61990A0010

ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (DERDE KAMER) VAN 3 DECEMBER 1991. - MICHAEL BOESSEN TEGEN ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITE. - AMBTENAAR - SCHOOLTOELAGE - LEERPLICHT - KOSTEN VAN HET PSYCHOLOGISCH ONDERZOEK. - GEVOEGDE ZAKEN T-10/90 EN T-31/90.

Jurisprudentie 1991 bladzijde II-01365


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1. Ambtenaren - Bezoldiging - Gezinstoelagen - Schooltoelage - Toekenningsvoorwaarden - Daadwerkelijk regelmatig bezoeken van instelling voor lager onderwijs

(Ambtenarenstatuut, bijlage VII, artikel 3)

2. Ambtenaren - Bezoldiging - Gezinstoelagen - Schooltoelage - Schoolkosten - Kosten van psychologisch onderzoek in verband met schoolkeuze - Daaronder begrepen

(Ambtenarenstatuut, bijlage VII, artikel 3)

Samenvatting


1. Artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut moet aldus worden uitgelegd, dat het recht op schooltoelage ontstaat op de eerste dag van de maand waarin het ten laste van de ambtenaar komend kind voor het eerst daadwerkelijk regelmatig een instelling van lager onderwijs bezoekt.

Deze bepaling vereist blijkens haar bewoordingen niet, dat het bezoek van die instelling voor het kind verplicht is op grond van de nationale wetgeving die van toepassing is in de woonplaats van degene die het wettig gezag over het kind heeft. Het enige criterium voor de toekenning van de betrokken schooltoelage is, of het bij het aan het kind gegeven onderwijs gaat om lager onderwijs. De toekenning kan niet worden uitgesloten wanneer het kind een instelling voor lager onderwijs gaat bezoeken vóór de leerplichtige leeftijd.

2. Kosten voor psychologische onderzoeken die het ten laste van een ambtenaar komend kind heeft ondergaan om te bepalen welk schooltype overeenkomt met de capaciteiten en behoeften van dat kind, zijn, gezien hun doel, schoolkosten, die kunnen worden vergoed in het kader van de schooltoelage zoals geregeld in artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut, tot het maximum per maand bedoeld in de eerste alinea van dat artikel.

Partijen


In de gevoegde zaken T-10/90 en T-31/90,

M. Boessen, voormalig ambtenaar van het Economisch en Sociaal Comité, te Maastricht (Nederland), vertegenwoordigd door Ch. M. E. M. Paulussen, advocaat te Maastricht, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Zithe 8,

verzoeker,

tegen

Economisch en Sociaal Comité van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door D. Brueggemann, vervolgens door M. Bermejo Garde, juridisch adviseurs, als gemachtigden, bijgestaan door D. Lagasse en G. Tassin, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, lid van de juridische dienst van de Commissie, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerder,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van twee besluiten van het Economisch en Sociaal Comité, het eerste voor zover daarbij de aanvragen van verzoeker om toekenning van schooltoelage niet geheel zijn ingewilligd, en het tweede voor zover daarbij vergoeding van de kosten van het door zijn dochter met het oog op haar schoolkeuze ondergane psychologisch onderzoek is geweigerd,

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),

samengesteld als volgt: C. Yeraris, kamerpresident, B. Vesterdorf en K. Lenaerts, rechters,

griffier: H. Jung

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 9 juli 1991,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


De feiten van het geding

1 Verzoeker, M. Boessen, is voormalig ambtenaar van het Economisch en Sociaal Comité en geniet een invaliditeitspensioen, dat hem door verweerder is toegekend bij besluit van 20 januari 1981.

2 Verzoeker heeft drie kinderen:

- Yvonne, geboren op 19 november 1982,

- Marc, geboren op 18 augustus 1984, en

- Luc, geboren op 14 februari 1986.

3 Verzoekers kinderen hebben de volgende scholen bezocht:

- Yvonne

Basisschool De Kring te Maastricht (Nederland) gedurende het schooljaar 1986/1987;

idem gedurende het schooljaar 1987/1988;

de Rijksbasisschool te Lanaken (België) gedurende de schooljaren 1988/1989 en 1989/1990.

- Marc

Basisschool De Kring te Maastricht gedurende het schooljaar 1988/1989;

de Rijksbasisschool te Lanaken gedurende het schooljaar 1989/1990.

