vraag, of het vonnis in Italië uitvoerbaar kan worden verklaard. In zoverre is het begrijpelijk, dat de Commissie zich in haar subsidiaire opmerkingen op artikel 16, sub 5, beroept.(74) Artikel 23 lijkt echter betrekking te hebben op de - zeker niet zeer talrijke - gevallen waarin gerechten van verschillende verdragsluitende staten ter zake van hetzelfde geschil bij uitsluiting bevoegd zijn. Dat is, wegens de tot de betrokken verdragsluitende staat beperkte gevolgen van de exequaturbeslissing, in casu niet het geval. De toepassing van artikel 23 ware ook duidelijk niet doelmatig: zouden de later aangezochte Engelse gerechten in casu de partijen naar de Italiaanse gerechten verwijzen, dan zou verzoekster - ten minste tijdelijk - in de onmogelijkheid verkeren, het door haar verkregen vonnis in Engeland uitvoerbaar te laten verklaren.
66. Wanneer samenhangende vorderingen bij gerechten van verschillende verdragsluitende staten zijn aangebracht en in eerste aanleg aanhangig zijn, "kan" volgens artikel 22, eerste alinea, "het gerecht bij hetwelk de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden".(75) Samenhangend in de zin van deze bepaling zijn vorderingen "waartussen een zodanige nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om haar gelijktijdige behandeling en berechting, ten einde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven" (artikel 22, derde alinea).
67. Artikel 22 biedt dus het gerecht bij hetwelk de zaak het laatst is aangebracht de mogelijkheid zijn procedure te schorsen, zonder het echter daartoe te verplichten.(76) Het resultaat zou waarschijnlijk hetzelfde zijn, wanneer men niet artikel 22 Executieverdrag, maar het nationale procesrecht toepast.
Parker LJ, die het eenstemmige arrest van de Court of Appeal in de onderhavige zaak uitsprak, wees erop, dat naar Engels recht een beslissing van de Italiaanse gerechten, waarin zou worden vastgesteld dat verzoekster bedrog heeft gepleegd, voor de Engelse tenuitvoerleggingsprocedure van belang zou kunnen zijn, door een issue estoppel in het leven te roepen.(77) Volgens de Court of Appeal betekende dit, dat de Engelse gerechten de bevoegdheid hadden, de Engelse procedure over de vraag van het bedrog te schorsen, tot over dit geschilpunt in Italië zou zijn beslist.(78) De High Court had na rijp beraad besloten, de Engelse tenuitvoerleggingsprocedure niet te schorsen, daar het haar enerzijds niet zeker leek, dat de Italiaanse gerechten over de vraag van het bedrog zouden beslissen, en zij anderzijds van oordeel was, dat een dergelijke beslissing niet binnen afzienbare tijd kon worden verwacht. Ofschoon zij de argumenten die ervoor pleitten, dat geschilpunt door de Italiaanse gerechten te laten oplossen, zeker erkende en daaraan een aanzienlijk gewicht toekende(79), bevestigde de Court of Appeal die beslissing.
De toepassing van artikel 22 Executieverdrag had zeker tot hetzelfde resultaat kunnen leiden.(80)
68. Ik kom thans in het kader van deze subsidiaire opmerkingen tot de vraag, welke bepalingen zouden kunnen worden toegepast op individuele geschilpunten die in procedures inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van in een derde staat gewezen vonnissen opkomen. In beginsel zou hier zowel artikel 21 als artikel 22 in aanmerking komen.(81) Ik zal het op dit punt kort maken, daar ik mij anders in speculaties zou moeten begeven. Weliswaar hebben verweerders herhaaldelijk betoogd, dat de vraag, of verzoekster het in Sint-Vincent gewezen vonnis op bedrieglijke wijze heeft verkregen, zowel in de Italiaanse tenuitvoerleggingsprocedure als in de Italiaanse burgerlijke procedure is opgeworpen. Zoals de High Court en de Court of Appeal reeds hebben overwogen, staat echter niet eens vast, dat de Italiaanse gerechten wel over die vraag zullen beslissen. Derhalve kan niet worden bepaald, of in de onderhavige zaak artikel 21 of artikel 22 van toepassing zou kunnen zijn. Bijgevolg kan slechts op algemene wijze worden vastgesteld, dat artikel 21 in aanmerking zou komen, indien het zou gaan om procedures die "hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten", terwijl artikel 22 van toepassing zou zijn, indien het zou gaan om gewoon samenhangende procedures.
