CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

W. VAN GERVEN

van 2 maart 1993 ( *1 )

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

1. 

Deze zaak betreft een verzoek van het Duitse Finanzgericht Hamburg om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de verordeningen (EEG) nrs. 2773/82 en 1315/84 van de Commissie, respectievelijk van 13 oktober 1982 en 11 mei 1984 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer in de sector rundvlees. ( 1 ) De gestelde vragen zijn gerezen in het kader van een geschil tussen GruSa Fleisch (hierna: „GruSa”) en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hierna: „Hauptzollamt”).

Achtergrond

2.

In mei en juni 1984 vroeg GruSa toelating aan de bevoegde douaneautoriteiten om zeven partijen rundvlees te mogen opslaan in een restitutie-entrepot, met het oog op latere uitvoer. Aan het bevoegde Zollamt gaf ze deze partijen aan als „delen, zonder been, van runderen, huisdieren, vers gekoeld, elk dcelstuk individueel verpakt, met uitzondering van de vang en de schenkel” (in het Duits: „mit Ausnahme von Fleisch-und Knochendünnung und der Hesse”). Het Zollamt keurde de aangiften goed. De goederen werden opgeslagen in een restitutie-entrepot, vanwaar ze naar Egypte werden uitgevoerd. Het Hauptzollamt kende GruSa de gevraagde restitutie bij uitvoer toe.

3.

Uit onderzoek van de douanerecherche te Nürnberg bleek later dat de uitgevoerde partijen vlees, anders dan de aangifte van GruSa vermeldde, wel „Knochendünnung” bevatten. In een strafrechtelijke procedure voor het Landgericht Nürnberg werden de zaakvoerders van GruSa en van een van haar leveranciers veroordeeld wegens fraude. Deze veroordeling, die trouwens niet slechts op „Knochendünnung” maar ook op „Fleischdünnung” betrekking had, werd bij arrest van 5 september 1989 bevestigd door het Bundesgerichtshof. Het Landgericht Nürnberg noch het Bundesgerichtshof zijn ingegaan op GruSa's verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. Beide rechtscolleges oordeelden dat 's Hofs arrest Ekro van 18 januari 1984 ( 2 ) een afdoend antwoord bood op de rechtsvragen die in geding waren.

4.

Na afloop van de strafrechtelijke procedure vorderde het Hauptzollamt bij wijzigingsbeschikkingen van 19 oktober 1987 de eerder toegekende uitvoerrestituties terug, vermeerderd met een toeslag van 20 %. GruSa tekende bezwaar aan tegen de wijzigingsbeschikkingen, waarna het Hauptzollamt afzag van de toeslag van 20 %. Voor het overige wees het GruSa's bezwaar af. Tegen deze afwijzing kwam GruSa in beroep bij het Finanzgericht Hamburg, dat het Hof drie prejudiciële vragen stelde. Voor een weergave in extenso van deze vragen, alsmede voor een verdere uiteenzetting van de feiten verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting.

Het normatief kader

5.

Restitutiebetalingen bij de uitvoer van rundvlees worden beheerst door artikel 18 van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees ( 3 ), zoals gewijzigd door artikel 3 van verordening (EEG) nr. 425/77 van de Raad van 14 februari 1977. ( 4 ) Artikel 18 bepaalt onder meer:

„1.

In de mate nodig om de uitvoer van de in artikel 1 genoemde produkten op basis van de noteringen of de prijzen van deze produkten op de wereldmarkt mogelijk te maken, kan het verschil tussen deze noteringen of prijzen en de prijzen in de Gemeenschap overbrugd worden door een restitutie bij de uitvoer.

(...)

4.

De Raad stelt op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de algemene voorschriften vast voor de toekenning en de vaststelling vooraf van de restituties bij de uitvoer, alsmede de criteria voor het bepalen van het bedrag ervan.

5.

De vaststelling van de restituties geschiedt periodiek volgens de procedure van artikel 27. ( 5 ) Indien noodzakelijk kan de Commissie de restituties tussentijds wijzigen op verzoek van een Lid-Staat of op eigen initiatief.”

6.