- Luc

de Rijksbasisschool te Lanaken gedurende het schooljaar 1989/1990.

4 Bij brief van 16 mei 1989 zond verzoeker verweerder drie aanvragen toe om toekenning van de schooltoelage, te weten:

- voor het schooljaar 1986/1987 ten behoeve van Yvonne (Basisschool De Kring);

- voor het schooljaar 1987/1988 ten behoeve van Yvonne (Basisschool De Kring);

- voor het schooljaar 1988/1989 ten behoeve van Yvonne (Rijksbasisschool Lanaken) en ten behoeve van Marc (Basisschool De Kring).

5 Naar aanleiding van de door verzoeker op 16 mei 1989 ingediende aanvragen willigde de administratie bij besluit nr. 191/89 A van 6 juli 1989 enkel de aanvraag in om toekenning van schooltoelage voor het schooljaar 1988/1989 ten behoeve van zijn dochter Yvonne.

6 Bij brief van 30 augustus 1989 diende verzoeker bij verweerder een aanvraag in om toekenning van schooltoelage voor het schooljaar 1989/1990 ten behoeve van zijn kinderen Yvonne, Marc en Luc (school te Lanaken). Uit de stukken blijkt, dat verzoeker zijn aanvragen in die zin beperkte, dat hij verzocht om toekenning van de toelagen vanaf de eerste dag van de maand waarin elk der kinderen de leeftijd van vier jaar bereikte.

7 Op 26 september 1989 verzocht verzoeker, na te hebben herinnerd aan de eerder in zijn brief van 16 mei gedane aanvragen om toekenning van schooltoelage, om vergoeding van een bedrag van 450 HFL ter zake van een psychologisch onderzoek van zijn dochter Yvonne in verband met haar schoolkeuze voor het schooljaar 1988/1989, alsmede om vergoeding van de vervoerskosten voor zijn drie kinderen gedurende dat schooljaar.

8 Op 4 oktober 1989 diende verzoeker tegen besluit nr. 191/89 van verweerder van 6 juli 1989 een klacht in overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Statuut).

9 Bij brief van 23 november 1989 deelde verweerder aan verzoeker mede, dat kinderen van vijf jaar (de leerplichtige leeftijd in Nederland sedert 1 augustus 1985) die de Nederlandse nationaliteit hebben, in aanmerking kunnen komen voor de schooltoelage, indien zij een Nederlandse school bezoeken; dat Yvonne vanaf 1 augustus 1987 aan deze voorwaarde voldeed, doch Marc niet, die een Belgische school bezocht en de in België geldende leerplichtige leeftijd van zes jaar nog niet had bereikt. Verweerder willigde de aanvraag om vergoeding van vervoerskosten in voor zover er naar zijn oordeel recht op de schooltoelage bestond. Verweerder deelde verzoeker voorts mede, dat vergoeding van de kosten van het psychologisch onderzoek een zaak van de ziektekostenverzekering was.

10 Bij besluit nr. 396/89 A van 6 december 1989 wijzigde verweerder zijn besluit van 6 juli 1989 aldus, dat hij voor Yvonne Boessen ook de aangevraagde schooltoelage voor het schooljaar 1987/1988 toekende.

11 Op 26 januari 1990 diende verzoeker een klacht in tegen de in de brief van 23 november 1989 vervatte afwijzing van zijn verzoek om vergoeding van de kosten van psychologisch onderzoek van zijn dochter Yvonne, alsook tegen het besluit van 6 december 1989, voor zover daarbij zijn aanvragen om toekenning van de schooltoelage niet geheel waren ingewilligd.

Het procesverloop

12 In die omstandigheden heeft verzoeker op 22 februari 1990 een beroep ingesteld bij het Gerecht, dat onder nr. T-10/90 is ingeschreven, en waarin hij in hoofdzaak verzoekt om nietigverklaring van het besluit van 6 december 1989, voor zover daarbij zijn aanvragen van 16 mei 1989 niet zijn ingewilligd. Op 10 juli 1990 heeft verzoeker een tweede beroep ingesteld, dat is ingeschreven onder nr. T-31/90, en waarin hij in hoofdzaak verzoekt om nietigverklaring van het afwijzende besluit op zijn aanvragen van 30 augustus en 26 september 1989.

