Conclusie van advocaat-generaal Lenz van 10 november 1993. - HENRI DE COMPTE TEGEN EUROPEES PARLEMENT. - HOGERE VOORZIENING - AMBTENAAR - TUCHTREGELING - SANCTIE VAN TERUGZETTING IN RANG. - ZAAK C-326/91 P.
Jurisprudentie 1994 bladzijde I-02091
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A ° Inleiding
1. In de onderhavige zaak heeft het Hof zich uit te spreken over een door de voormalig ambtenaar H. de Compte (verzoeker in eerste aanleg, hierna: requirant) ingestelde hogere voorziening tegen een op 17 oktober 1991 door het Gerecht in eerste aanleg gewezen arrest (zaak T-26/89).(1)
2. Tot zijn overplaatsing op 30 april 1982 was requirant als rekenplichtige in dienst van het Parlement (verweerder in eerste aanleg en in hogere voorziening, hierna: verweerder). In september 1982 werd voor de eerste maal de tuchtraad ingeschakeld wegens onregelmatigheden die requirant in het kader van zijn bevoegdheid over de kas voor de afgevaardigden zou hebben begaan. Wegens een vormfout werd deze procedure evenwel gestaakt. Na een nieuwe procedure besloot verweerder requirant in maart 1984 tuchtrechtelijk te ontslaan, welke maatregel op 24 mei 1984 naar aanleiding van een door requirant ingediende klacht werd omgezet in een mildere sanctie, te weten terugzetting naar de rang A 7, salaristrap 6. Bij arrest van 20 juni 1985(2) verklaarde het Hof deze maatregel nietig, omdat getuigen waren verhoord in afwezigheid van de beschuldigde ambtenaar of diens raadsman. Bij brief van 9 december 1986 stelde verweerder requirant in kennis van het voornemen de tuchtprocedure tegen hem te heropenen, en nadat requirant opnieuw was gehoord (artikel 87, tweede alinea, Ambtenarenstatuut) en op 24 juni 1987 de tuchtprocedure formeel was heropend, heeft verweerder bij besluit van 18 januari 1988 requirant bij wege van tuchtmaatregel teruggezet van rang A 3, salaristrap 8, naar rang A 7, salaristrap 6.
3. Dit besluit berustte op een reeks aan requirant verweten onregelmatigheden bij het beheer van een bankrekening voor de kas voor de afgevaardigden. De feitelijke toedracht rond het beheer van die bankrekening staat tussen partijen op veel punten vast. Deze punten zijn te vinden in de rechtsoverwegingen 39 tot en met 54 van het bestreden arrest, waarnaar ik verwijs.
4. Aan requirant wordt in het bijzonder verweten:
° opening op 21 juli 1981 van een rentedragende zichtrekening bij de Midland Bank te Londen en plaatsing op deze rekening van 400 000 UKL tegen een rente van 16 % per jaar, zonder voorafgaande toestemming, zonder registratie van deze verrichtingen in de boekhouding en zonder inschrijving van de rente in de boeken van het Parlement in 1980 en 1981;
° inning, op 4 september 1981 en 11 november 1981, zonder duidelijke en geldige motivering, van twee cheques getrokken op de Midland Bank ten bedrage van 17 189,15 UKL respectievelijk 35 176,98 UKL, die door de bank Sogenal (Société générale alsacienne de banque) te Luxemburg als volgt in contanten werden uitgekeerd: 2 700 000 BFR, 30 000 DM en 100 000 FF; niet-inschrijving van deze verrichtingen in de boeken van het Parlement in het begrotingsjaar 1981; inschrijving in de boekhouding van de kas voor de afgevaardigden met zes maanden vertraging (28 februari 1982) van een totaal bedrag van 4 136 125 BFR, dat echter in verschillende valuta was uitgekeerd;
° niet-nakoming van de verplichting van de rekenplichtige om slechts uitgaven te verrichten na overlegging van deugdelijke bewijsstukken en te waken over het behoud van de middelen van het Parlement. Het ontbreken van bewijsstukken heeft betrekking op een verschil tussen de werkelijke inhoud van de kas voor de afgevaardigden en de algemene boekhouding voor een bedrag van 4 100 000 BFR, dat is gebleken na de boeking van het bedrag van 4 136 125 BFR wegens de inning van de twee cheques getrokken op de Midland Bank.
5. Het door requirant tegen dit besluit ingestelde beroep, gebaseerd op zowel "formele" als "materiële" middelen, werd door het Gerecht bij het bestreden arrest verworpen. In de onderhavige hogere voorziening brengt requirant twaalf van de oorspronkelijk aangevoerde middelen opnieuw naar voren en stelt dat het Gerecht, door die middelen te verwerpen, het gemeenschapsrecht heeft geschonden.
6. Op de feiten, de voorgeschiedenis en de relevante rechtsbepalingen zal ik, voor zover nodig, in de hiernavolgende analyse ingaan. Voor het overige verwijs ik naar het rapport van de rechter-rapporteur. De afzonderlijke in hogere voorziening aangevoerde middelen zal ik behandelen in de volgorde die partijen blijkens het bestreden arrest in hun processtukken hebben gekozen.
B ° Analyse
Verjaringstermijn
7. Voor het Gerecht had requirant aangevoerd, dat de tuchtprocedure was ingeleid na het verstrijken van de verjaringstermijn van artikel 72 van het Financieel Reglement, waarin is bepaald dat "iedere Instelling (...) binnen twee jaar na de overlegging van de jaarrekening (beslist) over de kwijting welke aan de rekenplichtigen wordt gegeven voor de door hen verrichte daden van beheer ten aanzien van deze rekening".
8. Na afloop van deze termijn, aldus requirant, wordt de kwijting geacht stilzwijgend te zijn verleend, hetgeen betekent dat de rekenplichtige van zijn aansprakelijkheid voor de formele regelmatigheid van de rekeningen is bevrijd. Een tuchtprocedure waarin enkel formele bezwaren worden aangevoerd, moet, wil de zaak niet verjaren, eveneens binnen een termijn van twee jaar worden ingeleid (te rekenen vanaf 31 mei van het jaar volgend op het betrokken begrotingsjaar). In casu werd de tuchtprocedure pas ingeleid op 24 juni 1987, wat ten opzichte van zowel het begrotingsjaar 1981 (waarvoor de termijn op 31 mei 1984 verstreek) als het begrotingsjaar 1982 (waarvoor de termijn op 31 mei 1985 verstreek) te laat was. Requirant stelt, dat de op 24 juni 1987 ingeleide procedure geenszins kan worden beschouwd als de heropening van een vroegere tuchtprocedure.
9. Het Gerecht overwoog in de eerste plaats, dat in de relevante bepalingen van het Ambtenarenstatuut (artikelen 86 tot en met 89 en bijlage IX) geen verjaringstermijn is vastgelegd voor de inleiding van een tuchtprocedure. Om te beantwoorden aan zijn doel, de bevordering van de rechtszekerheid, moet een verjaringstermijn vooraf zijn vastgesteld.(3)
10. In de tweede plaats herinnerde het Gerecht aan het beginsel, dat de tuchtprocedure los staat van andere administratieve procedures. In dit verband verwees het naar de beschikking van 3 juli 1984 van de president van de Derde kamer van het Hof(4), waarin onderscheid werd gemaakt tussen de tuchtprocedure en de in artikel 72 van het Financieel Reglement voorziene verlening van kwijting. In de beweerde stilzwijgende kwijting na ommekomst van een termijn van twee jaar zag het Gerecht daarom geen beletsel voor de inleiding van een tuchtprocedure tegen requirant.
11. Ten slotte overwoog het Gerecht, dat ook wanneer de stelling van requirant zou worden aanvaard, het middel inzake verjaring ongegrond was. De tuchtprocedure werd namelijk ingeleid vóór 31 mei 1984, preciezer gezegd op 13 april 1983, op welke datum de voorzitter van het Parlement het rapport met de tegen requirant ingebrachte grieven aan de tuchtraad voorlegde. Deze procedure leidde tot het besluit van 24 mei 1984, dat later door het Hof werd nietigverklaard. De heropening van de tuchtprocedure op 24 juni 1987 op grond van hetzelfde rapport is volgens het Gerecht niet te beschouwen als een opnieuw aanhangig maken van de zaak bij de bevoegde instanties, maar als een hervatting van de procedure vanaf het stadium van de door het Hof geconstateerde vormfout.
12. Voor het Hof vecht requirant alle drie hierboven weergegeven overwegingen aan. Laat ik eerst ingaan op de bezwaren van requirant tegen de eerste twee overwegingen, betreffende de verhouding tussen de tuchtprocedure en de in artikel 72 van het Financieel Reglement bedoelde kwijtingsprocedure.
13. Requirant herhaalt de in eerste aanleg reeds naar voren gebrachte argumenten en noemt het standpunt van het Gerecht op dit punt principieel onjuist. Voor de vraag of er een verjaringstermijn geldt voor het inleiden van een tuchtprocedure, moet ook op de strekking van andere bepalingen dan die van het Ambtenarenstatuut worden gelet, met name de voor de betrokken materie geldende bepalingen.
14. Mijns inziens kunnen deze argumenten requirant niet baten. Juist is in de eerste plaats het uitgangspunt van het Gerecht, dat het Statuut geen precieze termijn voor het inleiden van een tuchtprocedure kent. Dat de opstellers van het Statuut een dergelijke termijn niet hebben willen vastleggen, kan ook worden afgeleid uit het feit, dat in artikel 7 van de bijlage wel bepaalde termijnen(5) zijn gesteld ten behoeve van een spoedige voortgang van een eenmaal begonnen procedure, maar voor een termijn voor het inleiden zelf geen aanwijzing is te vinden.
15. Wat nu de in artikel 72 van het Financieel Reglement bepaalde termijn betreft: deze heeft blijkens de ondubbelzinnige bewoordingen van dat artikel slechts betrekking op de kwijting. Die termijn tevens aan te merken als termijn voor de inleiding van een tuchtprocedure is mijns inziens kennelijk onjuist. In de eerste plaats is het denkbaar, dat door manipulaties van de rekenplichtige of van derden eventuele onregelmatigheden nog onontdekt blijven in het kader van de kwijting en eerst (veel) later aan het licht komen. Het tijdstip waarop een tuchtprocedure wordt ingeleid, is met andere woorden afhankelijk van de omstandigheden van het geval en kan niet aan een vaste termijn worden gebonden. Opvallend in dit verband is, dat requirant het door hem gestelde bestaan van een termijn uitsluitend relateert aan het geval, dat "enkel formele grieven worden aangevoerd".(6) Of er een precieze en strikte verjaringstermijn geldt, moet evenwel aan objectieve criteria worden getoetst; het antwoord kan niet afhangen van de toevallige omstandigheden van een concreet geval.
16. Mèt het Gerecht kan men derhalve vaststellen, dat de kwijtingsprocedure en de tuchtprocedure verschillende oogmerken dienen:
"De tuchtprocedure heeft (...) tot doel, de interne orde binnen het ambtenarenapparaat te handhaven. De in artikel 72 van het Financieel Reglement voorziene verlening van kwijting beoogt daarentegen de juistheid en de regelmatigheid van de rekeningen, en meer algemeen de rekening en verantwoording en het nazien der rekeningen te controleren, zodat een einde wordt gemaakt aan de onzekerheid over de verantwoordelijkheid van de betrokken rekenplichtige voor een bepaald begrotingsjaar."(7)
17. Met dit onderscheid hangt samen, dat de respectieve bevoegdheden binnen de instelling niet behoeven samen te vallen: voor de kwijting is ingevolge artikel 72 de instelling zelf bevoegd, voor het inleiden van een tuchtprocedure de in artikel 2 Ambtenarenstatuut bedoelde autoriteit. Ook hangt daarmee samen, dat bedoelde bepaling tot stand is gekomen op de voet van artikel 209 EEG-Verdrag (thans EG-Verdrag) en de daarmee overeenkomstige bepalingen van de andere Verdragen, volgens een procedure die op wezenlijke punten verschilt van die die artikel 24 van het Fusieverdrag(8) voorschrijft voor de vaststelling van de bepalingen van het Ambtenarenstatuut.
18. Uit dit alles volgt, dat de inleiding van een tuchtprocedure niet aan dezelfde tijdsbeperkingen als de kwijting gebonden hoeft te zijn, zelfs niet wanneer alleen kwesties rond de formele regelmatigheid van de rekeningen in geding zijn. De rechtszekerheid die met het besluit tot kwijting overeenkomstig artikel 72 wordt gediend, rechtvaardigt de in dit artikel gestelde termijn. Daarentegen kan het voor de interne orde binnen het ambtenarenapparaat wenselijk zijn, de tuchtprocedure pas in te leiden wanneer het besluit van artikel 72 is vastgesteld en er zodoende duidelijkheid bestaat over de verantwoordelijkheden. Deze aanpak hoeft voor de ambtenaar niet alleen nadelig (in de zin van langer voortdurende onzekerheid) te zijn, maar kan ook voordelig (in de zin van het uitblijven van de tuchtprocedure) zijn, wanneer de kwijting in volle omvang wordt verleend.
19. Uit dit alles volgt, dat een tuchtrechtelijk besluit niet onwettig is wegens het enkele feit, dat de procedure niet binnen de termijn van artikel 72 van het Financieel Reglement is ingeleid.
20. Requirant meent voorts, dat het Gerecht uit het feit, dat beide procedures los van elkaar staan, ten onrechte heeft afgeleid, dat de vermeende stilzwijgende kwijting na ommekomst van twee jaren geen beletsel is voor het instellen van een tuchtprocedure tegen requirant. De kwijting heeft op zijn minst tot effect, dat de rekenplichtige wordt bevrijd van zijn verantwoordelijkheid voor de regelmatigheid van de rekeningen.
21. Deze redenering kan geen stand houden. Voor zover requirant hiermee enkel zijn bewering ° in een andere vorm ° wil herhalen, dat de tuchtprocedure binnen de termijn van artikel 72 van het Financieel Reglement behoort te worden ingeleid, moet dit argument op dezelfde gronden worden verworpen.
22. Requirant kan natuurlijk ook hebben bedoeld, dat hij, nu bij de beslissing over de kwijting zelf de termijn van artikel 72 niet werd gerespecteerd, stilzwijgend is gekweten en daarom ook tuchtrechtelijk niet meer kan worden aangesproken. Ook dit argument moet worden verworpen. In de eerste plaats strookt het niet met het hier besproken middel, volgens hetwelk de tuchtprocedure pas na afloop van de vermeende verjaringstermijn werd ingeleid. In de tweede plaats is de beslissing over de kwijting op zich en de omvang daarvan voor het begrotingsjaar 1981 op zijn laatst genomen bij het besluit van 10 april 1984(9) en dus binnen de termijn van artikel 72. De ° niet te ontkennen ° termijnoverschrijding voor het begrotingsjaar 1982(10) had in geen geval tot gevolg, dat requirant moest worden geacht te zijn gekweten. Aan een dergelijke termijnoverschrijding het effect van kwijting toe te schrijven, is mijns inziens juridisch niet houdbaar. Het Financieel Reglement voorziet namelijk niet in een dergelijk gevolg. Zonder een daartoe strekkende bepaling mag het intreden van het bedoelde effect niet worden aangenomen. Dat zou namelijk een ernstige ingreep zijn in het prerogatief van de instelling om de regelmatigheid van de werkzaamheden van de rekenplichtige actief te controleren en aldus een juist beheer van de gemeenschapsmiddelen te garanderen. De onderhavige zaak laat bovendien zien, dat juist in geval van mogelijke onregelmatigheden het besluit over de kwijting buitengewoon veel tijd in beslag kan nemen. Een stilzwijgende kwijting zoals door requirant bepleit zou er dus toe kunnen leiden, dat (fictief) kwijting wordt verleend in uitgerekend die gevallen, waarin er bijzondere aanleiding zou kunnen bestaan om kwijting te onthouden.
23. Dit argument van requirant dient dus eveneens worden verworpen.
24. Ten slotte falen ook de bezwaren van requirant tegen de vaststelling van het Gerecht, dat de tuchtprocedure die tot de bestreden besluit heeft geleid, op 13 april 1983 is ingeleid. Requirant voert in dit verband aan, dat hij na het arrest van het Hof van 20 juni 1985 opnieuw is gehoord overeenkomstig artikel 87, tweede alinea. De tuchtprocedure is daarom, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, niet hervat vanaf het stadium van de door het Hof geconstateerde vormfout, maar vanaf het beginstadium. Er was dus sprake van een nieuwe procedure.
