61991B0064

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (VIJFDE KAMER) VAN 25 FEBRUARI 1992. - ANTONIO MARCATO TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - NIET-ONTVANKELIJKHEID. - ZAAK T-64/91.

Jurisprudentie 1992 bladzijde II-00243


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1. Ambtenaren - Beroep - Beroep tot schadevergoeding ingesteld zonder precontentieuze procedure volgens Statuut - Niet-ontvankelijkheid

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

2. Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Onderscheid met verzoek in zin van artikel 90, lid 1, Statuut - Onderscheid ter beoordeling van rechter

(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 1 en 2)

Samenvatting


1. In het stelsel van beroepswegen dat door de artikelen 90 en 91 van het Ambtenarenstatuut is ingesteld, is een beroep tot schadevergoeding, dat ten opzichte van het beroep tot nietigverklaring een zelfstandige beroepsweg vormt, slechts ontvankelijk indien het door een precontentieuze procedure overeenkomstig de statutaire bepalingen is voorafgegaan. Deze procedure verschilt, naar gelang de schade waarvan vergoeding is gevraagd, voortvloeit uit een bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut dan wel uit een gedraging van de administratie zonder besluitkarakter.

In het eerste geval staat het aan de betrokkene, binnen de gestelde termijn bij het tot aanstelling bevoegd gezag een klacht in te dienen tegen het betrokken besluit. In het tweede geval daarentegen moet de administratieve procedure beginnen met het indienen van een verzoek om schadevergoeding in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut. Slechts de uitdrukkelijke of stilzwijgende afwijzing van dit verzoek vormt een bezwarend besluit waartegen een klacht kan worden ingediend, en eerst na de uitdrukkelijke of stilzwijgende afwijzing kan beroep tot schadevergoeding bij het Gerecht worden ingesteld.

2. Bij de beoordeling van de vraag of een door een ambtenaar aan het tot aanstelling bevoegd gezag gericht document als een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut, of als een klacht in de zin van het tweede lid van dit artikel moet worden gekwalificeerd, is het Gerecht niet gebonden aan de wil van partijen.

Indien na onderzoek van de omstandigheden van het geval blijkt, dat het door verzoeker als klacht gekwalificeerde document een uitnodiging aan het tot aanstelling bevoegd gezag bevat om een besluit te nemen, en niet als een betwisting van een uitdrukkelijk of stilzwijgend, voor verzoeker bezwarend besluit kan worden opgevat, moet het als een verzoek worden beschouwd.

Partijen


In zaak T-64/91,

A. Marcato, voormalig ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Abano-Terme (Italië), vertegenwoordigd door G. Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Schmitt, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 65,

verzoeker,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Griesmar, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, vertegenwoordiger van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende de vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoeker stelt in het kader van zijn functie te hebben geleden,

geeft

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, D. Barrington en H. Kirschner, rechters,

griffier: B. Pastor, administrateur

de navolgende

Beschikking

Overwegingen van het arrest


Feiten, procesverloop en conclusies

1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 september 1991, heeft A. Marcato, voormalig ambtenaar van de Commissie, beroep ingesteld waarin hij het Gerecht verzoekt, de Commissie te veroordelen hem een bedrag van 1 470 000 BFR te betalen ter vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden doordat hij - in zijn eigen bewoordingen - ertoe is gedwongen om vervroegd pensioen aan te vragen, en een bedrag van 1 000 000 BFR ter vergoeding van de vernederingen en plagerijen waarvan hij - naar eigen zeggen - het slachtoffer is geweest.

2 Verzoeker, geboren in 1928, was ambtenaar in de rang B 3 bij DG XIX van de Commissie. Op eigen verzoek werd hij per 1 mei 1990 vervroegd gepensioneerd.