13 De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad. Op verzoek van partijen heeft het Gerecht bij beschikking van 13 november 1990 de zaken voor de mondelinge behandeling en het arrest gevoegd.

14 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten de Belgische en de Nederlandse regering de volgende vragen te stellen:

1) Vanaf welke leeftijd is een kind leerplichtig?

2) Welke jaren van het lager onderwijs zijn verplicht?

3) In voorkomend geval, welke jaren van de kleuterschool zijn verplicht?

15 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

De Belgische en de Nederlandse wettelijke regeling van de leerplicht

16 In antwoord op de door het Gerecht gestelde vragen heeft de Belgische regering de volgende informatie gegeven:

"1) Voor minderjarigen van vreemde nationaliteit die in België (Vlaanderen) verblijven samen met de personen die de ouderlijke macht over hen uitoefenen of de bewaring over hen hebben, geldt de toepassing van de wet betreffende de leerplicht (van 29 juli 1983) vanaf de zestigste dag na die waarop zij werden ingeschreven in het vreemdelingen- of in het bevolkingsregister van de gemeente van hun verblijfplaats.

2) De leerplicht in België vangt aan met de eerste dag van het schooljaar waarin de minderjarige de leeftijd van zes jaar bereikt en eindigt op het einde van het schooljaar in het jaar tijdens hetwelk hij achttien wordt.

3) In principe begint elk kind de leerplichtcontrole in het eerste leerjaar van het lager onderwijs. Het kan echter ook:

- het eerste leerjaar van het lager onderwijs volgen vanaf de leeftijd van vijf jaar, maar dan zonder aan de verplichtingen van de leerplicht te zijn onderworpen (o.a. dagelijkse schoolbijwoning);

- het eerste jaar van de leerplicht doorbrengen in het kleuteronderwijs, in welk geval het verplicht is regelmatig de school bij te wonen.

(...)."

17 De Nederlandse regering heeft over de leerplicht in het Nederlandse onderwijsstelsel de volgende opmerkingen ingediend:

"Voor de onderhavige problematiek zijn de Leerplichtwet 1969 (Stb. 1971, 406) en de Wet op het basisonderwijs (Stb. 1986, 256) van belang.

Krachtens de Leerplichtwet is de leerplicht tweeledig. In de eerste plaats moeten de ouders ervoor zorgen dat de minderjarige, zolang hij of zij binnen de leerplichtige leeftijd valt, op een school is ingeschreven. In de tweede plaats zijn de ouders verplicht ervoor te zorgen, dat de minderjarige de school waar hij is ingeschreven, geregeld bezoekt.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 begint de verplichting om ervoor te zorgen, dat een minderjarige als leerling van een school is ingeschreven, op de eerste schooldag van de maand, volgende op die waarin de minderjarige de leeftijd van vijf jaar heeft bereikt. Het tweede lid van artikel 3 van de Leerplichtwet 1969 bepaalt dat de verplichting tot inschrijving eindigt aan het einde van het schooljaar na afloop waarvan de minderjarige ten minste twaalf volledige schooljaren één of meer scholen heeft bezocht, dan wel aan het einde van het schooljaar waarin de minderjarige de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt.

De verplichting om ervoor te zorgen, dat een minderjarige de school waar hij is ingeschreven, geregeld bezoekt, begint op de dag waarop hij na inschrijving op die school kan plaatsnemen, en eindigt tegelijk met de verplichting om te zorgen, dat hij als leerling van een school is ingeschreven (artikel 4).

Sinds de inwerkingtreding van de Wet op het basisonderwijs met ingang van 1 augustus 1985 kent Nederland geen afzonderlijk lager onderwijs meer, maar zijn de voorheen bestaande afzonderlijke onderwijsvormen kleuteronderwijs en lager onderwijs samengevoegd in het basisonderwijs.

Ingevolge artikel 2 van de Wet op het basisonderwijs is het basisonderwijs bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van omstreeks vier jaar. De toelating is nader geregeld in het Toelatingsbesluit Wet op het basisonderwijs (Stb. 1984, 527). Artikel 1 van dit besluit bepaalt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling tot een basisschool te kunnen worden toegelaten.