25. Dit argument kan niet worden aanvaard. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt, dat de nietigverklaring van een tuchtmaatregel de procedure in de regel terugdraait naar de stand waarin zij zich bevond toen de procedurefout zich voordeed.(11) Het tot aanstelling bevoegde gezag kan de procedure vervolgens vanaf dat punt voortzetten tot aan het definitieve besluit.
26. Theoretisch valt weliswaar niet uit te sluiten, dat het tot aanstelling bevoegde gezag in een concreet geval in het nietigverklaringsarrest aanleiding ziet om de oorspronkelijke procedure niet voort te zetten, maar deze te staken en een nieuwe procedure te beginnen.(12) Welke van beide wegen het tot aanstelling bevoegde gezag in een concreet geval heeft gekozen, hangt af van de beoordeling van de feiten, of preciezer gezegd, van hoe het zich na de nietigverklaring heeft opgesteld. In het onderhavige geval heeft het Gerecht als beslissende omstandigheid aangemerkt, dat het tot aanstelling bevoegde gezag de tuchtraad (die de in het arrest van 20 juni 1985 vastgestelde procedurefout had gemaakt) heeft ingeschakeld op grond van hetzelfde rapport als reeds op 13 april 1983.
27. Dat betekent dat requirant met het hier besproken argument een feitelijk oordeel van het Gerecht bestrijdt, zonder de juridische criteria aan te vechten waarop het Gerecht tot dit oordeel is gekomen, of anderszins verkeerde toepassing of schending van het recht te stellen. Op een dergelijk argument kan een tegen een arrest van het Gerecht ingestelde hogere voorziening, die tot rechtsvragen is beperkt(13), evenwel niet worden gebaseerd.(14)
28. De kritiek van requirant op de vaststellingen omtrent het tijdstip waarop de tuchtprocedure werd ingeleid, faalt derhalve eveneens.
29. Het middel betreffende verjaring moet derhalve in ieder geval worden verworpen.
De verlening van kwijting voor het begrotingsjaar 1981
30. In zijn verzoekschrift had requirant aangevoerd, dat hem bij besluit van 10 april 1984(15) kwijting was verleend voor het begrotingsjaar 1981. In de considerans van dit besluit overweegt het Parlement,
"dat in de context van de kwijting voor 1982 alle elementen, waaronder de correspondentie van 6 juni 1983, in aanmerking zullen worden genomen".(16)
Volgens het dispositief van dit besluit "verleent het Parlement de rekenplichtige van de instelling kwijting voor het begrotingsjaar 1981".
31. Naar de opvatting van requirant maakt alleen al dit besluit de tuchtprocedure, waarin alleen bezwaren in verband met de formele regelmatigheid van de rekeningen aan de orde zijn, niet-ontvankelijk en nietig.
32. In zijn verzoekschrift noemde requirant het bovendien van geen enkel belang, dat de kwijting voor het begrotingsjaar 1982 hem slechts was verleend met een voorbehoud ten aanzien van wat de eigenlijke kern van deze zaak is, namelijk de kwestie van de vier miljoen BFR.(17) Ter zake betoogde hij primair, dat die laatste kwestie was opgelost door de bevrijdende werking van de kwijting voor 1981, subsidiair, dat hem kwijting was verleend voor het begrotingsjaar 1982, en meer subsidiair, dat bij zijn overplaatsing op 30 april 1982 en zijn vervanging door een nieuwe rekenplichtige, geen rekening en verantwoording was afgelegd, zodat het tot aanstelling bevoegde gezag het zich onmogelijk heeft gemaakt om voor het begrotingsjaar 1982 vast te stellen, wat tot zijn verantwoordelijkheid en wat tot die van zijn opvolger behoorde.(18)
33. In repliek ging requirant bovendien nader in op de besluiten van het Parlement van 18 mei 1983(19) en van 11 juli 1986.(20) Het eerste besluit had betrekking op het begrotingsjaar 1981 en behelsde de kwijting van de voorzitter alsmede de mededeling, dat "aan de rekenplichtige (...) nog geen kwijting kan worden verleend, aangezien de commissie voor begrotingscontrole nog enige werkzaamheden moet verrichten". Het besluit van 11 juli 1986 had betrekking op het begrotingsjaar 1982. Hierbij verleende het Parlement zijn voorzitter kwijting voor het begrotingsjaar 1982 en machtigde hem, "zijn rekenplichtigen kwijting te verlenen, met uitzondering van de somma van 91 263 ECU en de desbetreffende kwesties, zoals uiteengezet in de brief van de president van de Rekenkamer van 7 november 1985 en het daarbijgevoegde advies van de Rekenkamer".(21) Volgens requirant
houdt de kwijting van de voorzitter (het besluit van 18 mei 1983 voor het begrotingsjaar 1981 en dat van 11 juli 1986 voor het begrotingsjaar 1982) tevens kwijting in van de rekenplichtige;
kon geen gedeeltelijke kwijting worden verleend (het besluit van 10 april 1984 voor het jaar 1981 alsmede dat van 11 juli 1986 voor het begrotingsjaar 1982);
kon de draagwijdte van een kwijtingsbesluit niet door een overweging in de considerans van dat besluit worden beperkt (besluit van 10 april 1984 voor het jaar 1981).
34. Het Gerecht(22) overwoog in de eerste plaats, dat de tuchtprocedure los staat van de procedure voor de verlening van kwijting. Zelfs al zouden de besluiten van 18 mei 1983 en 10 april 1984 een uitdrukkelijke of stilzwijgende kwijting hebben ingehouden voor het begrotingsjaar 1981, dan was dat geen beletsel voor een tuchtprocedure tegen requirant, te meer niet daar deze procedure op 13 april 1983(23), dus nog vóór de genoemde besluiten, werd ingeleid. Vervolgens heeft het Gerecht beide besluiten aan een nader onderzoek onderworpen. De opvatting van requirant, als zou de kwijting van de voorzitter bij besluit van 18 mei 1983 automatisch kwijting van de rekenplichtige hebben betekend, wees het Gerecht op grond van de bewoordingen van dat besluit af.(24) Met betrekking tot het besluit van 10 april 1984 verklaarde het Gerecht, dat ter bepaling van de draagwijdte ervan rekening moest worden gehouden met de considerans ervan.(25) Daarin behield het Parlement zich het recht voor om in het kader van de kwijting voor 1982 nader op de nog controversiële punten terug te komen. Ten slotte, zo overwoog het Gerecht, was niet 1981, maar 1982 het relevante begrotingsjaar, aangezien er in 1981 met betrekking tot het bedrag van 4 136 125 BFR(26) geen boeking van betaling of invordering heeft plaatsgevonden, zodat bij de controle aan het eind van dat begrotingsjaar een overschot of tekort niet kon worden vastgesteld. Voor het begrotingsjaar 1982 evenwel werd de machtiging aan de voorzitter om zijn rekenplichtige kwijting te verlenen, van een uitdrukkelijk voorbehoud voorzien.(27)
35. De kritiek van requirant op deze overwegingen van het Gerecht laat zich in drie punten splitsen. In de eerste plaats herhaalt hij zijn argument, dat het kwijtingsbesluit gevolgen heeft voor de tuchtprocedure(28) en betoogt hij, dat de onderhavige procedure niet op 13 april 1983, maar op 9 december 1986(29) werd ingeleid. In de tweede plaats stelt hij, dat het Gerecht niet is ingegaan op zijn argumenten inzake de kwijting van de voorzitter, de onmogelijkheid van een gedeeltelijke kwijting en op zijn standpunt, dat de draagwijdte van een kwijting alleen wordt bepaald door het dispositief van het besluit. In de derde plaats is het Gerecht voorbijgegaan aan zijn argument, dat het tot aanstelling bevoegde gezag, wegens de ontbrekende rekening en verantwoording per 30 april 1982, het zichzelf onmogelijk heeft gemaakt om voor het begrotingsjaar 1982 zijn verantwoordelijkheid van die van zijn opvolger te scheiden. De verwerping van het desbetreffende middel door het Gerecht levert derhalve schending van het recht op, omdat het Gerecht geen, althans onjuiste gronden heeft aangevoerd.
36. Hiertegen kan worden ingebracht, dat het Gerecht in de rechtsoverwegingen 80 en 81 van het bestreden arrest op grond van de bewoordingen van de besluiten van 18 mei 1983, 10 april 1984 en 11 juli 1986 tot de conclusie kwam, dat requirant noch voor 1981 noch voor 1982 kwijting was verleend. Concreet stelde het vast, dat aan de kwijting van requirant voor 1981 het voorbehoud was verbonden, dat de in de tuchtprocedure geuite beschuldigingen bij de kwijting voor het begrotingsjaar 1982 in aanmerking zouden worden genomen. Eenzelfde voorbehoud kon het Gerecht voor het begrotingsjaar 1982 constateren, en wel met betrekking tot de machtiging aan de voorzitter tot kwijting van de rekenplichtigen.
37. Deze overwegingen waren voldoende geweest om het hier besproken middel te verwerpen. In het hiernavolgende wil ik laten zien, dat zij ook kunnen standhouden tegen de middelen in hogere voorziening van requirant, zodat de verwerping van het middel in eerste aanleg in ieder geval niet kan worden aangevochten.
38. Anders dan requirant stelt, heeft het Gerecht voldaan aan zijn motiveringsplicht.(30) Het heeft namelijk genoegzaam op de in het verzoekschrift aangevoerde argumenten geantwoord.
39. In de eerste plaats betreft de in het verzoekschrift opgeworpen vraag, of requirant voor de jaren 1981 en 1982 kwijting is verleend, als zodanig slechts de uitlegging van de betrokken besluiten. De argumenten in het verzoekschrift gaven daarentegen geen aanleiding om na te gaan, of die besluiten in de daaraan gegeven vorm hadden mogen worden vastgesteld. Het Gerecht behoefde met name niet te onderzoeken, of de kwijting gedeeltelijk kon worden verleend en of de rekenplichtige kwijting mocht worden onthouden voor perioden en bedragen waarvoor de voorzitter wel kwijting had gekregen. De bij repliek aangevoerde middelen, waarin deze vragen aan de orde werden gesteld, kon het Gerecht derhalve ingevolge artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, destijds van overeenkomstige toepassing, passeren. Had requirant in deze materie, waarvan de moeilijke en ingewikkelde juridische problematiek, de schaarse regelgeving(31) en een tot op heden nog niet door de rechtspraak verkende praktijk van de instellingen de kenmerkende elementen zijn, deze of andere rechtsvragen aan de orde willen stellen, dan had hij deze reeds in zijn verzoekschrift precies moeten aangeven.
40. Ook met betrekking tot het in het verzoekschrift aangevoerde argument inzake de ontbrekende rekening en verantwoording per 30 april 1982(32) kan ik geen motiveringsgebrek zien. Dit argument geldt in werkelijkheid namelijk niet de kwijting van requirant (voor het jaar 1982), maar de vraag, of de vergrijpen waarvan hij is beschuldigd, zijn bewezen. Requirant heeft nooit beweerd, dat dit achterwege blijven van rekening en verantwoording dezelfde werking zou hebben als een kwijting (wat juridisch ook op zijn minst zeer te betwijfelen zou zijn geweest). De vraag van het bewijs van zijn verantwoordelijkheid (eventueel zonder de zijns inziens vereiste rekening en verantwoording) heeft requirant evenwel in een afzonderlijk middel aan de orde gesteld, dat het Gerecht diepgaand heeft onderzocht.(33) Het Gerecht heeft derhalve in dit verband terecht alleen die argumenten in aanmerking genomen, waarmee requirant een uitdrukkelijke kwijting voor de begrotingsjaren 1981 en 1982 bepleitte.(34)
41. In het verzoekschrift werd wel al de vraag gesteld, of voor de draagwijdte van het besluit van 10 april 1984 rekening moest worden gehouden met de considerans ervan. Dit punt heeft het Gerecht evenwel besproken, zij het bij gebreke van nadere argumenten zijdens requirant slechts kort, in rechtsoverweging 80 van het bestreden arrest.
42. Nu de overwegingen van het Gerecht wat de motiveringsplicht betreft de toets der kritiek kunnen doorstaan, zal ik nu kort ingaan op de materiële middelen van requirant. Tegen de hier besproken overwegingen van het Gerecht herhaalt requirant enkel de bij repliek in eerste aanleg naar voren gebrachte argumenten (afgezien van het reeds behandelde argument inzake de achterwege gebleven rekening en verantwoording per 30 april 1982). Waar deze middelen door het Gerecht buiten beschouwing moesten worden gelaten als zijnde nieuwe, niet reeds in het verzoekschrift aangevoerde middelen(35), kunnen ze ingevolge de artikelen 113, lid 2, en 116, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof in hogere voorziening evenmin gehoor vinden.(36) Rest alleen nog het argument van requirant, dat de draagwijdte van de (bij besluit van 10 april 1984) verleende kwijting alleen door het dispositief van het besluit wordt bepaald.
43. Voor de goede orde wijs ik erop, dat dit argument welbeschouwd niet is gericht tegen de uitlegging die het Gerecht als feitenrechter aan de tekst van het voornoemde besluit heeft gegeven. Requirant beroept zich daarentegen op een rechtsregel, volgens welke voor die uitlegging alleen het dispositief zou mogen worden gebruikt.
44. Deze rechtsregel heeft hij evenwel niet nader toegelicht. In het geschreven gemeenschapsrecht is een dergelijke regel ook niet te vinden. De aard van een kwijtingsbesluit brengt weliswaar met zich, dat de draagwijdte duidelijk en ondubbelzinnig uit het besluit moet blijken, waarbij er zeker ook op mag worden gelet, of de relevante passage in het dispositief of in de considerans van het besluit voorkomt. Er zijn evenwel geen aanwijzingen, dat het Gerecht het vereiste van duidelijkheid heeft miskend door bij de uitlegging van het litigieuze besluit van 10 april 1984 mede te letten op de considerans ervan.
45. Op grond van al deze overwegingen moet het onderhavige middel worden verworpen.
Het beginsel van de redelijke termijn
46. I. Naar aanleiding van de klachten van requirant, dat de tuchtprocedure met een onredelijke vertraging was ingeleid en/of voortgezet, heeft het Gerecht de verschillende fasen van de procedure aan een onderzoek onderworpen. Eerst heeft het "de tijd die verzoeker heeft benut om zich voor het Hof te verdedigen" van zijn berekening uitgezonderd.(37) Op grond hiervan kwam het tot de conclusie, dat de vraag van de redelijke termijn in twee opzichten kon spelen: eerst voor de periode van acht maanden gedurende welke de zaak aan de eerste tuchtraad was voorgelegd (van 2 juni 1983 tot 10 februari 1984), en vervolgens voor de achttien maanden die waren verstreken tussen de nietigverklaring door het Hof en de verzending van de brief van de voorzitter van het Parlement waarbij verzoeker overeenkomstig artikel 87, tweede alinea, Ambtenarenstatuut werd uitgenodigd zijn opmerkingen te maken (van 20 juni 1985 tot 9 december 1986).(38)
47. II. 1. Requirant betoogt in de eerste plaats, dat de tuchtprocedure, die in ieder geval betrekking heeft op gebeurtenissen van vóór zijn overplaatsing op 30 april 1982, pas op 24 juni 1987, dus meer dan vijf jaar na die gebeurtenissen, werd ingeleid. Elke redelijke termijn is daarmee dus verre overschreden.
48. Ik kan op dit punt volstaan met te verwijzen naar hetgeen ik bij het eerste middel heb opgemerkt, namelijk dat de tuchtprocedure blijkens de bevindingen van het Gerecht, welke requirant juridisch niet heeft kunnen aantasten, op 13 april 1983 is begonnen. Dit argument moet dus worden verworpen.
49. 2. Het tweede argument van requirant betreft het feit, dat het Gerecht "de tijd die verzoeker heeft benut om zich voor het Hof te verdedigen" van zijn berekening heeft uitgezonderd.
