61991J0054

ARREST VAN HET HOF VAN 22 JUNI 1993. - BONDSREPUBLIEK DUITSLAND TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - EOGFL-GOEDKEURING VAN REKENINGEN - BEGROTINGSJAAR 1988. - ZAAK C-54/91.

Jurisprudentie 1993 bladzijde I-03399


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1. Handelingen van de instellingen ° Motivering ° Verplichting ° Draagwijdte ° Beschikking betreffende goedkeuring rekeningen in verband met door EOGFL gefinancierde uitgaven

(EEG-Verdrag, art. 190)

2. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Restituties bij uitvoer ° Toekenningsvoorwaarden ° Indiening van aangifte ten uitvoer voordat goederen douanegebied verlaten

(Richtlijn 81/177 van de Raad, art. 2, 3 en 5; verordening nr. 3665/87 van de Commissie, art. 3)

3. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Restituties bij uitvoer ° Toepassing van tarief geldend op dag van aanvaarding van aangifte ten uitvoer ° Keuze van datum van aanvaarding door exporteur ° Uitgesloten

(Richtlijn 81/177 van de Raad, art. 2, 3, 5, leden 1 en 3, en 6, lid 1)

4. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Granen ° Suiker ° Produktierestituties ° Invoering door Lid-Staten van controleprocedure ° Verplichting te voorzien in mogelijkheid van fysieke controles van goederen

(Verordeningen van de Commissie nr. 1729/78, art. 6, lid 1, en nr. 2169/86, art. 8, lid 2)

5. Handelingen van de instellingen ° Verordeningen ° Verordening die specifieke controlemaatregelen voorschrijft ° Ontbreken van beoordelingsbevoegdheid van Lid-Staten ° Niet-uitvoering ° Rechtvaardiging ° Grotere doeltreffendheid van ander controlesysteem ° Ontoelaatbaarheid

Samenvatting


1. De omvang van de in artikel 190 van het Verdrag neergelegde motiveringsplicht is afhankelijk van de aard van de betrokken handeling en van de context waarin deze tot stand is gekomen.

Een beschikking betreffende de goedkeuring van de rekeningen in verband met de door het EOGFL gefinancierde uitgaven, houdende weigering om een gedeelte van de gedeclareerde uitgaven ten laste van dit fonds te brengen, behoeft geen gedetailleerde motivering, nu de betrokken regering nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding van de beschikking en derhalve de reden kende waarom de Commissie van oordeel was, dat het betwiste bedrag niet ten laste van het EOGFL moest worden gebracht.

2. Blijkens artikel 3 van verordening nr. 3665/87 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten, en de artikelen 2, 3 en 5 van richtlijn 81/177 betreffende de harmonisatie van de procedures voor de uitvoer van communautaire goederen, kunnen de door de verschillende gemeenschappelijke ordeningen der markten voorziene uitvoerrestituties slechts worden toegekend, indien schriftelijk een aangifte ten uitvoer moet worden gedaan, met name opdat kan worden nagegaan dat de door de exporteur verstrekte vermeldingen overeenstemmen met de ten uitvoer aangeboden goederen, en indien die aangifte wordt overgelegd voordat de goederen het douanegebied verlaten.

3. Blijkens de artikelen 2, 3, 5, leden 1 en 3, en 6, lid 1, van richtlijn 81/177 betreffende de harmonisatie van de procedures voor de uitvoer, kan de voor de toekenning van uitvoerrestituties verlangde aangifte ten uitvoer weliswaar bij de aanbieding van de goederen bij het douanekantoor of zelfs daarvóór worden ingediend, maar moet de aanvaarding van de aangifte door de douanediensten plaatsvinden onmiddellijk nadat deze is onderzocht op vorm, inhoud en overeenstemming met de voor uitvoer bestemde goederen.

