61992C0113

Conclusie van advocaat-generaal Darmon van 13 mei 1993. - ENRICO FABRIZII, PIETRO NERI EN ALDO DEL GROSSO TEGEN OFFICE NATIONAL DES PENSIONS. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: TRIBUNAL DU TRAVAIL DE CHARLEROI EN TRIBUNAL DU TRAVAIL DE BRUXELLES - BELGIE. - SOCIALE ZEKERHEID VAN MIGRERENDE WERKNEMERS - RUSTPENSIOEN - BEREKENING VAN UITKERINGEN - NATIONALE ANTI-CUMULATIEREGELS. - GEVOEGDE ZAKEN C-113/92, C-114/92 EN C-156/92.

Jurisprudentie 1993 bladzijde I-06707


Conclusie van de advocaat generaal


Mijnheer de President, mijne heren Rechters,

1 De Arbeidsrechtbanken te Charleroi en te Brussel leggen u een reeks vragen voor over de uitlegging van vordering (EEG) nr. 1408/71 van de Raad(1) (hierna: "verordening"), in het bijzonder van artikel 46 van die verordening, betreffende de vaststelling van de uitkeringen bij ouderdom en overlijden.

2 De vier door de rechtbank te Charleroi in de zaken Fabrizii en Neri gestelde vragen zijn gelijk en zullen derhalve gezamenlijk en als eerste worden onderzocht. In de tweede plaats ga ik in op de zaak Del Grosso die bij de rechtbank te Brussel aanhangig is en waarin in het bijzonder de lastige vraag van de overeenstemming van de nationale anti-cumulatieregels met het gemeenschapsrecht aan de orde is.

3 Fabrizii, Italiaans onderdaan, geboren op 13 december 1919, werkte gedurende 26 jaar als ondergronds mijnwerker in België. Ingevolge artikel 10, § 2, 1_, tweede en derde alinea, van Belgisch koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967(2) betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (hierna: "koninklijk besluit") heeft hij recht op vier extra jaren (zogenoemde "fictieve jaren"), waardoor hij in 1975 het volledige rustpensioen voor mijnwerkers ontvangt (dat wil zeggen 26/30 + 4/30 = 30/30).

4 Daar hij zijn militaire dienst in Italië had vervuld, verzocht hij in 1989 om vaststelling van een Italiaans ouderdomspensioen. Bij besluit van 4 mei 1990 is dit verzoek ingewilligd met ingang van 1 januari 1980.

5 De Belgische Rijksdienst voor Werknemerspensioenen (hierna: "RWP") heeft vervolgens zijn rechten opnieuw onderzocht en de nuttige loopbaan van Fabrizii vastgesteld op 26/30, met ingang van 1 januari 1980. Ingevolge de nationale anti-cumulatieregel van artikel 10, § 2, 1_, laatste alinea, van het koninklijk besluit wordt het aantal bijkomende fictieve jaren namelijk verminderd met het aantal jaren waarvoor de werknemer ingevolge de regeling van een vreemd land aanspraak kan maken op een rustpensioen of op een soortgelijk voordeel (dat wil in dit geval zeggen vier jaar, aangezien de militaire dienst in Italië gelijk staat aan vier jaar volgens de Belgische regeling voor mijnwerkers).

6 Fabrizii betwist nu deze vermindering van de duur van de loopbaan die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van zijn rustpensioen: hij eist namelijk een niet-gekort pensioen van 30/30.

7 Neri, geboren op 18 december 1919, heeft 30 jaar als werknemer onder het algemene stelsel en vier jaar als mijnwerker in België gewerkt. Bij besluit van 25 september 1984 kreeg hij met ingang van 1 januari 1985 een pensioen voor werknemers, waarbij een onvolledige loopbaan van 39/45 in aanmerking was genomen; overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit waren hem vijf fictieve jaren toegekend (30 + 4 + 5 fictieve jaren).

8 Op 14 november 1990 werd hem op grond van de in Italië vervulde militaire dienst een Italiaans rustpensioen toegekend, ingaande op 1 januari 1980. Deze militaire dienstjaren staan gelijk aan zeven jaar volgens de Belgische regeling.

9 Om te voorkomen dat de som van de in aanmerking te nemen jaren de totale loopbaan, die in België beperkt is tot 45 jaar, overschreed, werd het aantal bijkomende fictieve jaren teruggebracht van vijf tot vier (dat wil zeggen 34 + 7 + 4 = 45 jaar), ingevolge artikel 11 ter van het koninklijk besluit. Bovendien werd het pensioen per 1 januari 1985 verminderd met de zeven jaar ter zake van het Italiaanse pensioen, dat wil zeggen een uitkomst van 38/45.

