CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
W. VAN GERVEN
van 13 januari 1993 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
|
1. |
Deze zaak betreft de vraag of liet gemeenschapsrecht zich ertegen verzet dat een Lid-Staat het voeren van een academische titel die in een andere Lid-Staat werd verworven, slechts toelaat indien daarvoor door de bevoegde administratie een vergunning werd afgeleverd. |
Feitelijke en juridische achtergrond
|
2. |
In het bodemgeschil staat de Duitser D. Kraus (hierna: „Kraus”) tegenover het Land Baden-Württemberg. Kraus heeft in Duitsland rechten gestudeerd, en legde er in 1986 het eerste staatsexamen voor juristen af. ( 1 ) Na een postuniversitaire studie van één jaar behaalde hij daarna, in 1988, aan de universiteit van Edinburgh de academische graad van „Master of Laws (LL. M.)”. Na een korte tijd te hebben gewerkt als wetenschappelijk medewerker aan de universiteit van Tübingen, ving hij in het Land Baden-Württemberg de praktische opleiding aan, die moet leiden tot het tweede staatsexamen voor juristen. Dit laatste examen sluit de opleiding tot „Einheitsjurist” af. Aangezien het de geslaagde kandidaat als „Volljurist” toegang verleent tot de rechterlijke macht, de advocatuur en het notariaat, verleent het eveneens toegang tot alle andere, al of niet gereglementeerde juridische beroepen. ( 2 ) In het bodemgeschil vordert Kraus de erkenning van het recht om zijn LL. M. zonder vergunning in Baden-Württemberg te mogen voeren en dit los van enige toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd juridisch beroep. Met het oog daarop had hij, toen hij nog wetenschappelijk medewerker was aan de universiteit, met een brief van 9 januari 1989 een kopie van zijn diploma aan het Ministerie voor Kunst en Wetenschap van Baden-Württemberg (hierna: „ministerie”) overgemaakt. Het ministerie antwoordde hem, met een brief van 23 januari 1989, dat hij op grond van de toepasselijke wetgeving een formele vergunningsaanvraag moest indienen. Kraus liet het ministerie weten dat het vergunningsvereiste volgens hem onverenigbaar was met artikel 48 EEG-Verdrag. Het ministerie was het daarmee niet eens. |
|
3. |
De in Baden-Württemberg toepasselijke wetgeving is nog steeds het Gesetz über die Führung akademischer Grade, dit is een Rijkswet uit 1939. Volgens die wet is een vergunning vereist voor het voeren van een buitenlandse academische titel, op straffe van hechtenis of geldboete. Deze vergunningsplicht geldt zowel voor binnenlanders als, enkele beperkte uitzonderingen daargelaten, voor buitenlanders van binnen of buiten de Gemeenschap. De vergunning wordt door het ministerie van geval tot geval afgegeven. Met betrekking tot de academische titels van bepaalde buitenlandse onderwijsinstellingen kan zij evenwel bij wijze van algemene maatregel worden verleend. Ten tijde van de prejudiciële vraag bestond dergelijke algemene vergunning voor Franse en Nederlandse academische titels, maar niet voor titels behaald in het Verenigd Koninkrijk. ( 3 ) Voor een volledige uiteenzetting van de feiten van het bodemgeschil en het juridisch kader van deze zaak, verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting. Op één punt wil ik de bijzondere aandacht vestigen omdat het van doorslaggevend belang is bij de beantwoording van de voorgelegde prejudiciële vraag. Zoals uit die vraag blijkt (hierna, punt 5), gaat het er in het bodemgeschil niet om of een LL. M.-titel als deze die Kraus aan de universiteit van Edinburgh heeft verworven, in Duitsland, meer bepaaldelijk in Baden-Württemberg, toegang verleent tot een of ander gereglementeerd juridisch beroep. Het gaat er alleen om te weten of Krans zijn titel in Baden-Württemberg zonder vergunning in het beroepsleven of daarbuiten mag voeren. |
|
4. |
Vooraleer de door het verwijzende rechtscollege, het Verwaltungsgericht Stuttgart, voorgelegde vraag te bespreken, wil ik erop wijzen dat richtlijn 89/48/EEG ( 4 ) geen oplossing biedt voor de situatie van Krans. Deze richtlijn moest begin 1990 door de Lid-Staten ten uitvoer zijn gelegd. ( 5 ) Zij organiseert tussen de Lid-Staten een stelsel van wederzijdse erkenning van diploma's die de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep mogelijk maken. Mits één enkele bijzondere bepaling (zie artikel 4, lid 1, sub, in fine), is zij ook toepasselijk op juridische beroepen. Artikel 7, lid 2, van de richtlijn kent aan de onderdanen van de Lid-Staten het recht toe hun opleidingstitel te voeren. De ontvangende Lid-Staat kan enkel voorschrijven dat de titel moet worden gevolgd door de naam en de plaats van de verlenende instelling. Richtlijn 89/48 geldt evenwel uitsluitend voor academische titels die verkregen worden na een studiecyclus van ten minste drie jaar. Welnu, zoals gebruikelijk is voor postuniversitaire titels heeft Kraus zijn LL. M.-diploma na één jaar studie verworven. Bovendien geldt het door artikel 7, lid 2, gewaarborgde recht van titelvoering enkel voor onderdanen van de Lid-Staten die voldoen aan de voorwaarden voor toegang tot en uitoefening van een gereglementeerde beroepsactiviteit. Zoals hiervoor aangegeven houdt Kraus' vraag om zijn LL. M.-titel in Duitsland te voeren, geen verband met enige wens zijnerzijds om een gereglementeerd beroep uit te oefenen. Richtlijn 92/51/EEG ( 6 ) vormt een aanvulling op de hiervoor besproken richtlijn. Deze nieuwe richtlijn moet door de Lid-Staten vóór 18 juni 1994 worden omgezet. Zij verruimt het stelsel van onderlinge erkenning, tot diploma's behaald na minstens één jaar studie. Net zoals het geval is voor richtlijn 89/48 geldt het erdoor gewaarborgde recht van titelvoering enkel voor wie voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot en uitoefening van een gereglementeerde beroepsactiviteit. |
|
5. |