50. Het Gerecht heeft kennelijk het oog gehad op de tijd tussen de definitieve versie van het tuchtrechtelijke besluit van 24 mei 1984 en het arrest van 20 juni 1985, waarbij dat besluit door het Hof nietig werd verklaard. Requirant nu is van mening, dat het Gerecht dit tijdvak niet van zijn berekening kon uitsluiten zonder inbreuk te maken op zijn recht van verweer. Om dit beginsel niet te miskennen had het in ieder geval in aanmerking moeten nemen, dat dat beroep gegrond was bevonden. In zijn overwegingen stelt het Gerecht in zekere zin requirant ervoor verantwoordelijk, dat de zaak is vertraagd door een procedure die nodig was geworden door een aan verweerder te wijten omstandigheid. Voorts is de redenering van het Gerecht tegenstrijdig, daar het enerzijds de vraag, of het door requirant ingestelde beroep al dan niet gerechtvaardigd was, buiten beschouwing heeft gelaten, en anderzijds wel de omstandigheden in aanmerking heeft genomen, die aan de kant van het tot aanstelling bevoegde gezag een rechtvaardiging konden bieden voor het tijdsverloop tussen het arrest van 20 juni 1985 en de mededeling van 9 december 1986.(39)
51. Dit betoog werpt de vraag op, of het Gerecht met het oog op een eventuele nietigverklaring van de aangevochten tuchtmaatregel wegens overschrijding van een redelijke termijn, rekening had moeten houden met de tijd die de gerechtelijke procedure in zaak 141/84 in beslag nam.
52. Mijns inziens is dat niet het geval. Blijkens artikel 7 van bijlage IX bij het Ambtenarenstatuut hebben de voor de tuchtprocedure geldende termijnen betrekking op het tijdsverloop tussen de verschillende stappen van de procedure en niet op de gehele tijdsduur van de procedure. Dat hangt samen met het feit, dat ieder van die stappen zijn eigen betekenis heeft. In overeenstemming hiermee achtte het Gerecht de met de tuchtprocedure belaste autoriteiten verplicht, zodanig te werk te gaan, dat elk onderdeel van de tuchtprocedure binnen een redelijke termijn op de vorige handeling volgt.(40) Wanneer nu in geval van een vormfout de procedure als gevolg van een arrest van de gemeenschapsrechter wordt teruggedraaid naar de stand waarin deze zich bevond voordat de fout zich voordeed, dan moet noodzakelijkerwijs ook de termijn voor het betrokken onderdeel van de procedure opnieuw beginnen te lopen.(41)
53. Voor het overige zoekt requirant steun bij de opvatting van het Gerecht, dat niet-naleving van een redelijke termijn "niet enkel tot aansprakelijkheid van de instelling (kan) leiden, maar tevens de nietigheid van het te laat genomen besluit (kan) meebrengen".(42) Deze opvatting is bij mijn weten tot dusver nog niet door het Hof bevestigd. Het Hof heeft integendeel steeds benadrukt, dat niet-inachtneming van de in artikel 7 van bijlage IX bij het Ambtenarenstatuut bedoelde termijnen niet de nietigheid meebrengt van daarna verrichte handelingen, doch (slechts) kan leiden tot aansprakelijkheid van de instelling voor eventuele schade van de betrokkenen.(43) Ik hoef hier niet dieper in te gaan op de algemene stelling van het Gerecht. Wel ben ik van mening, dat in ieder geval de periode waarin de zaak voor de rechter dient, waarom het hier gaat, niet mag worden meegerekend bij de berekening van een termijn voor een eventuele nietigverklaring. Anders zou een eventuele procedurefout niet alleen tot nietigheid leiden van het desbetreffende besluit, maar ook van een later, na de nietigverklaring genomen besluit waaraan die fout nu echter juist niet kleeft.
54. Dat alles laat onverlet, dat een inbreuk op procedurevoorschriften, zoals bij voorbeeld op het beginsel van het recht van verweer, een dienstfout kan zijn die onder de daarvoor geldende voorwaarden de aansprakelijkheid van de instelling kan meebrengen. Met de nadelen die kunnen voortvloeien uit de vertraging die de tuchtprocedure door de inschakeling van de gemeenschapsrechter oploopt, wordt zo naar behoren rekening gehouden.
55. Op grond van een en ander moet dit argument van requirant worden verworpen.
56. 3. Het derde argument van requirant heeft betrekking op de door het Gerecht nader onderzochte perioden van 2 juni 1983 tot 10 februari 1984 (waarin de werkzaamheden van de eerste tuchtraad plaatsvonden) en van 20 juni 1985 tot 9 december 1986 (tussen het arrest van het Hof in zaak 141/84 en de mededeling aan requirant van het voornemen tot heropening van de tuchtprocedure).
57. a) Ten aanzien van de eerste periode klaagt requirant, dat het Gerecht een verkeerde aanvangsdatum heeft gekozen. Het had moeten teruggaan tot 30 september 1982, de datum waarop de zaak aan de eerste tuchtraad werd voorgelegd.
58. Dit standpunt kan niet worden gevolgd. De op 30 september 1982 ingeleide procedure werd namelijk op 14 januari 1983 door het tot aanstelling bevoegde gezag zelf ingetrokken. Het Gerecht heeft dus terecht de binnen de nieuwe procedure gelegen perioden onderzocht. Dat de intrekking plaatsvond wegens een procedurefout betekent niet, zoals requirant lijkt te menen, dat beide afzonderlijke procedures als één enkele procedure moeten worden beschouwd. Was dit anders, dan zou de bestreden maatregel nietig verklaard kunnen worden op grond van de oorspronkelijke procedurefout, wat het tot aanstelling bevoegde gezag nu juist heeft willen voorkomen toen het de aanvankelijke procedure staakte en de nieuwe begon.
59. Voorts stel ik vast, dat de bewuste periode betrekking heeft op de termijn van artikel 7, eerste alinea, van bijlage IX bij het Ambtenarenstatuut, zodat het Gerecht de dies a quo terecht heeft bepaald op 2 juni 1983, de dag waarop de (eerste) tuchtraad zijn werkzaamheden in het kader van de nieuwe procedure begon.
60. b) Requirant is voorts van mening, dat het Gerecht ten onrechte 9 december 1986 heeft aangemerkt als de einddatum van de tweede periode. Het Gerecht zou daarmee namelijk in strijd komen met de keuze die het voor de aanvangsdatum van de eerste periode heeft gemaakt. Als aanvangsdatum van de eerste periode neemt het Gerecht de eerste bijeenkomst van de tuchtraad, terwijl het als einddatum van de tweede periode de dag neemt, waarop requirant op de hoogte werd gesteld van het voornemen van de voorzitter om de procedure te heropenen, in plaats van de dag waarop de tweede tuchtraad met de zaak werd belast (24 juni 1987) of die van de eerste vergadering van die tuchtraad (9 juli 1987).
61. Ook deze redenering kan mij niet overtuigen. Zoals gezegd, betreft de eerste periode de werkzaamheden van de eerste tuchtraad, zodat deze moest worden getoetst aan de termijn van artikel 7, eerste alinea, van bijlage IX bij het Ambtenarenstatuut. Voor de tweede periode is in dit artikel geen termijn voorgeschreven. Het Gerecht heeft het wegens op de in rechtsoverweging 88 van zijn arrest geformuleerde regel kennelijk nodig geoordeeld om niet met toetsing aan de termijnbepalingen van dat artikel te volstaan, maar ook nog na te gaan, of het tot aanstelling bevoegde gezag na de nietigverklaring van de oorspronkelijke tuchtmaatregel door het Hof de procedure snel genoeg heeft hervat. In dit licht bezien valt tegen de keuze van de einddatum van de tweede periode weinig in te brengen.
62. 4. Met het laatste argument dat hij in dit verband naar voren brengt, komt requirant terug op het betoog bij repliek in eerste aanleg, dat verweerder de overschrijding van een redelijke termijn zou hebben toegegeven. In het aangevochten tuchtrechtelijke besluit zou verweerder namelijk de aanbevelingen van de tuchtraad hebben opgevolgd, die als verzachtende omstandigheid zou hebben aangemerkt, dat een buitengewoon lange termijn was verstreken tussen de mededeling van de grieven door het tot aanstelling bevoegde gezag en het afsluiten van de tuchtprocedure. Nu het bestreden arrest op dat punt niet is ingegaan, is er sprake van een motiveringsgebrek.
63. Deze klacht is mijns inziens niet houdbaar. Het Gerecht heeft namelijk onderzocht of de maatregel moest worden nietigverklaard en daarbij getoetst, of voor elk van de stappen binnen de litigieuze procedure die tot die maatregel hebben geleid, een redelijke termijn in acht was genomen. Daarentegen hebben de tuchtraad en het tot aanstelling bevoegde gezag met het oog op de keuze van de sanctie bezien, welke termijn in totaal was verstreken tussen de "mededeling van de grieven door het tot aanstelling bevoegde gezag"(44) en de afsluiting van de tuchtprocedure.
64. Uit het arrest wordt genoegzaam duidelijk, dat het Gerecht een andere vraag heeft willen onderzoeken dan de tuchtrechtelijke instanties en daarbij ook een ander criterium heeft willen toepassen.
65. III. Uit een en ander vloeit voort, dat dit middel moet worden verworpen.
De goedkeuring van het verslag nadat het met redenen omkleed advies was uitgebracht
66. Requirant had in eerste aanleg aangevoerd, dat het met redenen omkleed advies van de tuchtraad van 27 november 1987 een vormgebrek vertoonde, daar het verslag van de vergadering van 26 november 1987 was gedateerd op 30 november 1987, dus nadat het met redenen omkleed advies was uitgebracht. Het Gerecht wees dat argument af, waarbij het in aanmerking nam, in de eerste plaats de genotuleerde vergadering (26 november 's morgens), de daarop volgende vergadering met gesloten deuren (de middag van diezelfde dag en vrijdag 27 november 1987), alsmede het feit dat het verslag van deze vergadering op maandag 30 november was goedgekeurd en aan requirant betekend (r.o. 113 van het bestreden arrest).
67. Vervolgens overwoog het Gerecht (r.o. 114 van het bestreden arrest):
"Onder die omstandigheden moet worden vastgesteld, dat de grief volgens welke het met redenen omkleed advies een vormgebrek vertoont op grond dat het zittingsverslag na afsluiting van de procedure voor de tuchtraad is goedgekeurd, ongegrond is. De wettigheid van het met redenen omkleed advies kan immers niet worden betwist op de enkele grond dat het verslag van de vergadering van 26 november 1987 op een latere datum is goedgekeurd. Hoewel artikel 9, eerste alinea, van de bijlage bepaalt, dat 'de secretaris (...) van de zittingen van de tuchtraad een verslag (opstelt)' , verlangt het geenszins, dat de verslagen onmiddellijk na de vergadering van dit college worden ondertekend."
68. Requirant verwijt het Gerecht nu, niet te zijn ingegaan op zijn grief, dat het verslag pas is ondertekend op een moment waarop de tuchtraad de zaak niet meer in behandeling had: toen het met redenen omkleed advies eenmaal was uitgebracht, was de taak van de tuchtraad ten einde. Het arrest lijdt in dit opzicht daarom aan een motiveringsgebrek.
69. Dit argument moet zonder meer van de hand worden gewezen. Ten eerste blijkt bij nalezing van het dossier in eerste aanleg, dat requirant met dit argument uitsluitend het feit op het oog had, dat hij vóór het uitbrengen van het advies geen opmerkingen over het verslag heeft kunnen maken (hetgeen erop neerkwam, dat hem een verweersmogelijkheid was onthouden).(45) In antwoord op dit aldus geformuleerde argument heeft het Gerecht de in het dossier aanwezige stukken op hun strekking bekeken. Voorts heeft het Gerecht in de rechtsoverwegingen 129 en 130 van het bestreden arrest uitdrukkelijk uiteengezet, dat het recht van verweer niet was geschonden. Requirant heeft het antwoord van het Gerecht op zijn argument zoals hij dat in dit verband in feite had aangevoerd, niet bestreden en evenmin heeft hij het middel inzake schending van het recht van verweer, waarop in de rechtsoverwegingen 129 en 130 van het bestreden arrest werd ingegaan, in hogere voorziening herhaald: hij heeft het integendeel juist uitdrukkelijk laten vallen.(46) Dat de tuchtraad na het met redenen omkleed advies formeel niet meer in staat zou zijn een verslag goed te keuren, heeft requirant in eerste aanleg niet gesteld. Requirant kan zich er dus ook niet over beklagen, dat het Gerecht dit punt niet heeft behandeld.
70. Beziet men in de tweede plaats de redenering van het Gerecht in haar geheel, dan blijkt dat het de werkwijze van de tuchtraad alleen dan als onregelmatig zou hebben aangemerkt, wanneer requirant in zijn recht van verweer was beperkt.
71. De in dit middel vervatte motiveringsklacht blijkt dus hoe dan ook ongegrond.
Niet-mededeling van bepaalde stukken(47)
72. Dit middel heeft het Gerecht vanuit twee gezichtspunten behandeld. Het eerste betrof de produktie van niet nader genoemde stukken. Het Gerecht bevestigde, dat betrokkene recht heeft op kennisneming van alle voor het tuchtrechtelijk besluit relevante omstandigheden, maar niet het recht op inzage van het volledige dossier. Naar het Gerecht evenwel vaststelde, hebben het tot aanstelling bevoegde gezag en de voorzitter van de tuchtraad toegang verleend tot het volledige dossier en toegestaan, dat overlegging van stukken zou worden gevraagd naarmate het onderzoek van het dossier door de tuchtraad vorderde. Uiteindelijk kwam het Gerecht tot het oordeel, "dat verzoeker niet het bewijs heeft geleverd van de gegrondheid van zijn stelling, dat de administratie zonder enige rechtvaardiging heeft geweigerd hem bepaalde stukken mee te delen".(48) Deze conclusie wordt door requirant in hogere voorziening niet bestreden.
73. Het tweede gezichtspunt betrof de toegang van requirant tot de boekhouding van verweerder. Op dat punt overweegt het Gerecht (r.o. 125):
"In repliek heeft verzoeker nog gesteld, dat het probleem van de identificatie van de gevraagde stukken zich niet zou hebben voorgedaan, indien men hem niet de vrije toegang tot de boekhouding vanaf de datum van zijn overplaatsing, op 30 april 1982, had geweigerd. Zo dit argument moet worden beschouwd als een nieuw middel, moet het, zoals verweerder terecht heeft gesteld, krachtens artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor zover het moet worden beschouwd als een aanvulling op een middel dat reeds direct of indirect in het verzoekschrift was aangevoerd, volstaat de vaststelling dat, blijkens de stukken van het dossier, de administratie verzoeker aanvankelijk wel degelijk toegang tot haar archieven heeft verleend (zie punt 66 van het eerste met redenen omkleed advies van de tuchtraad van 10 februari 1984), zonder dat behoeft te worden onderzocht of de administratie gehouden is, ambtenaren tegen wie een tuchtprocedure is ingeleid vrije toegang tot haar archieven te verlenen."
74. Requirant herhaalt thans de argumenten uit zijn repliek in eerste aanleg. Het antwoord van het Gerecht op zijn argumenten noemt hij "juridisch onbevredigend". Gelet op de bijzondere omstandigheid, dat het ontbrekende bedrag niet een specifieke uitgave betreft, maar een globaal bedrag, kan de mededelingsplicht niet in de gebruikelijke zin worden opgevat, maar moet deze noodzakelijkerwijs ook vrije toegang tot de boekhouding inhouden. Om de afwijzing van deze grief behoorlijk te motiveren had het Gerecht moeten duidelijk maken, waarom in dit geval de toegang, in de door requirant bedoelde zin, niet noodzakelijk was, of waarom het van mening was, dat die toegang was verleend (wat overigens niet het geval was geweest).
75. Mijns inziens kan dit argument niet slagen en moet het daarom worden verworpen. Het valt niet eens uit te maken, op welk punt precies de redenering van het Gerecht volgens requirant onjuist is. In hogere voorziening kan hij overigens door het Gerecht als tardief afgewezen middelen niet meer aanvoeren en evenmin kan hij de op de stukken van het dossier gebaseerde feitelijke vaststelling van het Gerecht aanvechten, "dat de administratie verzoeker aanvankelijk wel degelijk toegang tot haar archieven heeft verleend".