Op basis van artikel 18, lid 5, eerste zin, vaardigde de Commissie verordening nr. 2773/82 en — ter vervanging daarvan — verordening nr. 1315/84 uit. Beide verordeningen zijn van kracht geweest tijdens de in geding staande periode (de wijzigingsbeschikkingen van het Hauptzollamt hebben betrekking op de periode tussen 1 november 1982 en 27 juli 1984). ( 6 ) Ondertussen zijn ze echter vervangen door verordening (EEG) nr. 2891/84 van de Commissie van 15 oktober 1984 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector rundvlees. ( 7 ) Net als zijn voorgangers, bevat ook deze tekst in bijlage een lijst waarin precies wordt aangegeven voor welke rundvleesprodukten er restitutiebetalingen worden toegekend, en hoeveel deze bedragen.

Post ex 02.01 A II a 4 ex bb van de in bijlage bij de verordeningen nrs. 2773/82 en 1315/84 opgenomen lijst bepaalt dat „delen, zonder been, elk deelstuk individueel verpakt” (in het Duits: „Teilstückc ohne Knochen, jedes Stück einzeln verpackt”) in aanmerking komen voor restitutie. De post voorziet echter ook in een uitzondering voor „de vang en de schenkel”, die niet voor restitutie in aanmerking komen. In voetnoot 7 bij de bijlage wordt dit trouwens uitdrukkelijk bevestigd:

„De delen, zonder been, waaraan de hele of een gedeelte van de vang en/of de schenkel vastzit komen niet in aanmerking voor de restitutie.”

7.

Volgens GruSa wordt deze uitzondering enkel in de Duitse taalversie ruimer geformuleerd, waardoor exporteurs uit Duitsland benadeeld zouden worden tegenover exporteurs uit andere Lid-Statcn. In de Duitse versie van de bijlage bij de verordeningen nrs. 2773/82 en 1315/84 heet het immers dat „Fleisch-und Knochendünnung und [die] Hesse” van restitutiebetalingen worden uitgezonderd, hetgeen bevestigd wordt door de Duitse versie van voetnoot 7 bij die bijlage.

Het Duitse „Knochendünnung” valt, aldus GruSa, niet onder het begrip „vang” dat in de overige taalversies werd gehanteerd. Het ziet deze stelling bevestigd door de nu als bijlage bij verordening nr. 2891/84 opgenomen nieuwe lijst met voor restitutie in aanmerking komende produkten. Volgens de Duitse taalversie van deze nieuwe lijst, die zoals gezegd nog niet van toepassing was ten tijde van de in geding staande exporttransactics, dienen conform post ex 02.01 A II a 4 ex bb nog slechts „Fleischdünnung und [die] Hesse” van restitutie te worden uitgesloten. De overige taalversies werden op dit punt niet veranderd.

De eerste en de derde prejudiciële vraag

8.

Met zijn eerste vraag wenst het Finanzgericht te vernemen of de artikelen 1 van de verordeningen nrs. 2773/82 en 1315/84, alsmede de in bijlage bij deze verordeningen opgenomen post ex 02.01 A II a 4 ex bb aldus moeten worden uitgelegd dat in de Bondsrepubliek Duitsland „Knochendünnung” tot de voor restitutie in aanmerking komende delen van het rund behoort. Via zijn derde vraag hoopt het verwijzende rechtscollege te vernemen of genoemde verordeningen ongeldig zijn, daar ze niet toelaten voor „Knochendünnung” restitutie toe te kennen. Blijkens de motivering van de verwijzingsbeschikking hebben deze vragen betrekking op GruSa's argument, volgens hetwelk de Duitse versie van voornoemde verordeningen niet toegepast mag worden omdat ze berust op een onjuiste vertaling van de oorspronkelijke Franse tekst.

9.

In haar schriftelijke opmerkingen voor het Hof getroost GruSa zich veel moeite om aan te tonen dat er verschillen bestaan tussen de onderscheiden taalversies van de in geding staande verordeningen. Veel belangrijker dan de vraag of dergelijke verschillen werkelijk bestaan, lijkt me de vraag of eventuele taalverschillen verantwoord kunnen worden op basis van onderliggende en aanvaardbare feitelijke verschillen. Dit leid ik af uit voormeld arrest Ekro. Omwille van de bijzondere relevantie van dit arrest voor de nu voorliggende zaak, wens ik er uitvoerig aandacht aan te besteden.