3 Aangezien zijn naam niet voorkwam op de lijst van ambtenaren die in het begrotingsjaar 1988 het meest voor bevordering naar de rang B 2 in aanmerking kwamen, had verzoeker bij het Hof twee beroepen ingesteld strekkende tot nietigverklaring van deze lijst (zaken 317/88, na verwijzing naar het Gerecht T-47/89, en 115/89, nadien T-82/89). Nadat het Gerecht het beroep in zaak T-47/89 niet-ontvankelijk had verklaard (arrest van 20 juni 1990, gevoegde zaken T-47/89 en T-82/89, Marcato, Jurispr. 1990, blz. II-231), verklaarde het in zijn arrest van 5 december 1990 (zaak T-82/89, Marcato, Jurispr. 1990, blz. II-735), het besluit om verzoeker niet op deze lijst te plaatsen nietig. De nietigverklaring werd uitgesproken met de overweging, dat het bestreden besluit was gebaseerd op mondelinge verklaringen die de vertegenwoordiger van de directeur-generaal van DG XIX binnen het bevorderingscomité had afgelegd. In strijd met artikel 26 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") waren deze verklaringen noch schriftelijk vastgelegd, noch in verzoekers persoonsdossier opgenomen. Derhalve had verzoeker geen gebruik kunnen maken van zijn recht zijn opmerkingen ter zake kenbaar te maken, hetgeen schending opleverde van zijn recht van verweer. Het Gerecht stelde bovendien vast dat verzoeker zijn belang bij het verzoek om nietigverklaring van het besluit niet had verloren doordat hij was gepensioneerd, met name daar hij de mogelijkheid behield vergoeding te vorderen van de schade die het litigieuze besluit hem mogelijk had toegebracht (r.o. 54 van het arrest). Beide arresten hebben kracht van gewijsde.

4 Het verslag van de vergaderingen van het bevorderingscomité van 15 en 16 juni 1988, tijdens welke de vertegenwoordiger van de directeur-generaal bovengenoemde verklaringen had afgelegd, is overgenomen in het arrest van het Gerecht van 5 december 1990, reeds aangehaald, r.o. 7):

"Het comité neemt kennis van de uitvoerige toelichtingen door de vertegenwoordiger van DG XIX over het gedrag van de heer Marcato (sic). Het stelt vast, dat dit advies in de lijn ligt van en bevestigd lijkt te worden door wat bij eerdere bevorderingsprocedures is verklaard door andere vertegenwoordigers van DG XIX. Het comité constateert echter een zekere differentiatie in de rapporten die over de heer Marcato zijn uitgebracht, en meent dat de meerderen van de betrokkene een duidelijke omschrijving zouden moeten geven van diens positie."

5 In bijlage bij haar dupliek in zaak 317/88 (nadien T-47/89), had verweerster twee verslagen overgelegd van gesprekken die verzoeker in april en in juni 1989 met zijn hiërarchieke meerderen had gevoerd. Bij beschikking van het Gerecht van 6 december 1989 werden deze verslagen uit het dossier verwijderd. Vervolgens stelde verzoeker een nieuw beroep in, dat in hoofdzaak strekte tot nietigverklaring van de twee verslagen alsmede tot toekenning van het symbolische bedrag van één ECU ter vergoeding van de immateriële schade die hij stelde te hebben geleden. Dit beroep werd door het Gerecht in het arrest van 25 september 1991, (zaak T-5/90, Marcato, Jurispr. 1990, blz. II-731) niet-ontvankelijk verklaard met de overweging, dat er geen precontentieuze procedure overeenkomstig de artikelen 90 en 91 van het Statuut had plaatsgevonden. Ook dit arrest heeft kracht van gewijsde.

6 Op 6 februari diende verzoeker bij de Commissie een als "klacht" aangeduid document in, waarop vermeld stond dat het een "klacht op grond van artikel 90 van het Statuut" betrof. Op het formulier dat bij de Commissie voor de inschrijving van verzoeken en klachten wordt gebruikt en dat het opschrift "verzoek/klacht" draagt, werd geen van beide vermeldingen doorgehaald. In het betrokken document vroeg verzoeker om schadevergoeding, die hij als volgt berekende:

- een financieel verlies van 42 000 BFR per maand gedurende 35 maanden, zijnde 1 470 000 BFR, veroorzaakt doordat hij was gedwongen vervroegd pensioen aan te vragen;

- vergoeding voor de vernederingen en plagerijen die hij gedurende lange tijd had moeten verduren en die zich hadden geuit in een verslechtering van zijn gezondheidstoestand: 1 000 000 BFR.