Vergelijking van de Wet op het basisonderwijs en de Leerplichtwet 1969 leert derhalve dat de toelatingsleeftijd tot de basisschool (vanaf de leeftijd van vier jaar) niet samenvalt met het begin van de leerplicht (vanaf de leeftijd van vijf jaar). De achtergrond van dit verschil is dat men destijds meende te moeten aansluiten bij de ontwikkelingen ten tijde van de jaren vóór de inwerkingtreding van de Wet op het basisonderwijs, waarbij vrijwel alle vijfjarigen de voormalige kleuterschool bezochten.

De duur van het volgen van basisonderwijs is bepaald in artikel 11, eerste lid, van de Wet op het basisonderwijs. Dit artikel bepaalt dat leerlingen in beginsel binnen een tijdvak van acht aaneensluitende jaren de school kunnen doorlopen. De leerling verlaat de basisschool echter, wanneer naar het oordeel van de directeur - mits hierover met de ouders overeenstemming bestaat - voldoende grondslag is gelegd voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs. Dit zal in het algemeen het geval zijn wanneer de leerling twaalf jaar is. In elk geval verlaten leerlingen de basisschool aan het einde van het schooljaar waarin zij de leeftijd van 14 jaar hebben bereikt (artikel 4, tweede lid, van voornoemd Toelatingsbesluit)."

Conclusies van partijen

18 In zaak T-10/90,

concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage:

- besluit nr. 396/89 A van de secretaris-generaal van het Economisch en Sociaal Comité nietig te verklaren, doch slechts voor zover daarbij afwijzend is beslist op verzoekers aanvragen van 16 mei 1989;

- te bepalen dat verweerder aan verzoeker alsnog de schooltoelagen dient toe te kennen en te betalen, waarom verzoeker bij zijn aanvragen van 16 mei 1989 had verzocht;

- verweerder te veroordelen in de kosten van het geding.

Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:

- het beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren;

- bijgevolg het verzoek af te wijzen;

- kosten rechtens.

19 In zaak T-31/90,

concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage:

- het stilzwijgend besluit tot afwijzing van verweerder nietig te verklaren, voor zover daarbij afwijzend is beslist op verzoekers aanvragen van 30 augustus en 26 september 1989;

- te bepalen dat verweerder aan verzoeker alsnog dient toe te kennen en te betalen:

1) de forfaitaire schooltoelage ten behoeve van Marc, ingaande 1 augustus 1989 ter continuering van de schooltoelage welke door verzoeker reeds werd aangevraagd ter zake van het schooljaar 1988/1989, doch vanaf 1 augustus 1989 tevens vermeerderd met reiskosten;

2) de forfaitaire schooltoelage, vermeerderd met reiskosten, ten behoeve van Luc, ingaande 1 februari 1990;

3) ten behoeve van Yvonne de kosten van de psychologische onderzoeken ten bedrage van 450 HFL, gemaakt in het schooljaar 1988/1989;

- een en ander met veroordeling van verweerder in de kosten van het geding.

Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:

- de (beide) beroepen ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren;

- bijgevolg het verzoek af te wijzen;

- in ieder geval de kosten van een der gedingen ten laste van verzoeker te laten, aangezien verzoeker twee maal dezelfde principiële vraag aan het Gerecht heeft voorgelegd.

Ten gronde

20 Alvorens de stellingen van partijen weer te geven en de gegrondheid daarvan te onderzoeken, lijkt het nuttig de bepalingen in herinnering te brengen die het rechtskader van het geding vormen.

21 Artikel 3 van bijlage VII van het Statuut bepaalt:

"De ambtenaar geniet, ten behoeve van ieder (...) te zijnen laste komend kind dat regelmatig volledig dagonderwijs volgt bij een onderwijsinstelling, een schooltoelage ten bedrage van de werkelijk door hem gedragen schoolkosten, tot ten hoogste (...) per maand.

(...)"

De Algemene uitvoeringsbepalingen betreffende de voorwaarden voor toekenning van de schooltoelage (hierna: Algemene bepalingen), door verweerder vastgesteld bij besluit nr. 738/75 A van 24 februari 1975 en gewijzigd bij besluit nr. 1544/78 A van 28 juni 1978 bepalen onder meer:

"Artikel 2

Het recht op de schooltoelage gaat in op de eerste dag van de maand waarin het kind voor het eerst een instelling voor lager onderwijs gaat bezoeken en eindigt aan het einde van de maand waarin niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van deze toelage,uiterlijk aan het einde van de maand waarin het de leeftijd van 26 jaar bereikt (...)"