10.

Ook in arrest Ekro diende het Hof zich uit te spreken over de anatomische afgrenzing van het begrip „vang”, zoals dat voorkwam in de — ook nu in geding staande — post ex 02.01 A II a 4 ex bb van de bijlage bij verordening (EEG) nr. 2787/81. ( 8 ) Het begrip „vang” werd trouwens hernomen in de bijlagen bij de verordeningen nrs. 2773/82, 1315/84 en 2891/84.

11.

Het Hof begon zijn analyse met de formulering van volgende algemene interpretatieregel:

„[r. o. 11] Met het oog op de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en het beginsel van gelijke behandeling is het als algemene regel noodzakelijk dat de termen van een gemeenschapsrechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de Lid-Staten verwijst, in de gehele Gemeenschap autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling.”

Deze interpretatieregel is volledig conform met de door GruSa in haar schriftelijke opmerkingen voor het Hof ingeroepen rechtspraak, en met name met het arrest Moksel. ( 9 ) Dit arrest bevestigt het arrest Stauder van 12 november 1969 ( 10 ), dat bepaalt:

„[r. o. 3] [W]anneer één enkele beschikking tot alle Lid-Staten wordt gericht, [brengt] het vereiste ener uniforme toepassing en uitlegging [mede] dat deze tekst niet op zich zelf in één van zijn versies wordt beschouwd, doch gebiedt dat hij zal worden geïnterpreteerd — met name in het licht van de in alle talen geredigeerde versies — zowel naar de werkelijke bedoeling van de wetgever, als gelet op het doel hetwelk hij zich daarmede heeft gesteld.”

12.

Wat het doel van de wetgever betreft, stemt het Hof in arrest Ekro in met de zienswijze van de Commissie, dat de betrokken bepaling tot doel heeft „stukken vlees van geringe waarde, waarnaar in de vleesverwerkende industrie in de Gemeenschap voldoende vraag bestaat, van de restitutieregeling uit te sluiten” (r. o. 12).

13.

Vervolgens stelt het Hof echter vast dat de hoger geciteerde algemene interpretatieregel, precies inzake uitvoerrestituties in de sector rundvlees, niet volstaat om de gestelde prejudiciële vraag op afdoende wijze te beantwoorden:

„[r. o. 12] (...) Evenals de methodes voor het uitsnijden en het uitbenen van runderkarkassen is evenwel ook het antwoord op de vraag, welke vorm en grootte het als minderwaardig te beschouwen deel van de buikwand precies heeft, afhankelijk van de per Lid-Staat en streek verschillende consumptiegewoonten en handelsgebruiken. Uit voornoemde doelstelling van de communautaire bepaling in geding kan derhalve geen precieze anatomische begrenzing van dit deel van het karkas worden afgeleid.

[r. o. 13] Aangezien verordening nr. 2787/81 geen enkele aanwijzing in die zin bevat, kan niet worden aangenomen dat de communautaire wetgever in het kader van een verordening over de restituties bij de uitvoer van vlees de in de verschillende Lid-Statcn bestaande uitsnij- en uitbcenmethodes heeft willen harmoniseren of uniformiseren. Uit hetgeen de Commissie op een vraag van het Hof heeft geantwoord, blijkt integendeel, dat zij bij de vaststelling van verordening nr. 2787/81 zich ervan bewust was dat de in de verordening gebruikte termen niet overal precies dezelfde betekenis hadden; zij meende echter dat die verschillen slechts van gering belang waren en geen wijziging van de gebruiken en methodes ter zake vergden.

[r. o. 14] Door zich aldus bij de verschillende betekenissen van die termen neer te leggen, heeft de Commissie zich in haar verordening derhalve impliciet gerefereerd aan de in de diverse Lid-Statcn en streken gebruikelijke uitsnij- en uitbcenmethodcs. Ondanks het voornoemde beginsel van eenvormige uitlegging van de bepalingen van gemeenschapsrecht, staat het dan ook niet aan het Hof, een eenvormige communautaire definitie van die termen te geven.

