61991J0251

ARREST VAN HET HOF (EERSTE KAMER) VAN 11 NOVEMBER 1992. - ROLAND TEULIE TEGEN CAVE COOPERATIVE "LES VIGNERONS DE PUISSALICON". - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: TRIBUNAL D'INSTANCE DE BEZIERS - FRANKRIJK. - GEMEENSCHAPPELIJKE ORDENING VAN WIJNMARKT - ROOIPREMIES - WIJNBOUWCOOPERATIES. - ZAAK C-251/91.

Jurisprudentie 1992 bladzijde I-05599


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Wijn ° Premie voor definitieve stopzetting van wijnbouw ° Toekenning van communautaire compensatie aan wijnbouwcooeperaties ° Voorwaarden ° Bepaling van compensatie door Lid-Staten in vorm van inhouding van 15 % op premiebedrag ° Toelaatbaarheid

(Verordening nr. 1442/88 van de Raad, art. 7, leden 1 en 2)

Samenvatting


Blijkens de bewoordingen van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1442/88 inzake de toekenning van premies voor definitieve stopzetting van de wijnbouw op wijnbouwareaal in de wijnoogstjaren 1988/1989 tot en met 1995/1996, hangt ° anders dan in het geval van de nationale compensatie als bedoeld in lid 2 van hetzelfde artikel ° de toekenning van de communautaire compensatie, die de Lid-Staten ten gunste van de wijnbouwcooeperaties kunnen toekennen, niet af van het bewijs dat die cooeperaties schade hebben geleden. Dat deze voorwaarde niet wordt gesteld, komt doordat de gemeenschapswetgever is uitgegaan van het vermoeden, dat het rooien van wijnstokken door een lid van de cooeperatie steeds in het nadeel van deze cooeperatie kan werken, omdat door de vermindering van de aanvoer de vaste kosten van het gebruik van de installaties voor de wijnbereiding stijgen.

Rekening houdend met het beoogde doel en wegens de verschillende situatie in de diverse Lid-Staten, heeft de Raad de Lid-Staten de bevoegdheid gegeven om maatregelen ter uitvoering van artikel 7, lid 1, te treffen. Hij heeft hen dus gemachtigd, de compensatie vast te stellen op het niveau dat noodzakelijk is om eventueel verzet van de wijnbouwcooeperaties tegen het rooien van wijnstokken te voorkomen en te verzekeren dat het doel van de premieregeling van de verordening wordt bereikt. In dat kader is een Lid-Staat gerechtigd, het gedeelte van de premie, dat aan de wijnbouwcooeperaties wordt toegekend, op eenvormige wijze te bepalen, mits het niet hoger is dan 15 %.

Partijen


In zaak C-251/91,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Tribunal d' instance de Béziers, in het aldaar aanhangig geding tussen

R. Teulie

en

Wijnbouwcooeperatie "Les Vignerons de Puissalicon",

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 7, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1442/88 van de Raad van 24 mei 1988 inzake de toekenning van premies voor de definitieve stopzetting van de wijnbouw op wijnbouwareaal in de wijnoogstjaren 1988/1989 tot en met 1995/1996 (PB 1988, L 132, blz. 3),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresident, R. Joliet en D. A. O. Edward, rechters,

advocaat-generaal: C. O. Lenz

griffier: L. Hewlett, administrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

° R. Teulie, vertegenwoordigd door J.-P. Lejet, advocaat te Montpellier;

° de wijnbouwcooeperatie "Les Vignerons de Puissalicon", vertegenwoordigd door A. Koops, advocaat te Montpellier;

° de Franse regering, vertegenwoordigd door P. Pouzoulet, plaatsvervangend directeur Juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en G. de Bergues, hoofdadjunct-secretaris buitenlandse zaken, als gemachtigden;

° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Woelker, lid van haar juridische dienst, en A. Carnelutti, advocaat te Parijs, als gemachtigden;

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van de Franse regering en de Commissie ter terechtzitting van 18 juni 1992,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 juli 1992,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij vonnis van 27 september 1991, ingekomen bij het Hof op 9 oktober daaraanvolgend, heeft het Tribunal d' instance de Béziers krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 7, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1442/88 van de Raad van 24 mei 1988 inzake de toekenning van premies voor de definitieve stopzetting van de wijnbouw op wijnbouwareaal in de wijnoogstjaren 1988/1989 tot en met 1995/1996 (PB 1988, L 132, blz. 3).