10 Het is dit bedrag dat door Neri wordt betwist, die een ongekort pensioen van 39/45 eist.

11 De rechtbank te Charleroi legt u vier vragen voor, die achtereenvolgens betrekking hebben op 1) de berekening van het theoretische pensioen bedoeld in artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening; 2) de berekening van de samentelling bedoeld in dezelfde bepaling; 3) de vaststelling van de totale duur van de tijdvakken van verzekering als bedoeld in artikel 46, lid 2, sub b, en 4) de toepassing van de nationale anti-cumulatieregels.(3)

12 De betekenis van de eerste vraag is mijns inziens voor beide zaken heel verschillend.

13 Indien een werknemer of zelfstandige in een Lid-Staat in aanmerking komt voor een pensioen zonder aanrekening van in andere staten vervulde tijdvakken, dan wordt de ouderdomsuitkering volgens een dubbele berekening vastgesteld: berekend wordt het autonome pensioen en het geproratiseerde pensioen. De hoogste van beide uitkeringen wordt aan de aanvrager toegekend (artikel 46, lid 1, eerste en tweede alinea).

14 De eerste uitkering is gelijk aan het uitkeringsbedrag overeenkomend met de totale duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen die krachtens de wettelijke regeling van het land van het orgaan dat het pensioen vaststelt, in aanmerking moeten worden genomen met uitzondering van de nationale anti-cumulatieregels (artikel 12, lid 2, van de verordening(4)), maar met volledige inaanmerkingneming van de door de nationale wettelijke regeling toegekende bijkomende fictieve jaren.(5)

15 De tweede uitkering wordt volgens artikel 46, lid 2, in meerdere etappes berekend. De eerste daarvan is de berekening van het theoretische bedrag, waarom het in dit geschil gaat.

16 Dit bedrag is het bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle door hem in de verschillende Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering zouden zijn vervuld in de staat die de uitkering toekent.(6)

17 Er wordt echter een beperking gesteld in artikel 46, lid 2, sub c, van de verordening, dat bepaalt dat de totale duur van de tijdvakken van verzekering niet hoger mag zijn dan de maximumduur die de wettelijke regeling van deze Staat voor het recht op een volledige uitkering vereist.

18 Derhalve lijkt het arrest Di Prinzio(7) mijns inziens hier het antwoord te geven op de gestelde vraag:

"In een situatie als in het hoofdgeding(8) aan de orde is, heeft de werknemer krachtens de wettelijke regeling van één Lid-Staat recht op een volledige uitkering, zodat voor de verkrijging van het recht op uitkering de door de betrokkene in andere Lid-Staten vervulde tijdvakken niet behoeven te worden opgeteld bij de tijdvakken vervuld krachtens de wettelijke regeling van de Lid-Staat waar de vaststelling van de uitkeringen wordt gevraagd.

Mitsdien moet in een dergelijke situatie het theoretische uitkeringsbedrag worden bepaald door het bevoegde orgaan waarvan de wettelijke regeling recht geeft op een volledig pensioen, zonder dat rekening wordt gehouden met de verzekeringstijdvakken die de werknemer in een andere Lid-Staat heeft vervuld."(9)

19 Het theoretische uitkeringsbedrag is aldus gelijk aan dat van de autonome uitkering. Toepassing van artikel 46, lid 2, van de verordening kan derhalve nooit leiden tot een gunstiger resultaat.(10)

20 Bijgevolg is in een situatie als in de zaak Fabrizii de vraag, of de tijdvakken van verzekering in het buitenland volgens nationaal recht kunnen worden gelijkgesteld voor het bepalen van de nuttige loopbaan onbelangrijk. Verzoeker in het hoofdgeding heeft een volledige loopbaan van 30 jaren in België, waardoor de erkenning in dat land van het op grond van de militaire dienst in Italië vervulde tijdvak overbodig is.

21 De situatie ligt heel anders, indien de werknemer uitsluitend krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat geen recht heeft op een volledig pensioen. Dit is bij Neri het geval. De ouderdomsuitkering van de werknemer die is onderworpen aan de wettelijke regeling van twee of meer Lid-Staten, wordt overeenkomstig artikel 46, lid 2, in drie etappes berekend: berekening van de theoretische uitkering, van de geproratiseerde uitkering en van de werkelijke uitkering.

22 De rechter a quo vraagt zich af, of voor de berekening van het theoretische bedrag de tijdvakken van arbeid in het buitenland, die volgens het nationale recht buiten beschouwing zouden blijven bij de berekening van het pensioen, in aanmerking moeten worden genomen.

23 Overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub a, wordt het theoretische bedrag berekend door samentelling van de verschillende tijdvakken van verzekering of van wonen die zijn vervuld onder de wettelijke regelingen van de verschillende Lid-Staten, alsof zij allemaal waren vervuld in de staat van het orgaan dat het pensioen vaststelt, en wel binnen de maximumduur welke de wettelijke regeling van de staat die het pensioen vaststelt voor het recht op volledige uitkering vereist.(11)

24 Niet vereist is, dat de tijdvakken van verzekering in de andere Lid-Staten op enigerlei wijze "converteerbaar" of "overdraagbaar" zijn in het interne recht van de staat van het orgaan dat tot de vaststelling van de uitkering overgaat.