[r. o. 15] Voor de juiste anatomische begrenzing van het als vang aangeduide stuk vlees dient men derhalve te zien naar de in de betrokken Lid-Staat of streek gebruikelijke methode voor het uitsnijden en uitbenen van runderkarkassen. Het is de taak van de nationale rechter om vast te stellen welke die begrenzing is.”

14.

Net als het Landgericht Nürnberg en het Bundesgerichtshof ben ik van oordeel dat het arrest Ekro al de nodige elementen aanbrengt ter beoordeling van het nu voorliggend geval.

Uit de door partijen voorgelegde procedurestukken meen ik te kunnen afleiden dat het begrip „vang” zoals het voorkomt in de niet-Duitse taalversies van de verordeningen nrs. 2773/82 en 1315/84 in het algemeen overeenkomt met de Duitse „Flcischdün-nung”plus een deel van wat in het Duits „Knochendünnung” genoemd wordt. Ook GruSa lijkt dit trouwens te erkennen. Het beschrijft de Engelse „thin flanks” als een deel van het rund dat „uitsluitend althans hoofdzakelijk overeenkomt met de ‚Flcischdünnung’ en niet mede de ‚Knochcndünnung’ omvat” (cursivering van mij). Voorts heet het dat „meer dan 90 % van het stuk van de negende tot de dertiende rib in de andere Lid-Staten wordt beschouwd en behandeld over een stuk dat voor restitutie in aanmerking komt” (cursivering van mij). ( 11 )

15.

Het valt niet te ontkennen dat de opname van „Knochcndünnung” in de Duitse taalversie van post ex 02.01 A II a 4 ex bb geleid heeft tot een benadeling van rundvleesexporteurs uit Duitsland, en dus tot een ongelijke behandeling van exporteurs uit Duitsland en uit andere Lid-Staten. Evenmin valt echter te ontkennen dat deze ongelijke behandeling noodzakelijkerwijze voortvloeit uit de verschillen in nationale uitsnij- en uitbcenmethodcs, en bovendien zeer beperkt is gebleven. Inderdaad, zonder op dit punt te worden tegengesproken, heeft de Commissie voor het Hof gesteld dat „Knochendün-nung” maximaal vier procent van de totale hoeveelheid rundvlees kan uitmaken. De omstandigheid dat het begrip „vang” uit de niet-Duitse taalversies veelal ook een deel van het Duitse „Knochendünnung” omvat (supra, punt 14), lijkt me de werkelijke discriminatie nog verder te hebben beperkt.

16.

Voorts ben ik van oordeel dat de uitsluiting van „Knochendünnung” beantwoordt aan het doel van de in geding staande verordeningen. Conform's Hofs arrest Ekro beogen die verordeningen „stukken vlees van geringe waarde, waarnaar in de vleesverwerkende industrie in de Gemeenschap voldoende vraag bestaat, van de restitutieregeling uit te sluiten” (supra, punt 12).

GruSa betoogt terzake dat „Knochendünnung”, een stuk rundvlees dat de negende tot dertiende rib betreft, kwalitatief even hoogstaand is als stukken rundvlees die de eerste tot de achtste rib betreffen en wel voor restitutie in aanmerking komen.

Het heet dat:

„Het stuk van een runderkarkas van de negende tot de dertiende rib is in elk opzicht van dezelfde waarde als het stuk van de eerste tot de achtste rib.” ( 12 )

De waarde van „Knochendünnung” valt mijns inziens slechts af te leiden uit de prijs die ervoor op de wereldmarkt betaald wordt. Een bevestiging hiervan vind ik in het reeds geciteerde artikel 18 van basisverordening nr. 805/68, dat voor bepaalde produkten restituties instelt „in de mate nodig om de uitvoer van [die] produkten op basis van de noteringen of de prijzen van deze produkten op de wereldmarkt mogelijk te maken”.