Met zijn prejudiciële vraagstelling wenst het Verwaltungsgericht Stuttgart te vernemen of een nationale regeling die het voeren van een in een andere Lid-Staat verworven academische titel aan een met straffen gesanctioneerde vergunningsplicht onderwerpt, in strijd is met artikel 48 EEG-Verdrag of enige andere bepaling van gemeenschapsrecht waarbij het gaat om een „in een andere Lid-Staat na een postuniversitaire studie (verworven) academische titel (...) die weliswaar geen toegang verleent tot een beroep, maar toch nuttig is bij de uitoefening ervan”. Ik neem mij voor de nationale regeling als beschreven door de verwijzende rechter te onderzoeken in het licht van zowel artikel 48 EEG-Verdrag als artikel 59 EEG-Verdrag en van artikel 128 juncto artikel 7 EEG-Verdrag. Ik zal artikel 48 eerst bespreken (punten 6-17), mede omdat de verwijzende rechter daarnaar uitdrukkelijk vraagt, vervolgens artikel 59 (punten 18-21) en ten slotte artikel 128 juncto artikel 7 (punten 22-24). Alhoewel ik artikel 48 eerst bespreek en artikel 128 juncto artikel 7 laatst, zal uit de hierna volgende analyse blijken dat de onverenigbaarheid van de onderzochte nationale regeling met het gemeenschapsrecht mijns inziens vooral vaststaat met betrekking tot de laatstgenoemde artikelen. |
Verenigbaarheid van de nationale regeling met artikel 48 EEG-Verdrag
Verkapte discriminatie
|
6. |
Artikel 48, lid 2, verbiedt in beginsel elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers van de Lid-Staten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden. Een nationale bepaling die alleen voor buitenlanders een vergunningssysteem instelt, al zou dat zuiver formeel zijn — wat hier niet het geval is—, is ongetwijfeld discriminerend van nature. ( 7 ) In casu viseert het vergunningssysteem evenwel niet direct buitenlanders maar buitenlandse diploma's.Uit de rechtspraak van het Hof blijkt echter dat, inzake discriminatie op grond van zowel nationaliteit als geslacht, niet alleen openlijke maar ook verdoken discriminatoire behandeling onder het discriminatieverbod valt. ( 8 )Inzake discriminatie op grond van nationaliteit werd dit voor het eerst tot uitdrukking gebracht in het arrest Sotgiu van 12 februari 1974 ( 9 ), volgens hetwelk „(...) de regels omtrent de gelijkheid van behandeling (...) niet alleen de zichtbare discriminaties op grond van nationaliteit verbieden, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden (...) (...) dat het derhalve niet is uitgesloten dat criteria zoals de plaats van herkomst of de woonplaats van een werknemer, al naar de omstandigheden, gelijkelijk kunnen uitwerken als een door het Verdrag (...) verboden discriminatie naar nationaliteit”. |
|
7. |
Ook in onderhavig geval dient deze rechtspraak toepassing te vinden. Een nationaal verbod van titelvoering dat, ofschoon gelijkelijk toepasselijk op binnen- en buitenlanders, een onderscheid maakt tussen binnenlandse titels en titels die in het buitenland — waaronder de overige Lid-Staten — zijn verworven, vormt immers een verdoken vorm van discriminatie op grond van nationaliteit, aangezien het in potentie vooral buitenlanders, meer bepaald onderdanen van andere Lid-Staten, treft die hun titel in de eigen Lid-Staat, hebben verworven en hem in Baden-Württemberg zouden willen voeren. ( 10 ) Weliswaar treft het verbod een buitenlandse titel te voeren, in het bodemgeschil, niet een onderdaan van een andere Lid-Staat maar een eigen onderdaan. Zoals hierna aangetoond (zie de punten 14 e. v.), valt ook een dergelijke omgekeerde discriminatie eveneens onder het verbod van artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag. Vooraleer dit aan te tonen dien ik evenwel eerst te onderzoeken of artikel 48 EEG-Verdrag überhaupt toepassing zou vinden in het geval van een onderdaan uit een andere Lid-Staat die zich in dezelfde situatie als Kraus bevindt, met andere woorden of aan alle toepassingsvoorwaarden van artikel 48 EEG-Verdrag is voldaan. |
De begrippen „werknemer” en „overheidsdienst”
|
8. |
Het discriminatieverbod van artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag geldt uitsluitend ten aanzien van werknemers en vindt geen toepassing, aldus lid 4, op betrekkingen in overheidsdienst. Het staat aan de verwijzende rechter om, met inachtneming van de hierna besproken jurisprudentie, na te gaan of Kraus werknemer was, buiten overheidsdienst, in de zin van artikel 48 op het relevante ogenblik, dit is toen hij in januari 1989 zijn voornemen de LL. M.-titel in Baden-Württemberg te voeren, aan het bevoegde ministerie ter kennis heeft gebracht. Tijdens de mondelinge procedure voor het Hof zei Kraus dat hij op dat ogenblik wetenschappelijk medewerker was aan de universiteit van Tübingen. |
|
9. |
Wat het begrip -werknemer betreft, kan verwezen worden naar het arrest Raulin van 26 februari 1992 ( 11 )waarin het Hof zijn vaste rechtspraak aldus samenvat: „Vooraf zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak het begrip werknemer een communautaire draagwijdte heeft en niet eng moet worden uitgelegd. Als werknemer kan evenwel slechts worden beschouwd degene die reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst verricht, die niet van zo geringe omvang is dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat. Het hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding is, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag werkzaamheden verricht en als tegenprestatie een beloning ontvangt (zie met name het arrest van 21 juni 1988, zaak 197/86, Brown, Jurispr. 1988, blz. 3205, r. o. 21). De aard van de rechtsbetrekking tussen werknemer en werkgever is in dit verband niet bepalend voor de toepasselijkheid van artikel 48 EEG-Verdrag (zie het arrest van 31 mei 1989, zaak 344/87, Bettray, Jurispr. 1989, blz. 1621, r. o. 16).” |
|
10. |