De tegenboeking van 4 136 125 BFR op 25 augustus 1982
76. Dit middel heeft betrekking op de produktie van het origineel van bedoelde tegenboeking. Voor het Gerecht had requirant gesteld, dat hij tot vlak voor het einde van de laatste tuchtprocedure enkel beschikte over een niet door de rekenplichtige ondertekend stuk. Het origineel, dat hij pas enkele dagen voor het afsluiten van deze tuchtprocedure ontving, vertoonde in een aantal opzichten verschillen met dat eerste stuk. De tegenboeking is volgens requirant een "kapitaal stuk", daar vanaf het moment waarop een dergelijke boeking is verricht, "ervan wordt uitgegaan dat er een verlies is".
77. Het Parlement had daartegen ingebracht, dat requirant op 30 maart 1982 zelf had gevraagd om een verlies van ongeveer hetzelfde bedrag te regulariseren. Voor het overige hield het document niet meer in dan dat een verlies werd vastgesteld en in de boekhouding geregistreerd, en is het irrelevant voor de vraag, hoe dat verlies is ontstaan. Het Parlement vroeg zich af, hoe het verschil in lettertype van beide documenten van belang kon zijn voor de oplossing van het onderhavige geschil.
78. Dienaangaande overwoog het Gerecht (r.o. 143 van het bestreden arrest):
"Gelet op de verklaringen van partijen is het Gerecht van oordeel, dat verzoeker niet heeft aangetoond hoe de mededeling van het originele document van de tegenboeking van 25 augustus 1982, kort voor de beëindiging van de tuchtprocedure, de rechten van de verdediging zodanig heeft geschonden dat de regelmatigheid van de procedure erdoor is aangetast. Voorts moet worden vastgesteld, dat voornoemd document op 19 november 1987 ter beschikking is gesteld van verzoeker en dat deze derhalve de mogelijkheid heeft gehad eventuele opmerkingen te maken in het definitieve verweerschrift dat hij op 24 november 1987 aan de tuchtraad heeft gericht. Onder die omstandigheden kan het Gerecht niet vaststellen, dat de rechten van de verdediging van verzoeker op enigerlei wijze zijn geschonden door te late mededeling van het origineel van het betrokken document."
79. Requirant herhaalt thans zijn in eerste aanleg aangevoerde argument en stelt, dat het Gerecht in beginsel wel een schending van zijn recht van verweer heeft vastgesteld, maar niet heeft verklaard waarom die schending niet "zodanig" was, dat de regelmatigheid van de procedure erdoor werd aangetast. Hij onderstreept daarbij het belang, dat volgens hem aan de tegenboeking moet worden gehecht.(49) In tegenspraak met deze vaststelling overwoog het Gerecht anderzijds, dat requirant na het stuk op 19 november 1987 te hebben ontvangen, in de gelegenheid was geweest eventuele opmerkingen hieromtrent te maken in zijn op 24 november 1987 bij de tuchtraad ingediende definitieve verweerschrift. De tussen beide data liggende periode van vijf dagen was volgens requirant evenwel voor een dergelijk ingewikkelde aangelegenheid te kort. Het "op het laatste moment" ter hand gestelde document kon niet "grondig worden geanalyseerd".
80. De grief van requirant komt erop neer, dat het Gerecht de verwerping van deze grief onvoldoende heeft gemotiveerd.
81. Vooraf merk ik op, dat deze door requirant in eerste aanleg aangevoerde argumenten twee punten betroffen. Ten eerste, het precieze belang van requirant bij overlegging van het originele stuk; ten tweede de vraag of, in het licht van het antwoord op het eerste punt, een periode van vijf dagen genoeg was om hem in staat te stellen tot behoorlijk verweer.
82. Wat dan in de eerste plaats het belang van requirant bij overlegging van het originele stuk betreft, valt uit zijn betoog op te maken, dat het hem niet zozeer ging om het tijdstip waarop hij van de boeking zelf kennis nam, als wel om het onderzoek van het originele document en vergelijking daarvan met het stuk in zijn bezit. Daarop wijst ook het gestelde in de repliek in eerste aanleg, dat in het verzoekschrift in hogere voorziening wordt geciteerd en waarin mogelijke oorzaken voor de verschillen tussen beide stukken worden genoemd.
83. Hieruit volgt, dat de door requirant verlangde verificatiemogelijkheid voor zijn recht van verweer alleen van belang kon zijn geweest, wanneer de tegen hem ingebrachte beschuldigingen waren gebaseerd geweest op de uiterlijke vorm van het document of op eventuele verschillen met andere documenten. Dat is echter duidelijk niet het geval. Het cruciale punt van geschil tussen requirant en het tot aanstelling bevoegde gezag zijn de oorzaken van het verschil tussen het kassaldo en het bedrag zoals dat uit de aangetroffen boekhoudingsstukken is gebleken.(50) Hoe kan anders worden verklaard, dat requirant vrije toegang tot de boekhouding van verweerder verlangde om de door hem gestelde oorzaken van dit raadsel aan te tonen?(51)
84. Requirant heeft echter niet bestreden, dat het tekort door verweerder is vastgesteld, en evenmin dat de litigieuze tegenboeking daarna heeft plaatsgevonden.
85. Onder die omstandigheden is het Gerecht "gelet op de verklaringen van partijen" tot het oordeel gekomen, "dat verzoeker niet heeft aangetoond hoe de mededeling van het originele document van de tegenboeking van 25 augustus 1982, kort voor de beëindiging van de tuchtprocedure, de rechten van de verdediging zodanig heeft geschonden dat de regelmatigheid van de procedure erdoor is aangetast".
86. Naar mijn mening heeft het Gerecht zich hier voorzichtiger uitgedrukt dan nodig was, waardoor zijn motivering wellicht enigszins aan overtuigingskracht heeft ingeboet. Een motiveringsgebrek kan ik daarin echter niet zien.
87. Wat de termijn van vijf dagen betreft, hier kan het Gerecht, gelet op de uiteengezette achtergrond, al helemaal geen motiveringsgebrek worden verweten. Als overlegging van het litigieuze stuk strikt genomen niet eens nodig was, dan kan ook een krappe termijn geen inbreuk op het recht van verweer opleveren. Dat het Gerecht "voorts" zijn oordeel mede heeft doen steunen op de overweging, dat het document op 19 november 1987 ter beschikking is gesteld van requirant, is geen gebrek, maar getuigt juist van een prijzenswaardige zorgvuldigheid.
88. Op grond van een en ander moet dit middel van requirant worden verworpen.
De opening van een rentedragende rekening bij de Midland Bank
89. I. Het Gerecht liet aan zijn overwegingen op dit punt de volgende opmerking vooraf gaan(52):
"Verzoeker verduidelijkt vooraf, dat deze grief betrekking heeft op de overweging in het besluit, volgens welke 'de beslissing van de heer De Compte om de in gemeen akkoord tussen het Parlement en de Midland Bank vastgestelde bankcondities te wijzigen, terwijl zulks hem niet was gevraagd en hij daarbij zijn bevoegdheid overschreed, een inbreuk vormt op de verplichtingen van de rekenplichtige (...)' "
90. Zonder te ontkennen dat de beheerder van gelden ter goede rekening Offermann en diens medewerkster in strijd met de bepalingen van het Financieel Reglement(53) en de destijds geldende uitvoeringsvoorschriften daarvan(54) de rekening hadden geopend en een bedrag van 400 000 UKL hadden gestort, en dat hij van deze feiten op de hoogte was, had requirant in eerste aanleg hoofdzakelijk gesteld, dat alleen de beheerder van gelden ter goede rekening verantwoordelijk was. Om die reden achtte hij de tegen hem getroffen maatregel onwettig, daar tegen de beheerder van gelden ter goede rekening geen tuchtmaatregel was getroffen. Ten slotte vocht requirant de bewering van het Parlement in diens verweerschrift aan, als zou hij de rekening hebben verzwegen voor de instanties van het Parlement. Op deze drie punten gaat hij in hogere voorziening door. Ik zal ze na elkaar bespreken.
91. Over de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen requirant als rekenplichtige en de beheerder van gelden ter goede rekening overwoog het Gerecht, "dat de respectieve bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de rekenplichtige en van de beheerder van gelden ter goede rekening met betrekking tot het beheer van een voorschotregeling, met name zijn omschreven in de artikelen 17, derde alinea, 20, 49, 63 en 70 van het Financieel Reglement, alsmede in de ten tijde van de litigieuze feiten van kracht zijnde artikelen 46 tot en met 54 van de uitvoeringsvoorschriften".(55) Na beschouwing van deze bepalingen komt het Gerecht dan tot de volgende conclusie (r.o. 168 van het bestreden arrest):
"Uit deze verdeling van verantwoordelijkheden tussen de rekenplichtige en de beheerder van gelden ter goede rekening blijkt, dat laatstgenoemde als eerste verantwoordelijk is voor het beheer van de voorschotregeling en dat hij slechts van zijn verantwoordelijkheid kan worden ontslagen indien hij van de rekenplichtige tegenstrijdige aanwijzingen heeft gekregen. Daarentegen is de rekenplichtige medeverantwoordelijk indien hij, na van mogelijke onregelmatigheden in kennis te zijn gesteld, niet de passende maatregelen treft of indien hij nalaat, gewone en bijzondere controles op de boekhouding van de voorschotregeling te verrichten."
92. Deze beginselen paste het Gerecht toe op het onderhavige geval en het stelde vast dat requirant, die vanaf het begin op de hoogte was van de opening van de litigieuze rekening, medeverantwoordelijk was voor alle voorgevallen onregelmatigheden.
93. Requirant herhaalt de reeds in eerste aanleg aangevoerde argumenten, stellende dat het hier ging om een rekening van de voorschotregeling, waarvoor de rekenplichtige als zodanig niet verantwoordelijk was.(56) De opening van de rekening was niet zijn beslissing, maar die van de beheerder van gelden ter goede rekening en diens medewerkster.
94. Requirant licht niet toe, op welke gronden precies hij de aangevochten conclusie van het Gerecht onjuist acht. Hoe dan ook moet worden vastgesteld, dat over zijn medeverantwoordelijkheid voor de gang van zaken rond de opening van de rekening geen twijfel kan bestaan.
95. Zoals gezegd bestrijdt requirant niet, dat de opening van de rekening ten einde daarop een bedrag van 400 000 UKL te storten, en dat nog wel zonder toestemming van de begrotingsautoriteiten een onregelmatigheid vormt. Requirant bestrijdt evenmin, dat deze handeling in de boeken had moeten worden verantwoord en dus hem ter kennis moest worden gebracht gelet op de artikelen 51 en 53 van de uitvoeringsvoorschriften. Onder die omstandigheden speelt het geen rol, dat in het onderhavig geval (ingevolge de artikelen 20, derde alinea, en 49 van het Financieel Reglement junctis de artikelen 46 e.v. van de uitvoeringsbepalingen) het beheer van de litigieuze gelden aan een beheerder van gelden ter goede rekening was toevertrouwd. Evenmin is relevant, dat deze beheerder zelf, samen met zijn medewerkster, de opdracht heeft verstrekt tot het openen van de rekening en de storting. Want daarmee is de verantwoordelijkheid van de rekenplichtige uit hoofde van artikel 70 van het Financieel Reglement niet volledig weggenomen. Integendeel, de invoering van een voorschotregeling leidt ° heel logisch ° tot wat men een "toezichthoudende verantwoordelijkheid" van de rekenplichtige zou kunnen noemen. Krachtens artikel 53 van de uitvoeringsvoorschriften moet deze onder meer door middel van onaangekondigde inspecties de aanwezigheid van de aan de beheerder van gelden ter goede rekening toevertrouwde middelen en de desbetreffende boekhouding verifiëren. Het resultaat van zijn controle moet hij voorts ingevolge artikel 54 van deze voorschriften aan de financieel controleur en de ordonnateur meedelen. Deze voorschriften zouden zinloos zijn wanneer de rekenplichtige niet tegelijkertijd gehouden was, actie te ondernemen bij dreigende onregelmatigheden of, wanneer de beheerder van gelden ter goede rekening zulke reeds heeft begaan, de ordonnateur en de financieel controleur te informeren zodra hij er kennis van heeft gekregen, zodat passende maatregelen kunnen worden genomen. Daaruit volgt, dat in geval van onregelmatigheden van de kant van de beheerder van gelden ter goede rekening die ter kennis van de rekenplichtige komen en die deze zonder ingrijpen laat passeren, zoals in casu, hij evenzeer verantwoordelijk is als wanneer hijzelf en niet de beheerder de onregelmatigheid had begaan.
96. Derhalve heeft het Gerecht, wat de medeverantwoordelijkheid van requirant betreft, de relevante bepalingen van het Financieel Reglement juist toegepast, zodat het argument voor het tegendeel moet worden verworpen.
97. 2. Met betrekking tot de betekenis voor de onderhavige tuchtprocedure van de uitslag van de tegen de beheerder van gelden ter goede rekening ingestelde procedure, overwoog het Gerecht als volgt:
"Het feit dat jegens de beheerder van gelden ter goede rekening in de tegen deze ingeleide tuchtprocedure geen tuchtmaatregel is getroffen, kan de wettigheid van de aan verzoeker opgelegde straf hoe dan ook niet beïnvloeden, daar elke tuchtprocedure op zichzelf staat. In dit verband moet worden beklemtoond, dat de adviezen van de tuchtraad in de twee procedures met elkaar overeenstemmen wat de vaststelling van de feiten betreft. Zij wijken enkel af in de beoordeling van de vastgestelde feiten. In de procedure tegen Offermann waren de tuchtrechtelijke instanties van oordeel dat betrokkenes hiërarchieke meerdere, dat wil zeggen verzoeker, voor zijn handelingen verantwoordelijk was, terwijl de tuchtraad in de procedure tegen verzoeker zowel verzoeker als Offermann verantwoordelijk heeft verklaard (punt 222 van het met redenen omkleed advies). Zelfs indien het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag jegens de beheerder van gelden ter goede rekening onwettig was, kan verzoeker zich hoe dan ook niet ten eigen voordele beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren (zie het arrest van het Hof van 4 juli 1985, zaak 134/84, Williams, Jurispr. 1985, blz. 2229)."
98. Hiertegen brengt requirant in de eerste plaats in, dat het Gerecht ten onrechte heeft aangenomen, dat de onderlinge onafhankelijkheid van de tuchtprocedures iedere vergelijking tussen de uitkomsten van de twee parallelle procedures uitsluit.
99. In de tweede plaats meent requirant, dat het Gerecht ten onrechte heeft aangenomen, dat sancties tegen de beheerder van gelden ter goede rekening alleen achterwege zijn gebleven omdat de tuchtrechtelijke instanties in die procedure de verantwoordelijkheid voor de gang van zaken aan requirant hebben toegeschreven. Bij repliek in eerste aanleg had requirant nog andere redenen genoemd, die voor de tuchtraad aanleiding waren geweest om in de procedure tegen Offermann geen sancties voor te stellen(57):
° hij (Offermann) dacht juist te handelen;
° de transactie is nooit geheim gehouden (daar de stukken met betrekking tot deze rekening zich altijd in het dossier van de Midland Bank hadden bevonden en zich nog steeds bevinden; dit dossier stond ter beschikking van alle tot inzage daarvan bevoegde personen en dus ook van de hiërarchieke meerderen van Offermann);
° gelet op de bancaire praktijk, diende Offermann het voordeel van de twijfel te krijgen;
° er was hoe dan ook geen sprake van opzet of grove nalatigheid.
100. Deze omstandigheden, die ook voor requirant zouden gelden, heeft het Gerecht niet in aanmerking genomen, zodat de motivering van het arrest op dat punt kennelijk op een feitelijke vergissing berust of althans onvoldoende is.
101. In de derde plaats maakt requirant bezwaar tegen het door het Gerecht gehanteerde beginsel, dat niemand zich kan beroepen op een onrechtmatige handeling verricht jegens een derde. Dat had het Gerecht niet mogen doen zonder aan te geven, in hoeverre het jegens die derde (de beheerder van gelden ter goede rekening) genomen besluit onrechtmatig was. De vraag naar de recht- of onrechtmatigheid van het optreden tegen de beheerder heeft volgens requirant helemaal niets met de zaak van doen; het gaat er juist om, dat omstandigheden zijn meegewogen in het voordeel van de beheerder, die in zijn (requirant) geval buiten beschouwing zijn gelaten.(58)
102. Alvorens op deze argumenten in te gaan, stel ik vast, dat het in deze context gaat om de vraag, of requirant objectief verantwoordelijk is voor de onregelmatigheden rond de opening van de rekening.