Welnu, stukken rundvlees die geheel of gedeeltelijk met het Duitse „Knochendünnung” overeenstemmen, worden op de wereldmarkt verkocht tegen prijzen die vele malen lager zijn dan de prijzen voor andere stukken rundvlees en met name voor rundvlees van de eerste tot de achtste rib. Dit blijkt overduidelijk uit de door de Commissie bij haar antwoord op een bijkomende vraag van het Hof gevoegde bijlage bij verordening (EEG) nr. 1354/92 ( 13 ), evenals uit gelijkaardige bijlagen bij verordeningen uit de in geding staande periode. ( 14 )„Knochendünnung” blijkt dus niet „in ieder opzicht gelijkwaardig” te zijn aan rundvlees van de eerste tot achtste rib, integendeel. ( 15 )

17.

GruSa voert nog aan dat de Commissie, door in de bijlage bij verordening nr. 2891/84 enkel de Duitse taalversie van post ex 02.01 A II a 4 ex bb te wijzigen, en wel in de door GruSa voorgestelde zin, heeft toegegeven dat de verordeningen nrs. 2773/82 en 1315/84 door een vertaalfout waren aangetast.

Volgens mij betwist de Commissie terecht de pertinentie van dit argument. Dat leid ik af uit het arrest dat het Hof op 27 januari 1988 wees in de zaak Denemarken/Commissie ( 16 ), die trouwens opvallend veel gelijkenissen vertoont met het nu voorliggende geval. De zaak betrof eveneens de interpretatie van een in bijlage bij een verordening „tot vaststelling van de restituties bij uitvoer in de sector rundvlees” opgenomen post. ( 17 ) Het Hof verwierp de door de Commissie verdedigde interpretatie, en stelde daarbij onder meer:

„[r. o. 15] De omstandigheid dat achteraf, bij verordening nr. 2429/86 van de Commissie van 31 juli 1986 [...] aan de omstreden post een andere betekenis is gegeven, kan geen invloed hebben op de uitlegging van de ten tijde van de feiten geldende tekst (zie arrest van 18 januari 1984, zaak 327/82, Ekro BV, Jurispr. 1984, blz. 107, r. o. 22).”

18.

Overigens acht ik GruSa's argument inhoudelijk ongegrond, daar ik meen dat de weglating van „Knochendünnung” in de Duitse taalversie van post ex 02.01 A II a 4 ex bb in de bijlage bij verordening nr. 2891/84 geen rechtzetting, maar gewoon een wijziging uitmaakt. Ook deze weglating veroorzaakt trouwens een — ook hier beperkte — ongelijke behandeling van rundvleesexporteurs uit Duitsland en uit andere Lid-Staten, ditmaal echter in het voordeel van eerstgenoemden. Zij zullen nu immers restituties ontvangen voor de volledige „Knochendünnung”, terwijl dat — omwille van de verschillen in nationale uitsnij- en uitbeenmethodes (supra, punt 13) — voor exporteurs uit andere Lid-Staten niet altijd het geval zal zijn. Biedt dit deze exporteurs nu een gegronde reden om verordening nr. 2891/84 aan te vechten? Ik meen van niet. Zowel de benadeling van exporteurs uit Duitsland in het tijdperk voorafgaand aan verordening nr, 2891/84 als hun bevoordeling erna acht ik, bij gebrek aan harmonisatie van nationale uitsnij- en uitbcenmethoden, onvermijdelijk.

19.

Omwille van al de hiervoor (punten 14-18) genoemde redenen ben ik van oordeel dat de uitsluiting van „Knochendünnung” in post ex 02.01 A II a 4 ex bb van de in geding staande verordeningen, gerechtvaardigd is onder de Ekro rechtspraak van het Hof, In antwoord op de derde prejudiciële vraag, betekent dit meteen dat de door GruSa aangevochten uitsluiting de verordeningen volgens mij niet ongeldig maakt.

De tweede prejudiciële vraag

20.

Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst het Finanzgericht Hamburg te vernemen of verordening nr. 2891/84 terugwerkende kracht heeft.

21.

Hiervoor (supra, punt 18) heb ik reeds aangegeven dat ik meen dat de weglating van „Knochendünnung” in de Duitse taalversie van post ex 02.01 A II a 4 ex bb in de bijlage bij verordening nr. 2891/84 geen rechtzetting, maar gewoon een wijziging uitmaakt. Daarom alleen al, zie ik geen enkele reden voor retroactieve toepassing van laatstgenoemde verordening. Alleen indien genoemde weglating een verbetering had uitgemaakt, had men wellicht kunnen stellen dat post ex 02.01 A II a 4 ex bb vanaf de inwerkingtreding van de verbeterde versie retroactief overeenkomstig die versie had moeten worden uitgelegd.