2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen R. Teulie, van beroep wijnbouwer, en de wijnbouwcooeperatie "Les Vignerons de Puissalicon" over de inhouding ten gunste van laatstgenoemde van 15 % op een aan Teulie toegekende rooipremie.

3 Zoals in de eerste overweging van haar considerans vermeld, is verordening nr. 1442/88 vastgesteld met als doel maatregelen te treffen in verband met de overproduktie op de wijnbouwmarkt. Teneinde de definitieve stopzetting van wijnbouw op wijnbouwareaal te stimuleren, voorziet de verordening in de toekenning van zogenoemde rooipremies. Overwegende dat de stopzetting van de wijnbouw door wijnbouwers die zijn aangesloten bij cooeperaties die de door hun leden geoogste druiven gemeenschappelijk verwerken, kan leiden tot een vermindering van de druivenaanvoer en tot een stijging van de verwerkingskosten, achtte de Raad het billijk te bepalen dat voor dergelijke negatieve gevolgen compensatie kan worden verleend (achtste overweging van de considerans).

4 Hiertoe bepaalt artikel 7, van verordening nr. 1442/88 als volgt:

"1. De Lid-Staten kunnen voor wijnbouwers die aangesloten zijn bij een wijnbouwcooeperatie of een andere vereniging van wijnbouwers, bepalen dat de in artikel 2, lid 1, bedoelde premies worden verlaagd met een bedrag dat ten hoogste gelijk mag zijn aan 15 %. In dat geval worden de met deze verlaging overeenkomende bedragen uitgekeerd aan de betrokken cooeperaties of verenigingen.

2. Onverminderd het bepaalde in lid 1, kunnen de Lid-Staten bepalingen vaststellen die voorzien in de toekenning van een nationale compensatie aan wijnbouwcooeperaties en andere verenigingen van wijnbouwers die het bewijs leveren dat:

° zij hun activiteit hebben moeten inkrimpen in verband met een vermindering van de aanvoer van de leden als gevolg van de toekenning van de premie voor de definitieve stopzetting;

° de door hun leden geëxploiteerde oppervlakte met ten minste 10 % is verminderd ten opzichte van het wijnoogstjaar 1987/1988.

De nationale compensatie mag niet hoger liggen dan de als gevolg van de activiteitsinkrimping geleden verliezen.

3. De Lid-Staten doen de Commissie mededeling van de eventueel krachtens dit artikel vastgestelde bepalingen."

5 De Franse regering besloot, krachtens artikel 7 van verordening nr. 1442/88, ten gunste van de wijnbouwcooeperaties een inhouding van 15 % op het premiebedrag toe te passen. Deze inhouding vindt plaats na een formeel besluit van het bestuur van de wijnbouwcooeperatie, waarbij dit verklaart in te stemmen met de door de verordening ingestelde procedure van forfaitaire vergoeding en de in de statuten van de cooeperatie voorziene sancties in geval van niet-nakoming van de aanvoerverplichting niet te zullen toepassen ten aanzien van het lid dat de wijnbouw definitief heeft stopgezet.

6 Nadat Teulie op 30 november 1988 een aangifte van het rooien van wijnstokken had gedaan, ontving hij daarvoor een rooipremie, waarvan 15 % rechtstreeks werd uitbetaald aan de wijnbouwcooeperatie "Les Vignerons de Puissalicon". Van mening dat de inhouding ten gunste van de wijnbouwcooeperatie in strijd was met verordening nr. 1442/88, stelde Teulie beroep in bij het Tribunal d' instance de Béziers, dat besloot de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof twee prejudiciële vragen te stellen, teneinde te vernemen:

"1) of artikel 7, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1442/88 van de Raad van 24 mei 1988 inzake de toekenning van premies voor de definitieve stopzetting van de wijnbouw op wijnbouwareaal in de wijnoogstjaren 1988/1989 tot en met 1995/1996, evenals lid 2 van hetzelfde artikel ervan uitgaat, dat het bestaan van schade voor de cooeperatieve vereniging moet zijn bewezen vooraleer de premie kan worden verlaagd;