103. Deze vraag kan aan de hand van precieze voorschriften worden beantwoord. De doelstelling daarvan, de verantwoordelijkheden op het zo gevoelige terrein van het beheer van de gemeenschapsgelden duidelijk af te bakenen, sluit iedere beoordelingsvrijheid van de gemeenschapsinstellingen bij de toepassing ervan uit.
104. Hieruit volgt enerzijds, dat de vraag of de uitkomsten van beide procedures met elkaar te verenigen zijn of niet, geen rol speelt voor de objectieve verantwoordelijkheid van de betrokkenen.(59) Beslissend en juist is daarentegen de overweging van het Gerecht, dat "zelfs indien het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag jegens de beheerder van gelden ter goede rekening onwettig was, (...) verzoeker zich hoe dan ook niet ten eigen voordele [kan] beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren". Gelet op dit onlangs weer bevestigde beginsel(60) valt niet in te zien, waarom het Gerecht een eventuele onrechtmatigheid waarop de beheerder zich kon beroepen, precies had moeten aanwijzen, als toch vaststaat dat het optreden tegenover requirant op dit litigieuze punt in ieder geval rechtmatig was.(61)
105. Anderzijds zijn elementen als het ontbreken van het besef van wederrechtelijkheid(62) of de afwezigheid van schuld(63) niet van belang voor de objectieve verantwoordelijkheid van de rekenplichtige, waar het hier uitsluitend om gaat. Die elementen houden verband met de subjectieve voorwaarden voor het opleggen van een tuchtmaatregel. Met betrekking tot die voorwaarden heeft requirant een apart middel aangevoerd, waarop het Gerecht in rechtsoverweging 206 en volgende van zijn arrest is ingegaan en dat requirant thans in hogere voorziening opnieuw naar voren brengt.(64)
106. Ook de door de tuchtraad in de zaak Offermann (hierna: tuchtraad Offermann) in aanmerking genomen omstandigheid, dat de relevante correspondentie met de Midland Bank in het dossier was bewaard, kan aan de verantwoordelijkheid van requirant niet afdoen. Deze had uit hoofde van zijn toezichthoudende taak de operatie, zo hij die al niet kon verhinderen, in ieder geval onmiddellijk overeenkomstige artikelen 53 en 54 van de uitvoeringsvoorschriften aan de ordonnateur en de financieel controleur moeten melden.
107. Ook in dit opzicht faalt het middel van requirant.
108. Het argument met betrekking tot de uitspraak van de tuchtraad Offermann moet daarom integraal worden verworpen.
109. 3. Een laatste reeks argumenten die in het kader van dit middel wordt aangevoerd, keert zich tegen de overwegingen van het Gerecht omtrent de "gestelde verzwijging van het bestaan van de nieuwe rekening door verzoeker tegenover zijn hiërarchieke meerderen".(65)
110. Het Gerecht was in de eerste plaats van oordeel, dat de discussie tussen partijen over deze vraag niet relevant was: hoe de antwoorden op deze vragen ook mochten luiden, zij konden
"verzoeker hoe dan ook niet ontslaan van zijn verantwoordelijkheid, die in hoofdzaak berust op het feit, dat hij als rekenplichtige van de instelling de betrokken verrichtingen niet tijdig heeft geboekt".(66)
111. Volgens requirant had het Gerecht dit argument niet als irrelevant mogen afdoen zonder eerst op zijn bij repliek naar voren gebrachte argument in te gaan, dat het tot aanstelling bevoegde gezag het verwijt van de ontbrekende boeking niet op de artikelen 63 van het Financieel Reglement en 50 en 51 van de uitvoeringsbepalingen kon baseren: eerstgenoemde bepaling heeft alleen betrekking op de algemene boekhouding en de artikelen 50 en 51 regelen de taken van de beheerder van gelden ter goede rekening, die requirant dus niet kan hebben overtreden.
112. Dit argument treft geen doel. Weliswaar kan ik de redenering van het Gerecht niet volgen, waar het de relevantie ontkent op grond dat de verantwoordelijkheid van requirant "in hoofdzaak berust op het feit, dat hij als rekenplichtige van de instelling de betrokken verrichtingen niet tijdig heeft geboekt". Niet hetgeen in het aangevochten besluit was gesteld omtrent de ontbrekende boeking, had requirant aangevochten, maar de overweging dat "de beslissing van de heer De Compte om de in gemeen akkoord tussen het Parlement en de Midland Bank vastgestelde bankcondities te wijzigen, terwijl zulks hem niet was gevraagd en hij daarbij zijn bevoegdheid overschreed, een inbreuk vormt op de verplichtingen van de rekenplichtige".(67) Het Gerecht is ten slotte in rechtsoverweging 172 toch ingegaan op de kwestie van het "verzwijgen", zodat het arrest in geen geval kan worden vernietigd op de enkele grond dat het de relevantie van deze kwestie eerst had ontkend. Voor het overige heeft requirant, door eerst in repliek te klagen over onjuiste toepassing van genoemde boekhoudingsvoorschriften, een nieuw middel naar voren gebracht, dat het Gerecht ingevolge artikel 42, lid 2, van het (van overeenkomstige toepassing zijnde) Reglement voor de procesvoering van het Hof niet in aanmerking heeft hoeven nemen.
113. Ten slotte keert requirant zich tegen het oordeel van het Gerecht in rechtsoverweging 172 van het bestreden arrest,
"dat uit de stukken van het dossier niet blijkt, dat de ordonnateur of de financieel controleur op de hoogte was van de opening van de litigieuze bankrekening. Gelijk de tuchtraad in zijn met redenen omkleed advies van 27 november 1987 (punten 146 tot 154) opmerkt, kan op grond van twee documenten in het dossier juist worden aangenomen, dat deze twee hiërarchieke meerderen van verzoeker niet van het bestaan van de rentedragende rekening bij de Midland Bank af wisten. Het betreft hier een nota van 5 juni 1981 van verzoeker aan de heer Paludan-Mueller, destijds directeur Financiën en ordonnateur van de ontvangsten, en een aan verzoeker gerichte nota van 22 januari 1982 van de heer Etien, toenmalig financieel controleur."
114. Ter motivering hiervan heeft het Gerecht vervolgens bedoelde twee documenten nader onderzocht.
115. In de eerste plaats stelt requirant, dat het Gerecht zonder opgaaf van redenen is voorbijgegaan aan de overwegingen op grond waarvan de tuchtraad Offermann tot de conclusie is gekomen, dat het bestaan van de rekening nooit geheim is gehouden: allen die daartoe bevoegd waren, hadden het dossier over de Midland Bank kunnen inzien.
116. Dit argument is niet houdbaar. Zoals het Gerecht terecht heeft geoordeeld(68), moest requirant, toen hij onregelmatigheden ontdekte, als rekenplichtige de bevoegde instanties op eigen initiatief daarvan op de hoogte brengen, zodat de nodige maatregelen konden worden genomen.
117. Uitgaande van dit criterium is het niet van belang, of de bewuste correspondentie nu wel of niet in het dossier over de Midland Bank zat. Wel heeft het Gerecht in de onwetendheid van de ordonnateur en de financieel controleur (nog lange tijd na opening van de rekening) een bevestiging kunnen zien van het plichtsverzuim van requirant.
118. Vervolgens beroept requirant zich op hetgeen hij bij repliek in eerste aanleg had betoogd met betrekking tot het informeren van de heer Paludan-Mueller in diens hoedanigheid van ordonnateur. Getuige diens opdracht in februari 1982 om de verschenen rente op de litigieuze rekening te innen, moet de heer Paludan-Mueller reeds toen van het bestaan van voormelde rekening op de hoogte zijn geweest en niet pas in maart 1982, zoals het met redenen omkleed advies van de tuchtraad vermeldt. In werkelijkheid had requirant hem reeds in december 1980, kort na zijn indiensttreding, mondeling van het bestaan van de rekening op de hoogte gesteld.
119. Bij het eerste punt kan de vaststelling volstaan, dat de door het Gerecht besproken documenten dateren van 5 juni 1981 en 22 januari 1982. De bewering van requirant, dat de heer Paludan-Mueller in ieder geval reeds in februari 1982 en niet pas in maart van dat jaar op de hoogte was, kan daarom, gesteld al dat daarvan in hogere voorziening kennis kon worden genomen, in geen geval afdoen aan de conclusies van het Gerecht.
120. Wat het tweede punt, het beweerde onderhoud in december 1980 betreft: met dit argument komt requirant op tegen een feitelijk oordeel van het Gerecht, zonder te kunnen stellen dat dit oordeel op een onjuist juridisch criterium of anderszins op een verkeerde toepassing van het recht berust.
121. Ook deze argumenten moeten dus worden verworpen.
Inbreuk op de verplichting de betalingskredieten naar behoren te beheren
122. I. 1. Deze grief is door het Gerecht in de rechtsoverwegingen 174 en 175 van het bestreden arrest als volgt beschreven:.
"Alvorens in te gaan op de grief inzake de inning van de twee op de Midland Bank getrokken cheques, citeert verzoeker de desbetreffende passage van het litigieuze besluit, volgens welke 'door zonder duidelijke en geldige rechtvaardiging deze twee cheques te innen, door niet te zorgen voor de registratie van de storting in de kas te Luxemburg in de 'boekhouding-uittreksel van de kas' (...) door na te laten de inning van deze cheques onmiddellijk te boeken, heeft de heer de Compte niet voldaan aan zijn verplichting de betalingskredieten naar behoren te beheren (...)'
Volgens verzoeker wordt hem met deze grief enkel verweten, dat hij niet onmiddellijk de vereiste boekingen betreffende de inning van de twee voornoemde cheques heeft verricht."
123. Over het argument van de slechte organisatie van de financiële diensten van het Parlement, waarmee requirant zijn verantwoordelijkheid voor de verlate boeking van de hand wees, stelde het Gerecht in rechtsoverweging 181 van zijn arrest vast,
"dat verzoeker de omvang van de tegen hem geuite grief ten onrechte tot de 'niet-onmiddellijke boeking' van de twee cheques beperkt. Het tuchtrechtelijk besluit verwijt hem immers ook, dat hij deze twee cheques zonder nauwkeurige en geldige reden heeft geïnd en het bedrag niet heeft geboekt in de 'boekhouding-uittreksel van de kas' van de kas van het Parlement te Luxemburg, in de drie valuta waarin het was opgenomen."
124. 2. Tegen dit punt richt zich een eerste klacht van requirant.(69) In zijn verzoekschrift, zo betoogt hij, had hij ° na de betrokken beschuldiging zoals geformuleerd in het aangevochten besluit te hebben weergegeven ° uitdrukkelijk als eerste verweer tegen deze beschuldiging bepaalde passages uit het verslag Saby van 21 maart 1983 geciteerd, dat als grondslag voor de kwijtingprocedure voor het begrotingsjaar 1981 had gediend. In die passages is het antwoord te vinden op de beschuldiging ter zake van het ontbreken van een nauwkeurige en geldige reden voor het innen van de twee cheques. De motivering van het bestreden arrest is daarom gebrekkig of althans onvoldoende, omdat toegelicht had moeten worden, waarom de (in het verslag Saby) genoemde reden niet geldig was. Dat requirant bij repliek niet meer is teruggekomen op dit onderdeel van de beschuldiging, is omdat de repliek een reactie is op het in het verweerschrift gestelde.
125. Bij nadere beschouwing van het verzoekschrift acht ik dit argument ongegrond. Uit de punten 64, 65 en 66 van het verzoekschrift blijkt duidelijk, dat requirant alleen op de kwestie van de verlate boeking wilde ingaan. Uit hun context wordt evenzeer duidelijk, dat het citaat uit het verslag Saby alleen was bedoeld ter weerlegging van die specifieke beschuldiging. Dat citaat omvat overigens een uittreksel van vier dichtbedrukte bladzijden, waarin alleen de passages zijn aangestreept die de moeilijke werkomstandigheden belichten waarmee requirant de verlate boeking tracht te rechtvaardigen. De passages waarop requirant zich thans beroept en waaruit de "geldige reden" voor het innen van de twee cheques zou zijn op te maken, zijn nergens aangestreept.
126. Overigens spreekt requirant dit argument, inhoudende dat het Gerecht aan zijn betoog met betrekking tot de "geldige reden" ten onrechte is voorbijgegaan, zelf weer tegen in punt 65 van zijn verzoekschrift in hogere voorziening, waar hij betoogt dat dit middel "uitsluitend betrekking heeft op de vertraging bij de boeking van de beide litigieuze cheques".
127. Het Gerecht heeft de strekking van het betrokken middel in ieder geval juist opgevat, zodat de daartegen ingebrachte kritiek moet worden afgewezen.
128. II. Requirant keert zich bovendien tegen de afdoening door het Gerecht van zijn argument, dat de vertraging van zes maanden bij de boeking van de inning van de twee cheques aan de slechte algemene organisatie van de financiële diensten van het Parlement en het gebrek aan materieel en personeel toe te schrijven was, elementen die in het tuchtrechtelijk besluit als verzachtende omstandigheden ° in tegenspraak met de onderhavige beschuldiging ° waren aangemerkt. Het Gerecht overwoog dienaangaande als volgt (r.o. 182 van het bestreden arrest):
"het feit dat het tuchtrechtelijk besluit de slechte organisatie van de financiële diensten van het Parlement ten tijde van de tenlastegelegde feiten en het destijds heersende gebrek aan personeel en middelen als verzachtende omstandigheden in aanmerking heeft genomen, niet tegenstrijdig kan worden geacht met de verklaring, dat op verzoeker de verplichting rustte de betalingskredieten naar behoren te beheren. De door verzoeker ingeroepen en door de tuchtrechtelijke instanties in aanmerking genomen omstandigheden kunnen wat de onderhavige grief tegen verzoeker betreft evenmin een rechtvaardiging vormen, daar de bij de boeking van de twee betrokken cheques geconstateerde vertraging gepaard is gegaan met een reeks andere nalatigheden bij de inning ervan. Bovendien is het Gerecht van oordeel, dat verzoeker zich, gezien de hoge rang die hij in de financiële diensten bekleedde, niet kan beroepen op de materiële problemen die daar op een gegeven moment wellicht heersten ten einde alle verantwoordelijkheid van zich af te schuiven."
129. Requirant vecht alle drie in deze overweging genoemde aspecten aan: de innerlijke tegenstrijdigheid van het tuchtrechtelijk besluit, de andere nalatigheden bij de inning van de cheques en zijn "hoge rang".
130. Op het punt van de andere nalatigheden, mijns inziens hier het belangrijkste, betoogt hij dat het Gerecht had moeten vermelden om welke nalatigheden het ging. Mocht het Gerecht het vermeende ontbreken van een nauwkeurige en geldige reden voor de inning van de cheques op het oog hebben, dan stelt requirant, deze beschuldiging reeds te hebben weerlegd.
131. Met dit argument kan ik niet instemmen. In de geciteerde rechtsoverweging 181 van zijn arrest heeft het Gerecht, alvorens op het argument van de slechte organisatie van de financiële dienst in te gaan, uitdrukkelijk "vooraf" opgemerkt, dat requirant "de omvang van de tegen hem geuite grief ten onrechte(70) tot de 'niet-onmiddellijke boeking' van de twee cheques beperkt". Vervolgens gaf het Gerecht een opsomming van alle andere, zijns inziens onweersproken beschuldigingen in verband met de inning van de beide cheques. Uit de wijze waarop het Gerecht zijn overwegingen heeft opgebouwd, komt voldoende duidelijk naar voren, wat het met "een reeks andere nalatigheden" bedoelde, alsmede dat de verlate boeking in de sfeer van die nalatigheden thuishoort en dus niet, of niet uitsluitend, aan een gebrekkige organisatie en uitrusting van de diensten van het Parlement kan worden toegeschreven. Nu het Gerecht terecht heeft aangenomen, dat de argumenten van requirant zich tot de verlate boeking beperkten en de beschuldigingen inzake de andere nalatigheden dus niet zijn weersproken, moeten de desbetreffende bezwaren van requirant integraal van de hand worden gewezen.