25 Zelfs indien de in Italië vervulde militaire dienst, volgens de Belgische wettelijke regeling geen enkel recht op uitkering geeft, dan nog moeten ze in aanmerking worden genomen voor de berekening van het theoretische pensioen. In het algemeen moeten namelijk verzekeringsjaren in een Lid-Staat, die, indien ze in België zouden zijn vervuld, geen enkel recht zouden geven, eveneens in aanmerking worden genomen.

26 Anders blijft er niets over van het beginsel neergelegd in de zevende en achtste overweging van de considerans van de verordening, dat de betrokkenen aanspraak moeten kunnen maken op alle verworven uitkeringen.

27 De werknemer kan niet worden belet om zich in het kader van artikel 46 op een tijdvak van verzekering in een Lid-Staat te beroepen, op de enkele grond dat indien dit tijdvak was vervuld onder dezelfde omstandigheden in de staat van vaststelling van het pensioen, het niet in aanmerking zou worden genomen volgens het recht van deze staat. De toepassing van het gemeenschapsrecht kan immers niet afhangen van een nationale wettelijke regeling die de toepassing ervan zou kunnen verlammen.

28 De uitdrukking "en onder de wettelijke regeling die zij toepast" houdt niet in, dat de tijdvakken van verzekering in de andere Lid-Staten van dien aard moeten zijn, dat zij rechten scheppen indien de Belgische wettelijke regeling toepasselijk is.

29 In artikel 1, sub r, van verordening nr. 1408/71 worden de tijdvakken van verzekering omschreven onder verwijzing naar de wettelijke regeling waaronder zij zijn vervuld.

30 Zodra de wettelijke regeling van een Lid-Staat de daar door de werknemers vervulde tijdvakken van militaire dienst erkent als tijdvakken van verzekering(12), moeten deze in aanmerking worden genomen bij de berekening van het theoretische bedrag, hoe deze tijdvakken ook worden opgevat door de staat die de uitkering vaststelt.

31 Dit is immers de uitlegging die het Hof aan artikel 67 van de verordening over de samentelling van de tijdvakken van verzekering of arbeid heeft gegeven, hoewel uit de redactie van dit artikel naar voren lijkt te komen, dat de tijdvakken van arbeid die in een andere Lid-Staat zijn vervuld, moeten worden beschouwd als tijdvakken van verzekering in de staat die de uitkering vaststelt.

32 Zo heeft het Hof in het arrest van 15 maart 1978, Frangiamore(13), geoordeeld:

"(...) uit artikel 1 r van de Verordening blijkt voorts dat voor de beslissing of een tijdvak van arbeid als een tijdvak van verzekering is te beschouwen met het oog op de toepassing van de samentellingsregel van artikel 67, lid 1, te rade moet worden gegaan met de wetgeving waaronder het tijdvak werd vervuld."(14)

33 Bovendien bepaalt artikel 13, lid 2, sub c, van de verordening, dat "op degene die wordt opgeroepen voor militaire dienst (...) in een Lid-Staat, de wetgeving van die staat van toepassing (is)".

34 Ten slotte zou er, zoals de rechter a quo zelf opmerkt in de tweede vraag, niet veel overblijven van het beginsel van samentelling, indien voor de berekening van het theoretische pensioen uitsluitend rekening werd gehouden met de tijdvakken van verzekering die als zodanig worden erkend door de wettelijke regeling van de Lid-Staat van het orgaan dat het pensioen vaststelt.

35 Hieruit leid ik af, dat het theoretische uitkeringsbedrag afhankelijk is van alle tijdvakken van verzekering die vastgesteld kunnen worden volgens de wettelijke regeling krachtens welke zij zijn vervuld.

36 Aangezien het antwoord dat ik op de eerste vraag voorstel, negatief is, behoeft de tweede vraag niet te worden onderzocht.

37 Laat ik nu ingaan op de laatste twee vragen.

38 Zoals bekend, is het geproratiseerde pensioen als bedoeld in artikel 46, lid 2, sub b, gelijk aan het theoretische bedrag, vermenigvuldigd met de breuk A/B, waarbij de noemer gelijk is aan de tijdvakken van verzekering die zijn vervuld vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis onder de wettelijke regeling van de Staat die het pensioen vaststelt, en de teller aan de totale duur van de tijdvakken van verzekering die zijn vervuld vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis onder de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten.(15)

39 Welke tijdvakken van verzekering moeten in aanmerking worden genomen voor de teller? Zijn dit alle tijdvakken die door de wettelijke regelingen van alle Lid-Staten als zodanig worden erkend? Dat is de strekking van de derde vraag.