7 Ter ondersteuning van zijn aanspraken bracht verzoeker hoofdzakelijk naar voren, dat er tegen hem een "lastercampagne" was gevoerd door twee opeenvolgende assistenten van de directeur-generaal van DG XIX, Leygues en Bruechert, alsmede door zijn onmiddellijke hiërarchieke meerdere, Lemoine, die zich alle drie tegen zijn bevordering hadden verzet door binnen het bevorderingscomité kritiek op hem te uiten. Nadat hij voor de eerste keer door de personeelsafgevaardigden in het bevorderingscomité op de hoogte was gebracht van de kritiek van Lemoine, had verzoeker met deze laatste in juni 1985 gesproken over dit gedrag. Hij stelde dat zich na dit onderhoud problemen waren gaan voordoen op zijn werk, waarna hem andere taken waren toevertrouwd; daardoor bevond hij zich naar zijn oordeel in een "toestand van actieve non-activiteit, dat wil zeggen, in werkelijkheid 'op een zijspoor' ". Volgens verzoeker had de door Leygues, Bruechert en Lemoine gecreëerde situatie hem buiten zichzelf gebracht en hem zowel geestelijk als lichamelijk volledig uitgeput, hetgeen hem had genoodzaakt drie jaar eerder dan voorzien vervroegd pensioen aan te vragen.

8 Op 15 februari 1991 stuurde de Commissie verzoeker een nota, opgesteld in standaardvorm, die betrekking had op "uw klacht op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut (...)", waarin hem de afdeling en de persoon werden medegedeeld die met het onderzoek van zijn dossier waren belast en waarin hem de mogelijkheid van een onderhoud werd geboden. Per faxbericht van 29 mei 1991 werd verzoeker er echter van op de hoogte gesteld dat zijn "verzoek nr. 20/91 in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut" op 5 juni 1991 zou worden voorgelegd aan de "groupe interservice - réclamations" van de Commissie. De aandacht van verzoeker werd erop gevestigd "dat de regels (...) betreffende de behandeling van klachten op het onderhavige geval niet van toepassing zijn". Verzoeker werd verzocht de ontvangst van deze brief per faxbericht aan de Commissie te bevestigen.

9 Verzoeker antwoordde per faxbericht van 30 mei 1991, waarin hij met name de volgende bewoordingen gebruikte:

"Mijn dank voor uw uitnodiging naar aanleiding (sic) van mijn op 6 februari 1991 ingediende klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut (...)"

10 De bijeenkomst van de groupe interservices van de Commissie vond plaats op 5 juni 1991. Verzoeker ontving vervolgens geen uitdrukkelijk antwoord van de administratie.

11 Daarop heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld, dat op 4 september 1991 ter griffie van het Gerecht is ingeschreven.

12 In een conclusie van 8 oktober 1991 heeft de Commissie krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een middel van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en het Gerecht verzocht, zich over haar conclusies uit te spreken zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. In een op 11 december 1991 ter griffie van het Gerecht neergelegde conclusie heeft verzoeker zijn opmerkingen over het middel van niet-ontvankelijkheid kenbaar gemaakt.

13 In de procedure over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert de Commissie dat het het Gerecht behage:

- het onderhavige beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

- kosten rechtens.

Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:

- het onderhavige beroep ontvankelijk te verklaren en, bijgevolg, de door de Commissie als middel van niet-ontvankelijkheid geformuleerde excepties van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;

- in ieder geval het onderzoek naar de ontvankelijkheid bij de zaak ten gronde te voegen en derhalve de procedure in die zin voort te zetten;

- verweerster in de kosten te veroordelen.

14 Ingevolge artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht geschiedt de verdere behandeling van de opgeworpen exceptie mondeling, tenzij anders wordt beslist. Het Gerecht (Vijfde kamer) acht zich in casu door de stukken in het dossier voldoende geïnformeerd, zodat er geen termen aanwezig zijn de mondelinge handeling te openen.

De ontvankelijkheid

15 De Commissie benadrukt in de eerste plaats, dat waar in het arrest van het Gerecht van 5 december 1990 is gewezen op de mogelijkheid van een vordering tot schadevergoeding, daarmee werd gedoeld op de schade die verzoeker mogelijkerwijs had geleden doordat hij niet voorkwam op de lijst van ambtenaren die in 1988 het meest voor bevordering in aanmerking kwamen, terwijl het onderhavige beroep betrekking heeft op andere schade.