4. Ofschoon artikel 8 van verordening nr. 2169/86 houdende nadere voorschriften voor de controle op en de betaling van de produktierestituties in de sectoren granen en rijst, en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1729/78 houdende uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de restitutie bij de produktie voor suiker die in de chemische industrie wordt gebruikt, niet verlangen, dat in de administratieve procedure die de nationale autoriteiten volgen om de ondernemers de certificaten te verstrekken die recht geven op betaling van produktierestituties voor zetmeel en suiker, voortdurend fysieke controles worden uitgevoerd, moet deze procedure dergelijke controles wel mogelijk maken.

5. Wanneer een verordening specifieke controlemaatregelen vaststelt, dienen de Lid-Staten deze toe te passen. Zij kunnen het uitblijven van die maatregelen niet rechtvaardigen met het betoog, dat een ander controlesysteem doeltreffender is.

Partijen


In zaak C-54/91,

Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en door C.-D. Quassowski, Regierungsdirektor bij dit ministerie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Duitse ambassade, Avenue Émile Reuter 20-22,

verzoekster,

ondersteund door

Franse Republiek, vertegenwoordigd door E. Belliard, adjunct-directeur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en E. Chavance, hoofdattaché centrale administratie bij dit ministerie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard du Prince-Henri 9,

interveniënte,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Booss, juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende een beroep, strekkende tot nietigverklaring van beschikking C(90) 2337 def. van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 november 1990 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1988 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven, voor zover deze beschikking betrekking heeft op bepaalde uitgaven van de Bondsrepubliek Duitsland,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, president van de Vierde en de Zesde kamer, waarnemend voor de president, M. Zuleeg, J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse, M. Diez de Velasco en P. J. G. Kapteyn, rechters,

advocaat-generaal: G. Tesauro

griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 12 januari 1993,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 februari 1993,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 7 februari 1991, heeft de Bondsrepubliek Duitsland krachtens artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag verzocht om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 90/644/EEG van de Commissie van 30 november 1990 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1988 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB 1990, L 350, blz. 82).

2 In de bestreden beschikking geeft de Commissie te kennen, dat in het licht van de door haar diensten verrichte verificaties, een deel van de door de Bondsrepubliek Duitsland uit hoofde van voor het betrokken begrotingsjaar gedeclareerde kosten niet aan de voorwaarden van het gemeenschapsrecht voldeed en derhalve niet ten laste van het EOGFL, afdeling Garantie, kon worden gebracht. De redenen waarom de Commissie van oordeel was, dat bepaalde verrichtingen niet aan de voorschriften voldeden, werden kenbaar gemaakt bij de bilaterale contacten die aan het besluit tot goedkeuring van de rekeningen voorafgingen en zijn vervolgens samengevat in het syntheseverslag betreffende de uitkomsten van controles met het oog op de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie, over het begrotingsjaar 1988 (hierna: "syntheseverslag"), dat aan de Bondsrepubliek Duitsland is toegezonden.

3 Dit beroep strekt tot gedeeltelijke nietigverklaring van bovengenoemde beschikking, voor zover daarin is geweigerd, de bedragen die in de volgende punten van het syntheseverslag zijn vermeld, ten laste van het EOGFL te brengen:

a) uitvoerrestituties in de sectoren granen en suiker: 27 510 204 DM (punten 3.3.1.1, 3.3.1.2, 3.3.1.3, 3.3.1.6, 4.1.13.1, 4.1.13.2, 4.1.13.3, 4.1.13.5, 4.1.13.8 van het syntheseverslag);

b) gevallen van overmacht: 27 321,71 DM (punt 4.1.3.1 van het syntheseverslag);

c) ontbreken van uitvoercertificaten: 104 909,63 DM (punt 4.1.3.2 van het syntheseverslag);

d) uitvoer waarvan de aangifte pas bij de douanediensten is ingediend nadat de produkten het grondgebied van de Gemeenschap hadden verlaten: 18 037 338,54 DM (punt 4.1.3.3 van het syntheseverslag);

e) kwantitatieve verliezen: 584,43 DM (punt 4.1.3.4 van het syntheseverslag);

f) tijdstip van aanvaarding door de douanediensten van de aangifte ten uitvoer: 262 248 DM (punt 4.1.3.5 van het syntheseverslag);

g) stelsel van douanecontrole van produkten die zijn onderworpen aan het stelsel van voorfinanciering van de restitutie: 12 572 054,93 DM (punt 4.1.3.6 van het syntheseverslag);

h) restituties voor de produktie van zetmeel en suiker: 6 200 360,76 DM (punten 4.2.4.1 en 4.5.1.4 van het syntheseverslag).