40 Het Hof heeft daarop reeds geantwoord als volgt:

"Vervolgens berekent het bevoegde orgaan overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub b, van verordening nr. 1408/71 het werkelijke uitkeringsbedrag op basis van het theoretische bedrag en naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering die vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering die vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld."(16)

41 Deze tijdvakken behoeven dus geenszins alle door de wettelijke regeling van de staat die het pensioen vaststelt, te worden erkend als geldige tijdvakken van verzekering.

42 Bij de laatste vraag gaat het erom, of het bevoegde orgaan zijn eigen externe anti-cumulatieregels mag toepassen voor het berekenen van het aandeel van de onder de nationale wettelijke regeling vervulde tijdvakken.

43 Anders gezegd, mag het betrokken orgaan in dit geval ter bepaling van de noemer de nationale regels terzake toepassen, zoals de artikelen 10, lid 2, en 11 ter van het koninklijk besluit, en aldus van de som van de bijkomende fictieve arbeidsjaren het aantal jaren aftrekken waarvoor de werknemer aanspraak kan maken op een pensioen in een andere Lid-Staat?

44 Recent heeft het Hof in het arrest van 11 juni 1992, Di Crescenzo en Casagrande(17), beslist:

"Op grond van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 zijn de bepalingen inzake vermindering waarin de wetgeving van een Lid-Staat voorziet ingeval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid welke op grond van de wetgeving van een andere Lid-Staat zijn verkregen, niet van toepassing indien de betrokkene gelijksoortige uitkeringen bij ouderdom geniet, welke overeenkomstig artikel 46 van deze verordening worden vastgesteld.

(...)

Bij de vaststelling van de uitkering die verschuldigd is krachtens het gemeenschapsrecht, dient het bevoegde orgaan (...) overeenkomstig artikel 12, lid 2, van de verordening geen rekening te houden met de nationale anti-cumulatiebepalingen, doch moet het, indien dat noodzakelijk blijkt, het bedrag van de verschuldigde uitkering corrigeren overeenkomstig artikel 46, lid 3."(18)

45 Deze oplossing volgt uit de ratio legis van artikel 46: het orgaan van een Lid-Staat mag voor de samentelling en de proratisatie van de tijdvakken van verzekering geen nationale regels toepassen die minder gunstig zijn voor de werknemer dan de communautaire regels, nu het er juist om gaat het pensioen te berekenen krachtens artikel 46 van de verordening.(19)

46 Zijn de bepalingen van artikel 10, § 2, 1_, laatste alinea, of van artikel 11 ter van het koninklijk besluit bepalingen inzake vermindering als bedoeld in artikel 12, lid 2, van de verordening?

47 Volgens vaste rechtspraak is:

"een nationale bepaling op grond waarvan de bijkomende fictieve jaren die de werknemer zouden kunnen worden toegekend, worden verminderd met het aantal jaren waarvoor hij aanspraak kan maken op een pensioen in een andere Lid-Staat, aan te merken als een bepaling inzake vermindering in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 (...)."(20)

48 Bijgevolg mag het orgaan dat overgaat tot de vaststelling van de uitkering krachtens artikel 46, lid 2, geen rekening houden met nationale anti-cumulatieclausules, of het nu de berekening van het theoretische of van het geproratiseerde pensioen betreft.

49 Deze oplossing ligt temeer voor de hand, daar artikel 46 communautaire anti-cumulatieregels bevat. Het feit dat een deel van de naar nationaal recht toegekende jaren "fictief" is, doet hieraan niets af. Sinds de arresten Ruzzu en Romano(21) geldt immers, dat samentelling mogelijk is, zelfs indien fictieve en werkelijke tijdvakken elkaar overlappen.

50 Laat ik thans de zaak Del Grosso onderzoeken, die voornamelijk betrekking heeft op de vraag, of artikel 10 bis van het koninklijk besluit verenigbaar is met de artikelen 7, 48 en 51 EEG-Verdrag.

51 Artikel 10 bis bepaalt:

"Wanneer de werknemer aanspraak kan maken op een rustpensioen krachtens dit besluit en op een rustpensioen of een als zodanig erkend voordeel krachtens een of meer andere regelingen en wanneer het totaal van de breuken die voor elk van die pensioenen de belangrijkheid ervan uitdrukken de eenheid overschrijdt, wordt de beroepsloopbaan die voor de berekening van het rustpensioen als werknemer in aanmerking wordt genomen verminderd met zoveel jaren als nodig om genoemd totaal tot de eenheid te herleiden.

(...).