69. Neemt men aan, dat in de onderhavige zaak ten hoogste artikel 22 van toepassing zou kunnen zijn (hetgeen mij voor de hand schijnt te liggen), dan zou dit tot gevolg hebben, dat het gerecht bij hetwelk de zaak het laatst is aangebracht vrij zou kunnen beslissen, of het zijn procedure wenst te schorsen. Dienaangaande zij erop gewezen, dat hetzelfde resultaat zonder meer ook op grond van de betrokken nationale procedurevoorschriften zou kunnen worden bereikt.
Het zou natuurlijk anders zijn, indien artikel 21 Executieverdrag zou kunnen worden toegepast. Daarbij moet voor ogen worden gehouden, dat het Hof, zoals bekend, aan die bepaling een zeer ruime uitlegging geeft. Hier kan met name worden herinnerd aan het arrest in de zaak Gubisch Maschinenfabrik.(82)
In dat geval zou het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, de partijen moeten verwijzen naar het gerecht bij hetwelk de zaak het eerst aanhangig is gemaakt.
70. In casu zou dit ertoe leiden, dat de Engelse gerechten op dit punt - dus enkel wat de vraag van het bedrog betreft - partijen naar de Italiaanse gerechten zouden moeten verwijzen, daar de zaak onbetwist bij hen het eerst aanhangig is gemaakt. Het lijdt nauwelijks twijfel, dat dit tot bruikbare resultaten zou leiden. Het betrokken geschilpunt zou worden opgelost door de Italiaanse gerechten, die daartoe waarschijnlijk het best in staat zijn: de moedertaal van de voornaamste betrokkenen en de meeste getuigen is het Italiaans. De woonplaats respectievelijk vestigingsplaats van verweerders en de meeste getuigen bevindt zich in Italië. Bijna alle relevante documenten zijn in het Italiaans gesteld. De belangrijkste daarvan bevinden zich onder de hoede van de Italiaanse gerechten en kunnen waarschijnlijk pas na afloop van de strafprocedure worden vrijgegeven. Ook de door de Italiaanse gerechten en partijen aangestelde deskundigen zijn Italianen en hebben hun rapporten in het Italiaans gesteld.
71. Het is echter duidelijk, dat dit resultaat enkel te danken zou zijn aan de omstandigheid, dat de zaak het eerst bij de Italiaanse gerechten aanhangig is gemaakt. Had verzoekster echter in Engeland of een andere Lid-Staat om uitvoerverklaring van haar vonnis verzocht, alvorens zich tot de Italiaanse gerechten te wenden, dan zouden krachtens artikel 21 die gerechten bevoegd zijn en niet de Italiaanse, die nochtans zoveel dichter bij de op te helderen feiten staan. De toepassing van het Executieverdrag zou er dus toe leiden, dat het betrokken geschilpunt weliswaar door de gerechten van een enkele verdragsluitende staat zou worden opgelost, maar juist niet door de gerechten van de Lid-Staat die door zijn nabijheid bij de feiten daartoe voorbestemd lijkt.
72. Zoals gezegd, kiest het Executieverdrag in titel II voor de bevoegdheid van de gerechten die, rekening houdend met alle betrokken belangen, het meest in aanmerking komen om van het geschil kennis te nemen.(83) Om deze reden kan het Executieverdrag het conflict dat ontstaat wanneer in dezelfde zaak twee krachtens de bepalingen van titel II bevoegde gerechten worden geadieerd, in artikel 21 eenvoudig oplossen ten gunste van het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt. Volgt de bevoegdheid van één (of beide) gerechten, zoals in casu, echter niet uit de bepalingen van de artikelen 2 tot en met 18 Executieverdrag, doch rechtstreeks uit het nationale recht, dan ontbreekt die samenhang. De toepassing van artikel 21 kan dan tot zinvolle resultaten leiden, maar doet dit niet noodzakelijk.
Ook hier wordt dus bevestigd, dat de artikelen 21 tot en met 23 - en het Executieverdrag in zijn geheel - zijn afgestemd op oorspronkelijke bevoegdheden ("original jurisdiction") en niet geschikt zijn voor procedures tot erkenning en tenuitvoerlegging van in een derde staat gewezen vonnissen noch voor in dergelijke procedures opgekomen geschilpunten.