16 Ter ondersteuning van haar exceptie brengt de Commissie naar voren, dat het onderhavige beroep niet-ontvankelijk is omdat het niet is voorafgegaan door een precontentieuze procedure overeenkomstig de artikelen 90 en 91 van het Statuut. Zij beschouwt het als "klacht" aangeduide document dat verzoeker op 6 februari 1991 heeft ingediend, als een verzoek op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut, waarvan de stilzwijgende afwijzing op 6 juni 1991 een "bezwarende rechtshandeling" vormde. Aangezien verzoeker tegen dit stilzwijgende besluit tot afwijzing geen klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut heeft ingediend, is de Commissie van oordeel dat artikel 91, lid 2, zich tegen de ontvankelijkheid van het beroep verzet.

17 Volgens de Commissie is het in zoverre niet van belang, dat het in het onderhavige geval om een beroep tot schadevergoeding gaat. Zij herinnert eraan dat beroepen tot schadevergoeding die hun oorsprong vinden in het dienstverband tussen een ambtenaar en de instelling waartoe deze behoort, niet onder de werkingssfeer van de artikelen 178 en 215 EEG-Verdrag vallen, maar onder de artikelen 179 EEG-Verdrag en 90 en 91 van het Statuut. Zij leidt hieruit af dat een beroep tot schadevergoeding, op straffe van niet-ontvankelijkheid, moet zijn voorafgegaan door een bezwarend besluit, waartegen een klacht moet zijn ingediend die vervolgens is afgewezen. Zij beroept zich op het arrest van 10 december 1969 (zaak 32/68, Grasselli, Jurispr. 1969, blz. 505, r.o. 11), waarin het Hof oordeelde dat artikel 91, lid 1, tweede volzin, van het Statuut de communautaire rechter slechts volledige rechtsmacht toekent voor het geval er sprake is van een geschil over de wettigheid van een bezwarend besluit als bedoeld in artikel 91, lid 1, eerste volzin, ten betoge dat indien niet tot nietigverklaring wordt geconcludeerd, een beroep tot schadevergoeding buiten de bevoegdheden van het Gerecht valt.

18 Zij verwijst bovendien naar het arrest van het Gerecht van 25 september 1991 (zaak T-5/90, Marcato, Jurispr. 1991, blz. II-731), waarin het Gerecht heeft verklaard dat wanneer een beroep strekt tot vergoeding van schade die beweerdelijk is veroorzaakt door gedragingen zonder rechtsgevolgen, de administratieve procedure dient te beginnen met een verzoek krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut aan het tot aanstelling bevoegde gezag om die schade te vergoeden, en dat de belanghebbende eerst wanneer dit verzoek is afgewezen, een klacht overeenkomstig artikel 90, lid 2, kan indienen.

19 De Commissie erkent, dat verzoeker stelt een klacht en geen verzoek te hebben ingediend, gelijk hij in het eerdergenoemde faxbericht van 30 mei 1991 heeft bevestigd. Zij beklemtoont evenwel dat de "gedragingen" van Bruechert, Leygues en Lemoine, waartegen deze klacht was gericht, geen bezwarende handelingen vormen, aangezien zij geen besluiten bevatten. Zij voegt hieraan toe dat indien deze gedragingen bezwarende besluiten zouden zijn, verzoekers klacht hiertegen hoe dan ook tardief zou zijn, aangezien zij dateren van enige jaren vóór de datum van de klacht.

20 Volgens de Commissie is evenmin van belang dat verzoeker, naar hij in zijn verzoekschrift naar voren heeft gebracht, zijn klacht binnen een termijn van drie maanden na het arrest van het Gerecht van 5 december 1990 heeft ingediend. Zij vraagt zich in dit verband af hoe verzoeker in genoemd arrest (dat hem in het gelijk stelde), een handeling heeft kunnen zien die, zoals een bezwarend besluit, een termijn voor de indiening van een klacht deed ingaan.

21 In deze omstandigheden stelt verweerster dat, ongeacht het rechtskarakter van het document van 6 februari 1991 (verzoek of klacht), het onderhavige beroep niet-ontvankelijk is.

22 Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift betoogd dat hij de precontentieuze procedure op de juiste wijze heeft doorlopen, aangezien hij zijn klacht "binnen de termijn van drie maanden te rekenen vanaf het arrest van 5 december 1990" heeft ingediend en deze klacht op 6 juni 1991 stilzwijgend is afgewezen. Hij heeft hieraan toegevoegd, dat zijn procesbelang ter verkrijging van vergoeding van de geleden schade niet kan worden ontkend en dat de lasterlijke opmerkingen te zijnen aanzien bezwarende handelingen vormen.