"Artikel 3

Tot het maximum voorzien in artikel 3, eerste en derde alinea, van bijlage VII bij het Statuut, omvat de schooltoelage:

a) inschrijvingskosten en examengelden voor onderwijsinstellingen;

b) vervoerskosten in verband met het gebruik van een openbaar of particulier vervoermiddel ten dienste van de school;

c) verplichte kosten onder meer in verband met de aanschaf van boeken, lesmateriaal, sportuitrusting, schoolverzekering, medische kosten en andere kosten in verband met het volgen van het lesrooster van de bezochte onderwijsinstelling;

d) de kosten voortvloeiende uit de deelneming van het kind aan een wintersportvakantie, een vakantie aan zee of een vakantie in een gezonde omgeving."

"Artikel 4 (basis- en voortgezet onderwijs)

1. a) De in artikel 3, sub a, b en d bedoelde kosten worden na overlegging van bewijsstukken vergoed. Deze vergoeding geschiedt hetzij door maandelijkse uitbetaling van een twaalfde van de totale kosten, hetzij door uitbetaling ineens van de tijdens het cursusjaar gemaakte kosten.

b) Wordt niet van de in artikel 3, sub b genoemde vervoermiddelen gebruik gemaakt, dan wordt de vergoeding berekend op grondslag van de kosten van het abonnement van het goedkoopste normale openbare vervoermiddel of van het goedkoopste openbare of particuliere vervoermiddel ten dienste van de school dat het traject van huis naar school langs de kortste weg aflegt.

2. De in artikel 3, sub c bedoelde kosten worden vergoed door maandelijkse uitbetaling van een vaste toelage; deze bedraagt:

- voor kinderen jonger dan 11 jaar: 36 %

- voor kinderen ouder dan 11 jaar: 50 %

van het in artikel 3, eerste alinea, van bijlage VII bij het Statuut genoemde bedrag.

3. Zijn de in artikel 3 bedoelde kosten hoger dan de in lid 2 genoemde toelage, dan worden deze na overlegging van bewijsstukken vergoed met als maximum het in artikel 3, eerste alinea, van bijlage VII bij het Statuut vermelde bedrag.

4. (...)"

De verzoeken om schooltoelage

22 Verzoeker merkt op, dat in de relevante bepalingen van het Statuut geen minimumleeftijd wordt genoemd die een ten laste komend kind moet hebben bereikt om voor toekenning van de schooltoelage in aanmerking te komen. Artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut vereist alleen, dat het kind "regelmatig volledig onderwijs volgt bij een onderwijsinstelling". Sinds de inwerkingtreding van de Wet op het basisonderwijs wordt in Nederland geen onderscheid meer gemaakt tussen kleuteronderwijs en lager onderwijs, waarvoor in de plaats is gesteld het basisonderwijs.

23 Yvonne, Marc en Luc voldeden zijns inziens respectievelijk vanaf 1 november 1986, 1 augustus 1988 en 1 februari 1990 aan het criterium van artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut; dit zijn de data die overeenstemmen met de leeftijd waarop zij naar Nederlands recht het basisonderwijs kunnen gaan volgen. In dit verband acht verzoeker het niet van belang, dat hij om persoonlijke redenen er de voorkeur aan heeft gegeven, Luc en Marc het basisonderwijs aan een Belgische school te laten volgen.

24 De instellingen van de Europese Gemeenschappen, aldus verzoeker verder, voorzien zelf niet in onderwijs, zodat het voor de hand ligt om ter bepaling van de juiste draagwijdte en betekenis van het begrip "lager onderwijs" aansluiting te zoeken bij de toepasselijke nationale wetgeving. Noch in artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut noch in de Algemene bepalingen valt te lezen, dat de schooltoelage pas verschuldigd is vanaf het moment waarop het kind verplicht is onderwijs te volgen.

25 Verweerder stelt voorop, dat de beroepen ten doel hebben te doen vaststellen, vanaf welke datum verzoeker recht heeft op de in geding zijnde schooltoelagen.