Voor de toepassing van dit artikel moet onder $andere regeling' worden verstaan iedere andere Belgische regeling inzake rustpensioenen en overlevingspensioenen, uitgezonderd die voor zelfstandige werknemers en iedere gelijkaardige regeling van een vreemd land (...)."(22)

52 Del Grosso, Italiaans onderdaan en op 10 december 1922 geboren, heeft gedurende 41 jaar in België gewerkt. Bij besluit van 13 juli 1987 kende de RWP hem een voorlopig ouderdomspensioen toe, dat was berekend op basis van 44 verzekeringsjaren, waarbij drie "fictieve" verzekeringsjaren waren toegevoegd aan de werkelijke verzekeringsjaren met toepassing van artikel 11 bis van het koninklijk besluit. Rekening houdend met zeven werkelijke verzekeringsjaren in Italië, kortte de RWP bij besluit van 29 april 1988 het pensioenbedrag: 1) de fictieve jaren werden geschrapt op grond van artikel 10, § 2, 1_, laatste alinea, van het koninklijk besluit, 2) de 48 jaren werden met drie jaren verminderd om uit te komen op het getal een, overeenkomstig voornoemd artikel 10 bis, aangezien de loopbaan van de betrokkene naar Belgisch recht 45/45 niet te boven mag gaan, 3) het Belgische pensioen werd berekenend op basis van een loopbaan van 38/45 (45/45 - 7/45), om rekening te houden met het Italiaanse pensioen.

53 Del Grosso maakt bezwaar tegen het feit dat zijn beroepsloopbaan tot 45 jaar wordt beperkt, aangezien wat hem betreft geen sprake is van "ongerechtvaardigde cumulaties", maar van afzonderlijke werkelijke tijdvakken van verzekering die elkaar niet overlappen en bij elkaar opgeteld moeten kunnen worden. Hij vraagt om een Belgisch pensioen, berekend op basis van een loopbaan van 41/45.

54 De situatie van betrokkene is paradoxaal: vanwege gewerkte jaren in het buitenland betaalt de Belgische Staat de werknemer immers een pensioen dat lager is dan dat hij zou krijgen indien hij België nooit verlaten had.

55 Is het beginsel van eenheid van de loopbaan derhalve in strijd met de artikelen 7, 48 en 51 EEG-Verdrag en met de artikelen 12, lid 2, en 46 van de verordening? Dat is de vraag van de rechter a quo.

56 Ik herinner eraan, dat het Hof in het kader van artikel 177 niet bevoegd is gemeenschapsregels op een bepaald geval toe te passen en bepalingen van nationaal recht aan die regel te toetsen. Zijn taak is, de nationale rechter "alle interpretatiegegevens met betrekking tot het gemeenschapsrecht (te) verschaffen, die voor hem van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de werking van die bepalingen".(23)

57 Hoe dient dat beginsel van eenheid van de loopbaan te worden begrepen?

58 Valt onder het begrip verminderingsbepaling of anti-cumulatieregel als bedoeld in artikel 12, lid 2, van de verordening een bepaling die, zoals artikel 10 bis, een maximum stelt aan de tijdvakken van verzekering en die het aantal bijkomende jaren van tewerkstelling waarop de werknemer aanspraak kan maken vermindert?

59 Een dergelijk voorschrift is door het Hof reeds gekwalificeerd als anti-cumulatieregel, indien het leidt tot een vermindering van de bijkomende fictieve jaren van tewerkstelling.(24) Dit geldt a fortiori, wanneer het leidt tot een vermindering van het aantal werkelijke verzekeringsjaren.

60 Op een niet geharmoniseerd terrein als dat van de sociale zekerheid zijn nationale anti-cumulatieregels en een maximering van de verzekeringsloopbaan op zich in wezen niet in strijd met het gemeenschapsrecht.

61 De mogelijkheid voor de nationale wetgever om cumulatie te beperken, wordt uitdrukkelijk erkend door artikel 12, lid 2, van de verordening. Artikel 46, lid 2, sub c, van deze tekst bepaalt overigens, dat de interne wettelijke regelingen kunnen voorzien in een maximum verzekeringsduur, bij overschrijding waarvan geen aanspraak bestaat op een hoger pensioenbedrag dan het volledige pensioen.

62 In het arrest Pian(25) van 5 april 1990 heeft het Hof trouwens opgemerkt, dat

"(...) wanneer een werknemer of zelfstandige een pensioen uitsluitend krachtens de nationale wettelijke regeling ontvangt, de bepalingen van verordening nr. 1408/71 zich er niet tegen verzetten, dat die nationale wettelijke regeling volledig op hem wordt toegepast, dus met inbegrip van de nationale anti-cumulatiebepalingen, tenzij de toepassing van die nationale wettelijke regeling voor de werknemer minder gunstig blijkt te zijn dan die van de regeling van artikel 46 van verordening (EEG) 1408/71".(26)

63 Bij de berekening van de op grond van het gemeenschapsrecht verschuldigde uitkering evenwel mogen de nationale anti-cumulatieregels niet worden toegepast, indien de betrokkene overeenkomstig artikel 12, lid 2, tweede volzin, van de verordening gelijksoortige uitkeringen(27) ontvangt.

