BESCHIKKING VAN HET HOF VAN 4 JUNI 1991. - KONINKLIJKE PTT NEDERLAND NV EN PTT POST BV TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - BEVOEGDHEID VAN HET HOF. - ZAAK C-66/90.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-02723
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
++++
Procedure - Bevoegdheidsverdeling tussen Hof en Gerecht van eerste aanleg - Bij Hof aanhangig beroep krachtens artikel 173, tweede alinea, ingesteld door natuurlijke of rechtspersoon en betreffende toepassing van op ondernemingen toepasselijke mededingingsregels - Verwijzing naar Gerecht van eerste aanleg
(Besluit 88/591 van de Raad, art. 3, lid 1, sub c; Statuut Hof van Justitie EEG, art. 47, tweede alinea)
In zaak C-66/90,
Koninklijke PTT Nederland NV en PTT Post BV, vertegenwoordigd door M. C. E. J. Bronckers en P. V. F. Bos, advocaten te Rotterdam, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Loesch et Wolter, advocaten aldaar, Rue Zithe 8,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur J. H. J. Bourgeois en B. Jansen en B. J. Drijber, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Nederlandse Vereniging van Internationale Koeriers- en Expresbedrijven en Nationale Organisatie voor het Beroepsgoederenvervoer Wegtransport, verenigingen naar Nederlands recht, vertegenwoordigd door M. J. Geus, advocaat te 's-Gravenhage, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij L. Dupong, Rue des Bains 14A,
European Express Organisation, vereniging naar Frans recht, vertegenwoordigd door R. Wojtek, advocaat te Hamburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij P. Palinkas, Rue Paul Wilwertz 38,
Association of European Express Carriers, vereniging naar Belgisch recht, vertegenwoordigd door I. G. F. Cath, advocaat te 's-Gravenhage, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij L. Dupong, Rue des Bains 14A,
interveniënten,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 90/16/EEG van de Commissie van 20 december 1989 inzake het verrichten van koeriersdiensten in Nederland (PB 1990, L 10, blz. 47),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini, T. F. O' Higgins, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias en M. Díez de Velasco, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. A. Schockweiler, F. Grévisse, M. Zuleeg en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven,
griffier: J.-G. Giraud,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 15 maart 1990, hebben Koninklijke PTT Nederland NV en PTT Post BV krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van beschikking 90/16/EEG van de Commissie van 20 december 1989 inzake het verrichten van koeriersdiensten in Nederland (PB 1990, L 10, blz. 47).
2 Luidens artikel 3, lid 1, sub c, van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1), oefent het Gerecht, in eerste aanleg, de bevoegdheden uit die door de Verdragen tot oprichting van de Gemeenschappen en door de handelingen ter uitvoering daarvan aan het Hof van Justitie zijn opgedragen, ten aanzien van de beroepen, krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag door natuurlijke of rechtspersonen ingesteld tegen een instelling van de Gemeenschappen en betreffende de toepassing van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels.
3 Volgens artikel 47, tweede alinea, van zijn Statuut-EEG verwijst het Hof, wanneer het vaststelt dat een beroep tot de bevoegdheid van het Gerecht behoort, de zaak naar het Gerecht, dat zich dan niet onbevoegd kan verklaren.
4 Aangezien het in zaak C-66/90 gaat om een beroep, krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag door een rechtspersoon ingesteld tegen een instelling van de Gemeenschappen en betreffende de toepassing van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels, neergelegd in de eerste afdeling van hoofdstuk 1 van titel I van het derde deel van het EEG-Verdrag, moet het Hof ingevolge artikel 47, tweede alinea, van zijn Statuut-EEG vaststellen dat dit beroep tot de bevoegdheid van het Gerecht behoort, en de zaak naar het Gerecht verwijzen.
5 Er zij evenwel op gewezen, dat het Koninkrijk der Nederlanden bij op 2 maart 1990 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift krachtens artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag eveneens verzocht heeft om nietigverklaring van voornoemde beschikking 90/16 (zaak C-48/90, Nederland/Commissie).
6 Krachtens artikel 47, derde alinea, van zijn Statuut-EEG heeft het Hof besloten de behandeling van de bij hem aanhangige zaak C-48/90 niet te schorsen.
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
1) Zaak C-66/90 (Koninklijke PTT Nederland NV en PTT Post BV/Commissie van de Europese Gemeenschappen) wordt naar het Gerecht van eerste aanleg verwezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 4 juni 1991.