73. De door verweerders sterk beklemtoonde omstandigheid, dat dit wegens het mogelijk grote aantal procedures voor hen tot hoge kosten zou kunnen leiden, acht ik zoals de Commissie niet overtuigend. Dat een reeks procedures mogelijk is, komt eenvoudig door het feit, dat een schuldeiser zijn vonnis in verschillende staten ten uitvoer kan laten leggen of dit ten minste kan proberen.
De derde prejudiciële vraag
74. Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, aan de hand van welke beginselen van gemeenschapsrecht het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, moet beoordelen of het zijn uitspraak dient aan te houden. Het gaat dus om de criteria die in het kader van artikel 22 Executieverdrag in acht moeten worden genomen. Gezien het door mij in overweging gegeven antwoord op de eerste prejudiciële vraag, zal ik deze problematiek slechts subsidiair behandelen.
75. De beslissing in het kader van artikel 22 Executieverdrag is een discretionaire beslissing. Het spreekt vanzelf, dat de omstandigheden van het concrete geval daarbij veel gewicht in de schaal leggen. De nationale gerechten moeten voor ogen houden, dat die bepaling ertoe strekt, "parallelle procedures voor de gerechten van de verschillende verdragsluitende staten en met elkaar strijdige beslissingen, die daarvan het gevolg kunnen zijn, te voorkomen", zoals het Hof in zijn arrest Overseas Union Insurance heeft beklemtoond.(84) Het zou derhalve passend zijn, dat een nationaal gerecht in geval van twijfel beslist, zijn uitspraak overeenkomstig artikel 22 aan te houden.(85)
76. Voor de uitoefening van de bij artikel 22 aan de gerechten verleende discretionaire bevoegdheid zouden daarnaast vooral drie factoren relevant kunnen zijn, zonder dat dit betekent dat geen andere overwegingen in aanmerking kunnen komen:
- de mate van samenhang en het gevaar van met elkaar strijdige beslissingen;
- de stand van de betrokken procedures;
- de nabijheid van de gerechten bij de feiten.
77. Het ligt voor de hand, dat hoe nauwer de samenhang tussen de betrokken procedures is, hoe meer de schorsing van een procedure door het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, geboden lijkt. Zijn voor de procedure voor het gerecht bij hetwelk de zaak het eerst is aangebracht, deels andere factoren relevant, dan kan het passend zijn, dat het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn procedure niet schorst.(86) Plausibel lijkt het bij voorbeeld ook, dat een gerecht zijn procedure niet schorst, op grond dat in deze procedure slechts een voorlopige maatregel kan worden getroffen en dus geen gevaar voor met elkaar strijdige beslissingen bestaat.(87) Hoe nauwer de procedures echter samenhangen, hoe groter het gevaar is, dat de gerechten tot onverenigbare resultaten komen, en hoe meer het voor de hand ligt, dat het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn procedure overeenkomstig artikel 22 schorst.
78. Anders dan verweerders menen, is het ook gerechtvaardigd, dat het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, bij zijn beslissing over een mogelijke schorsing de stand van de parallelle procedures inaanmerking neemt. Waarschijnlijk zal de procedure voor het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, verder gevorderd zijn dan de procedure voor het gerecht waarbij later een samenhangende vordering aanhangig is gemaakt. Is dat echter niet het geval, en is een beslissing in de eerste procedure niet binnen afzienbare tijd te verwachten, dat kan het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, bij zijn discretionaire beslissing daarmee rekening houden.
79. Ten slotte spreekt het vanzelf, dat bij de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid in aanmerking kan worden genomen, welk gerecht het best in staat is over een bepaalde vraag te beslissen.(88)
C - Conclusie
80. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen van het House of Lords te beantwoorden als volgt:
Het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerverklaring van beslissingen in burgerlijke en handelszaken is niet van toepassing op procedures of daarin opgekomen geschilpunten, die betrekking hebben op de erkenning en tenuitvoerlegging van in niet-verdragsluitende staten gegeven beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) - Deze tot het Commonwealth behorende staat ligt, zoals bekend, in het oostelijk deel van de Caribische Zee (het hoofdeiland Sint-Vincent ligt ongeveer 160 km westelijk van Barbados en ongeveer 130 km noordoostelijk van Grenada). In 1980 woonden er naar schatting 116 000 mensen op een totale oppervlakte van 388 vierkante kilometer (The New Encyclopaedia Britannica, Micropaedia, band 10, 15e druk, Chicago et al. 1992).