In de rechtspraak van het Hof wordt ook de in artikel 48, lid 4, gebruikte uitdrukking betrekkingen in overheidsdienst nader omschreven. In het arrest Lawrie Blum ( 12 ) werd dienaangaande opgemerkt: „Zoals het Hof reeds vaststelde in zijn arresten van 17 december 1980 en 26 mei 1982 (zaak 149/79, Commissie/België, respectievelijk Jurispr. 1980, blz. 3881 en Jurispr. 1982, blz. 1845), worden met betrekkingen in overheidsdienst in de zin van artikel 48, lid 4, die aan de werkingssfeer van de drie eerste leden van dit artikel zijn onttrokken, bedoeld de betrekkingen die, al dan niet rechtstreeks, deelneming aan de uitoefening van overheidsgezag inhouden en die werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de staat of van andere openbare lichamen, en die derhalve bij de betrokken functionaris een bijzondere band van solidariteit ten opzichte van de staat onderstellen, alsmede een wederkerigheid van rechten en plichten die de grondslag vormen van de nationaliteitsverhouding. Uitgesloten zijn dus enkel die betrekkingen die, wegens de ermee verbonden taken en verantwoordelijkheden, de kenmerken hebben van de specifieke taken van de administratie op de genoemde gebieden.” Ook in dat geval ging het over een persoon die stage liep in de deelstaat Baden-Württemberg, ditmaal echter in het kader van het tweede staatsexamen voor leraren in het hoger middelbaar onderwijs. In die zaak kwam het Hof tot het besluit dat betrokkene wel degelijk te beschouwen was als een werknemer in de zin van artikel 48 EEG-Verdrag en niet geacht kon worden, tijdens de stage ter voorbereiding op het beroep van leraar, in overheidsdienst te werken. |
|
11. |
Zoals gezegd, deelde Kraus ter terechtzitting mee dat hij op het relevante ogenblik wetenschappelijk medewerker was aan de universiteit Tübingen en staat het aan de verwijzende rechter om uit te maken of Kraus op grond daarvan geacht mag worden een werknemer te zijn die niet in overheidsdienst werkt. Het feit dat Kraus naderhand stage liep ter voorbereiding van het tweede staatsexamen voor juristen lijkt mij daarbij niet relevant te zijn. Immers ook wanneer de rechter zou oordelen —gelet op de hierboven geciteerde passage uit het arrest Lawrie Blum — dat juristen in opleiding (anders dan leraren) in overheidsdienst staan (wat verre van zeker is ( 13 )), brengt dit niet mee dat Kraus de hoedanigheid van werknemer verliest, indien hij die had op het ogenblik van de relevante feiten. Daarvoor zij verwezen naar het arrest Bernini van 26 februari 1992. ( 14 ) Het Hof heeft daarin verduidelijkt dat een werknemer die zijn dienstbetrekking vrijwillig verlaat om zich, na het verstrijken van een zekere termijn (in dat geval een viertal maanden), voltijds aan studies te wijden, zijn hoedanigheid van werknemer behoudt indien de betrokken studies verband houden met de voorheen als werknemer uitgeoefende beroepsactiviteit. Het feit dat betrokkene tijdens die studies zou geacht worden die opleiding in overheidsdienst te verrichten, doet daaraan mijns inziens geen afbreuk. Met andere woorden, indien Kraus op grond van zijn juridische activiteit als wetenschappelijk medewerker geacht wordt werknemer te zijn in de zin van artikel 48 EEG-Verdrag, is hij dit mijns inziens in elk geval gebleven nadat hij de praktische opleiding voor juristen in het kader van het tweede staatsexamen heeft aangevat. ( 15 ) |
Discriminatie inzake werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden
|
12. |
Het discriminatieverbod van artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag heeft uitsluitend betrekking op de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden. Opnieuw staat het aan de nationale rechter om na te gaan of een nationaal verbod van titekvoering op zich van aard is om Kraus te hinderen bij de toegang tot, de uitoefening van, de beloning en/of de promotiekansen in een, al of niet gereglementeerd, juridisch of ander beroep. Ik kan alleen maar vaststellen dat de verwijzende rechter dit niet uitsluit, aangezien hij in de prejudiciële vraag stelt dat de door Kraus verworven academische titel „nuttig is bij de uitoefening (van een beroep)”. Ik kan mij dat heel goed inbeelden voor een beroep van, bij voorbeeld, docent in vergelijkend recht, waarbij de mogelijkheid een LL. M.-titel te voeren, ongetwijfeld van belang kan zijn. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak voor het Hof bleek er overigens heel wat verwarring te bestaan omtrent de juiste inhoud van wat onder het voeren van een titel in de zin van de Duitse Rijkswet van 1939 moet worden begrepen. Volgens de vertegenwoordiger van Baden-Württemberg sluit die wet niet uit dat de houder van een buitenlandse titel van die titel melding zou maken, bij voorbeeld bij het solliciteren naar een betrekking. Kraus was het daarmee niet eens. Het staat uiteraard niet aan het Hof maar aan de verwijzende rechter om de juiste draagwijdte te onderzoeken van het betrokken — strafrechtelijk gesanctioneerde — verbod van titelvoering. Zou het verbod zo ver gaan dat de houder van zijn buitenlandse titel geen melding mag maken in het normale beroepsleven, dan lijkt mij dit verbod in elk geval van die aard te zijn dat het, in hoofde van de houder, een weerslag kan hebben op diens werkgelegenheid, beloning of overige arbeidsvoorwaarden. Wat de beloning betreft, merkte Kraus ter zitting op dat de mogelijkheid van titelvoering een niet onbelangrijk verschil in bezoldiging kan uitmaken. |
Rechtvaardigingsgronden
|
13. |