4 Bij beschikking van 9 juli 1991 is de Franse Republiek toegestaan te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van verzoekster.

5 In de loop van de procedure heeft de Bondsrepubliek Duitsland verklaard, dat zij afstand deed van instantie met betrekking tot de volgende punten van het syntheseverslag: b, e, f ° enkel wat een bedrag van 10 445 DM van de bestreden verlaging van 262 248,64 DM betreft ° en g.

6 Aangaande punt a, inzake uitvoerrestituties in de sectoren suiker en granen (punten 3.3.1.1, 3.3.1.2, 3.3.1.3, 3.3.1.6, 4.1.13.1, 4.1.13.2, 4.1.13.3, 4.1.13.5, 4.1.13.8 van het syntheseverslag), waarop de Franse Republiek overigens haar opmerkingen heeft geconcentreerd, blijkt bovendien uit de tijdens de schriftelijke procedure uitgewisselde stukken, dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen. Het geschil inzake dit onderdeel van het beroep is derhalve opgelost.

7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

Ontbreken van uitvoercertificaten (punt 4.13.2 van het syntheseverslag)

8 De Bondsrepubliek Duitsland bestrijdt de in het syntheseverslag vervatte verklaring, dat voor de verkoop van interventiegranen voor uitvoer naar de Sovjet-Unie ten onrechte een tolerantiemarge was toegestaan. Dienaangaande heeft verzoekster aanvankelijk verklaard, dat zij hiervan niet op de hoogte was; zij verweet de Commissie, haar beschikking op dit punt onvoldoende te hebben gemotiveerd. Na de door de Commissie in haar verweerschrift gegeven uiteenzettingen heeft zij erkend, dat er een uitvoercertificaat was opgesteld dat ten onrechte in een tolerantiemarge voorzag; zij heeft daar echter aan toegevoegd, dat deze vergissing naderhand is gerectificeerd.

9 De Commissie betoogt om de beginnen, dat het betrokken feit verschillende malen ter kennis van de Duitse autoriteiten is gebracht. Vervolgens merkt zij op, dat zij er eerst door de bij de repliek gevoegde brief kennis van heeft gekregen, dat er uiteindelijk geen ontoelaatbare tolerantiemarge was toegestaan. Derhalve is zij van mening, dat dit argument niet in aanmerking mag worden genomen, omdat het te laat is aangevoerd.

10 Ter beoordeling van het middel inzake onvoldoende motivering, moet er aan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak (zie met name arrest van 25 februari 1988, zaak C-327/85, Nederland/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 1065, r.o. 13) de omvang van de in artikel 190 EEG-Verdrag neergelegde motiveringsplicht afhangt van de aard van de betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgelegd.

11 In deze zaak staat vast, dat de Duitse regering nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding van de bestreden beschikking en derhalve wist, waarom de Commissie het litigieuze bedrag niet ten laste van het EOGFL meende te moeten brengen. Uit het dossier blijkt, dat de bezwaren van de Commissie tegen de betrokken verrichting verschillende malen ter kennis van de Duitse autoriteiten zijn gebracht. Inzonderheid heeft de Commissie in een brief van 23 mei 1990 opgemerkt, dat zij de op certificaat nr. 231 95 065 vermelde tolerantie van 1 500 000 kg ongerechtvaardigd achtte.

12 In die omstandigheden, en in de bijzondere context van de voorbereiding van de beschikkingen inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, moet de motivering van de bestreden beschikking toereikend worden geacht.