22.

Volledigheidshalve wens ik toch nog even op deze prejudiciële vraag in te gaan. Met betrekking tot materiële rechtsregelen, zoals bijvoorbeeld de nu in geding staande verordeningen, luidt de rechtspraak van het Hof:

„[L]aatstgenoemde regelen worden geacht ten aanzien van voor hun inwerkingtreding verworven rechtsposities alleen te gelden, voor zover er blijkens hun bewoordingen, doelstelling of opzet, zulke gevolgen aan dienen te worden toegekend.

Zulk een uitlegging verzekert de eerbiediging van het beginsel der rechtszekerheid en van het beginsel volgens hetwelk het gewettigd vertrouwen bescherming verdient, krachtens welke beginselen de communautaire wettelijke bepalingen duidelijk moeten zijn, zodat er door de justitiabelen op kan worden afgegaan.” ( 18 )

23.

Het moge duidelijk zijn dat de bewoordingen van verordening nr. 2891/84 geen argumenten bieden voor een eventuele retroactiviteit, wel integendeel. Artikel 2 bepaalt immers uitdrukkelijk dat de verordening pas op 16 oktober 1984 in werking treedt.

Ook uit de doelstelling en het opzet van de verordening kan mijns inziens geen retroactiviteit worden afgeleid. Doelstelling en opzet van verordening nr. 2891/84 lijken me identiek aan doelstelling en opzet van alle vroegere verordeningen „tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector rundvlees”, waaronder de in geding staande verordeningen nrs. 2773/82 en 1315/84. Al deze verordeningen zijn immers genomen op basis van hetzelfde artikel 18 van verordening nr. 805/68, en beogen aldus de verwezenlijking van het door dat artikel beoogde doel, namelijk „de deelneming van de Gemeenschap aan de internationale handel in rundvlees [veilig te stellen]”. ( 19 )

Welnu, ik kan moeilijk aanvaarden dat een zelfde doelstelling of opzet in het verleden niet dwong tot retroactieve toepassing van de toen geldende verordeningen, en dat nu, in het geval van verordening nr. 2891/84, wel zou doen.

24.

In haar schriftelijke opmerkingen voor het Hof verwijst GruSa naar het arrest Gedelfi van 3 juni 1980 ( 20 ), ter staving van volgende stelling:

„In zijn eerdere rechtspraak heeft het Hof van Justitie herhaaldelijk materiële gemeenschapsregelingen betreffende de buitenlandse handel, die op zich of qua werking een fout bevatten, op grond van hogere rechtsbeginselen (discriminatieverbod, evenredigheidsbeginsel, doelstelling van een verordening) voor het verleden van toepassing verklaard.” ( 21 )

Deze verwijzing is volgens mij irrelevant. In Gedelfi werd het Hof niet gevraagd naar de mogelijke retroactieve toepassing van gemeenschapsrecht, en het Hof heeft zich daarover nergens in het arrest uitgesproken.

25.

In de lijn van vroegere rechtspraak waarin het Hof zich tegenover retroactieve toepassing van gemeenschapsrecht bijzonder restrictief opstelt ( 22 ), concludeer ik bijgevolg dat er geen enkele reden bestaat om aan verordening nr. 2891/84 terugwerkende kracht toe te kennen,

Besluit

26.

Concluderend geef ik het Hof in overweging de door het Finanzgericht Hamburg geformuleerde vragen als volgt te beantwoorden:

„1)

De verordeningen (EEG) nrs. 2773/82 en 1315/84 van de Commissie, respectievelijk van 13 oktober 1982 en 11 mei 1984 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer in de sector rundvlees, alsmede de in bijlage bij deze verordeningen opgenomen posten ex 02.01 A II a 4 ex bb, moeten aldus worden uitgelegd, dat ‚Knochendünnung’ tijdens de geldingsduur van die verordeningen in Duitsland niet tot de voor restitutie in aanmerking komende delen van het rund behoort. Deze uitleg geeft geen aanleiding tot de ongeldigheid van genoemde verordeningen.