64 Bijgevolg verzetten de artikelen 12, lid 2, en 46 van de verordening zich niet tegen de toepassing van nationale anti-cumulatieregels, indien bij samenloop van uitkeringen het ouderdomspensioen enkel krachtens de nationale wettelijke regeling wordt berekend.

65 Hoe is de situatie volgens de door de rechter a quo aangehaalde bepalingen van het Verdrag?

66 Zoals bekend, kan artikel 7, dat iedere vorm van discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt, slechts autonoom toepassing vinden in door het gemeenschapsrecht beheerste situaties, waarvoor het Verdrag niet in specifieke regels(28) voorziet.

67 Welnu, op het gebied van het vrije verkeer van werknemers is aan deze bepaling uitvoering gegeven door de artikelen 48 tot en met 51.

68 Aan de hand van de door het Hof gegeven uitlegging van deze artikelen zal de rechter a quo moeten bepalen, of artikel 10 bis van het koninklijk besluit, volgens hetwelk de aan te rekenen verzekeringsjaren worden verminderd indien het totale aantal verzekeringsjaren in de verschillende Lid-Staten de totale loopbaan overschrijdt (in dit geval 45/45), al dan niet verenigbaar is met deze artikelen.

69 Met betrekking tot deze artikelen heeft het Hof uitgemaakt dat:

"(...) ook al laat artikel 51 EEG-Verdrag volgens vaste rechtspraak verschillen bestaan tussen de sociale-zekerheidsstelsels van de Lid-Staten en, bijgevolg, ook in de rechten van de personen die er werkzaam zijn(...), het doel van de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag echter zeker niet zou worden bereikt, indien de migrerende werknemers ten gevolge van de uitoefening van hun recht van vrij verkeer voordelen op het gebied van de sociale zekerheid zouden verliezen die hun reeds door de wettelijke regeling van een Lid-Staat zijn gewaarborgd; een dergelijk gevolg zou een werknemer in de Gemeenschap er immers van kunnen weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, en daarmee een belemmering voor dit vrije verkeer kunnen opleveren".(29)

70 Artikel 51 verlangt derhalve, dat degene die in meerdere Lid-Staten heeft gewerkt, op het gebied van de sociale zekerheid niet minder goed wordt behandeld dan degene die zijn gehele loopbaan in één Lid-Staat heeft vervuld. De eerste behoeft daarentegen niet noodzakelijkerwijs in een gunstiger positie te komen dan de tweede.(30)

71 Twee opmerkingen hierover.

72 In de eerste plaats behoudt het nationale recht volledig zijn belang voor de vaststelling van het pensioen van de migrerende werknemer, aangezien deze, indien hij een pensioen kan ontvangen enkel op grond van de nationale wettelijke regeling, recht heeft op de hoogste van de twee in aanmerking komende uitkeringen heeft, te weten enerzijds die waarop hij aanspraak kan maken enkel op grond van de integrale wettelijke regeling van die staat, eventuele anti-cumulatieregels inbegrepen, en anderzijds de uitkering waarop hij aanspraak kan maken op grond van de bepalingen van de verordening in haar geheel.(31)

73 In de tweede plaats: wanneer toepassing van de communautaire regeling voor de werknemer minder gunstig uitvalt dan die van de betrokken Lid-Staat, moet alleen het nationale recht met inbegrip van de anti-cumulatieclausules daarvan, worden toegepast.(32)

74 Bijgevolg verzetten de bepalingen van de verordening zich er in beginsel niet tegen, dat bij samenloop van door de bevoegde organen van twee of meer Lid-Staten uitbetaalde uitkeringen de nationale anti-cumulatieclausules worden toegepast, wanneer het ouderdomspensioen enkel wordt berekend krachtens de nationale wettelijke regeling van het bevoegde orgaan zonder een beroep te doen op het gemeenschapsrecht.

75 Maar, zoals reeds werd opgemerkt, mag de migrerende werknemer door dit recht niet in een minder gunstige situatie komen dan een werknemer die enkel in een staat heeft gewerkt.

76 Hoe staat het in dit verband met artikel 10 bis van het koninklijk besluit?

77 Twee elementen zijn kenmerkend voor dit artikel: 1) het is zonder onderscheid van toepassing op de nationale werknemers en op de werknemers van andere Lid-Staten, 2) de loopbaan vervuld in de Lid-Staat die het pensioen vaststelt, kan, binnen de maximumduur, worden verminderd met het aantal onder een andere regeling gewerkte jaren, ongeacht de Lid-Staat waaronder deze regeling ressorteert, met inbegrip derhalve van de Lid-Staat die het pensioen vaststelt.

78 Met andere woorden, wanneer door de samentelling van de verzekeringsjaren de maximumduur van de loopbaan wordt overschreden, dan vindt de vermindering tot die maximumduur plaats onder dezelfde voorwaarden, of de werknemer nu valt onder meerdere regelingen van de staat van het bevoegde orgaan of onder een regeling van deze staat en regelingen van andere Lid-Staten.