13 Wat de bewijsstukken betreft die in de loop van de procedure door de Bondsrepubliek Duitsland zijn overgelegd ter rechtvaardiging van de bestreden verrichting, moet er allereerst aan worden herinnerd, dat artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1723/72 van de Commissie van 26 juli 1972 inzake de goedkeuring van de rekeningen betreffende het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie (PB 1972, L 186, blz. 1), in de versie van verordening (EEG) nr. 422/86 (PB 1986, L 48, blz. 31), bepaalt, dat de Commissie een uiterste datum kan vaststellen voor de toezending van aanvullende inlichtingen die aan de Lid-Staten worden gevraagd. Bij gebreke van toezending van deze inlichtingen binnen de gestelde termijn, geeft de Commissie haar beschikking op grond van de gegevens waarover zij op de vastgestelde uiterste datum beschikt, behoudens indien de te late toezending van de inlichtingen door uitzonderlijke omstandigheden is gerechtvaardigd. Wat de bevoegdheid van de Commissie om een uiterste datum vast te stellen betreft, verwijst de eerste overweging van de considerans van verordening nr. 422/86, reeds aangehaald, naar de noodzaak van een snel onderzoek van de rekeningen, met de precisering, dat de Commissie de vooruitgang van de werkzaamheden tot goedkeuring van de rekeningen in aanmerking moet nemen.

14 In casu staat vast, dat de referentiedatum vermeld in artikel 1, lid 3, van verordening nr. 1723/72, reeds aangehaald, door de Commissie is vastgesteld op 30 juni 1990. Daar de Duitse regering geen uitzonderlijke omstandigheden heeft aangevoerd, volgt daaruit, dat de aanvullende inlichtingen die na deze datum zijn overgelegd, te laat zijn toegezonden.

15 Het middel dat betrekking heeft op dit punt van de bestreden beschikking, moet mitsdien worden verworpen.

Exporten waarvoor de aangifte pas bij de douanediensten is ingediend nadat de produkten het grondgebied van de Gemeenschap reeds hadden verlaten (punt 4.1.3.3 van het syntheseverslag)

16 De Bondsrepubliek Duitsland bestrijdt de verklaringen van de Commissie, dat uitvoerrestituties zijn toegekend in gevallen waarin de aangiften ten uitvoer pas bij de bevoegde douanediensten waren ingediend nadat de produkten reeds het douanegebied van de Gemeenschap hadden verlaten, en dat het derhalve onmogelijk is geweest om de exporten te controleren. Verzoekster stelt dienaangaande, dat de Duitse douanediensten op de hoogte waren gesteld en dat toen de controle-exemplaren met een geringe vertraging werden ingediend, de interventiegranen of de granen in entrepot reeds aan douanecontroles waren onderworpen.

17 De Commissie betoogt daarentegen dat, gelet op de communautaire regeling, elke aangifte ten uitvoer schriftelijk moet worden gedaan, met name opdat kan worden nagegaan of de door de exporteur verstrekte gegevens overeenstemmen met de ten uitvoer aangeboden goederen. Volgens de Commissie staat het vast, dat in casu de betrokken aangiften noch schriftelijk noch voordat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten, zijn overgelegd.

18 Wat de door de Commissie bestreden aangiften ten uitvoer betreft, met name die welke op 30 maart 1988 zijn aanvaard, blijkt uit het rapport van het hoofdkantoor van de douane te Oldenburg van 4 mei 1990 (bijlage bij hoofdstuk IV van de memorie van verweer van de Commissie), waarvan de bewoordingen door de Bondsrepubliek Duitsland niet zijn bestreden, dat de vijf exemplaren die melding maken van de litigieuze controle, pas de dag na het vertrek van het schip zijn opgesteld, terwijl de betrokken goederen aan geen enkele controle waren onderworpen. Bovendien wordt er in dit rapport eenvoudig van uitgegaan, dat de verlangde aangifte vóór de aanvang van het laden is opgesteld.