2)

Verordening (EEG) nr. 2891/84 van de Commissie van 15 oktober 1984 heeft geen terugwerkende kracht.”


( *1 ) Oorspronkelijke taal: Nederlands.

( 1 ) PB 1982, L 292, biz. 20 en PB 1984, L 125, biz. 38.

( 2 ) Arrest van 18 januari 1984, zaak 327/82, Jurispr. 1984, blz. 107.

( 3 ) PB 1968, L 148, blz. 24. Deze verordening werd laatstelijk gewijzigd door verordening (EEG) nr, 125/93 van de Raad van 18 januari 1993 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 805/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB 1993, L 18, blz. 1).

( 4 ) PB 1977, L 61, blz. 1.

( 5 ) Het zwaartepunt van „de procedure van artikel 27” ligt bij de Commissie.

( 6 ) Verordening nr. 2773/82 trad in werking op 1 november 1982, verordening nr. 1315/84 op 12 mei 1984 (artikel 2 van beide verordeningen).

( 7 ) PB 1984, L 273, blz. 5.

( 8 ) Verordening (EEG) nr. 2787/81 van de Commissie van 25 september Í981 toe vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector rundvlees (PB 1981, L 271, blz. 44).

( 9 ) Arrest van 7 juli 1988, zaak 55/87, Jurispr. 1988, blz. 3845.

( 10 ) Arrest van 12 november 1969, zaak 29/69, Jurispr. 1969, blz. 419.

( 11 ) Schriftelijke opmerkingen, punten 19 en 20.

( 12 ) Schriftelijke opmerkingen, punt 23.

( 13 ) Verordening (EEG) nr. 1354/92 van de Commissie van 26 mei 1992 betreffende de verkoop overeenkomstig de in verordening (EEG) nr. 2539/84 vastgestelde procedure van door bepaalde interventiebureaus opgeslagen en voor uitvoer bestemd rundvlees zonder been, houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 569/88 en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 665/92 (PB 1992, L 145, blz. 53).

( 14 ) In principe ben ik het met GruSa eens dat een verordening uit 1982 best niet geïnterpreteerd wordt aan de hand van een verordening uit 1992. De gegevens uit de bijlage bij verordening nr. 1354/92 worden echter meer dan bevestigd door bij voorbeeld de bijlage bij verordening (EEG) nr. 132/83 van de Commissie van 19 januari 1983 (PB 1983, L 17, blz. 15), evenals door de bijlagen bij tientallen andere verordeningen uit de in geding staande periode (zie de betrokken Taarrcgisters van het Publikatieblad, deel I, hoofdstuk „landbouw”, trefwoord „rundvlees”).

( 15 ) Zo bekeken, kan men zich afvragen waarom „Knochendün-nung” geschrapt werd in de bijlage bij verordening nr. 2891/84. Die schrapping staat echter niet in geding (zie ook infra, punt 17).

( 16 ) Arrest van 27 januari 1988, zaak 349/85, Jurispr. 1988, blz. 169.

( 17 ) Het ging in casu om post ex 16.02 B III b 1 van de bijlage bij verordening (EEG) nr. 187/80 van de Commissie van 29 januari 1980 (PB 1980, L 23, blz. 11).

( 18 ) Arrest van 12 november 1981, gevoegde zaken 212/80-217/80, Salumi, Jurispr. 1981, blz. 2735, r. o. 9 en 10; impliciet ook in arrest van 3 oktober 1985, zaak 154/84, FKF, Jurispr. 1985, blz. 3165, r. o. 17-22.

( 19 ) Preambule van verordening nr. 805/68, tiende overweging.

( 20 ) Arrest van 3 juni 1980, zaak 135/79, Jurispr. 1980, blz. 1713.

( 21 ) Schriftelijke opmerkingen, punt 27.

( 22 ) Zie voor cen recent voorbeeld het arrest van 11 juli 1991, zaak C-368/89, Crispoltoni, Jurispr. 1991, blz. I-3695.