132. Met betrekking tot de innerlijke tegenstrijdigheid van het tuchtrechtelijk besluit herinnert requirant aan zijn repliek in eerste aanleg, waarin hij de vraag aan de orde had gesteld of de vertraging niet het direkte en onvermijdelijke gevolg was van de gebrekkige organisatie en uitrusting van de diensten van het Parlement. Het Gerecht had daarom "rechtens niet tot de conclusie kunnen komen"(71), dat de erkenning van deze factoren als verzachtende omstandigheid enerzijds en de beschuldiging van plichtsverzuim bij het beheer van de betalingskredieten anderzijds, niet onderling tegenstrijdig zijn.
133. Hiertegen valt in te brengen, dat het Gerecht, zoals hiervoor uiteengezet, de verlate boeking heeft aangemerkt als onderdeel van een reeks van onregelmatigheden en dus het beroep van requirant op genoemde omstandigheden niet heeft aanvaard. De op die vertraging gebaseerde beschuldiging moet daarom in ieder geval gegrond worden geacht. Zelfs al was het tuchtrechtelijk besluit, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, wel innerlijk tegenstrijdig, dan zou dat het besluit hoogstens aantasten, inzoverre het tot aanstelling bevoegde gezag daarin het bestaan van verzachtende omstandigheden voor requirant erkent. Er valt in ieder geval niets in te brengen tegen het bestreden arrest voorzover daarin het argument van requirant inzake de verlate boeking wordt verworpen. Voor het overige ziet dit argument eraan voorbij, dat de erkenning van verzachtende omstandigheden voor alle beschuldigingen geldt en niet op het eerste gezicht vaststaat, in welke mate en waarom die verzachtende omstandigheden naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde gezag voor elk afzonderlijk punt van beschuldiging in het voordeel van requirant in aanmerking moesten worden genomen.
134. Ten slotte laakt requirant de opvatting van het Gerecht, dat hij zich, wegens zijn hoge rang binnen de financiële diensten, niet kan beroepen op de genoemde materiële problemen ten einde alle verantwoordelijkheid van zich af te schuiven. Deze opvatting zou niet te rijmen zijn met het feit, dat andere ambtenaren van nog hogere rang niet tuchtrechtelijk zijn vervolgd, hoewel ook tegen hen, met name in het speciale verslag van de Rekenkamer(72), beschuldigingen zijn geuit.
135. In dit verband volstaat de vaststelling, dat de betrokken overweging van het Gerecht voor de verwerping van het argument van requirant niet onmisbaar was en dat het requirant in geen geval zou kunnen baten, wanneer andere ambtenaren ten onrechte niet verantwoordelijk zouden zijn gehouden.
136. III. Requirant klaagt ook over de wijze waarop het Gerecht heeft gereageerd op zijn argument, dat de beheerder van gelden ter goede rekening als enige verantwoordelijk was. Ter zake had het Gerecht verwezen naar zijn overwegingen omtrent de beschuldiging inzake de opening van de rentedragende rekening bij de Midland Bank, waartegen requirant hetzelfde argument had ingebracht.(73) Het Gerecht had daar nog aan toegevoegd,
"dat verzoeker veel nauwer betrokken is geweest bij de nalatigheden rond de inning van de twee cheques dan bij die rond de opening van de rekening".(74)
137. Voor zijn bezwaren tegen deze overwegingen verwijst requirant naar zijn argumenten tegen het reeds besproken onderdeel van het arrest dat betrekking heeft op de opening van de rekening bij de Midland Bank.(75) Ik kan daarom eveneens verwijzen naar hetgeen ik dienaangaande heb betoogd.(76) Daaraan kan nog worden toegevoegd, dat het om een nalatigheid in de boekhouding gaat, die ingevolge de artikelen 51 en 53 van de uitvoeringsbepalingen aan het toezicht van requirant was onderworpen, hetgeen betekent dat hij voor de tijdige boeking zorg had te dragen, zonodig door middel van daartoe strekkende instructies aan de beheerder van gelden ter goede rekening.
138. Anders dan requirant beweert, hoefde het Gerecht ook niet uit te leggen in hoeverre zijn betrokkenheid bij de tekortkomingen relevant kon zijn voor de verantwoordelijkheid van de beheerder van gelden ter goede rekening. Waar requirant ook verantwoordelijk zou zijn geweest wanneer niet hij, maar de beheerder van gelden ter goede rekening met medeweten van requirant opdracht zou hebben gegeven tot het innen van de cheques, was zijn verantwoordelijkheid des te manifester nu hij persoonlijk heeft gehandeld.
139. Dit middel moet dus in zijn geheel worden verworpen.
Niet-nakoming van de verplichting enkel uitgaven te verrichten op vertoon van deugdelijke bewijsstukken en deze stukken te bewaren
140. Deze klacht heeft betrekking op het ontbreken van deugdelijke bewijsstukken voor een bedrag van 4 136 125 BFR, zijnde de tegenwaarde van de twee cheques.(77) Het Gerecht heeft dienaangaande een tweetal vragen onderzocht, die het uit het betoog van partijen had afgeleid.
141. II. 1. De eerste vraag luidde als volgt:
"of rechtens naar genoegen is aangetoond dat het tekort van 4,1 miljoen BFR, dat is vastgesteld in de kas voor de afgevaardigden en waarvoor bewijsstukken ontbreken, te wijten is aan de boeking van de inning van de twee op de Midland Bank getrokken cheques voor een totaal bedrag in Belgische franken".(78)
142. Het Gerecht heeft eerst een samenvatting gegeven van de relevante inhoud van het aangevochten besluit (r.o. 196), van het met redenen omkleed advies van de tuchtraad (r.o. 197) en van de bevindingen van de Rekenkamer (r.o. 198 en 199).(79) Vervolgens onderschreef het de zienswijze van het tot aanstelling bevoegde gezag en verklaarde:
"dat het tot aanstelling bevoegde gezag het in het bestreden besluit bewezen mocht achten, dat het ontbreken van bewijsstukken in casu verband houdt met de inning van de twee op de Midland Bank getrokken cheques".(80)
143. Subsidiair oordeelde het Gerecht, dat zelfs bij aanvaarding van verzoekers stelling, dat het tekort geen verband hield met de inning van de twee cheques, de conclusie niet anders zou zijn daar requirant in de hele tuchtprocedure geen bewijsstukken heeft kunnen aanwijzen voor een bedrag van 4 121 573 BFR, waarvan hij in een nota aan de voorzitter had toegegeven dat het niet geboekt was.(81)
144. Requirant stelt in de eerste plaats(82), dat het Gerecht de vraag onjuist had geformuleerd, aangezien daarin a priori wordt aangenomen wat nu juist moest worden bewezen, namelijk een tekort in de kas voor de afgevaardigden, waarvoor de bewijsstukken ontbraken. De aldus geformuleerde vraag, waarop het verdere betoog van het Gerecht noodzakelijkerwijs is gebaseerd, was er uitsluitend op gericht na te gaan, of de a priori als vaststaande aangenomen omstandigheden (tekort van ongeveer 4,1 miljoen BFR; ontbreken van bewijsstukken) hun oorzaak vonden in de inning van de twee cheques. De formulering is ook met zichzelf in tegenspraak, daar het Gerecht eerder had vastgesteld (r.o. 192) dat requirant, volgens het betoog van verweerder zelf, werd verweten "dat hij geen bewijsstukken heeft bewaard, en niet dat hij het tekort met gebruikmaking van de twee cheques heeft aangevuld".
145. Deze redenering kan bij nadere beschouwing geen stand houden. Wat in de eerste plaats de bewijsstukken betreft voor het litigieuze bedrag, of preciezer gezegd, voor een uitgave tot de tegenwaarde van de twee cheques, staat onweersproken vast dat die tot dusver niet zijn gevonden. Nog in zijn verzoekschrift in hogere voorziening(83) betoogt requirant, dat de kas zou kloppen zodra de bewijsstukken maar waren "teruggevonden".
146. Aangaande het litigieuze tekort wijs ik erop, dat het Gerecht het begrip tekort heeft gereserveerd voor het verschil tussen de tot dusver gevonden bewijsstukken en het kassaldo, zonder zich over het bestaan of het lot van de stukken of fondsen uit te laten. In rechtsoverweging 197 vatte het Gerecht de twee tegenstrijdige hypotheses waarmee de tuchtraad was geconfronteerd, als volgt samen:
"Volgens de eerste vond het ontstaan van het verschil tussen de kas en de algemene boekhouding(84) zijn verklaring in de inning van de twee cheques van de Midland Bank; volgens de tweede kon dat verband niet worden gelegd en was het tekort het resultaat van een hele reeks boekhoudkundige vergissingen."
147. In overeenstemming hiermee sprak het Gerecht in de eerder geciteerde rechtsoverweging 201 van zijn arrest van een "ontbreken van bewijsstukken" dat verband hield met de inning van de twee op de Midland Bank getrokken cheques.
148. Deze formulering bewijst enerzijds, dat de klacht dat het Gerecht a priori een tekort (in de zin van het geheel ontbreken van bewijsstukken) zou hebben aangenomen, ongegrond is. Anderzijds illustreert zij de denkfout waarop het argument van requirant berust. Waar het Gerecht heeft gezocht naar een "verband" tussen het ontbreken van bewijsstukken en de inning van de cheques, heeft het namelijk juist willen vaststellen, of er sprake was van een "tekort" in die zin. Want dit verband, dat het tot aanstelling bevoegde gezag poneert maar requirant ontkent, kon gelegen zijn in het feit, dat "de laattijdige boeking van de inning van de twee cheques een tekort van 4 136 125 BFR aan het licht heeft gebracht, overeenstemmend met het bedrag van voornoemde cheques"(85), en zou betekenen, dat het ontbreken van bewijsstukken betrekking had op een niet geboekte uitgave, die (nog in 1981) met de contante tegenwaarde van de twee cheques was gecompenseerd. Dit "verband" en daarmee uiteindelijk het "tekort" was voor het Gerecht het voorwerp en niet de premisse bij de beoordeling van het bewijs.
149. Evenmin houdbaar is het betoog van requirant, dat de redenering van het Gerecht in tegenspraak is met het argument van verweerder, dat requirant wordt verweten geen bewijsstukken te hebben bewaard, niet dat hij het tekort met behulp van de twee cheques zou hebben aangezuiverd. Inderdaad wordt requirant het ontbreken van bewijsstukken verweten(86), maar zulks onder omstandigheden die voor de inschatting van de ernst van het vergrijp van belang konden zijn.
150. Vervolgens brengt requirant een reeks klachten(87) naar voren tegen de gronden waarop, zoals het Gerecht in rechtsoverweging 196 vermeldt, "het tot aanstelling bevoegde gezag de conclusie waartoe het in zijn tuchtrechtelijk besluit is gekomen, (...) heeft gemotiveerd".
151. Die klachten moeten echter terstond van de hand worden gewezen, want zij gelden niet het bestreden arrest, maar het tuchtrechtelijk besluit.
152. Voorts bestrijdt requirant het oordeel van het Gerecht, dat er verband bestaat tussen het ontbreken van bewijsstukken en de inning van de twee cheques. Het Gerecht zou enkele (in het verzoekschrift in hogere voorziening nader genoemde) factoren buiten beschouwing hebben gelaten. Aangezien deze argumenten zich tegen een feitelijk oordeel van het Gerecht richten en niet op een inbreuk op het recht van verdediging zijn gebaseerd, kunnen zij op het eerste gezicht alleen bij wijze van motiveringsklacht(88) in aanmerking worden genomen. Men kan zich inderdaad afvragen, of de aldus opgevatte autonomie van het Gerecht als feitenrechter niet daar haar grenzen vindt, waar de paden van de logica duidelijk worden verlaten. Maar hoe dat ook zij, de klachten van requirant kunnen onder geen van deze aspecten slagen, zoals ik hierna in het kort zal uitleggen.
153. In de eerste plaats beroept requirant zich nogmaals op het reeds besproken argument van het Parlement, dat hem (enkel) werd verweten geen bewijsstukken te hebben bewaard. Met dit argument heeft verweerder zelf het bestaan van het bewuste verband ontkend. Dat is echter, zoals ik al zei, niet juist.
154. Ten tweede zou het Gerecht hebben voorbijgezien aan het feit, dat het kwijtingsbesluit voor 1982(89) na de adviezen van de Rekenkamer is afgekomen. Gelet op dit besluit had het Gerecht niet mogen aannemen, dat de oorzaak van het tekort was gevonden. Ter zake beroept requirant zich ten eerste op de considerans van het besluit, waarin het heet dat voor "het verschil tussen de kas en de algemene boekhouding (...) geen duidelijke verklaring (...) is gegeven". Ten tweede beroept hij zich op het feit, dat dit besluit niet differentieert tussen de kwijting voor hem en de kwijting voor degene die hem per 1 mei van dat jaar als rekenplichtige is opgevolgd.
155. Ik meen hier te kunnen volstaan met een volledig citaat van de considerans, sub A, waaraan requirant bovenstaande passage heeft ontleend:
"gelet op het feit dat het verschil tussen de kas en de algemene boekhouding (waarvoor momenteel in de boekhouding van het Parlement een bedrag van 4 136 125 BFR is geboekt) voor 30 april is vastgesteld, dat het rechtstreeks kan worden teruggevoerd op de beide, op de rekening bij de Midland Bank op 4 september 1981 en op 1 november 1981 uitgeschreven cheques, en dat er geen duidelijke verklaring voor is gegeven".(90)
156. Mij dunkt, dat hiermee over dit punt alles is gezegd.
157. Naast deze aldus weerlegde argumenten tegen de conclusie van het Gerecht als zodanig, voert requirant ten slotte nog aan, dat hij een fout in het aangevochten besluit (op het hier besproken punt) niet heeft kunnen aantonen doordat hij geen vrije toegang tot de boekhouding had gekregen en het gevraagde deskundigenonderzoek is afgewezen. Het oordeel van het Gerecht, dat hij niet in dit bewijs was geslaagd, is daarom in strijd met zijn recht van verweer.
158. Voor dit argument verwijs ik naar de desbetreffende passages van deze conclusie: het middel inzake de toegang tot de boekhouding heb ik reeds besproken(91); tegen de weigering van het Gerecht om een commissie van deskundigen in te stellen(92) heeft requirant een afzonderlijk middel aangevoerd, dat ik hierna zal bespreken.(93)
159. Uit het voorgaande wordt duidelijk, dat geen van de klachten van requirant tegen de vaststelling van het Gerecht, dat tussen het ontbreken van bewijsstukken en de inning van de twee cheques ° zoals ook het het tot aanstelling bevoegde gezag had geconcludeerd ° een verband bestaat, kan slagen. Zijn argumenten tegen de subsidiaire overwegingen waarin het Gerecht veronderstellenderwijs van de juistheid van requirants standpunt was uitgegaan, behoeven derhalve geen bespreking.
160. Bijgevolge dient de kritiek van requirant op de overwegingen van het Gerecht omtrent het meergenoemde verband integraal te worden verworpen.
161. 2. De tweede vraag die het Gerecht uit de discussie tussen partijen over het ontbreken van bewijsstukken heeft afgeleid, luidde:
"of op de beheerder van gelden ter goede rekening dan wel op de rekenplichtige de verplichting en derhalve ook de verantwoordelijkheid rust om in het kader van een voorschotregeling enkel uitgaven te doen op vertoon van bewijsstukken en deze stukken te bewaren".(94)
162. Het overwoog ter zake het volgende (r.o. 203 en 204):
"Aangaande de (...) vraag (...) of de verplichting, en derhalve de verantwoordelijkheid, inzake de bewaring van de bewijsstukken betreffende de inning van de twee cheques in casu op verzoeker of op de beheerder van gelden ter goede rekening rustte, moet worden verwezen naar de artikelen 20 en 70, leden 1 en 2, van het Financieel Reglement en de artikelen 50 tot en met 53 van de uitvoeringsvoorschriften. Uit deze bepalingen volgt, dat in de eerste plaats de beheerder van gelden ter goede rekening verantwoordelijk is voor de overlegging en bewaring van de bewijsstukken van de voorschotregeling. De rekenplichtige, die de boekhouding van de voorschotregeling moet controleren en de beheerder van gelden ter goede rekening aanwijzingen moet geven, wordt medeverantwoordelijk vanaf het moment waarop hij nalaat passende aanwijzingen te geven voor de bewaring van de bewijsstukken.