Het discriminatieverbod van artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag vindt geen toepassing indien de nationale wetgeving zich kan beroepen op een van de in lid 3 van het artikel genoemde gronden (openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid). Dooide vertegenwoordiger van Baden-Württemberg werd tijdens de mondelinge behandeling van het Hof aangevoerd dat de betrokken wetgeving de bescherming van de openbare orde op het oog had. Dit verweer kan niet ernstig worden genomen gelet op de beperkende draagwijdte die het Hof aan dit begrip heeft gegeven. ( 16 ) Evenmin, zo komt het mij voor, kan voor de indirecte of verdoken discriminatie die het gevolg is van de nationale wetgeving (hiervoor, punt 7) enige objectieve grond van algemeen belang worden aangevoerd welke het verbod van titelvoering zonder vergunning kan rechtvaardigen. ( 17 ) In zijn opmerkingen voor het Hof verdedigt het Land Baden-Württemberg de nationale regeling als noodzakelijk voor de bescherming van het publiek en van de arbeidsmarkt. Dit overtuigt geenszins. Afgezien van de vraag of dergelijke objectieve gronden nog onverminderd kunnen worden ingeroepen ten aanzien van (openlijke of verdoken) discriminatoire bepalingen ( 18 ), dient met de Commissie te worden aangenomen dat het publiek reeds in ruime mate beschermd wordt door het strafrechtelijk verbod om valse titels te voeren. Indien een verdergaande bescherming nodig wordt geacht, zou men kunnen voorschrijven dat de titel moet gevolgd worden dooide naam, en eventueel de plaats, van de verlenende instelling. Dit alternatief lijkt mij doelmatig genoeg om misleiding van het publiek tegen te gaan en sluit ook aan bij de bestaande voorschriften van gemeenschapsrecht of genomen in het kader van de Raad van Europa. ( 19 ) Een nationale regeling die voorziet in een systeem van individuele vergunningen waarop nauwelijks enige rechterlijke controle kan worden uitgeoefend, en die daarenboven in het voeren van een titel zonder vergunning aan ernstige strafsancties onderwerpt, lijkt mij overigens al om die redenen in strijd te zijn met het noodzakelijkheids-en/of evenredigheidsbeginsel. |
Omgekeerde discriminatie
|
14. |
Veronderstellen wij dat de nationale rechter, in het licht van het voorgaande, tot het besluit komt dat een nationale bepaling als de hier onderzochte binnen de werkingssfeer van artikel 48 EEG-Verdrag valt, wanneer zij wordt ingeroepen tegen onderdanen van een andere Lidstaat die zich in een gelijkaardige situatie bevinden als Kraus. Dan rijst de vraag of Kraus het daarin besloten discriminatieverbod ook tegen de eigen Lid-Staat kan inroepen. In dit verband wil ik er vooreerst op wijzen dat, naar het Hof in het arrest Bouchoucha van 3 oktober 1990 heeft beslist ( 20 ), dat een situatie als de voorliggende niet kan worden beschouwd een aan een Lid-Staat zuiver interne situatie te zijn, nu het hier gaat (net als in de zaak Bouchoucha) over een onderdaan van de betrokken Lid-Staat die in het bezit is van een in een andere Lid-Staat behaald diploma van beroepsbekwaamheid. In het arrest Knoors ( 21 ) heeft het Hof beslist, in verband met een door een Nederlander in België verworven vakbekwaamheid in de zin van artikel 3 van richtlijn 64/427/EEG ( 22 ), dat een onderdaan van een Lid-Staat de in een andere Lid-Staat verworven vakbekwaamheid in de eigen Lid-Staat kan inroepen met het oog op het verkrijgen in de eigen Lid-Staat van een vergunning tot uitoefening van het aldaar gereglementeerde beroep van installateurloodgieter. Gelet op het fundamentele karakter van de in de artikelen 3, sub c, 48, 52 en 59 EEG-Verdrag gewaarborgde vrijheden, stelde het Hof in rechtsoverwegingen 24 en 25 van het arrest, meer bepaaldelijk in verband met artikel 52 EEG-Verdrag: „Weliswaar kunnen de verdragsbepalingen op het gebied van de vestiging en de dienstverlening niet worden toegepast op zuiver interne situaties van een Lid-Staat, doch dit neemt niet weg dat de verwijzing in artikel 52 naar ‚onderdanen van een Lid-Staat’ die zich ‚op het grondgebied van een andere Lid-Staat’ wensen te vestigen niet aldus mag worden uitgelegd dat eigen onderdanen van een bepaalde Lid-Staat van het genot van het gemeenschapsrecht worden uitgesloten wanneer zij zich, doordat zij rechtmatig op het grondgebied van een andere Lid-Staat hebben verbleven en daar een vakbekwaamheid hebben verworven die door het gemeenschapsrecht wordt erkend, ten opzichte van hun Staat van herkomst in een overeenkomstige positie bevinden als alle andere personen die de door het Verdrag verzekerde rechten en vrijheden genieten. Evenwel mag niet worden miskend dat een Lid-Staat er een gerechtvaardigd belang bij kan hebben te verhinderen dat enige zijner onderdanen de krachtens het Verdrag geschapen mogelijkheden misbruiken om te trachten zich te onttrekken aan de werkingssfeer van hun nationale wetgeving op het gebied van de vereiste vakkennis.” Aangezien elk misbruik in die zaak uitgesloten was, kwam het Hof tot het besluit dat onder „begunstigden”, als bedoeld en omschreven in artikel 1, lid 1, van richtlijn 64/427, mede zijn begrepen personen, die de nationaliteit van de reglementerende Lid-Staat bezitten. De kerngedachte is evenwel dat het gemeenschapsrecht inzake het vrij verkeer van personen ook van toepassing is op eigen onderdanen — zelfs wanneer men zou te maken hebben met een zuiver interne situatie van een Lid-Staat (wat in casu niet eens het geval is) — indien de onderdanen „zich tegenover de eigen Lid-Staat in een overeenkomstige positie bevinden als alle andere personen die de door het Verdrag verzekerde rechten en vrijheden genieten.” ( 23 ) In casu bevindt Kraus zich in een dergelijke overeenkomstige positie als een onderdaan uit een andere Lid-Staat die, naar blijkt uit het voorgaande onderzoek, aan het discriminatieverbod van artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag rechten zou kunnen ontlenen. |
|
15. |
Het Hof hernam de kern van de hierboven geciteerde rechtsoverweging in het reeds genoemde arrest Bouchoucha. Daar ging het over de erkenning in Frankrijk van een aan een Frans onderdaan in Groot-Brittannië afgegeven diploma van osteopaat, met het oog op de uitoefening van dat beroep in Frankrijk. Inachtgenomen het ontbreken van een regeling voor paramedische beroepen en van een communautaire definitie van het begrip „medische werkzaamheid” — waardoor het in beginsel aan de betrokken Lid-Staat toekomt om de uitoefening van de werkzaamheid van osteopaat op zijn grondgebied te reglementeren (r. o. 8 en 12) — voegde het Hof er evenwel in rechtsoverwegingen 14 en 15 aan toe dat: „(...) een Lid-Staat er een gerechtvaardigd belang kan bij hebben dat sommige van zijn onderdanen de krachtens het Verdrag geschapen mogelijkheden misbruiken om zich te onttrekken aan de werkingssfeer van hun nationale wetgeving met betrekking tot de vereiste beroepsopleiding (...) Dit zou met name het geval zijn, wanneer het feit dat een onderdaan van een Lid-Staat in een andere Lid-Staat een diploma heeft verkregen waarvan de draagwijdte en de waarde op gemeenschapsniveau niet worden erkend, de Lid-Staat van oorsprong van die onderdaan ertoe zou verplichten, hem toestemming te geven de door dat diploma bestreken werkzaamheden op zijn grondgebied te verrichten, terwijl in die Lid-Staat de toegang tot de betrokken werkzaamheden is voorbehouden aan de houders van een hogere, voor onderlinge erkenning binnen de Gemeenschap in aanmerking komende kwalificatie, en dit voorbehoud niet kennelijk willekeurig is.” |