23 In zijn opmerkingen in antwoord op de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid betoogt verzoeker, dat het onderhavige beroep geen betrekking heeft op de maatregelen die de Commissie heeft getroffen ter uitvoering van het arrest van het Gerecht van 5 december 1990 (zaak T-82/89, Marcato, reeds aangehaald), maar strekt ter verkijging van aparte schadevergoeding, in aanvulling op de hem eventueel ter uitvoering van eerdergenoemd arrest toe te kennen vergoeding.

24 Voor de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep wijst verzoeker in de eerste plaats op artikel 91, lid 1, laatste volzin, van het Statuut, die de communautaire rechter in geschillen van geldelijke aard volledig rechtsmacht toekent. Hij leidt hieruit af dat hij een zelfstandige vordering kan indienen tot vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden, mits hij eerst de procedure van artikel 90 van het Statuut heeft doorlopen.

25 Verzoeker stelt dat artikel 90 in het kader van een beroep tot schadevergoeding moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de belangrijkste functie van dit voorschrift, te weten het tot aanstelling bevoegde gezag de mogelijkheid te bieden, voordat beroep bij het Gerecht wordt ingesteld een standpunt in te nemen over de aanspraken van betrokkene op schadevergoeding. Hij herinnert eraan dat de belangrijkste voorwaarde ten gronde voor een dergelijk beroep een dienstfout is en dat een dergelijke fout kan voorkomen in de vorm van een handeling die een besluit vormt, maar ook kan bestaan in een zuiver feitelijke handeling. Volgens verzoeker kan de klacht gericht zijn tegen het onrechtmatige gedrag dat de schade heeft veroorzaakt, ongeacht of het daarbij gaat om een besluit.

26 Volgens verzoeker bestaat het onrechtmatige gedrag in casu in lasterlijke opmerkingen, die weliswaar geen rechtshandelingen van besluitvormende aard zijn, maar wel uiting geven aan kwade bedoelingen en als zodanig aanspraak kunnen geven op schadevergoeding.

27 Verzoeker stelt dat het in het onderhavige geval volkomen onjuist zou zijn te stellen, dat hij eerst een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut had moeten indienen om een besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag te verkrijgen over zijn aanspraak op schadevergoeding. Naar zijn mening behoefde in casu geen verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut bij het tot aanstelling bevoegde gezag te worden ingediend, aangezien deze procedure slechts wordt vereist indien betrokkene een standpunt verlangt dat tot een bezwarend besluit kan leiden.

28 Verzoeker voegt hieraan toe dat het onrechtmatige gedrag dat de schade heeft veroorzaakt, is vastgesteld in het arrest van het Gerecht van 5 december 1990. Hij stelt dat hij in deze omstandigheden terecht binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf dit arrest, een klacht heeft ingediend tegen dit onrechtmatige gedrag, dat voor hem bezwarend was, ter eerbiediging van het beginsel dat de administratie kennis moet nemen van de betwisting alvorens deze aan de bevoegde rechter wordt voorgelegd.

29 Ten slotte bestrijdt verzoeker de stelling van de Commissie dat een beroep tot schadevergoeding noodzakelijkerwijs slechts kan worden ingesteld indien tot nietigverklaring wordt geconcludeerd. Het woordgebruik in het arrest van 10 december 1969 (zaak 32/68, Grasselli, reeds aangehaald), waarop de Commissie zich in dit verband beroept, betekent enkel dat er werkelijk een twistpunt tussen de ambtenaar en diens instelling moet bestaan en dat het geschil pas aan het Hof moet worden voorgelegd nadat de voorafgaande administratieve procedure is doorlopen. Volgens verzoeker rechtvaardigt geen enkel uitleggingselement dat op de structuur van de betrokken bepalingen is gebaseerd de conclusie, dat het beginsel dat beroepen tot schadevergoeding zelfstandige beroepswegen zijn, zoals dit door het Hof in het kader van de artikelen 178 en 215 EEG-Verdrag is bevestigd, niet van toepassing zou zijn op ambtenarenzaken. Hij voegt hieraan toe dat dit slechts anders zou zijn in het uitzonderlijke geval waarin een vordering tot schadevergoeding zou strekken tot betaling van een bedrag dat precies even groot is als het voordeel dat de verzoeker bij nietigverklaring van een individueel besluit zou genieten, wat hier niet het geval is.