Zoals gezegd, was verzoeker in casu persoonlijk betrokken bij de inning van de twee cheques, doordat hij zelf de tweede handtekening heeft geplaatst en hij naar eigen zeggen zelf het contant geld, geïnd in drie verschillende valuta, in de kluis van het Parlement te Luxemburg heeft gelegd. Derhalve wordt in het tuchtrechtelijk besluit terecht overwogen, dat verzoeker een grove nalatigheid heeft begaan door niet naar behoren te hebben gewaakt over de bewaring van de middelen van het Parlement."
163. Volgens requirant bevatten deze overwegingen een motiveringsfout. Zijn kritiek valt in drie punten uiteen.
164. Ten eerste spreekt het Gerecht in rechtsoverweging 203 ten onrechte van een verplichting tot "het bewaren van de bewijsstukken betreffende de inning van de twee cheques". Naar hij opmerkt, hadden die bewijsstukken, waarvan het ontbreken voorwerp is van de beschuldiging in het tuchtrechtelijk besluit, betrekking op de uitgaven ten belope van de tegenwaarde van die cheques. Deze onmiskenbare onnauwkeurigheid is echter niet meer dan een redactionele fout, zoals duidelijk wordt bij vergelijking van deze tekst met de formulering in rechtsoverweging 195 van het arrest. Deze laatste formulering laat zien, dat het Gerecht het probleem juist heeft begrepen. Men kan daarom niet spreken van een motiveringsgebrek dat de vernietiging van het arrest zou kunnen rechtvaardigen.(95)
165. Ten tweede betoogt requirant, dat het Gerecht eerst de regel opstelt, dat de rekenplichtige de beheerder van gelden ter goede rekening aanwijzingen moet geven voor de bewaring van de bewijsstukken, maar vervolgens niet aangeeft, in hoeverre requirant die verplichting heeft verzuimd. Een dergelijk verzuim valt in ieder geval niet af te leiden uit de betrokkenheid van requirant bij de inning van de cheques.
166. Deze analyse is juist voor zover het gaat om de vraag van een verzuim van de verplichting tot het geven van aanwijzingen. Op dit punt kan ook worden toegegeven, dat de formulering van rechtsoverweging 204 de indruk kon wekken, dat het Gerecht de persoonlijke betrokkenheid van requirant bij de inning van de twee cheques als een belangrijke factor voor de eventuele veronachtzaming van die verplichting zag. Als het Gerecht zijn oordeel uitdrukkelijk alleen op die opvatting had willen baseren, dan had het deze nader moeten toelichten, nu de beheerder van gelden ter goede rekening (tot wie de aanwijzingen eventueel hadden moeten worden gericht) niet bij de inning van de cheques betrokken schijnt te zijn geweest.
167. Bij nadere lezing van rechtsoverweging 204 blijkt evenwel, dat het Gerecht daarin een tweede grond, zij het in woordkeuze niet zo duidelijk afgebakend van het aspect van de instructieplicht, aangeeft om requirant verantwoordelijk te houden. Die grond, welke overeenkomt met hetgeen verweerder in eerste aanleg had gesteld(96), is hoofdzakelijk gebaseerd op het feit, dat requirant persoonlijk bij de inning van de cheques was betrokken. Uit de verdere, hierna te behandelen argumenten van requirant blijkt dat hij dit zelf ook wel heeft begrepen. Gelet op deze omstandigheden behoort het arrest niet te worden vernietigd enkel op grond van hetgeen het Gerecht met betrekking tot de instructieplicht van requirant heeft overwogen. Beter kan ik thans de argumenten in hogere voorziening bespreken die tegen de genoemde aanvullende motivering van het Gerecht zijn gericht.
168. Op dit punt stelt requirant ° en hiermee zijn wij bij het derde onderdeel van zijn kritiek °, dat zijn betrokkenheid bij de inning van de cheques niets van doen heeft met de verplichting om over de bewaring van de middelen van het Parlement te waken, nu de bewijsstukken van die inning aanwezig zijn. Subsidiair noemt hij zijn betrokkenheid in dit verband daarom niet van belang, omdat de plaatsing van zijn handtekening en de storting in de kas niet noodzakelijkerwijs wijzen op een tekortschieten in de naleving van die verplichting.
169. Naar mijn mening snijden deze argumenten geen hout, aangezien het Gerecht in het gewraakte gedeelte van het arrest een vermoeden ° zij het in zeer spaarzame bewoordingen ° formuleert: in geval van twijfel moet worden aangenomen, dat de rekenplichtige die persoonlijk uit de voorschotkas middelen in contanten opneemt (tegen overlegging van door hemzelf getekende cheques), waartegenover een niet door desbetreffende bewijsstukken gedekte uitgave staat, deze uitgave zelf heeft gedaan of heeft laten doen. Dat vermoeden ° dat in casu bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel de doorslag kreeg ° ligt in de feitelijke sfeer en is derhalve grotendeels aan de toetsing van het Hof onttrokken. In ieder geval kan het argument, dat een dergelijke conclusie niet onvermijdelijk zou zijn, requirant niet baten.
170. Nu de bewijsstukken, naar het Gerecht heeft vastgesteld, volledig ontbreken (dat betekent in het voor requirant gunstigste geval, dat zij na de opmaak ervan zijn zoekgeraakt), heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 70, lid 1, sub 2, aangenomen, dat requirant en niet de beheerder van gelden ter goede rekening daarvoor verantwoordelijk is.
171. Op grond van een en ander moeten de argumenten tegen de overwegingen waarin het Gerecht (weliswaar niet met alle na te streven duidelijkheid) deze verdeling van verantwoordelijkheden heeft behandeld, worden verworpen.
Schending van artikel 86, lid 1, Ambtenarenstatuut, en van de artikelen 70, lid 1, en 71 van het Financieel Reglement, miskenning van de beginselen van gelijkheid, billijkheid en verdelende rechtvaardigheid en misbruik van bevoegdheid
172. De argumenten waarmee requirant dit middel in eerste aanleg onderbouwde, vielen volgens het Gerecht in drie delen uiteen.
173. Ten eerste had requirant betoogd, dat het besluit in strijd is met artikel 86, lid 1, Ambtenarenstatuut en de artikelen 70, lid 1, en 71 van het Financieel Reglement, omdat de hem verweten gedragingen de kwalificatie grove nalatigheid niet kunnen dragen. Naar het oordeel van het Gerecht was dit daarentegen wel het geval. De onregelmatigheden rond de opening van de litigieuze rekening, zo voegde het Gerecht daaraan toe, het niet of laattijdig boeken in verband met de inning van de twee cheques en de niet-nakoming van de verplichting slechts uitgaven te doen tegen overlegging van deugdelijke bewijsstukken en toe te zien op de bewaring daarvan, leverden een des te ernstiger nalatigheid op daar requirant als rekenplichtige de hoogste post bekleedde bij de boekhouding van de instelling.
174. Voor zover requirant zich hiertegen beroept op onjuistheid van deze verwijten, kan ik naar de desbetreffende overwegingen van deze conclusie verwijzen.
175. Ook het argument, als zou requirant in het kader van de voorschotregeling, naar het Gerecht in zijn eerdere rechtsoverwegingen heeft vastgesteld, niet verantwoordelijk zijn voor de "boekhouding" ("gestion de comptabilité"), maar een controle- en instructieplicht hebben, gaat niet op. Verzuim van laatstgenoemde verplichting moet immers net zo worden behandeld als had de rekenplichtige zelf, wanneer hij de middelen en de boekhouding van de voorschotregeling zou beheren, de materiële voorschriften van het Financieel Reglement overtreden.(97) Overigens heeft requirant in dit geval ten minste een deel van de overtredingen van die voorschriften, te weten de inning van de cheques, persoonlijk begaan.
176. Het volgende argument, dat behalve requirant ook de financieel controleur een controle- en instructieplicht had, behoort tot de door requirant in dit verband eveneens aan de orde gestelde kwestie van de gelijke behandeling, waarop ik hierna zal ingaan.
177. Ten slotte meent requirant, dat het Gerecht niet heeft geantwoord op zijn argument inzake de slechte algemene organisatie van de financiële diensten van het Parlement en het gebrek aan materieel en personeel. Mijns inziens hoefde het Gerecht op dat punt niet in te gaan. Voor zover requirant immers een concreet verband tussen die omstandigheden en de vastgestelde onregelmatigheden had gesteld, werd dat argument reeds verworpen.(98) Het Gerecht behoefde er dan ook niet nogmaals op terug te komen.
178. De argumenten van requirant terzake van de grove nalatigheid gaan daarom niet op.
179. In de tweede plaats had requirant schending gesteld van de beginselen van gelijkheid, billijkheid en verdelende rechtvaardigheid, doordat alleen tegen hem tuchtmaatregelen zijn getroffen, terwijl de beheerder van gelden ter goede rekening, de ordonnateur en de financieel controleur niet zijn bestraft.
180. Dienaangaande had het Gerecht verwezen naar de rechtsoverwegingen waarin het, ingaande op de argumenten van requirant, diens verantwoordelijkheid ten opzichte van die van de beheerder van gelden ter goede rekening(99), van de ordonnateur en van de financieel controleur(100) beschreef. Het feit, aldus het Gerecht, dat de tuchtprocedure tegen de beheerder van gelden ter goede rekening tot een ander besluit heeft geleid dan de procedure tegen de rekenplichtige, kan geen gevolgen hebben voor het onderhavige geschil, aangezien de door verzoeker ingeroepen beginselen van gelijkheid, billijkheid en verdelende rechtvaardigheid in overeenstemming moeten worden gebracht met het beginsel, dat elke tuchtprocedure onafhankelijk is.
181. Volgens requirant ziet het Gerecht eraan voorbij, dat er meer is dan de verschillende uitkomst van beide besluiten: er zijn bovendien geen tuchtprocedures tegen andere mogelijke verantwoordelijken ingesteld, met name niet tegen de financieel controleur. Requirant wijst in dit verband op het speciaal verslag van de Rekenkamer van 1982.(101) Voorts ligt de beslissing over het inleiden van een tuchtprocedure en over de na afloop daarvan te nemen sancties bij het tot aanstelling bevoegde gezag. Requirant vraagt zich af, hoe, gelet op dit laatste, de in eerste aanleg ingeroepen beginselen en een diametraal daartegen ingaande behandeling met elkaar te rijmen zijn.
182. Laat ik beginnen met de vaststelling, dat het in dit verband, anders dan bij de objectieve verantwoordelijkheid van requirant bij verrichtingen rond de voorschotregeling(102), niet zozeer gaat om de vraag of requirant overeenkomstig dan wel in strijd met zijn verplichtingen heeft gehandeld, als wel om de vraag of het tot aanstelling bevoegde gezag bij de inleiding van de tuchtprocedure en de beslissing omtrent een sanctie en de zwaarte daarvan een juist gebruik heeft gemaakt van zijn beoordelingsbevoegdheid.
183. In dit opzicht werpen de argumenten van requirant de vraag op, of het beginsel van gelijke behandeling in acht is genomen, welk beginsel onder meer inhoudt dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld.
184. Zo bezien, zou dit middel alleen kunnen slagen, als blijkens het arrest anderen in een met die van requirant vergelijkbare situatie anders (gunstiger) zijn behandeld dan hijzelf, of als requirant aannemelijk maakte dat het Gerecht voorbijgegaan is aan hetgeen hij ter zake had gesteld. Dat is echter niet het geval.
185. De beheerder van gelden ter goede rekening is, zoals verweerder onweersproken heeft gesteld(103), niet verantwoordelijk bevonden voor de gevolgen van de inning van de cheques, zodat diens situatie in ieder geval in zoverre anders is dan die van requirant.
186. Wat de ordonnateur betreft, heeft requirant in dit verband geen argumenten aangevoerd die tot de conclusie zouden kunnen leiden, dat het Gerecht (of het tot aanstelling bevoegde gezag) het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden.
187. De in het verzoekschrift in hogere voorziening getrokken vergelijking tussen de behandeling van requirant en die van de financieel controleur is nieuw ten opzichte van het verzoekschrift in eerste aanleg. Zou dit punt aldus moeten worden opgevat, dat het Gerecht aan de desbetreffende stellingen van requirant is voorbijgegaan, dan zou die kritiek in ieder geval niet kunnen slagen. Voorts beroept requirant zich in hogere voorziening enkel op het speciaal verslag van de Rekenkamer. Daarin oefent de Rekenkamer weliswaar kritiek uit op het handelen van de financieel controleur, maar alleen met betrekking tot een bepaalde procedure die bij de boeking van de uit de kas voor de afgevaardigden betaalde kosten, vergoedingen en toelagen werd gevolgd. Met de in casu aan de orde zijnde beschuldigingen heeft dit niets uitstaande.
188. Ook de op algemene beginselen gebaseerde argumenten van requirant moeten daarom worden verworpen, waarbij het niet nodig is naar de door het Gerecht benadrukte "onafhankelijkheid van elke tuchtprocedure" terug te grijpen.
189. Ten slotte heeft requirant het tuchtrechtelijk besluit als misbruik van bevoegdheid aangemerkt, doordat hij voor formele verzuimen is bestraft alsof dit naar behoren bewezen materiële vergrijpen waren. Het Gerecht wees dit argument van de hand. In overeenstemming met de in de vaste rechtspraak vastgelegde definitie van misbruik van bevoegdheid oordeelde het Gerecht, dat requirant geen ter zake dienend bewijs heeft aangevoerd, dat het tot aanstelling bevoegde gezag, door tegen hem een tuchtprocedure in te leiden, een ander doel heeft nagestreefd dan de interne orde van de Europese overheidsdienst veilig te stellen. Dat verzoeker wegens formele onregelmatigheden is teruggezet in rang, volstaat niet als bewijs dat de administratie hem, zoals hij beweert, enkel heeft vervolgd om een zoenoffer te vinden.(104)
190. Requirant erkent, dat de beoordeling van de relevante gegevens aan het Gerecht staat; met betrekking tot de vraag, of het Gerecht tegenover zijn argumenten niet de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden, refereert hij zich aan het oordeel van het Hof.
191. Nu requirant niet nader toelicht, in welk opzicht het Gerecht zijn bevoegdheden zou hebben overschreden, moet ook dit argument en bijgevolg het gehele onderhavige middel worden verworpen.
Schending van het evenredigheidsbeginsel
192. Het Gerecht heeft ook het argument verworpen, dat een flagrante wanverhouding zou bestaan tussen de ernst van de tegen hem aangevoerde grieven en de zwaarte van de hem opgelegde straf. In de eerste plaats heeft het erop gewezen, dat het zijn beoordeling niet voor die van het tot aanstelling bevoegde gezag in de plaats mag stellen, tenzij er sprake zou zijn van een kennelijke fout of van misbruik van bevoegdheid. Voorts bestaat er volgens het Gerecht geen vaste verhouding tussen de in de artikelen 86 tot en met 89 genoemde strafmaatregelen en de diverse vergrijpen waaraan een ambtenaar zich schuldig kan maken. De op te leggen straf moet echter in elk individueel geval berusten op een beoordeling van alle concrete feiten en verzwarende of verzachtende omstandigheden van het betrokken geval te zamen.
193. Uitgaande van dit correcte en door requirant in hogere voorziening niet bestreden beginsel heeft het Gerecht onder meer gewezen op de ernst van de gepleegde verzuimen en op het feit, dat requirant in zijn hoedanigheid van rekenplichtige van de instelling krachtens het Financieel Reglement de eerst verantwoordelijke was voor het goed beheer van de dienst boekhouding.
194. Het Gerecht, aldus requirant, is niet ingegaan op zijn argumenten, dat de hem verweten verzuimen van formele aard waren en dat te zijnen gunste bovendien verzachtende omstandigheden in aanmerking waren genomen. Dit argument komt neer op de klacht, dat het Gerecht de verwerping van die argumenten niet voldoende heeft gemotiveerd.
195. Mij dunkt evenwel, dat het Gerecht deze in eerste aanleg aangevoerde argumenten afdoende heeft beantwoord door op de ernst van de vastgestelde verzuimen te wijzen.
196. Dat geldt in de eerste plaats voor het gestelde "formele karakter" van de verzuimen. Het ligt voor de hand, dat verzuimen van vormvoorschriften van het Financieel Reglement, die strekken tot een goed beheer en de bewaring van de gemeenschapsmiddelen, onder omstandigheden ook ernstige verzuimen kunnen zijn, want ernstige inbreuken op genoemd belang. Dat hangt af van het precieze doel van het overtreden voorschrift, de bedragen waarom het gaat en de situatie waarin het verzuim plaatsvindt. Tegen de wijze waarop het Gerecht op dit punt is ingegaan, valt dus weinig in te brengen.