|
16. |
Het komt mij voor dat het in Bouchoucha geformuleerde voorbehoud ten aanzien van het principe-Knoors, niet geldt in onderhavige zaak. Naar blijkt uit de in het vorige nummer weergegeven passage, is dat voorbehoud gesteund op de overweging dat het in Bouchoucha ging over een (Brits) diploma waarvan de houder stelde dat het hem toegang verleende tot een (in Frankrijk) gereglementeerd beroep. Dit is in voorliggende zaak niet het geval: Kraus roept zijn LX. M.-diploma niet in om een in Duitsland gereglementeerd beroep uit te uitoefenen; hij wil alleen de aan dat diploma verbonden titel kunnen voeren. Bovendien is het voorbehoud in Bouchoucha ingegeven door de bezorgdheid dat eigen onderdanen, in een zo gevoelige sector als de medische en paramedische, misbruik zouden maken van het Verdrag om zich aan hun nationale wetgeving inzake toegang tot een gereglementeerd beroep te onttrekken. ( 24 ) Dit arrest is aldus te situeren binnen het kader van de hierboven (punt 13) aangehaalde rechtspraak welke nationale regelen rechtvaardigt die bestemd zijn om misbruik van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden tegen te gaan, bij voorbeeld om zich aan dwingende beroepsregelen te onttrekken. ( 25 ) Zoals daar reeds aangemerkt, kan de bescherming tegen misbruiken inzake titelvoering voor onder meer juridische beroepen, evenwel op een andere, minder belastende manier worden georganiseerd. |
|
17. |
Ik kom derhalve tot het besluit dat een nationale regeling, zoals beschreven door de verwijzende rechter, in strijd is met artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag indien de verwijzende rechter aan de hand van de hiervoor besproken jurisprudentie van het Hof zou vaststellen dat Kraus op het ogenblik van de relevante feiten een niet in overheidsdienst tewerkgestelde werknemer was in de zin van genoemd artikel, en dat het verbod van titelvoering zonder vergunning, gelet op de daaraan naar nationaal recht te geven draagwijdte, van aard kan zijn personen als Kraus te hinderen op het stuk van werkgelegenheid, beloning of andere arbeidsvoorwaarden. |
Toepasselijkheid van artikel 59 EEG-Verdrag
|
18. |
De verwijzende rechter vraagt het Hof de aan de orde zijnde nationale regeling ook te beschouwen in het licht van andere bepalingen van gemeenschapsrecht dan artikel 48 EEG-Verdrag. In dat verband bespreek ik eerst artikel 59 EEG-Verdrag waarvan de mogelijke toepassing evenwel ondergeschikt is, naar blijkt uit artikel 60, lidi, EEG-Verdrag aan de niet-toepasselijkheid van de bepalingen betreffende onder meer het vrij verkeer van personen, met name artikel 48 EEG-Verdrag. Inzake het algemene toepassingsgebied van artikel 59 EEG-Verdrag staat het vast dat het artikel alle nationale bepalingen verbiedt die onderdanen uit andere Lid-Staten openlijk of verdoken op discriminerende wijze behandelen of die, zelfs als zij gelijke toepassing vinden op eigen onderdanen en onderdanen uit andere Lid-Staten, onderdanen uit andere Lid-Staten hinderen bij het presteren van diensten in andere Lid-Staten. ( 26 ) Voorts staat vast dat het verbod van artikel 59 zich richt tegen belemmeringen die zowel dienstverrichters als ontvangers van diensten ondergaan wanneer die zich naar de Lid-Staat van de dienstverrichter begeven. ( 27 ) |
|
19. |
Niettegenstaande dit ruime toepassingsgebied van artikel 59 EEG-Verdrag staat het niet vast dat het artikel in een situatie als de voorliggende toepassing kan vinden. Volgens de rechtspraak van het Hof zijn cursussen gegeven in het kader van een nationaal onderwijsstelsel immers niet aan te merken als diensten in de zin van artikel 59. ( 28 ) Om daaraan te beantwoorden moet de dienst, aldus artikel 60, lid 1, EEG-Verdrag, „gewoonlijk tegen vergoeding geschieden”. Welnu, aldus het Hof in rechtsoverwegingen 17-19 van het arrest Humbel: „Het wezenlijke kenmerk van de vergoeding bestaat hierin, dat zij de economische tegenprestatie voor de betrokken dienst vormt, welke tegenprestatie gewoonlijk door de dienstverrichter en degene te wiens behoeve de dienst wordt verricht, in onderling overleg wordt vastgesteld. Bij cursussen gegeven in het kader van het nationale onderwijsstelsel ontbreekt dit kenmerk. Bij de organisatie en de handhaving van een dergelijk stelsel heeft de staat niet de bedoeling tegen vergoeding werkzaamheden te verrichten, doch vervult hij ten behoeve van de bevolking zijn sociale, culturele en opvoedkundige taak. Bovendien wordt het betrokken stelsel in de regel gefinancierd uit de staatskas en niet door de leerlingen of hun ouders. Aan de aard van deze werkzaamheid doet niet af het feit dat de leerlingen of hun ouders soms worden verplicht een vergoeding of een schoolgeld te betalen ten einde tot op zekere hoogte de werkingskosten van het stelsel te helpen dragen. A fortiori kan het enkele feit dat alleen buitenlandse leerlingen schoolgeld moeten betalen, een dergelijk gevolg niet teweegbrengen.” |
|
20. |