26 De relevante bepalingen behoren tot het gemeenschapsrecht, zodat zij zijn onderworpen aan communautaire uitlegging en niet aan uitlegging in het licht van de wetgeving van de Lid-Staten. De ratio van artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut is, dat de schooltoelage verschuldigd is vanaf het moment waarop het kind verplicht is onderwijs te volgen. De lagere school dient dus te worden beschouwd als die welke overeenstemt met de "eerste verplichte school". Indien het kind een Belgische school bezoekt, zal de leerplichtige leeftijd in België als criterium dienen voor de toekenning van de schooltoelage. Een kind van vier jaar kan in België geen lagere school bezoeken volgens verweerder, omdat de Belgische wetgeving het hem verbiedt. Het standpunt van verzoeker zou leiden tot discriminatie tussen kinderen van verschillende nationaliteit die dezelfde leeftijd hebben en hetzelfde onderwijs op dezelfde school bezoeken.

27 Gelet op deze argumenten herinnert het Gerecht eraan, dat het recht op de schooltoelage zoals dat in artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut is voorzien, ontstaat op de eerste dag van de maand waarin het kind voor het eerst een instelling voor lager onderwijs gaat bezoeken. Deze bepaling vereist blijkens haar bewoordingen niet, dat het bezoek van die instelling voor het kind verplicht is, en er is ook geen andere grond van feitelijke of juridische aard om aan te nemen, dat toekenning van de schooltoelage is uitgesloten wanneer het kind een instelling voor lager onderwijs gaat bezoeken vóór de leerplichtige leeftijd. Deze uitlegging wordt bevestigd doordat volgens artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut het recht op de toelage eerst eindigt aan het einde van de maand waarin het kind de 26-jarige leeftijd bereikt, dat wil zeggen verscheidene jaren na het einde van de leerplicht.

28 Ingevolge deze uitlegging van de betrokken bepaling ontstaat het recht op de toelage zodra het kind daadwerkelijk en regelmatig een instelling voor lager onderwijs bezoekt, ook zonder dat de verplichting daartoe bestaat op grond van de nationale wetgeving die van toepassing is in de woonplaats van degene die het wettig gezag over het kind heeft. Het enige criterium is dus, of het bij het aan het kind gegeven onderwijs gaat om lager onderwijs.

29 Boessen, die in Nederland woont, is onderworpen aan de Nederlandse wetgeving krachtens welke hij ervoor moet zorgen, dat zijn kinderen zijn ingeschreven op een school en dat zij deze regelmatig bezoeken. Deze verplichting gaat in op de eerste schooldag van de maand volgend op die waarin het kind de leeftijd van vijf jaar heeft bereikt. Volgens deze regeling kan Boessen aan die verplichting voldoen door zijn kinderen als leerling in te schrijven op een buiten Nederland gelegen school en door ervoor te zorgen, dat zij die school regelmatig bezoeken. De verplichting als zodanig blijft dezelfde.

De door Yvonne en Marc op een Nederlandse school vervulde schooljaren vóór de vijfjarige leeftijd (de leerplichtige leeftijd in Nederland)

30 In de onderhavige zaken blijkt uit de stukken en het antwoord van de Nederlandse regering op de door het Gerecht gestelde vragen, dat het op een Nederlandse basisschool gegeven onderwijs voldoet aan het criterium "lager onderwijs" van artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut.

31 Mitsdien verzoekt verzoeker terecht om toekenning van de schooltoelage voor zijn kinderen Yvonne en Marc voor de schooljaren waarin zij vanaf hun vierde jaar een basisschool in Nederland hebben bezocht, namelijk het schooljaar 1986/1987 voor Yvonne en het jaar 1988/1989 voor Marc.

De door Marc en Luc op een Belgische school vervulde schooljaren vóór de leeftijd van zes jaar (de leerplichtige leeftijd in België)

32 Met betrekking tot de schooljaren waarin deze kinderen een onderwijsinstelling in België hebben bezocht, moet worden opgemerkt, dat de Nederlandse autoriteiten blijkens de stukken het in België gegeven onderwijs als gelijkwaardig aan het op een Nederlandse basisschool gegeven onderwijs hebben erkend wat betreft de nakoming van de verplichting van Boessen om zijn kinderen, zodra zij de leeftijd van vijf jaar hadden bereikt, op een school in te schrijven en ervoor te zorgen dat zij deze regelmatig bezoeken.