79 Voor de vaststelling van de loopbaan van de betrokkene dient de nationale rechter te beoordelen, of toepassing van de anti-cumulatieregel van artikel 10 bis een ten minste even gunstig resultaat oplevert, indien alle werkelijk gewerkte jaren zijn vervuld in meerdere Lid-Staten dan wanneer zij uitsluitend in de Lid-Staat van het bevoegde orgaan zijn vervuld.

80 De conclusie luidt, dat zodra een nationale anti-cumulatieregel de migrerende werknemer niet belet een beroep te doen op een loopbaan die ten minste gelijk is aan die waarop hij recht zou hebben indien hij een zelfde tijdvak van arbeid had vervuld zonder ooit een van de Lid-Staten te hebben verlaten, er geen strijd is met de artikelen 48 en 51 van het Verdrag.

81 Het Hof heeft voorzichtigheidshalve de Commissie een vraag gesteld naar de gevolgen van verordening (EEG) nr. 1248/92 van 30 april 1992 tot wijziging van verordening nr. 1408/71, en met name van de artikelen 12 en 46 tot en met 51.

82 Verordening nr. 1248/92 verleent de werknemers van wie het pensioen vóór 1 juni 1992 is vastgesteld, geen rechten met betrekking tot het tijdvak vóór deze datum.(33)

83 Het staat derhalve aan de nationale rechter om, indien hij zulks nuttig acht, zich tot het Hof te wenden voor uitlegging van deze nieuwe bepaling.

84 Ik geef derhalve in overweging, voor recht te verklaren:

"I - In de zaken C-113/92 en C-114/92

1) a) Het theoretische bedrag als bedoeld in artikel 46, lid 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 is gelijk aan de som van de tijdvakken van verzekering of van wonen die als zodanig worden erkend door de wettelijke regeling van de Lid-Staten waar zij zijn vervuld, ook indien die tijdvakken ingevolge de wetgeving van het orgaan dat het pensioen vaststelt, niet als tijdvakken van verzekering worden erkend.

b) Wanneer de betrokkene recht heeft op een volledig pensioen krachtens de wetgeving van het bevoegde orgaan alleen behoeft dit orgaan geen rekening te houden met onder vigeur van de wetgeving van andere Lid-Staten vervulde tijdvakken.

2) Voor de vaststelling van het werkelijke bedrag van de in artikel 46, lid 2, sub b, van de verordening bedoelde uitkering moet het bevoegde orgaan voor de noemer rekening houden met alle vervulde en door de wetgeving van alle Lid-Staten als zodanig erkende tijdvakken van verzekering of van wonen.

3) Een nationale bepaling die de bijkomende fictieve arbeidsjaren vermindert, die de werknemer kunnen worden toegekend naargelang van het aantal jaren waarvoor hij in een andere Lid-Staat aanspraak op pensioen kan maken, is een bepaling inzake vermindering in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71, die bij toepassing van artikel 46 van deze verordening buiten toepassing dient te blijven.

II - In zaak C-156/92

1) De artikelen 12, lid 2, en 46 van verordening (EEG) nr. 1408/71 verzetten zich niet tegen een nationale bepaling die de duur van de loopbaan die voor de berekening van het ouderdomspensioen in aanmerking wordt genomen, aldus vermindert, dat de som van de in de Lid-Staat van het bevoegde orgaan en in andere Lid-Staten vervulde jaren een bepaald maximum niet overschrijdt.

2) De artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag verzetten zich niet tegen een dergelijke bepaling, wanneer zij zonder onderscheid van toepassing is op de in de Lid-Staat van het bevoegde orgaan en in andere Lid-Staten vervulde jaren."

(1) - Verordening van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Europese Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 148, blz. 2), zoals gewijzigd en bijgewerkt door verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6, aanhangsel 1).

(2) - Belgisch Staatsblad van 27 oktober 1967, blz. 11258; gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 26 juni 1972 (Belgisch Staatsblad van 30 juni 1972, blz. 7738) en bij artikel 1 van de wet van 28 maart 1975 (Belgisch Staatsblad van 8 april 1975, blz. 4108).

(3) - De tekst van de prejudiciële vragen is opgenomen in het rapport ter terechtzitting (II).

(4) - Zie Artikel 46, lid 1, eerste alinea, en de arresten van 2 juli 1981, Celestre (gevoegde zaken 116/80, 117/80, 119/80, 120/80 en 121/80, Jurispr.1980, blz. 1737, r.o. 12) en van 13 maart 1986, Sinatra (zaak 296/84, Jurispr. 1986, blz. 1047, r.o. 21). Het bedrag van de in artikel 46, lid 1, bedoelde uitkering wordt niet strikt op grond van de nationale wettelijke regeling bepaald, maar door toepassing van het gemeenschapsrecht, voor zover daardoor de gevolgen van de nationale anti-cumulatieregel wordt gecompenseerd.