19 Tevens blijkt uit bovenvermeld rapport, dat wat de aangiften ten uitvoer van 25 januari 1988 betreft, het betrokken schip de haven op 2 januari 1988 heeft verlaten, terwijl het controle-exemplaar pas op 25 januari daaraanvolgend is ingeschreven en afgegeven. Bovendien blijkt, dat de met de uitklaring belaste ambtenaar de uitgevoerde goederen niet heeft geïnspecteerd en dat het hoofdkantoor van de douane enkel heeft aangenomen, dat tijdig een mondelinge of telefonische aangifte van de goederen was gedaan met het oog op de vervulling van de douaneformaliteiten. Ten slotte blijkt uit het rapport, dat een partij rogge en een deel van een partij tarwe niet zijn overgeladen om te worden gewogen, maar dat niettemin een weegbrief is opgesteld door een lid van het hulppersoneel van de douane.

20 Gelet op bovenvermelde feiten moet eraan worden herinnerd, dat artikel 2 van richtlijn 81/177/EEG van de Raad van 24 februari 1981 betreffende de harmonisatie van de procedures voor de uitvoer van communautaire goederen (PB 1981, L 83, blz. 40), het volgende bepaalt: "Om (...) goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap te kunnen uitvoeren, moet bij een douanekantoor (...) een uitvoeraangifte (...) worden ingediend." Ingevolge artikel 3 van deze richtlijn moet de aangifte "schriftelijk worden gedaan door middel van een formulier dat overeenkomt met het officiële model dat door de bevoegde autoriteiten is vastgesteld". Artikel 5 van deze richtlijn bepaalt, dat "de uit te voeren goederen moeten worden aangeboden bij een douanekantoor in de Gemeenschap", maar dit laatste "kan (...) toestaan dat de aangifte wordt ingediend voordat de aangever in staat is de goederen aan te bieden".

21 Volgens artikel 3 van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (PB 1987, L 351, blz. 1), moeten op het document dat wordt gebruikt "alle nodige gegevens voor de berekening van de restitutie worden vermeld". Krachtens lid 6 van dit artikel worden op het tijdstip van de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer de goederen onder douanecontrole geplaatst tot zij het douanegebied van de Gemeenschap verlaten.

22 Uit de hiervoor aangehaalde bepalingen blijkt dat, zoals de Commissie verklaart, schriftelijk een aangifte ten uitvoer moet worden gedaan, met name om te verifiëren of de door de exporteur verstrekte vermeldingen overeenstemmen met de ten uitvoer aangeboden goederen. Eveneens blijkt uit deze bepalingen, dat de aangifte wel vóór de aanbieding van de goederen kan worden overgelegd, maar niet nadat de goederen het douanegebied hebben verlaten.

23 Dit is niet gebeurd in de onderhavige zaak, waarin eenvoudig is verondersteld, zonder dat dit was bewezen, dat de douaneautoriteiten van de betrokken verrichting in kennis waren gesteld voordat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap verlieten.

24 Wat het door verzoekster naar voren gebrachte argument betreft, dat controle niet noodzakelijk was voor zover de granen afkomstig waren uit interventievoorraden, kan worden volstaan met vast te stellen, dat het gemeenschapsrecht geen bepaling bevat die afwijkt van de bewoordingen van bovenvermelde regeling.

25 Uit het voorgaande blijkt, dat het middel dat betrekking heeft op dit punt van de litigieuze beschikking, moet worden verworpen.

Datum van aanvaarding door de douanediensten van de aangifte ten uitvoer (punt 4.1.3.5 van het syntheseverslag)

26 Volgens de Bondsrepubliek Duitsland biedt het gemeenschapsrecht geen steun voor de kritiek van de Commissie op het feit, dat de Duitse douaneadministratie de keuze van de datum van aanvaarding van de aangifte, en daarmee de restitutie bij uitvoer, overlaat aan de ondernemers.

27 Volgens verzoekster preciseert de communautaire regeling niet de dag die in dit verband in aanmerking moet worden genomen. Dat kan aan het begin, tijdens of aan het einde van het laden van het schip zijn, mits tijdens deze periode te allen tijde alle documenten, evenals alle betrokken goederen kunnen worden overgelegd.