De hierboven weergegeven passage uit het arrest Humbel toont niettemin aan dat niet a priori uit te sluiten valt dat bepaalde postuniversitaire programma's toch als dienstverrichting in de zin van artikel 59 EEG-Verdrag dienen te worden aangemerkt. Dat zou namelijk zo zijn wanneer die programma's dusdanig georganiseerd zijn dat zij volledig, of voor het grootste deel, worden gefinancierd, niet uit de staatskas maar door de deelnemers aan het programma of door personen die de studies van laatstgenoemden onder welke vorm ook betalen of subsidiëren. Of dit het geval is voor het LL. M.-diploma dat aan Kraus door de universiteit van Edinburgh werd afgeleverd ( 29 ), is een punt dat in het bodemgeschil ter beoordeling staat van de verwijzende rechter. Indien artikel 59 EEG-Verdrag om de genoemde reden toepassing zou vinden, verbiedt het mijns inziens een nationale bepaling die het eigen onderdanen moeilijker of minder aantrekkelijk maakt — zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond kan worden ingeroepen (zie hiervoor, punt 13) — toegang te hebben tot onderwijsdiensten in een andere Lid-Staat. Dit is mijns inziens het geval wanneer hen het recht wordt ontzegd de academische titel welke zij in de andere Lid-Staat bij het einde van hun studies hebben verkregen, in de eigen Lid-Staat ongehinderd te voeren (zie ook hierna, punt 23). |
|
21. |
Mijn besluit in verband met de toepasselijkheid van artikel 59 EEG-Verdrag is dan, dat het artikel toepassing kan vinden, in zoverre de toepasselijkheid van artikel 48 EEG-Verdrag niet zou zijn aangetoond, als zou blijken dat het door Kraus aan de universiteit van Edinburgh gevolgde LL. M.-programma niet of nauwelijks uit de staatskas wordt gefinancierd maar volledig of voor het grootste deel door de deelnemers aan het programma of door personen die de studies van laatstgenoemden onder welke vorm ook betalen of subsidiëren. |
Toegang tot beroepsopleiding
|
22. |
Ik ga ten slotte nog in op de vraag of een nationaal verbod van titelvoering als beschreven in de prejudiciële vraagstelling verenigbaar is met artikel 128 juncto artikel 7 EEG-Verdrag. Zoals hiervoor (punt 5) aangemerkt doet het verbod vooral in dit opzicht problemen rijzen voor wat betreft zijn verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht. Uitgangspunt hierbij is uiteraard het arrest Gravier ( 30 ), waarin het Hof duidelijk heeft gemaakt dat de toegang tot en de deelneming aan het onderwijs binnen de Gemeenschap niet een als dusdanig buiten het gemeenschapsrecht vallende materie is (r. o. 19). Wat meer bepaaldelijk de beroepsopleiding betreft, stelde het Hof in rechtsoverwegingen 24 en 25: „Inzonderheid door de toegang tot de beroepsopleiding kan het vrije verkeer van personen in de gehele Gemeenschap worden bevorderd, door de betrokkenen de mogelijkheid te bieden om een opleiding te volgen in de Lid-Staat waar zij voornemens zijn hun beroep uit te oefenen, en door hun in de gelegenheid te stellen om hun opleiding te vervolmaken en hun bijzondere kundigheden te ontwikkelen in de Lid-Staat waar het beroepsonderwijs de gezochte specialisatie biedt. Blijkens het voorgaande vallen de voorwaarden voor de toegang tot een beroepsopleiding onder de werkingssfeer van het EEG-Verdrag.” In latere arresten heeft het Hof gesteld dat ook een universitaire studie onder het begrip beroepsopleiding valt, zelfs wanneer het eindexamen daarover de betrokkene — zoals in casu — niet rechtstreeks „bevoegd maakt tot het uitoefenen van een beroep, vak of betrekking waarvoor het diploma vereist is”. In het arrest Blaizot van 2 februari 1988 ( 31 ) stelde het Hof aldus in rechtsoverwegingen 19 en 20: „Met betrekking tot de vraag of een universitaire studie opleidt voor een specifiek beroep, vak of betrekking, of een bijzondere bekwaamheid verleent om een dergelijk beroep, vak of betrekking uit te oefenen, moet erop worden gewezen, dat dit niet enkel het geval is indien het eindexamen de betrokkene rechtstreeks bevoegd maakt tot het uitoefenen van het beroep, vak of betrekking waarvoor dat diploma vereist is, doch ook voor zover die studie een bijzondere bekwaamheid verleent, dat wil zeggen indien de student een bepaalde kennis voor een beroep, vak of betrekking nodig heeft, zelfs wanneer zij daarvoor niet ingevolge wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen vereist is. Vaststaat dat universitaire studie in haar algemeenheid aan deze voorwaarden voldoet. Slechts voor enkele bijzondere studierichtingen, die wegens hun specifieke kenmerken vooral bestemd zijn voor personen die veeleer hun algemene kennis willen vergroten dan een beroep willen gaan uitoefenen, is dit niet het geval.” Het lijdt dus geen twijfel dat een LL. M.-studie een beroepsopleiding vormt in de zin van het gemeenschapsrecht, ook al is het aan het eind daarvan verleende diploma niet vereist voor het uitoefenen van een beroep, vak of betrekking. |
|
23. |
De kernidee van de rechtspraak Gravier is, dat de onderdanen van de Lid-Staten op gelijke wijze vrije toegang moeten hebben tot beroepsopleidingen in de gehele Gemeenschap, waarvan zij oordelen dat die hen het best in de gelegenheid stellen hun opleiding te vervolmaken. Door de vertegenwoordiger van de regering van het Verenigd Koninkrijk werd er tijdens de terechtzitting voor het Hof terecht op gewezen dat deze rechtspraak zich toespitst op de toegang tot en de deelneming aan de beroepsopleiding en dat het onderwijsbeleid daar niet onder valt. ( 32 ) Aangezien het algemene discriminatieverbod van artikel 7 EEG-Verdrag slechts uitwerking heeft „binnen de werkingssfeer van dit Verdrag” en dus, wat de beroepsopleiding betreft, enkel voor zover artikel 128 reikt, zou de materie van de erkenning van titels, diploma's en studieperiodes daar niet onder vallen. Derhalve, zo besluit de vertegenwoordiger van de regering van het Verenigd Koninkrijk, valt ook een nationale wetgeving als deze die hier aan de orde is, niet onder het toepassingsgebied van de artikelen 128 en 7 EEG-Verdrag. Met dat laatste ben ik het niet eens. In de eerste plaats gaat het hier niet over de erkenning in Duitsland van een in een andere Lid-Staat verworven LL. M.