(5) - Zie arrest van 18 februari 1992, Di Prinzio, r.o. 39 (zaak C-5/91, Jurispr. 1991, blz. I-897).

(6) - Zie artikel 46, lid 2, sub a.

(7) - Reeds aangehaald, voetnoot 5.

(8) - Beide zaken zijn volmaakt gelijk: de betrokken werknemer heeft enkel ingevolge het nationale recht aanspraak op een volledig pensioen: de autonome uitkering - zonder inaanmerkingneming van de nationale anti-cumulatieregels - is gelijk aan het volledige pensioen: 30/30.

(9) - R.o. 25 en 26, cursivering van mij. Zie tevens r.o. 43 en 48 van hetzelfde arrest. Zie in deze zin de conclusie van advocaat-generaal Lenz van 29 april 1993, (zaak C-31/92, Larsy, Jurispr. 1993, blz. I-4550, r.o. 19, sub b).

(10) - Arrest Di Prinzio, reeds aangehaald, r.o. 39, 44, 48 en 58.

(11) - Zie artikel 46, lid 2, sub c.

(12) - Dit wordt niet betwist: zie blz. 14 van de opmerkingen van de Commissie.

(13) - Zie arrest 126/77, Jurispr. 1978, blz. 725.

(14) - R.o. 9, cursivering van mij. Zie ook het arrest van 6 juni (zaak 2/72, Murru, Jurispr. 1972, blz. 333) betreffende verordening nr. 3 van de Raad van 25 september 1958, over de sociale zekerheid van migrerende werknemers.

(15) - Zie mijn conclusie in de zaak Di Prinzio, reeds aangehaald, punt 62.

(16) - Zie arrest Di Prinzio, reeds aangehaald, r.o. 49, cursivering van mij.

(17) - Gevoegde zaken C-90/91 en C-91/91, Jurispr. 1991, blz. I-3851.

(18) - R.o. 18 en 35, cursivering van mij.

(19) - Zie arrest van 2 juli 1981, Celestre, r.o. 15 d) (gevoegde zaken 116/80-121/80, Jurispr. 1980, blz. 1737).

(20) - R.o. 21 van het arrest van 11 juni 1992, Di Crescenzo en Casagrande, reeds aangehaald. Zie ook r.o. 36 van het arrest van 18 februari 1992, Di Prinzio, reeds aangehaald, waarin de arresten van 4 juni 1985 in zaak 58/84 (Romano, Jurispr. 1984, blz. 1679) en in zaak 117/84 (Ruzzu, Jurispr. 1984, blz. 1627) worden aangehaald.

(21) - Zie verwijzingen hiervoor in voetnoot 20.

(22) - Deze bepaling is bij artikel 2 van koninklijk besluit nr. 205 van 29 augustus 1983 ingevoegd in besluit nr. 50.

(23) - Arrest van 24 september 1987, zaak 37/86, Coenen, Jurispr. 1986, blz. 3589, r.o. 8.

(24) - Zie de arresten Romano (r.o. 15) en Ruzzu (r.o. 16), voetnoot 20 hiervoor.

(25) - Zaak C-108/89, Jurispr. 1989, blz. I-1599.

(26) - R.o. 16, cursivering van mij.

(27) - Zie het arrest Di Prinzio, reeds aangehaald, r.o. 38, 46 en 55, en het arrest van 11 juni 1992, Di Crescenzo en Casagrande, r.o. 20 en 27 (zaken C-90 en 91/91, Jurispr. 1991, blz. I-3851). Deze regel is neergelegd in artikel 46 ter, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen alsmede hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en verordening (EEG) nr. 574/72 die de uitvoering regelt van verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB 1971, L 136, blz. 7).

(28) - Zie arrest van 30 mei 1989, Commissie/Griekenland (zaak 305/87, Jurispr. 1987, blz. 1461).

(29) - Zie arrest van 24 oktober 1991 (C-349/87, Paraschi, Jurispr. 1987, blz. I-4501, r.o. 22). Zie tevens mijn conclusie van 14 januari 1993 in zaak C-165/91 (Van Munster, Jurispr. 1994, blz. 4675, r.o. 37 tot en met 40.

(30) - Zie hierover punt 19 van de conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Cabras (zaak C-199/88, Jurispr. 1990, blz. I-1044).

(31) - Arrest Di Crescenzo en Casagrande (reeds aangehaald, r.o. 15 tot en met 17).

(32) - Dat is het geval in de zaak Del Grosso. Voor een ander voorbeeld, zie arrest van 13 maart 1986 (zaak 296/84, Sinatra, Jurispr. 1984, blz. 1047, r.o. 13).

(33) - Zie artikel 4 van deze verordening en het nieuwe artikel 95 bis, lid 4, van verordening nr. 1408/71.