30 In de eerste plaats verwerpt het Gerecht de op het arrest van 10 december 1969 (zaak 32/68, Grasselli, reeds aangehaald) gebaseerde stelling van de Commissie, dat in geschillen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden een beroep tot schadevergoeding slechts ontvankelijk is indien het vergezeld gaat van een verzoek om nietigverklaring. Zoals het Hof later heeft geoordeeld, met name in het arrest van 22 oktober 1975 (zaak 9/75, Meyer-Burckhardt, Jurispr. 1975, blz. 1171), zijn het beroep tot schadevergoeding en het beroep tot nietigverklaring zelfstandige beroepswegen, niet alleen indien het gaat om beroepen die zijn ingesteld op grond van de artikelen 173 en 178 EEG-Verdrag, maar ook in geschillen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden, zoals bedoeld in artikel 179 EEG-Verdrag. Een verzoeker kan derhalve hetzij de ene, hetzij de andere beroepsweg kiezen, hetzij beide gezamenlijk, mits hij de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut voorziene procedure in acht neemt.

31 De ontvankelijkheid van het onderhavige beroep tot schadevergoeding hangt derhalve af van de vraag, of er een precontentieuze procedure overeenkomstig de artikelen 90 en 91 van het Statuut heeft plaatsgevonden.

32 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de door het Statuut voorgeschreven precontentieuze procedure in het geval waarin de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd wordt gesteld te zijn veroorzaakt door een bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, verschilt van die welke moet worden gevolgd indien de schade wordt gesteld te zijn veroorzaakt door een gedraging die geen besluit is.

33 In het eerste geval is het beroep tot schadevergoeding slechts ontvankelijk indien de betrokkene binnen de gestelde termijn bij het tot aanstelling bevoegde gezag een klacht heeft ingediend tegen de handeling die de schade heeft veroorzaakt en indien hij binnen drie maanden te rekenen vanaf de verwerping van deze klacht beroep heeft ingesteld (zie het arrest van 22 oktober 1975, zaak 9/75, Meyer-Burckhardt, reeds aangehaald, blz. 1182 e.v.). In het tweede geval bestaat de administratieve procedure die overeenkomstig de artikelen 90 en 91 van het Statuut verplicht vooraf gaat aan het beroep tot schadevergoeding, uit twee fases. Eerst moet de betrokkene bij het tot aanstelling bevoegde gezag een verzoek om schadevergoeding indienen. Pas de uitdrukkelijke of stilzwijgende afwijzing van dit verzoek vormt een bezwarend besluit, waartegen een klacht kan worden ingediend, en eerst na een besluit waarbij deze klacht uitdrukkelijk of stilzwijgend is afgewezen, kan beroep tot schadevergoeding bij het Gerecht worden ingesteld (zie het arrest van het Gerecht van 25 september 1991, zaak T-5/90, Marcato, reeds aangehaald, r.o. 50 e.v., en het arrest van het Hof van 27 juni 1989, zaak 200/87, Giordani, Jurispr. 1989, blz. 1877, 1901).

34 Tegen dit vereiste van een precontentieuze procedure in twee fases brengt verzoeker in, dat het doel van artikel 91, lid 2, van het Statuut - te weten het tot aanstelling bevoegde gezag in kennis te stellen van de grieven van de betrokkene ten einde een minnelijke schikking van het geschil mogelijk te maken of te vergemakkelijken - ook kan worden bereikt indien de betrokkene, alvorens beroep tot schadevergoeding in te stellen, bij het tot aanstelling bevoegde gezag een klacht indient tegen de gedragingen die weliswaar geen rechtsgevolgen teweegbrengen, maar wel dienstfouten opleveren waardoor schade is berokkend. Deze theorie is echter in strijd met de bewoordingen van de betrokken bepalingen en is onverenigbaar met het stelsel van beroepswegen dat door de artikelen 90 en 91 van het Statuut in het leven is geroepen. Binnen dit stelsel kan de communautaire rechter eerst worden aangezocht indien er een besluit met rechtsgevolgen tot stand is gekomen - dat in voorkomend geval kan bestaan in een stilzwijgend besluit tot afwijzing van een verzoek - en de klacht van de betrokkene tegen dat besluit is afgewezen. Bij ontbreken van een dergelijk besluit is het daarentegen niet voldoende dat de schadevergoeding voor de eerste maal wordt gevorderd op het moment waarop de betrokkene een klacht indient (zie het arrest van het Hof van 27 juni 1989, zaak 200/87, Giordani, reeds aangehaald).