197. Ten aanzien van het punt van de verzachtende omstandigheden kan men toegeven, dat het meewegen van zulke omstandigheden gewoonlijk in de zwaarte van de sanctie tot uitdrukking komt. De "basissanctie" evenwel (volgens het tuchtrechtelijk besluit ontslag uit de dienst), die op grond van bedoelde omstandigheden eventueel kan worden afgezwakt, wordt bepaald door de ernst van het verzuim. Tegenover het argument van requirant heeft het Gerecht dus een andere, en wel de in verhouding belangwekkendere factor voor de bepaling van de straf in stelling gebracht. Ook hierin kan ik geen motiveringsgebrek zien, temeer omdat het Gerecht slechts behoefde na te gaan, of het tot aanstelling bevoegde gezag niet een klaarblijkelijke fout had gemaakt.
198. Requirant bestrijdt bovendien de overweging van het Gerecht, dat hij als rekenplichtige van de instelling de eerst verantwoordelijke zou zijn geweest voor het goed beheer van de dienst boekhouding. Dat is in tegenspraak met wat het Gerecht elders (in r.o. 203) met betrekking tot de beheerder van gelden ter goede rekening heeft overwogen.
199. Bij de artikelen 20 en 70 van het Financieel Reglement is een bijzondere verantwoordelijkheid toebedeeld aan de rekenplichtige, die overeenstemt met een ° zoals uit de Verdragen blijkt ° hoge positie (zie artikel 209, sub c, E(E)G-Verdrag en de overeenkomstige bepalingen in de andere Verdragen). Vanuit juridisch oogpunt is er niets op tegen, dat deze elementen bij de bepaling van de straf worden meegewogen, zoals het tot aanstelling bevoegde gezag heeft gedaan in het tuchtrechtelijk besluit en het Gerecht bij de toetsing achteraf. Een en ander geldt ongeacht of de rekenplichtige (persoonlijk) materiële voorschriften van het Financieel Reglement heeft overtreden of heeft gefaald in zijn toezichthoudende taak jegens de beheerder van gelden ter goede rekening, welke taak eveneens de bijzondere positie van de rekenplichtige aangeeft.
200. Wanneer in een bijzonder geval (hier dus de opening van de rekening) de beheerder van gelden ter goede rekening naast de rekenplichtige verantwoordelijk kan zijn (namelijk wanneer de eerste zijn materiële verplichtingen verzuimt en de tweede tekortschiet in zijn toezichthoudende taak), verhindert dat niet dat bij de aan de rekenplichtige op te leggen sanctie diens bijzondere positie wordt meegewogen. Anders dan requirant schijnt te denken, is er geen onverenigbaarheid tussen de concrete verantwoordelijkheid van de beheerder als de feitelijk handelende en de bijzondere positie van de rekenplichtige.
201. Ook deze argumenten van requirant moeten dus worden verworpen.
Het verzoek tot instelling van een commissie van deskundigen
202. Naar het Gerecht vaststelde hield dit verzoek in, dat een deskundigenonderzoek zou worden gelast ten einde een advies te verkrijgen over de gegrondheid van de beschuldiging inzake het ontbreken van bewijsstukken voor een bedrag van 4,1 miljoen BFR. Het Gerecht heeft de gevraagde instructiemaatregel niet nodig geacht en daarom geweigerd, onder meer gelet op "alle stukken in het dossier, zoals deze bij het onderzoek door het Gerecht van de gegrondheid van de grief inzake het ontbreken van bewijsstukken (rechtsoverwegingen 195 tot en met 202 van dit arrest) zijn geanalyseerd".(105) Het Gerecht gaf daarmee aan, zoals requirant juist opmerkt, dat het op grond van het feitelijk onderzoek reeds tot de overtuiging was gekomen, dat de gewraakte beschuldiging in het tuchtrechtelijke besluit terecht was.
203. Op dit punt volstaat requirant met een verwijzing naar zijn argument, dat het Gerecht de beschuldiging ten onrechte gegrond heeft bevonden.
204. Ik ben van mening, dat het Gerecht het verzoek om de aangegeven reden mocht weigeren. De Rekenkamer, een ten opzichte van partijen onafhankelijke instelling, had de relevante feiten immers al meermaals onderzocht. Het Gerecht heeft zijn beoordeling onder meer op de bevindingen van de Rekenkamer gebaseerd.
205. Aangezien requirant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de deskundigen nieuwe feiten aan het licht zouden kunnen brengen, is de weigering van het Gerecht niet aantastbaar, dunkt mij.
206. Requirant herhaalt in dit verband nog, dat hij na zijn overplaatsing niet meer het nodige onderzoek heeft kunnen verrichten. Dat argument, gebaseerd op schending van het recht van verweer, had het Gerecht echter al verworpen en deze procedure heeft geen aanwijzingen opgeleverd, dat deze verwerping een schending van het gemeenschapsrecht opleverde.
207. Ten slotte wijst requirant nogmaals op de omstandigheid, dat op het moment van zijn overplaatsing geen rekening en verantwoording is afgelegd. Overigens heeft hij nooit gesteld, dat het achterwege blijven daarvan afbreuk deed aan de bewijskracht van de door het Gerecht geraadpleegde documenten. Los van de vraag, in hoeverre een dergelijke bewering in hogere voorziening aan de orde kan komen, snijdt dit argument daarom geen hout.
208. Ook dit laatste middel, betreffende de door requirant gevraagde instructiemaatregel, moet daarom worden verworpen.
C ° Conclusie
209. Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
° de hogere voorziening af te wijzen;
° requirant te verwijzen in de kosten overeenkomstig artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering.
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) - Jurispr. 1991, blz. II-781.
(2) - Zaak 141/84, De Compte, Jurispr. 1985, blz. 1951.
(3) - In dit verband verwijst het Gerecht naar het arrest van het Hof van 15 juli 1970, zaak 41/69, ACF Chemiefarma, Jurispr. 1970, blz. 661.
(4) - Zaak 141/84 R (De Compte/Parlement, Jurispr. 1984, blz. 2575). Bij deze beschikking werd de eerste tuchtmaatregel ° van 24 mei 1984 ° opgeschort tot de uitspraak in de bodemprocedure.
(5) - Voor de aard van deze termijnen, zie r.o. 88 van het bestreden arrest en hierna paragraaf 53.
(6) - Zie r.o. 60 van het bestreden arrest.
(7) - R.o. 69 van het bestreden arrest.
(8) - Verdrag van 8 april 1965 tot instelling van één Raad en één Commissie van de Europese Gemeenschappen.
(9) - Zie hierna paragraaf 30 en voetnoot 15.
(10) - Zie hierna paragraaf 33 en voetnoot 20.
(11) - Arresten van 5 februari 1987 (zaak 403/85, F., Jurispr. 1987, blz. 645, r.o. 2) en 4 februari 1970 (zaak 13/69, Van Eick, Jurispr. 1970, blz. 3, zie r.o. 8-10); voor de procedurefout waarom het destijds ging, zie het arrest van 11 juli 1968 (zaak 35/67, Van Eick, Jurispr. 1968, blz. 489, 512).
(12) - Aldus ging het tot aanstelling bevoegde gezag in de onderhavige zaak te werk, toen het op 14 januari 1983 de op 30 september 1982 ingeleide procedure introk.
(13) - Zie artikel 168 A E(E)G-Verdrag en artikel 51 van 's Hofs Statuut-E(E)G en de overeenkomstige bepalingen voor de twee andere Gemeenschappen.
(14) - Arrest van 1 oktober 1991 (zaak C-283/90 P, Vidrányi, Jurispr. 1991, blz. I-4339, r.o. 12).
(15) - PB 1984, C 127, blz. 43.
(16) - Bedoeld is de brief van de voorzitter van het Parlement van 6 juni 1983 waarin deze de voorzitter van de commissie voor begrotingscontrole verzoekt, onder verwijzing naar de in de tuchtprocedure ingebrachte beschuldigingen, het besluit tot verlening van kwijting voor 1981 uit te stellen; zie de considerans van het besluit van 10 april 1984 onder letter G alsmede r.o. 13 van het bestreden arrest.
(17) - Zie hierboven, paragraaf 4, tweede en derde streepje.
(18) - Zie r.o. 73 van het bestreden arrest.
(19) - PB 1983, C 161, blz. 98.
(20) - PB 1986, C 227, blz. 154.
(21) - In dit op verzoek van de voorzitter van het Parlement uitgebracht advies achtte de Rekenkamer de rekenplichtige en de beheerder van gelden ter goede rekening aansprakelijk voor het tekort over het begrotingsjaar 1982: zie r.o. 19 en 20 van het bestreden arrest.
(22) - Zie voor het hiernavolgende r.o. 79-81 van het bestreden arrest.
(23) - Op deze datum werd een rapport met de litigieuze beschuldigingen tegen requirant aan de tuchtraad voorgelegd, nadat de in september 1982 ingeleide procedure was ingetrokken: zie boven, paragraaf 2, en r.o. 8 van het bestreden arrest.
(24) - Zie boven, paragraaf 33.
(25) - Zie boven, paragraaf 30.
(26) - Zie boven, paragraaf 4, tweede en derde streepje.
(27) - Zie boven, paragraaf 33.
(28) - Zie boven, paragraaf 20.
(29) - Zie boven, paragraaf 2.
(30) - Zie het arrest van 1 oktober 1991 (zaak C-283/90 P, Vidrányi, Jurispr. 1991, blz. I-4339, r.o. 29).
(31) - Noch het Financieel Reglement (voetnoot 53) noch verordening nr. 75/375 (voetnoot 54) geeft op deze vragen rechtstreeks uitsluitsel.
(32) - Zie boven, paragraaf 30.
(33) - Zie r.o. 185 e.v. van het bestreden arrest, met name ook r.o. 189.
(34) - Zie r.o. 78 van het bestreden arrest.
(35) - Zie boven, paragraaf 39.
(36) - Arrest van 19 juni 1992 (zaak C-18/91 P, V., Jurispr. 1992, blz. I-3997, r.o. 21).
(37) - Zie r.o. 89 van het bestreden arrest.
(38) - Zie vorige voetnoot.
(39) - Zie boven, paragraaf 2.
(40) - Zie r.o. 88 van het bestreden arrest.
(41) - Dit blijkt met stelligheid uit het arrest van 4 februari 1970, Van Eick (zie voetnoot 11).
(42) - Zie r.o. 88 van het bestreden arrest.
(43) - Arrest Van Eick (voetnoot 11), r.o. 7; arrest van 29 januari 1985 (zaak 228/83, F., Jurispr. 1985, blz. 275, r.o. 30).
(44) - Bedoeld wordt kennelijk de brief van 30 september 1982 bij de aanvang van de eerste tuchtprocedure, aangezien de tuchtraad in ditzelfde verband spreekt van de voltooiing van de achtereenvolgende tuchtprocedures .
(45) - In die zin heeft verweerder ook gereageerd, zie r.o. 112 van het bestreden arrest.
(46) - Punt 46 van het verzoekschrift in hogere voorziening.
(47) - In eerste aanleg maakte deze grief deel uit van een (ruimer geformuleerd) middel, waarin requirant inbreuken op het recht van verweer stelde: zie de titel boven r.o. 116 van het bestreden arrest.
(48) - Zie r.o. 124 van het bestreden arrest.
(49) - Zie boven, paragraaf 76.
(50) - Zie r.o. 197 van het bestreden arrest en hierna, de paragrafen 144-148.
(51) - Zie boven paragraaf 73 e.v.
(52) - In overeenstemming met het verzoekschrift, naar ik heb vastgesteld.
(53) - Financieel Reglement van 21 december 1977 van toepassing op de algemene begroting der Europese Gemeenschappen (PB 1977, L 356, blz. 1).
(54) - Verordening nr. 75/375/Euratom, EGKS, EEG van de Commissie van 30 juni 1975 houdende uitvoeringsvoorschriften betreffende een aantal bepalingen van het financieel reglement van 25 april 1973 (PB 1975, L 170, blz. 1).
(55) - R.o. 167 van het bestreden arrest.
(56) - R.o. 153 van het bestreden arrest en punt 56 van het verzoekschrift in hogere voorziening.
(57) - Zie blz. 34 (bovenaan) van het verzoekschrift in hogere voorziening.
(58) - Zie boven, paragrafen 99 en 100.
(59) - Terzijde zij opgemerkt, dat het tot aanstelling bevoegde gezag in de zaak Offermann de opvatting, dat de beheerder van gelden ter goede rekening niet verantwoordelijk kon worden gesteld, heeft verworpen. Het heeft enkel van een tuchtrechtelijke maatregel afgezien, omdat het voor zulk een maatregel geen aanleiding zag: zie bijlage 18 bij het verzoekschrift en r.o. 8 van het arrest van 17 oktober 1991 (zaak T-129/89, Offermann, Jurispr. 1991, blz. II-855).
(60) - Arrest van 24 maart 1993 (zaak C-313/90, CIRFS, Jurispr. 1993, blz. I-1125, r.o. 45).
(61) - Zie arrest van 5 oktober 1988 (gevoegde zaken 260/85 en 106/86, TEC, Jurispr. 1988, blz. 5855, r.o. 18).
(62) - Zie boven, paragraaf 99, eerste streepje.
(63) - T.a.p., derde en vierde streepje.
(64) - Zie hierna, paragrafen 173-178.
(65) - Zie r.o. 171 van het bestreden arrest.
(66) - Zie vorige voetnoot.
(67) - Zie r.o. 152 van het bestreden arrest.
(68) - Zie r.o. 168 van het bestreden arrest en hierboven, paragraaf 95.
(69) - Zie punt 70 van het verzoekschrift in hogere voorziening.
(70) - Cursivering van mij.
(71) - Punt 72, eerste alinea, van het verzoekschrift in hogere voorziening.
(72) - Zie r.o. 13 van het bestreden arrest; PB 1982, C 202, blz. 1.
(73) - Zie r.o. 153 en met name 167-169 van het bestreden arrest.
(74) - Zie r.o. 183 van het bestreden arrest.
(75) - Zie boven, paragraaf 93.
(76) - Zie boven, paragrafen 94-96.
(77) - Zie boven, paragraaf 4, laatste streepje.
(78) - Zie r.o. 195 van het bestreden arrest.
(79) - Nota van 29 oktober 1981; speciaal verslag van 6 juli 1982; advies van 7 november 1985.
(80) - Zie r.o. 201 van het bestreden arrest.
(81) - Zie r.o. 202 van het bestreden arrest.
(82) - Zie punt 76 van het verzoekschrift in hogere voorziening.
(83) - Blz. 45, eerste alinea.
(84) - Cursivering van mij.
(85) - Aldus de stelling van het tot aanstelling bevoegde gezag in r.o. 200 van het bestreden arrest.
(86) - Zie r.o. 37 van het bestreden arrest, sub c.
(87) - Zie punt 77 van het verzoekschrift in hogere voorziening.
(88) - Zie over de motiveringsplicht het arrest van 1 oktober 1991 (zaak C-283/90 P, Vidrányi, Jurispr. 1991, blz. I-4339, r.o. 29), reeds aangehaald in voetnoot 30.
(89) - Zie boven, voetnoot 20.
(90) - Cursivering van mij.
(91) - Zie boven, paragrafen 73-75.
(92) - Zie r.o. 224 van het bestreden arrest.
(93) - Zie hierna, paragraaf 202 e.v.
(94) - Zie r.o. 195 van het bestreden arrest.
(95) - Zie voor een vergelijkbaar geval van een redactiefout in een verordening, het arrest van 24 januari 1991 (zaak C-27/90, SITPA, Jurispr. 1991, blz. I-133, r.o. 13).
(96) - Zie r.o. 193 van het bestreden arrest.
(97) - Zie boven, paragraaf 95.
(98) - Zie r.o. 182 van het bestreden arrest.
(99) - R.o. 167 tot en met 170, 183, 203 en 204.
(100) - R.o. 171 en 172 van het bestreden arrest.
(101) - PB 1982, C 202, blz. 1.
(102) - Zie boven, paragraaf 102 e.v.
(103) - Zie r.o. 193 van het bestreden arrest.
(104) - Zie r.o. 214 van het bestreden arrest.
(105) - Zie r.o. 228 van het bestreden arrest.