2) of deze bepaling aldus moet worden uitgelegd, dat de Lid-Staat die het keuzerecht uitoefent, op eenvormige wijze vaststelt welk gedeelte van de premies ° tot ten hoogste 15 % ° aan de wijnbouwcooeperaties moet worden toegekend, dan wel zich uitspreekt over het beginsel van de inhouding en deze op zijn grondgebied verplicht stelt zonder het percentage ervan vast te stellen, maar wel de modaliteiten bepaalt volgens welke in elk afzonderlijk geval het bedrag van de inhouding moet worden vastgesteld binnen de door de verordening voorziene marge van 1 tot 15 %."

7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

De eerste vraag

8 Om te beginnen dient erop te worden gewezen, dat blijkens de bewoordingen van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1442/88 de toekenning van de communautaire compensatie, die de Lid-Staten ten gunste van een wijnbouwcooeperatie kunnen instellen, niet afhangt van enige voorafgaande voorwaarde betreffende het bewijs van door de cooeperatie geleden schade. Artikel 7, lid 2, daarentegen, dat de Lid-Staten toestaat boven de communautaire compensatie nog een nationale compensatie toe te kennen, doet deze toekenning afhangen van twee, hiervóór reeds vermelde, voorwaarden. Bovendien mag de nationale compensatie de als gevolg van de activiteitsinkrimping geleden verliezen niet te boven gaan.

9 Dat in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1442/88 de toekenning van een percentage van de premie aan de wijnbouwcooeperatie niet aan een voorwaarde gebonden is, vindt, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, zijn verklaring in het vermoeden van de gemeenschapswetgever, dat het rooien van wijnstokken steeds in het nadeel van een wijnbouwcooeperatie kan werken, omdat door de vermindering van de aanvoer de vaste kosten van het gebruik van de installaties voor de wijnbereiding stijgen.

10 Wat daarentegen artikel 7, lid 2, van de verordening betreft, is een voorwaarde die het bedrag van de aan een wijnbouwcooeperatie toegekende nationale compensatie beperkt tot de door de activiteitsinkrimping geleden verliezen, noodzakelijk om te waarborgen dat dat bedrag, dat bovenop de communautaire compensatie komt, geen verkapte steunmaatregel vormt die de mededinging op de wijnbouwmarkt kan vervalsen.

11 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat anders dan artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1442/88, lid 1 van dat artikel niet impliceert, dat een door de cooeperatie geleden schade wordt aangetoond alvorens de aan een van de leden van die cooeperatie betaalde rooipremie kan worden verlaagd.

De tweede vraag

12 Volgens Teulie is de beslissing van de Franse autoriteiten de inhouding ten gunste van de wijnbouwcooeperatie forfaitair op 15 % te bepalen, strijdig met het beginsel van rechtstreekse toepasselijkheid van verordeningen, zoals neergelegd in artikel 189 van het Verdrag. Krachtens dit beginsel zijn de Lid-Staten verplicht zich aan de tekst van de verordening te houden, die voor de inhouding voorziet in een marge van 0 tot 15 %, en voor hun grondgebied de modaliteiten te bepalen volgens welke het precieze bedrag van de inhouding voor elk afzonderlijk geval kan worden berekend.

13 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat de rechtstreekse toepasselijkheid van een verordening niet uitsluit, dat de tekst zelf van die verordening een Lid-Staat machtigt tot het nemen van uitvoeringsmaatregelen (zie arrest van 27 september 1979, zaak 230/78, Eridania, Jurispr. 1979, blz. 2749, r.o. 34). Dit is het geval met artikel 7 van verordening nr. 1442/88. Zoals in de laatste zin van de achtste overweging van de considerans wordt gepreciseerd, achtte de Raad, gezien de verschillen op het stuk van de wijnbouwstructuur binnen de Gemeenschap, het wenselijk dat de eventuele compensatieregeling wordt vastgesteld door de Lid-Staten.