33 Mitsdien is de schooltoelage ook verschuldigd voor Marc over het schooljaar 1989/1990.

34 Blijkens de stukken en het antwoord van de Belgische regering op de door het Gerecht gestelde vragen was het door Luc tijdens het schooljaar 1989/1990 op de Rijksbasisschool te Lanaken genoten onderwijs kleuteronderwijs. In die omstandigheden moet worden geoordeeld, dat het criterium van artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut niet is vervuld. Mitsdien was aan de voorwaarden voor toekenning van de schooltoelage niet voldaan en moet het verzoek van verzoeker in zoverre worden afgewezen.

35 De bestreden besluiten moeten derhalve worden nietigverklaard voor zover daarbij aan verzoeker de schooltoelage voor Yvonne over het schooljaar 1986/1987 en voor Marc over de schooljaren 1988/1989 en 1989/1990 wordt geweigerd. Mitsdien moet verweerder worden veroordeeld tot betaling van de betrokken schooltoelagen aan verzoeker.

Vergoeding van de kosten van psychologisch onderzoek

36 Volgens verzoeker behoren de kosten van het psychologisch onderzoek dat zijn dochter met het oog op haar schoolkeuze heeft ondergaan, tot de niet-forfaitaire schoolkosten die tegen overlegging van bewijsstukken worden vergoed. De onderzoeken waren uitsluitend van pedagogische aard en waren verzoeker aangeraden door de directeur van de school. Het gaat hier dus niet om medische kosten of om kosten van een psychologisch onderzoek in het kader van een medische behandeling.

37 Artikel I, sub 3, van bijlage I bij de Regeling inzake de Ziektekostenverzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: Ziektekostenregeling,) die door de instellingen van de Gemeenschap is vastgesteld, voorziet slechts in terugbetaling van de kosten van psychologische onderzoeken "in het kader van een geneeskundige behandeling". Aangezien het in artikel XV van die bijlage gaat om een "restpost" van medische verstrekkingen, kan ook daarop geen terugbetaling worden gebaseerd, omdat het hier gaat om pedagogisch/psychologische verstrekkingen. Bedoelde kosten zouden dus indien daartoe een verzoek was ingediend, niet zijn terugbetaald door de ziektekostenverzekering, omdat het geen medische kosten zijn.

38 Volgens verzoeker gaat het om buitengewone schoolkosten zoals bedoeld in artikel 3, sub a, b en d, van de Algemene bepalingen, die overeenkomstig artikel 4 van die bepalingen worden vergoed na overlegging van bewijsstukken. Genoemd artikel 4 bepaalt, dat de in artikel 3, sub a, b en d, bedoelde kosten worden vergoed hetzij door maandelijkse uitbetaling van een twaalfde van de totale kosten, hetzij door uitbetaling ineens van de tijdens het cursusjaar gemaakte kosten.

39 Verweerder betoogt, dat de betrokken kosten op grond van artikel XV van bijlage 1 bij de Ziektekostenregeling voor 80 % zouden zijn terugbetaald, indien verzoeker tijdig om voorafgaande toestemming had gevraagd. De aard van de kosten wordt niet bepaald door de overheid op wiens gezag of aanraden die kosten worden gemaakt, doch door de bestanddelen van de te vergoeden kosten. De tussenkomst van een psycholoog is en blijft derhalve een medische aangelegenheid.

40 In het verweerschrift heeft verweerder gesteld, dat de in artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut bedoelde schooltoelage enkel de gewone schoolkosten dekt en dat, nu onderhavige psychologische tests geen gewone schoolkosten zijn, deze niet als schoolkosten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. In dupliek heeft verweerder betoogd, dat voor het geval verzoekers standpunt over de aard van de kosten van de psychologische tests juist zouden zijn, deze kosten onder de categorie kosten vallen, bedoeld in artikel 3, sub c, van de Algemene bepalingen, welke gedekt zijn door de schooltoelage en die volgens artikel 4, sub 3, van de Algemene uitvoeringsbepalingen door middel van een forfaitaire uitkering worden vergoed.