(2) - Het begrip tenuitvoerleggingsprocedure slaat hier en verder in de tekst op de procedure tot uitvoerbaarverklaring van een in het buitenland gegeven beslissing, niet op de procedure tot gedwongen tenuitvoerlegging, dat wil zeggen het gedwongen ten uitvoer brengen van een vonnis (voor bijzonderheden, zie punt 15).
(3) - Nano is de persoon die beweert, met verweerders over de gestelde leningsovereenkomst te hebben onderhandeld en het geld te hebben overhandigd; Layne is een lid van verzoeksters raad van bestuur.
(4) - Voor bijzonderheden, zie Dicey and Morris on the Conflict of Laws, bewerkt door L. Collins e.a., 11e druk, band 1, Londen 1987, blz. 425 e.v. (Common Law), 477 e.v. (Administration of Justice Act 1920) en blz. 490 e.v. (Civil Jurisdiction and Judgments Act 1982), alsook Cheshire and North' s Private International Law, bewerkt door P. M. North en J. J. Fawcett, 12e druk, Londen/Dublin/Edinburgh 1992, blz. 345 e.v.
(5) - Dit is een vorm van actio iudicati, zoals die reeds in het Romeinse en het gemene recht bestond.
(6) - Section 9 (2) (d) van de Administration of Justice Act 1920.
(7) - Zie Section 9 (2) (f) van de Administration of Justice Act 1920.
(8) - Section 9 (4) (b) van de Administration of Justice Act 1920 juncto RSC (Rules of the Supreme Court) Order 71, rule 9.
(9) - RSC Order 71, rule 9 (2): The Court hearing such application may order any issue between the judgment creditor and the judgment debtor to be tried in any manner in which an issue in an action may be ordered to be tried.
(10) - The Supreme Court Practice (1993), band 1, deel 1 (Londen 1992) verwijst in punt 71/9/2 naar RSC Order 33, rules 3 en 4 (2). Order 33, rule 3, bepaalt: The Court may order any question or issue arising in a cause or matter, whether of fact or law or partly of fact and partly of law, and whether raised by the pleadings or otherwise, to be tried before, at or after the trial of the cause or matter, and may give directions as to the manner in which the question or issue shall be stated. Order 33, rule 4 (2) luidt als volgt: In any such action different questions or issues may be ordered to be tried at different places or by different modes of trial and one or more questions or issues may be ordered to be tried before the others.
(11) - [1966] 1 QB 828. Deze beslissing werd gegeven op grond van de Foreign Judgments (Reciprocal Enforcement) Act 1933.
(12) - Samenvatting van het vonnis in The Times Law Reports van 29 augustus 1990.
(13) - De relevante passage van de beschikking van de High Court luidt als volgt: That issues be tried between the Plaintiff and the Defendants as to whether the Registration Order and all proceedings subsequent thereto should be set aside on the grounds that the judgments proposed to be registered fall within one or more of the cases in which a judgment may not be ordered to be registered under Section 9 of the Administration of Justice Act 1920 that is to say the cases set out in Section 9 (2) (d) and 9 (2) (f) thereof.
(14) - [1991] 4 All ER 833; [1992] 2 WLR 127.
(15) - [1992] 2 All ER 193; [1992] 2 WLR 621.
(16) - Naast verweerders hebben enkel de Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk aan de procedure van het Hof deelgenomen.
(17) - Het Executieverdrag moet hier worden toegepast in de versie die volgt uit de Toetredingsverdragen van 9 oktober 1978 en 25 oktober 1982. De tekst van deze versie is bekendgemaakt in PB 1983, C 97, blz. 2.
(18) - Beslissingen waarbij de gerechten van een staat een in een andere staat gegeven beslissing uitvoerbaar verklaren, worden ook exequaturbeslissingen genoemd.
(19) - Zoals gezegd, heeft de High Court voorts bevolen, dat over de vraag, of de erkenning van het in Sint-Vincent gewezen vonnis in strijd is met de Engelse openbare orde ( public policy ), in een incidentele procedure moet worden beslist (zie punt 10 en voetnoot 13).
(20) - Zie punt 4.