35 Hieraan moet worden toegevoegd, dat de door verzoeker voorgestane uitlegging van het Statuut onverenigbaar is met het stelsel van termijnen zoals voorzien in artikel 90 van het Statuut indien er sprake is van een reeks schadeveroorzakende feiten. Volgens artikel 90, lid 2, van het Statuut gaat de termijn voor het indienen van een klacht, al naar gelang het geval, op nauwkeurig bepaalde data in. De dag van bekendmaking van het besluit, de dag waarop dit ter kennis wordt gebracht van de betrokkene, de dag waarop deze ervan kennis krijgt of het verstrijken van een termijn, zijn alle nauwkeurige gegevens, aan de hand waarvan het ingaan van een termijn nauwkeurig kan worden vastgesteld. In het geval van een reeks schadeveroorzakende feiten ontbreekt een dergelijke nauwkeurige datum uiteraard. In het belang van de rechtszekerheid ligt de noodzaak van een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut dan ook voor de hand.

36 Verzoeker heeft betoogd dat in het onderhavige geval, waarin het eveneens gaat om een reeks feiten, die hij alle beschouwt als dienstfouten, de termijn is ingegaan op de dag waarop het arrest van het Gerecht van 5 december 1990 (zaak T-82/89, Marcato, reeds aangehaald) is uitgesproken. Dienaangaande moet echter worden opgemerkt, dat het Statuut geen bepalingen bevat op grond waarvan de dag van de uitspraak van een arrest als datum van ingang van een termijn voor de indiening van een klacht kan worden gebruikt. De uitspraak van genoemd arrest heeft verzoeker derhalve niet ontheven van de verplichting, de in het Statuut geregelde precontentieuze procedure te volgen.

37 Verzoeker kan evenmin staande houden dat hij op de dag van de uitspraak van genoemd arrest kennis heeft genomen van de door hem aangevoerde feiten. In dit verband moet worden opgemerkt, dat het Gerecht in rechtsoverweging 7 van het arrest van 5 december 1990, waarop verzoeker zich beroept, enkel een fragment uit de notulen van de vergaderingen van het bevorderingscomité van 15 en 16 juni 1988 heeft geciteerd. Deze notulen waren reeds in bijlage gevoegd bij het verweerschrift van de Commissie van 28 maart 1989 in zaak 317/88 (later T-47/89). Verzoeker was derhalve reeds in kennis gesteld van de bewuste feiten, geruime tijd voordat het Gerecht op 5 december 1990 zijn arrest wees.

38 De stelling van verzoeker, dat in het kader van een beroep tot schadevergoeding een klacht kan worden ingediend tegen iedere gedraging die een dienstfout oplevert, ongeacht of het hierbij gaat om een besluit of een zuiver feitelijke handeling, kan derhalve niet worden aanvaard.

39 Mitsdien moet worden vastgesteld, of de gedraging die de schade waarvan verzoeker vergoeding vordert beweerdelijk heeft veroorzaakt, al dan niet een bezwarend besluit vormt.

40 Volgens verzoeker vloeit de schade waarover hij klaagt voort uit de beweerdelijk lasterlijke opmerkingen die in de verschillende bevorderingsrondes over hem zijn gemaakt binnen de bevorderingscomités en uit de "vernederingen en plagerijen" waarvan hij het slachtoffer is geweest. Zoals verzoeker echter zelf toegeeft, vormen dergelijke gedragingen zuiver feitelijke handelingen, die geen besluiten vormen. Zij konden verzoekers rechtspositie niet nadelig beïnvloeden.

41 Aan deze vaststelling doet geenszins af dat het onderhavige beroep tot schadevergoeding is ingesteld in aansluiting op het arrest van het Gerecht van 5 december 1990 in zaak T-82/89. Verzoeker beroept zich op dit arrest om de gegrondheid aan te tonen van zijn beweringen dat aan het in zaak T-82/89 bestreden besluit een aantal dienstfouten vooraf zijn gegaan, die naar zijn mening niet alleen dit besluit onwettig hebben gemaakt, maar hem bovendien schade hebben berokkend die verder reikte dan de gevolgen van dit besluit. De omstandigheid dat het Gerecht deze feitelijke gedragingen in aanmerking heeft genomen om vast te stellen dat het besluit bij de voorbereiding waarvan zij zich hadden voorgedaan, gebrekkig was, brengt echter niet mee dat deze gedragingen een besluit vormen. De door verzoeker aangevoerde schade vloeit derhalve niet voort uit bezwarende besluiten in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut. Bijgevolg vereist het Statuut in casu een precontentieuze procedure in twee fasen.