-diploma om daarmee in Duitsland een gereglementeerd beroep uit te oefenen. Het gaat hier uitsluitend over de erkenning van de mogelijkheid een in een andere Lid-Staat verworven titel in Duitsland, zonder vergunning, (onder meer) in het beroepsleven te gebruiken. In de tweede plaats lijkt een dergelijk verbod van titelvoering mij wel degelijk verband te houden met de toegang tot en de deelneming aan de beroepsopleiding in een andere Lid-Staat. Wanneer een nationale wetgeving het een student onmogelijk maakt om de titel die hij aan het eind van een beroepsopleiding in een andere Lid-Staat heeft verworven, in de eigen Lid-Staat te voeren en aldus te genieten van het resultaat van de geleverde studieinspanning, dan is die wetgeving mijns inziens van aard om de toegang en de deelneming aan de beroepsopleiding in die andere Lid-Staat niet, althans minder aantrekkelijk te maken. Waar in de vroegere rechtspraak discriminerende toegangsbelemmeringen „ex ante” ter sprake kwamen, zoals steun verleend ter dekking van inschrijvingsof andere kosten die voor de toegang tot het onderwijs worden verlangd, gaat het thans om een belemmering „ex post”. Dit verschil is evenwel niet van aard om de belemmering minder reëel te maken. |
|
24. |
Op grond van het voorgaande kom ik derhalve tot de conclusie dat een nationale regeling die studenten verhindert de titel te voeren die zij verworven hebben door in een andere Lid-Staat een beroepsopleiding te volgen, wel degelijk binnen de werkingssfeer komt van artikel 128 EEG-Verdrag. Dit betekent dat die regeling ook binnen het bereik kan vallen van het discriminatieverbod van artikel 7 EEG-Verdrag. Voor de toepassing van dat laatste artikel is het vereist dat de regeling op een openlijke of verkapte manier discrimineert op grond van nationaliteit. ( 33 ) Het is evenwel onverschillig of de discriminerende regeling betrekking heeft op de ontvanger dan wel op de verstrekker van die opleiding, en of zij wordt voltrokken in de Lid-Staat waar de titel door de student werd verworven en door de overheden van die Lid-Staat dan wel, zoals in casu, in en dooide overheden van de Lid-Staat waar die titel wordt gebruikt. ( 34 ) Zoals gezegd bestaat de verboden discriminatie er in casu in dat het onderzochte verbod van titelvoering de toegang van Duitse onderdanen tot de beroepsopleiding in andere Lid-Staten hindert door die toegang niet, althans minder aantrekkelijk te maken, terwijl zij dat niet doet voor wat betreft de toegang van Duitse onderdanen tot de beroepsopleiding in de eigen Lid-Staat zonder dat daarvoor enige naar gemeenschapsrecht aanvaardbare rechtvaardigingsgrond kan worden ingeroepen (zie hiervoor, punt 13). |
Besluit
|
25. |
Op grond van het voorgaande stel ik voor als volgt te antwoorden op de prejudiciële vraag van de verwijzende rechter:
|
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
( 1 ) Dit eerste examen verleent bij voorbeeld toegang tot beroepen als juridisch adviseur bij een bedrijf of, zoals blijkt uit het bodemgeschil, wetenschappelijk medewerker aan een universiteit.
( 2 ) Men vindt een uitvoerige beschrijving van het Duitse oplcidingssysteem voor juristen en van de twee staatsexamens in Lonbay e. a., „Training lawyers in the European Community”, The Law Society, 1990, op biz. 23 e. v.
( 3 ) Inmiddels werd een ruimere algemene vergunning toepasselijk verklaard waardoor het gebruik van talrijke ui een uitvoerige bijlage opgenomen buitenlandse academische graden wordt toegelaten, doch blijkbaar niet het gebruik van de Britse (wel de Ierse) Master of Laws; zie Allgemeine Genehmigung zur Führung von Hochschulgradcn, Amtsblatt Wissenschaft mul Kunst — Baden-Württcinhcrg, 19 juni 1992.
( 4 ) Richtlijn van de Raad van 21 december 1988 betreffende cen algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiplomn's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (I'll 1989, L 19, biz. 16).
( 5 ) De in voetnoot 3 genoemde algemene vergunning strekt ertoe aan deze richtlijn in Baden-Würllcmbcrg uitvoering te geven.
( 6 ) Richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48/EEG (PIS 1992, L 209, biz. 25).
( 7 ) Vergelijk in verband met het vrij goederenverkeer, arrest van 15 december 1971, gevoegde zaken 51/71-54/71, International Fruit Company, Jurispr. 1971, blz. 1107, r. o. 9.
( 8 ) Daarover K. Lenaerts, „L'égalité de traitement en droit communautaire”, Cahiers de droit européen, 1991, blz. 3, 13.
( 9 ) Zaak 152/73, Jurispr. 1974, blz. 153, r. o. 11. Zie ook arrest van 15 januari 1986, zaak 41/84, Pinna, Jurispr. 1986, blz. 1, r. o. 23, en recent arrest van 30 mei 1989, zaak 33/88, Allué e. a Jurispr. 1989, blz. 1591, r. o. 10 e. v.
( 10 ) Ten aanzien van de principíele toepasselijkheid van liet discriminatieverbod van artikel 48 maakt het mijns inziens geen verschil uit hoc groot de groep van EG-ondcrdancn is (vergeleken met de groep van Duitsers) die zich in een dergelijke situatie bevinden. Het gaat er immers om het discriminatoir karakter van de nationale regeling op zich vast te stellen. Daartoe volstaat het dat de regeling van aard is om, potentieel, een discriminatoire uitwerking te hebben tegenover onderdanen van andere Lid-Slalen, zonder dat het op hun aantal aankomt.
( 11 ) Zaak C-357/S9, Raulin, Jlirispr. 1992, blz. I-1027, r. o. 10. In dat geval ging het ont cen zeer beperkte arbejdsperiode: 60 uur over een periode van een tweetal weken in het kader van een zogenaamd oproepcontract. Zie ook een arrest van dezelfde datum in zaak C-3/90, Bernini, Jurispr. 1992, blz. I-1071, r. o. 14 .
( 12 ) Arrest van 3 juli 1986, zaak 66/S5, Jurispr. 1986, blz. 2121, r. o. 27.
( 13 ) In de naderhand geschrapte zaak 274/80 voor het Mof heeft de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen van 13 februari 1981 dit punt grondig onderzocht; zij kwam tot de conclusie dat zogenaamde reentsrefcrendarissen tijdens hun opleiding als werknemers in de zin van artikel 48 EEG-Verdrag die niet in overheidsdienst staan, moeten worden beschouwd.