(21) - Zie bij voorbeeld de samenvatting van het betoog van verweerders in het arrest van de Court of Appeal (Parker LJ), [1991] 4 All ER 833, 840a.
(22) - Deze begrippen worden in punt 6 respectievelijk punt 9 van de verwijzingsbeschikking gedefinieerd. Zij verwijzen naar de procedures die ertoe strekken, het vonnis enerzijds in Engeland en anderzijds in Italië uitvoerbaar te laten verklaren.
(23) - Punt 7 van de verwijzingsbeschikking.
(24) - Zie bij voorbeeld P. Schlosser, Doppelexequatur zu Schiedsspruechen und auslaendischen Gerichtsentscheidungen?, IPRax 1985, blz. 141, 143; J. Kropholler, Europaeisches Zivilprozessrecht, 3e druk, Heidelberg 1991, artikel 25, punt 16.
(25) - Aldus ook G. Droz, Compétence judiciaire et effets des jugements dans le marché commun, Parijs 1972, blz. 270 e.v. (punt 437).
(26) - G. Droz, loc. cit. (voetnoot 25), blz. 270 (punt 437); idem, Pratique de la Convention de Bruxelles du 27 septembre 1968, Parijs 1973, blz. 62 (punt 138); R. Geimer, Anerkennung gerichtlicher Entscheidungen nach dem EWG-UEbereinkommen vom 27.9.1968, RIW 1976, blz. 139, 145; idem, Das Anerkennungsverfahren gemaess Art. 26 Abs. 2 des EWG-UEbereinkommens vom 27. September 1968, JZ 1977, blz. 145, 148; idem, Internationales Zivilprozessrecht, Keulen 1987, blz. 472 (punt 2310); R. Geimer/R. Schuetze, Internationale Urteilsanerkennung, band I, 1e deel, Muenchen 1983, blz. 985; D. Martiny, in: Handbuch des internationalen Zivilverfahrensrecht, band III/2, Tuebingen 1984, blz. 38 (punt 64); P. Gothot/D. Holleaux, La Convention de Bruxelles du 27 septembre 1968, Parijs 1985, blz. 134 e.v. (punt 238); S. O' Malley/A. Layton, European Civil Practice, Londen 1989, blz. 678 (punt 25.33); J. Kropholler, loc. cit. (voetnoot 24), blz. 259 (punt 19); H. Schack, Internationales Zivilverfahrensrecht, Muenchen 1991, blz. 339 (punt 936); P. Gottwald, in: Muenchener Kommentar zur Zivilprozessordnung, band 3, Muenchen 1992, artikel 25, punt 10. Van een andere mening R. Schuetze, Die Doppelexequierung auslaendischer Zivilurteile, ZZP 77 (1964), blz. 287 e.v.; idem, RIW 1984, blz. 734 e.v.; aarzelend F. Juenger, La Convention de Bruxelles du 27 septembre 1968 et la courtoisie internationale, Revue critique de droit international privé 1983, blz. 37, 48.
(27) - Aldus ook P. Gothot/D. Holleaux, loc. cit. (voetnoot 26), blz. 135 (punt 239); J. Kropholler, loc. cit. (voetnoot 24), blz. 259 (punt 16); H. Schack, loc. cit. (voetnoot 26), blz. 340 (punt 936). Van een andere mening S. O' Malley/A. Layton, loc. cit. (voetnoot 26), blz. 680 (punt 25.36). Bemiddelend G. Droz, loc. cit. (voetnoot 25), blz. 271 (punt 437) voetnoot 1 (volgens wie een beslissing over een actio iudicati in een andere verdragsluitende staat slechts dan ten uitvoer kan worden gelegd, wanneer zij met inachtneming van de bevoegdheidsregels van het Executieverdrag is gegeven).
(28) - Zie onder, punten 34 e.v. en 44.
(29) - Rapport van P. Jenard over het Executieverdrag, PB 1979, C 59, blz. 1, 10. Het rapport van P. Schlosser over het Verdrag inzake de toetreding van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk (PB 1979, C 59, blz. 71, 82 punt 23) bevestigt deze opvatting.
(30) - Aldus ook D. Martiny, loc. cit. (voetnoot 26), die - evenwel zonder nadere motivering - aanneemt, dat beslissingen van een verdragsluitende staat, waarbij een in een derde staat gegeven beslissing wordt erkend of uitvoerbaar verklaard, geen beslissingen in burgerlijke en handelszaken zijn.