41 In verband met deze stellingen zij allereerst opgemerkt, dat dit aspect van het geschil draait om de vraag, of de door verzoeker gemaakte kosten voor het psychologisch onderzoek dat zijn dochter met het oog op haar schoolkeuze heeft ondergaan, al dan niet onder de schoolkosten vallen die kunnen worden vergoed in het kader van de in artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut bedoelde schooltoelage.

42 Het Gerecht stelt vast, dat de betrokken kosten zijn gemaakt om te bepalen, welk schooltype overeenkwam met de capaciteiten en behoeften van verzoekers dochter. Dergelijke kosten zijn, gezien hun doel, schoolkosten. Zij vallen noch onder artikel 3, sub a, noch onder artikel 3, sub b of d, van de Algemene bepalingen. Zij kunnen evenwel worden vergoed krachtens artikel 3, sub c, dat op grond van zijn niet-limitatieve formulering de verschillende kosten omvat die verband houden met de uitvoering van het leerplan van de bezochte onderwijsinstelling.

43 Volgens artikel 4, lid 2, van diezelfde bepalingen worden de in artikel 3, sub c, bedoelde kosten vergoed door maandelijkse uitbetaling van een vaste toelage gelijk aan een percentage van het bedrag bedoeld in artikel 3, eerste alinea, van bijlage VII bij het Statuut.

44 Ingevolge artikel 4, lid 3, van de Algemene bepalingen worden de in artikel 3 bedoelde kosten, indien zij hoger zijn dan de in lid 2 genoemde toelage, na overlegging van bewijsstukken vergoed met als maximum het in artikel 3, eerste alinea, van bijlage VII bij het Statuut vermelde bedrag.

45 Mitsdien heeft verzoeker recht op vergoeding van de kosten van het door zijn dochter ondergane psychologisch onderzoek, voor zover die vergoeding, vermeerderd met de aan verzoeker krachtens artikel 4, lid 2, van de Algemene bepalingen uitbetaalde vaste toelage en eventueel met de overeenkomstig lid 3 van dat artikel na overlegging van bewijsstukken uitbetaalde vergoeding voor andere kosten, niet het maximum te boven gaat als bedoeld in artikel 3, eerste alinea, van bijlage VII bij het Statuut (zie in deze zin eveneens het arrest van het Hof van 7 februari 1980, zaak 43/79, Mencarelli, Jurispr. 1980, blz. 201).

46 Mitsdien moeten de bestreden besluiten worden nietigverklaard voor zover daarbij aan verzoeker vergoeding van de kosten van psychologisch onderzoek wordt geweigerd.

47 Aangezien het Gerecht uit de door partijen overgelegde stukken niet kan opmaken of het bedrag van 450 HFL, waarvan verzoeker vergoeding vraagt, genoemd maximum te boven gaat, moet voor recht worden verklaard, dat verweerder de voor het psychologisch onderzoek gemaakte kosten aan verzoeker dient te vergoeden tot een bedrag van 450 HFL, met inachtneming van het bij artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut vastgestelde maximum.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

48 Ingevolge het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd, tenzij door haar toedoen aan de wederpartij kosten zijn opgekomen die naar het oordeel van het Gerecht nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt. Daar verweerder in hoofdzaak in het ongelijk is gesteld, moet hij worden verwezen in de kosten van beide zaken, waarvan het voorwerp niet identiek is.

Dictum


HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG

(Derde kamer),

rechtdoende:

1) Verklaart nietig besluit nr. 191/89 A van 6 juli 1989 en besluit nr. 396/89 A van 6 december 1989 van het Economisch en Sociaal Comité, voor zover daarbij aan verzoeker de schooltoelage wordt geweigerd voor zijn dochter Yvonne over het schooljaar 1986/1987 en voor zijn zoon Marc over de schooljaren 1988/1989 en 1989/1990, en voor zover daarbij vergoeding wordt geweigerd van de kosten van het door zijn dochter Yvonne met het oog op haar schoolkeuze ondergane psychologisch onderzoek.

2) Veroordeelt het Economisch en Sociaal Comité om aan verzoeker de betrokken schooltoelagen uit te betalen en om hem de kosten van het psychologisch onderzoek te vergoeden tot een bedrag van 450 HFL, met inachtneming van het in artikel 3 van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut vastgestelde maximum.

3) Verwerpt het beroep voor het overige.

4) Verwijst het Economisch en Sociaal Comité in de kosten.