14 De beslissing om de Lid-Staten de bevoegdheid toe te kennen op basis van artikel 7 uitvoeringsmaatregelen te treffen, strookt ook met het doel van deze bepaling. Zoals de Commissie heeft uiteengezet, werd met de invoering van een compensatie ten gunste van de cooeperaties beoogd, het verzet in deze sector tegen het rooibeleid weg te nemen. Gezien de in elk land verschillende situatie, heeft de Raad de Lid-Staten een beoordelingsmarge toegestaan, zowel ten aanzien van het beginsel van de communautaire en nationale compensatie als ten aanzien van de uitvoeringsmodaliteiten. Elke Lid-Staat was derhalve bevoegd de omvang vast te stellen van de compensatie die nodig was om te verzekeren dat de wijnbouwcooeperaties zich niet tegen het rooien van wijnstokken zouden verzetten, en dat bijgevolg de doelstellingen van de bij verordening nr. 1442/88 ingestelde premieregeling zouden worden verwezenlijkt.

15 Hieruit volgt, dat de Lid-Staten het recht hadden hetzij een forfaitaire compensatie van ten hoogste 15 % van het premiebedrag in te voeren, hetzij een variabele compensatie toe te passen door de berekeningscriteria voor elk afzonderlijk geval te preciseren. Een forfaitair stelsel biedt het voordeel van snelle en eenvoudige uitvoerbaarheid, terwijl een stelsel dat de hoogte van het aan de cooeperaties toegekende premiepercentage laat afhangen van de door deze geleden schade, ingewikkelder is en het risico in zich bergt van geschillen over de begroting van de schade.

16 Gelet op een en ander, hebben de Franse autoriteiten, door te besluiten de wijnbouwcooeperaties een communautaire compensatie van 15 % van de rooipremie toe te kennen, de grenzen van de hun bij artikel 7 van verordening nr. 1442/88 toegekende discretionaire bevoegdheid niet overschreden.

17 Teulie heeft tevens gesteld, dat de Franse autoriteiten hebben nagelaten de krachtens artikel 7 van verordening nr. 1442/88 vastgestelde bepalingen aan de Commissie mede te delen, en dat de nationale maatregelen betreffende de inhouding van 15 % op de rooipremie buiten toepassing moeten blijven wegens deze schending van lid 3 van artikel 7.

18 Zelfs indien de Franse Republiek haar mededelingsplicht niet zou zijn nagekomen, moet worden opgemerkt, dat nationale maatregelen ter uitvoering van artikel 7, lid 1, kunnen worden vastgesteld zonder dat zij tevoren aan de Commissie zijn medegedeeld, en dat die mededelingsplicht dus enkel een zuiver informatief doel heeft. Het ontbreken van die mededeling kan derhalve niet afdoen aan de geldigheid van de Franse maatregelen inzake de inhouding van 15 % op de rooipremie ten gunste van de wijnbouwcooeperaties (zie arrest van 7 mei 1992, gevoegde zaken C-251/90 en C-252/90, Wood en Cowie, Jurispr. 1992, blz. I-2873, r.o. 28).

19 Op de tweede vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1442/88 aldus moet worden uitgelegd, dat een Lid-Staat op eenvormige wijze kan bepalen, welk gedeelte van de premie ° tot een maximum van 15 % ° aan de wijnbouwcooeperaties wordt toegekend.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

20 De kosten door de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

uitspraak doende op de door het Tribunal d' instance de Béziers bij vonnis van 27 september 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Anders dan artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1442/88 van de Raad van 24 mei 1988 inzake de toekenning van premies voor de definitieve stopzetting van de wijnbouw op wijnbouwareaal in de wijnoogstjaren 1988/1989 tot en met 1995/1996, impliceert lid 1 van dat artikel niet, dat een door de cooeperatie geleden schade wordt aangetoond alvorens de aan een van de leden van die cooeperatie betaalde rooipremie kan worden verlaagd.

2) Artikel 7, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1442/88 moet aldus worden uitgelegd, dat een Lid-Staat op eenvormige wijze kan bepalen, welk gedeelte van de premie ° tot een maximum van 15 % ° aan de wijnbouwcooeperaties wordt toegekend.