(31) - Zie in dit verband bij voorbeeld het arrest van het Bundesgerichtshof van 4 juni 1992 (NJW 1992, blz. 3096). Het hoogste Duitse burgerlijke rechtscollege overweegt daar, dat de procedure tot uitvoerbaarverklaring van een buitenlands vonnis op grond van § 722 van de Duitse Zivilprozessordnung een gewoon burgerlijk proces , dat wil zeggen een gewone burgerlijke procedure is (loc. cit., blz. 3097).
(32) - Met betrekking tot de geschilpunten ( issues ) die in dergelijke procedures kunnen opkomen, zie onder, punten 47 e.v.
(33) - Zie dienaangaande ook G. Droz, loc. cit. (voetnoot 26), blz. 334.
(34) - Luidens artikel 57 laat het Executieverdrag de erkennings- en tenuitvoerleggingsverdragen voor bijzondere onderwerpen onverlet.
(35) - Daar artikel 57 van verdragen voor bijzondere onderwerpen spreekt, is het mogelijk, dat bilaterale verdragen van algemene aard niet onder die bepaling vallen. Artikel 58 (oude versie) toont echter aan, dat het Executieverdrag (afgezien van de in artikel 58 beschreven uitzondering) ook deze verdragen onverlet laat.
(36) - Arrest van 15 mei 1990, zaak C-365/88, Jurispr. 1990, blz. I-1845, r.o. 17 (eigen cursivering).
(37) - Zaak C-314/92, Ladenimor. Ook aan die procedure ligt een verwijzingsbeschikking van het House of Lords ten grondslag.
(38) - Rapport Jenard, loc. cit. (voetnoot 29), blz. 61. Zie in dit verband ook mijn conclusie in zaak 220/84, AS-Autoteile Service, Jurispr. 1985, blz. 2268, 2270.
(39) - Zie boven, punten 20 e.v.
(40) - Volstaat bij voorbeeld de gedwongen tenuitvoerlegging in staat A niet om de vordering van de schuldeiser te voldoen, omdat de schuldenaar in die staat niet over voldoende vermogen beschikt, dan kan de schuldeiser natuurlijk voor het overgebleven bedrag verzoeken om gedwongen tenuitvoerlegging in een andere staat (waar de schuldenaar ook over goederen beschikt). Met betrekking tot artikel 4, zie onder, punt 41 en voetnoot 55.
(41) - Het spreekt vanzelf, dat artikel 18 Executieverdrag geen solide bevoegdheidsregel voor gevallen als het onderhavige vormt. Volgens die bepaling kan de rechter van een verdragsluitende staat in bepaalde gevallen bevoegd zijn, wanneer de verweerder voor hem verschijnt. Een schuldenaar in de situatie van verweerders in de onderhavige zaak, zal zich echter in de regel tegen een verzoek tot uitvoerbaarverklaring verdedigen, omdat anders valt te verwachten, dat het verzoek zal worden toegewezen en het vonnis ten uitvoer zal worden gelegd.
(42) - Arrest van 4 juli 1985, Jurispr. 1985, blz. 2267.
(43) - Arrest van 26 maart 1992, zaak C-261/90, Jurispr. 1992, blz. I-2149.
(44) - Loc. cit. (voetnoot 43), r.o. 26.
(45) - Loc. cit. (voetnoot 43), r.o. 27. Zie rapport Jenard, loc. cit. (voetnoot 29), blz. 36. Het rapport Jenard beroept zich op zijn beurt op A. Braas, Précis de procédure civile, band I, 3e druk, Brussel/Luik 1944, blz. 422 (punt 808).
(46) - Jurispr. 1992, blz. I-2160, I-2164.
(47) - Zie ook het reeds vermelde werk van A. Braas, loc. cit. (voetnoot 45), die onderscheid maakt tussen gedwongen tenuitvoerlegging ( exécution ) en uitvoerbaarverklaring ( exequatur ). Voorzichtiger is P. Kaye, Civil jurisdiction and enforcement of foreign judgments, Abingdon 1987, blz. 956 e.v.
(48) - J. Kropholler, loc. cit. (voetnoot 24), blz. 156 (punt 3). Zie ook het in punt 42 aangehaalde arrest van het Hof.