28 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat richtlijn 81/177, reeds aangehaald, de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer aan twee voorwaarden onderwerpt. In de eerste plaats moet het douanekantoor beschikken over een aangifte ten uitvoer met alle documenten en bijbehorende stukken (artikelen 2 en 3). Ten tweede moeten de goederen bij het douanekantoor worden aangeboden (artikel 5, lid 1). Bovendien preciseert artikel 5, lid 3, van deze richtlijn, dat de aanwezigheid van de uit te voeren goederen in een douanekantoor of op een andere daarvoor door de bevoegde autoriteiten aangewezen plaats, in de vereiste vorm aan deze autoriteiten moet worden medegedeeld. Ten slotte bepaalt artikel 6, lid 1, van deze richtlijn, dat aangiften die aan de gestelde voorwaarden voldoen, onmiddellijk door de douane worden aanvaard, volgens de in iedere Lid-Staat vastgestelde vorm.

29 Blijkens bovenstaande bepalingen, in onderlinge samenhang gelezen, kan de aangifte ten uitvoer weliswaar bij de aanbieding van de goederen of zelfs daarvóór worden ingediend, maar moet de aanvaarding van de aangifte plaatsvinden onmiddellijk nadat deze is onderzocht op vorm, inhoud en overeenstemming met de voor uitvoer bestemde goederen.

30 Derhalve kunnen de ondernemers het tijdstip van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer niet zelf bepalen, daar deze onverwijld nadat bovenvermelde verificatie is verricht, moet plaatsvinden.

31 Het middel betreffende dit punt van de bestreden beschikking moet mitsdien worden verworpen.

Restituties voor de produktie van zetmeel en suiker (punten 4.2.4.1 en 4.5.1.4 van het syntheseverslag)

32 De Bondsrepubliek Duitsland bestrijdt allereerst de stelling van de Commissie, dat de door de Duitse autoriteiten gevolgde procedure, volgens welke de ondernemingen hun aanvragen voor het verkrijgen van een restitutiecertificaat voor zetmeel en suiker eerst na de verwerking van deze produkten kunnen indienen en de nodige garanties pas na de verwerking kunnen worden overgelegd, een fysieke controle van de goederen onmogelijk maakt en in strijd is met verordening (EEG) nr. 2169/86 van de Commissie van 10 juli 1986 houdende nadere voorschriften voor de controle op en de betaling van de produktierestituties in de sectoren granen en rijst (PB 1986, L 189, blz. 12), alsmede verordening (EEG) nr. 1729/78 van de Commissie van 24 juli 1978 houdende uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de restitutie bij de produktie voor suiker die in de chemische industrie wordt gebruikt (PB 1978, L 201, blz. 26).

33 Verzoekster legt deze verordeningen aldus uit, dat zij geen bepaalde fysieke controle van de goederen opleggen en dat iedere Lid-Staat kan bepalen, hoe de controles moeten worden uitgevoerd. De Duitse regering heeft gekozen voor de procedure van inschrijving bij de douane, die een vorm van administratief toezicht is.

34 De fysieke controles, die door de Commissie uitsluitend noodzakelijk worden geacht voor de produktierestituties, kunnen volgens de Bondsrepubliek Duitsland de continuïteit en de regelmaat van de produktie belemmeren door de verwerkende industrie van suiker en zetmeel in de Gemeenschap ertoe te brengen, steeds vaker terug te vallen op de overeenkomstige industrie van derde landen, waar de controles minder strikt zijn.

35 De Commissie stelt daarentegen, dat deze bepalingen weliswaar niet verlangen, dat fysieke controles voortdurend worden uitgevoerd, daar nochtans uit blijkt, dat een procedure zodanig moet zijn geregeld, dat deze controle mogelijk blijft.