42 Verzoeker moest in de eerste plaats een verzoek indienen ter verkrijging van vergoeding van de schade waarover hij klaagt.

43 Op 6 februari 1991 diende hij een als "klacht" aangeduid document in en in een faxbericht van 30 mei 1991 gaf hij te kennen, dat het zijn bedoeling was geweest bij het tot aanstelling bevoegde gezag een klacht op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut in te dienen. Zo verzoeker niet de bedoeling heeft gehad een verzoek op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut in te dienen, moet evenwel worden opgemerkt dat het Gerecht niet gebonden is aan de wil van partijen bij de beoordeling van de vraag, of het door verzoeker ingediende document als "verzoek" of als "klacht" moet worden gekwalificeerd (zie de beschikking van het Gerecht van 1 oktober 1991, zaak T-38/91, Coussios, Jurispr. 1991, blz. II-731, r.o. 25).

44 In dit verband moet worden opgemerkt dat het als "klacht op grond van artikel 90 van het Statuut" aangeduide document dat verzoeker heeft ingediend, elementen bevat die in hoofdzaak veeleer wijzen op een verzoek op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut, dan op een klacht in de zin van het artikel 90, lid 2. Zo is het verzoeker erom te doen, betaling te verkrijgen van een bedrag van 2 470 000 BFR. Met het betrokken document heeft hij het tot aanstelling bevoegde gezag uitgenodigd, te besluiten hem dit bedrag toe te kennen. De aan het tot aanstelling bevoegde gezag gerichte uitnodiging een besluit te nemen, vormt de typische inhoud van een verzoek krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut. De typische inhoud van een klacht is daarentegen het verzoek aan het tot aanstelling bevoegde gezag, een uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit dat het reeds ten aanzien van een ambtenaar heeft genomen, te vernietigen. In het betrokken document heeft verzoeker het tot aanstelling bevoegde gezag echter niet gevraagd, terug te komen op enige maatregel die het te zijnen aanzien had getroffen. De omstandigheden van het onderhavige geval verschillen derhalve evenzeer van de situatie waarin tegelijk schadevergoeding en nietigverklaring van een bezwarend besluit wordt gevorderd (zie bij voorbeeld het arrest van het Hof van 27 juni 1989, zaak 200/87, Giordani, reeds aangehaald), als van de situatie waarin een ambtenaar het tot aanstelling bevoegde gezag verzoekt om vernietiging van een vermeend besluit dat in werkelijkheid niet bezwarend voor hem is (zie bij voorbeeld het arrest van het Gerecht van 25 september 1991, zaak T-5/90, Marcato, reeds aangehaald). In de laatste twee gevallen kan het door de ambtenaar ingediende document als klacht worden gekwalificeerd, ook al kan deze eventueel niet-ontvankelijk zijn. In casu evenwel heeft het door verzoeker ingediende document niet de inhoud van een klacht.

45 Uit het voorafgaande blijkt dat de brief van 6 februari 1991, hoewel verzoeker deze als "klacht" heeft gekwalificeerd, in werkelijkheid een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut vormde. Hieraan moet worden toegevoegd dat verzoeker hiervan op de hoogte is gesteld door het faxbericht dat de diensten van de Commissie hem op 29 mei 1991 hebben toegestuurd, ook al hebben deze diensten in hun brief van 15 februari 1991 het begrip klacht gebruikt.

46 Bedoeld verzoek is op 6 juni 1991 overeenkomstig artikel 90, lid 1, stilzwijgend afgewezen. Op dit afwijzende besluit is geen klacht op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut gevolgd. Bijgevolg heeft er geen precontentieuze procedure overeenkomstig de artikelen 90 en 91 van het Statuut plaatsgevonden. Het onderhavige beroep tot schadevergoeding moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

47 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Ingevolge artikel 88 van dit Reglement blijven echter in beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen de kosten door de instellingen gemaakt te hunnen laste.

Dictum


HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer)

beschikt:

1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2) Elk der partijen zal haar eigen kosten dragen.

Luxemburg, 25 februari 1992.