(49) - Zie boven, punt 30.
(50) - Van een andere mening zijn evenwel D. Lasok/P. Stone, Conflict of laws in the European Community, Abingdon 1987, blz. 252: artikel 16, sub 5, zou ook van toepassing zijn, wanneer het ten uitvoer te leggen vonnis in een derde staat is gewezen.
(51) - Artikel 4 bepaalt, dat indien de verweerder zijn woonplaats niet in de Gemeenschap heeft, de bevoegdheid in een verdragsluitende staat in beginsel wordt geregeld door de wetgeving van die staat.
(52) - Loc. cit. (voetnoot 29), blz. 15.
(53) - Arrest van 17 juni 1992, zaak C-26/91, Handte, Jurispr. 1992, blz. I-3967, r.o. 13.
(54) - Loc. cit. (voetnoot 53), r.o. 14 (eigen cursivering).
(55) - Een dergelijke bevoegdheidsregel zou voor alle gevallen van uitvoerbaarverklaring van in een derde staat gewezen vonnissen moeten gelden. Het spreekt dan ook vanzelf, dat artikel 4 Executieverdrag - dat enkel op verweerders zonder woonplaats in een verdragsluitende staat van toepassing is - deze rol niet kan vervullen.
(56) - Zie onder, punten 54 e.v.
(57) - Aldus ook R. Geimer, EuGVUE und Aufrechnung: Keine Erweiterung der internationalen Entscheidungszustaendigkeit - Aufrechnungsverbot bei Abweisung der Klage wegen internationaler Unzustaendigkeit, IPRax 1986, blz. 208, 209; D. Lasok/P. Stone, loc. cit. (voetnoot 50), blz. 197.
(58) - Zie punt 9 van de opmerkingen van de regering van het Verenigd Koninkrijk ( a somewhat anomalous provision ) en A. Struycken, The rules of jurisdiction in the EEC Convention on jurisdiction and enforcement of judgments in civil and commercial matters, in: Netherlands International Law Review 1978, blz. 354, 360 ( Its proper place in the Convention is rather, as an article 25A, at the beginning of Title III ).
(59) - Aldus ook I. Schwander, Die Gerichtszustaendigkeiten im Lugano-UEbereinkommen, in: I. Schwander (redacteur), Das Lugano-UEbereinkommen, blz. 61, 92 (met betrekking tot het identieke artikel 16, sub 5, van het Verdrag van Lugano).
(60) - Aldus G. Droz, loc. cit. (voetnoot 25), blz. 107 (punt 162).
(61) - Met betrekking tot artikel 18, zie voetnoot 41.
(62) - The answer to this, in my view, is that no provision is made as to such a hybrid creature in the convention (niet gepubliceerd proces-verbaal van het vonnis van 19 juli 1990, blz. 10).
(63) - Arrest van 27 juni 1991, zaak C-351/89, Jurispr. 1991, blz. I-3317.
(64) - Loc. cit. (voetnoot 63), r.o. 14.
(65) - Loc. cit. (voetnoot 63), r.o. 16. Het arrest van 8 december 1987, zaak 144/86, Gubisch Maschinenfabrik, Jurispr. 1987, blz. 4861, r.o. 8 ging reeds in dezelfde zin. Zie ook arrest van 11 januari 1990, zaak C-220/88, Dumez France en Tracoba, Jurispr. 1990, blz. I-49, r.o. 18.
(66) - P. Gothot/D. Holleaux, loc. cit. (voetnoot 26), blz. 123 (punt 217); G. Mueller, in: A. Buelow/K.-H. Boeckstiegel/R. Geimer/R. Schuetze, Der internationale Rechtsverkehr in Zivil- und Handelssachen, Muenchen (bijwerking 1991), blz 606/169; H. Gaudemet-Tallon, Revue critique de droit international privé 1991, blz. 769, 774.
(67) - Dit lijkt ook de opvatting van A. Briggs, The Law Quarterly Review 1990, blz. 531, 534, die een purposive construction van het Executieverdrag voorstaat.
(68) - Daar de Italiaanse exequaturbeslissing als zodanig niet in andere verdragsluitende staten kan worden erkend en ten uitvoer gelegd, zou het volgens de hier gehuldigde opvatting enkel om de beslissing van het met de Italiaanse burgerlijke procedure belaste gerecht kunnen gaan.