36 Wat het vereiste van fysieke controles op de goederen betreft, moet worden opgemerkt, dat ingevolge artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2169/86, reeds aangehaald, en artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1729/78, reeds aangehaald, de fabrikant in het kader van een controleprocedure bepaalde gegevens moet mededelen om recht te hebben op de produktierestitutie. Artikel 8, lid 2, van verordening nr. 2169/86, reeds aangehaald, bepaalt met betrekking tot deze controleprocedure het volgende: "De bevoegde autoriteit stelt vervolgens vast dat het zetmeel is gebruikt voor de vervaardiging van de goedgekeurde produkten overeenkomstig de in het certificaat vermelde gegevens. Dit zal gewoonlijk geschieden aan de hand van administratieve controles die, indien nodig geoordeeld, dienen te worden aangevuld met fysieke controles." Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1729/78 bepaalt het volgende: "De Lid-Staten wijzen de instanties aan die bevoegd zijn om de controle op de verwerking van de basisprodukten uit te voeren."

37 Bijgevolg verlangen deze bepalingen weliswaar niet, dat in de betrokken administratieve procedure voortdurend fysieke controles worden uitgevoerd, maar deze procedure moet dergelijke controles wel mogelijk maken. De bestreden Duitse administratieve procedure maakt de uitvoering van eventuele fysieke controles op de goederen evenwel onmogelijk.

38 Aangaande ten slotte het argument van verzoekster betreffende de doelmatigheid van het in de betrokken communautaire regeling voorziene controlesysteem, behoeft er slechts aan te worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak (zie met name arresten van 14 januari 1981, zaak 819/79, Duitsland/Commissie, Jurispr. 1981, blz. 21, r.o. 21, en 21 februari 1991, zaak C-28/89, Duitsland/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-581, r.o. 9) de Lid-Staten de bij verordening vastgestelde specifieke controlemaatregelen dienen toe te passen zonder dat behoeft te worden onderzocht of zij terecht stellen, dat een ander controlesysteem doeltreffender is.

39 Derhalve moet het middel inzake dit punt van de beschikking worden verworpen.

40 Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat het beroep moet worden verworpen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

41 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.

42 Aangaande de kosten die betrekking hebben op het onderdeel van het verzoekschrift betreffende de uitvoerrestituties in de sectoren granen en suiker, waarover niet behoeft te worden beslist, aangezien partijen in zoverre tot overeenstemming zijn gekomen, verzoekt de Bondsrepubliek Duitsland, dat deze ten laste van de Commissie worden gebracht, op grond dat de restituties ab initio correct zijn uitgevoerd. De Commissie verzet zich tegen dit verzoek door te stellen, dat verzoekster haar twijfel over de regelmatigheid van de toekenning van de betrokken restituties eerst uit de weg heeft geruimd op basis van de haar toegestane aanvullende controle, en niet toen beschikking 90/644 werd gegeven.

43 Dienaangaande moet erop worden gewezen, dat de Commissie zich volgens beschikking 90/644, reeds aangehaald, het recht voorbehoudt om haar weigering om bepaalde uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen, te onderzoeken, indien de betrokken Lid-Staat overgaat tot een aanvullende controle van de betrokken uitgaven en bewijsstukken overlegt waardoor de twijfels over de gegrondheid van de opgegeven restituties kunnen worden weggenomen. Zo de Commissie bij beschikking 91/583/EEG van 31 oktober 1991, tot wijziging van beschikking 90/644 (PB 1991, L 314, blz. 47), de betrokken bedragen ten laste van het EOGFL heeft gebracht, heeft zij dat derhalve gedaan op basis van nieuwe beoordelingselementen, die haar bekend zijn geworden in het kader van een haar toegestane aanvullende controle.

44 In deze omstandigheden moet de vordering van verzoekster worden afgewezen. Derhalve zal de Bondsrepubliek Duitsland krachtens artikel 69, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering eveneens deze kosten dragen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende:

1) Verwerpt het beroep.

2) Verwijst de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten.

3) Verstaat dat de Franse Republiek, interveniënte, haar eigen kosten zal dragen.