( 14 ) Hiervoor geciteerd in voetnoot 11, r. 0.21.
( 15 ) Cf. het hiervoor in voetnoot 9 geciteerde arrest Allué e. a., r. o. 8.
( 16 ) Zie arrest Bouchereau van 27 oktober 1977, zaak 30/77, Jurispr. 1977, blz. 1999, r. o. 35.
( 17 ) Het Hof aanvaardt dergelijke gronden in uitzonderlijke omstandigheden, namelijk wanneer er gevaar bestaat dat door het Verdrag gewaarborgde vrijheden worden misbruikt om zich bij voorbeeld aan dwingende bcrocpsregelen te onttrekken. Zie, in verband met artikel 59, arrest van 3 december 1974, zaak 33/74, Van Binsbcrgcn, Jurispr. 1974, blz. 1299, r. o. 12 e. v. en (onder meer) in verband met artikel 48 arrest van 7 februari 1979, zaak 115/78, Knoors, Jurispr. 1979, blz. 399, r. o. 25.
( 18 ) Sedert het arrest van 25 juli 1991, zaak C-76/90, Säger, Jurispr. 1991, blz. I-4221, r. o. 12 e. v., staat vast dat ook niet-(openlijk of verkapte) discriminatoire maar voor het intracommunautaire verkeer hinderlijke nationale bepalingen onder het verbod van artikel 59 EEG-Verdrag komen. Volgens de rechtspraak van het Hof kunnen zogenaamd dwingende redenen van algemeen belang uitsluitend nictdiscriminatoirc bepalingen verantwoorden: zie arrest van 25 juli 1991, zaak C-288/89, Collectieve Antenncvoorziening Gouda, Jurispr. 1991, blz. I-4007, r. o. 12 e. v. Welnu, in onderhavige zaak gaat het om een (verkapte) discriminatoire bepaling. Uit het arrest van 20 mei 1992, zaak C-106/91, Ramrath, Jurispr. 1992, blz. I-3351, r. o. 28-31, moge blijken dat een en ander ook geldt voor artikel 48 EEG-Verdrag.
( 19 ) Ik bedoel de hierboven besproken richtlijnen 89/48 en 92/51, en tic European Convention on the Academie Recognition of University Qualifications van 14 december 1959. Deze conventie, die tot stand kwam binnen de Raad van Europa, is door alle Lid-Staten van de Gemeenschap ondertekend, en geldt vandaag in tien Lid-Staten, waaronder Duitsland.
( 20 ) Zaak C-61/89, Jurispr. 1990, blz. I-3551, r. o. 11.
( 21 ) Reeds aangehaald in voetnoot 17.
( 22 ) Richtlijn van de Raad van 7 juli 1964 betreffende de overgangsmaatregelen op hetgebied van de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van de be- en verwerkende nijverheid behorende lot de klassen 23 tot en met 40 van de ISIC (Industrie en Ambacht) (PB 1964, blz. 1863).
( 23 ) Zie ook de conclusie (punten 5-9) van advocaatgeneraal Tesauro in zaak C-370/90, Singh (arrest van 7 juli 1992, Jurispr. 1992, blz. I-4265, I-4280).
( 24 ) Het dispositivum van het arrest is dan ook nadrukkelijk toegesneden op „een paramedische werkzaamheid, zoals met name osteopathie” welke in de betrokken Lid-Staat is voorbehouden „aan de houders van een diploma van doctor in de geneeskunde”. Dat die sector bijzonder gevoelig ligt blijkt ook uit artikel 57, lid 3, EEG-Vcrdrag waar hij met betrekking tot harmonisatie van wetgeving op het gebied van vestiging en dienstenverkeer een bijzonder statuut krijgt.
( 25 ) Zie in het bijzonder de in voetnoot 17 geciteerde rechtspraak.
( 26 ) Arrest van 25 juli 1991, Säger, reeds aangehaald in voetnoot 18, r. o. 12.
( 27 ) Arrest van 31 januari 1984, gevoegde zaken 286/82 en 26/83, Luisi en Carbone, Jurispr. 1984. blz. 377, r. o. 10; zie ook arrest van 2 februari 1989, zaak 186/87, Cowan, Jurispr. 1989, blz. 195, r. o. 20.
( 28 ) Arrest van 27 september 1988, zaak 263/86, Humbel, Jurispr. 1988, blz. 5365, r. o. 14 e. v.
( 29 ) Hierbij lijkt het mij niet nodig afzonderlijk aandacht te besteden aan artikel 58, lid 2, EEG-Verdrag, dat krachtens artikel 66 ook toepasselijk is op het vrij dienstenverkeer. Eerstgenoemd lid bevat een uitsluiting voor „vennootschappen welke geen winst beogen”. Die zinsnede lijkt mij geen bijkomende voorwaarde te stellen, maar weerspiegelt enkel de definitie van „diensten” zoals in artikel 60 neergelegd. Zie ook arrest van 4 november 1991, zaak C-159/90, Grogan, Jurisprudentie 1991, blz. I-4685, r, o. 26.
( 30 ) Arrest van 13 februari 1985, zaak 293/83, Gravier, Jurispr. 1985, blz. 593. Sinds hel arresi Gravier werd het gemeenschappelijk beleid met betrekking tot de beroepsopleiding nog veel verder uitgebouwd.
( 31 ) Arrest van 2 februari 1988, zaak 24/86, Blaizot, Jurispr. 1988, blz. 379; bevestigd in arrest van 30 mei 1989, zaak 242/87, Commissie/Raad (Erasmus), Jurispr. 1989, blz. 1125, r. o. 25.
( 32 ) Zie reeds arrest van 3 juli 1974, zaak 9/74, Casagrande, Jurispr. 1974, blz. 773, r. o. 6.
( 33 ) Met andere woorden, artikel 7 slaat, bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht, niet op regelingen die, zonder discriminerend te zijn, het vrij personen-, goederen- of dienstenverkeer anders/ins belemmeren.
( 34 ) Op deze beide punten is er een analogie met wat geldt inzake vrij dienstenverkeer. Zo bij voorbeeld ging hel in het reeds ¡n voetnoot 27 geciteerde arrest Luisi over cen betalingsbelemmering die werd opgelegd door de Lid-Staat van herkomst van de zich naar een andere Lid-Staat begevende dienstontvanger.