(69) - Overeenkomstig de bepalingen van het Toetredingsverdrag van 26 mei 1989 is deze bepaling als lid 2 aan artikel 75 Executieverdrag toegevoegd.
(70) - Zie, met betrekking tot artikel 57, voetnoot 34.
(71) - Luidens artikel 20 moet een gerecht zich ambtshalve onbevoegd verklaren, wanneer een verweerder met woonplaats in een verdragsluitende staat niet verschijnt en de bevoegdheid niet uit een andere bepaling van het Executieverdrag voortvloeit.
(72) - Loc. cit. (voetnoot 29), blz. 140 (punt 240).
(73) - Zie het arrest Gubisch Maschinenfabrik, loc. cit. (voetnoot 65).
(74) - In tegenstelling tot de Commissie, blijf ik echter ook in het kader van deze subsidiaire overwegingen bij mijn opvatting, dat artikel 16, sub 5, op exequaturprocedures niet van toepassing is (zie punt 39).
(75) - Luidens artikel 22, tweede alinea, kan het gerecht bij hetwelk de zaak het laatst is aangebracht, op verzoek van een der partijen, ook tot verwijzing overgaan mits zijn wetgeving de voeging van samenhangende zaken toestaat en het gerecht bij hetwelk de zaak het eerst is aangebracht bevoegd is van de beide vorderingen kennis te nemen . Deze (niet eenvoudig te begrijpen) bepaling speelt in de onderhavige zaak geen enkele rol (zie de bewoordingen van de derde prejudiciële vraag) en hoeft dus niet verder te worden onderzocht.
(76) - Zie, met betrekking tot de daarbij in acht te nemen factoren, de overwegingen bij de derde prejudiciële vraag.
(77) - [1991] 4 All ER 833, blz. 853 e.v. Een issue estoppel betekent, dat een door een buitenlands gerecht vastgestelde omstandigheid feitelijk of rechtens voor de Engelse gerechten niet meer kan worden betwist. Zie dienaangaande in het algemeen Dicey and Morris, loc. cit. (voetnoot 4), blz. 432 e.v.
(78) - Accordingly, in our judgment there must be a power in the English court to stay the trial in England of the issue whether the St Vincent judgment was obtained by fraud pending the trial of the same issue in Italy. It could be productive of great injustice to allow the issue to go ahead in England when the same issue could be better tried in Italy and the Italian decision could be determinative of the issue for the purposes of the English proceedings (loc. cit. - voetnoot 77 - blz. 855 e en f).
(79) - In our judgment the English courts should adopt a communautaire, and not a national and chauvinistic, approach to the determination of this question (loc. cit. - voetnoot 77 - blz. 856 e.v.
(80) - Zie punt 76 e.v.
(81) - Van een voor toepassing van artikel 23 vereiste concurrerende exclusieve bevoegdheid om dergelijke geschilpunten op te lossen, is duidelijk geen sprake.
(82) - Loc. cit. (voetnoot 65).
(83) - Zie punt 42.
(84) - Loc. cit. (voetnoot 63), r.o. 16.
(85) - Zie in dit verband het vonnis van de High Court (Ognall J) van 31 januari 1990 in de zaak Virgin Aviation Services Limited v CAD Aviation Services, [1991] International Litigation Procedure 79. Het gerecht overweegt daar, dat een sterk vermoeden ervoor pleit, een verzoek tot aanhouding toe te wijzen ( (...) signifies that the strong presumption where an application is made for a stay, lies in favour of the applicant - loc. cit., blz. 88).
(86) - Zie in dit verband bij voorbeeld het arrest van het Oberlandesgericht Karlsruhe van 4 augustus 1977, RIW 1977, blz. 718 e.v. (=Repertorium van de rechtspraak inzake het gemeenschapsrecht, serie D, I-5.3 - B 8).
(87) - Zie het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 15 oktober 1979, Belgische Rechtspraak in Handelszaken 1980, blz. 181, 187 (= Repertorium, I-22 - B 2).
(88) - Zie het vonnis van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 1 februari 1985, Schip en Schade 1985, blz. 251, 254 (= Repertorium, I-22 - B 8) en het vonnis van het Deense Soe- og Handelsret van 5 september 1991, bevestigd bij arrest van het Hoejesteret van 19 februari 1992 (Ugeskrift for Retsvaesen 1992, blz. 403 e.v.).