ARREST VAN HET HOF VAN 20 JANUARI 1993. - EMERALD MEATS LTD TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - COMMUNAUTAIRE TARIEFCONTINGENTEN VOOR BEVROREN RUNDVLEES - BEHEER DOOR COMMISSIE. - GEVOEGDE ZAKEN C-106/90, C-317/90 EN C-129/91.
Jurisprudentie 1993 bladzijde I-00209
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Gemeenschappelijk douanetarief ° Communautaire tariefcontingenten ° Bevroren rundvlees ° Beheer van contingenten ° Verdeling van bevoegdheden tussen Lid-Staten en Commissie
(Verordeningen nrs. 3889/89 en 3838/90 van de Raad; verordeningen nrs. 4024/89 en 3885/90 van de Commissie)
2. Gemeenschappelijk douanetarief ° Communautaire tariefcontingenten ° Bevroren rundvlees ° Termijn waarbinnen Lid-Staten aan Commissie moeten meedelen voor welke hoeveelheden geen aanvragen zijn ingediend ° Geen dwingende termijn ° Verplichting van Commissie tot herverdeling
(Verordening nr. 3889/89 van de Raad, art. 3)
3. Gemeenschappelijk douanetarief ° Communautaire tariefcontingenten ° Bevroren rundvlees ° Verdeling van hoofdcontingent tussen verschillende importeurs die aanvragen hebben ingediend ° Meerdere handelaren die stellen, dezelfde referentiehoeveelheid te hebben ingevoerd ° Beheersbevoegdheden van Commissie ° Aan betrokken importeurs opgelegde verplichting tot stellen van zekerheid ° Toelaatbaarheid
(Verordening nr. 3885/90 van de Commissie, art. 5, en verordening nr. 519/91 van de Commissie, art. 2)
1. Bij de verordeningen nrs. 3889/89 en 3838/90 betreffende de opening en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor bevroren rundvlees voor respectievelijk de jaren 1990 en 1991, en de uitvoeringsverordeningen nrs. 4024/89 en 3885/90 is, wat het beheer van deze contingenten betreft, een verdeling van taken en bevoegdheden tussen de Lid-Staten en de Commissie ingevoerd. In het kader daarvan moeten de door de Lid-Staten aangewezen instanties de aanvragen in ontvangst nemen en, op basis van de door de betrokkenen overgelegde bewijsstukken, de lijst opstellen van degenen die voor de regeling in aanmerking komen, met daarbij de betrokken hoeveelheden. De Commissie dient enkel na te gaan of een aanvrager niet op meer dan één lijst voorkomt, en te bepalen in welke mate, gelet op de in de verschillende nationale lijsten vermelde hoeveelheden en op het totaal van het te verdelen contingent, de nationale instanties aan de door hen goedgekeurde aanvragen kunnen voldoen. Zij is niet verplicht en heeft evenmin de mogelijkheid om de juistheid van de lijsten of de haar door de instanties van de Lid-Staten verstrekte gegevens te controleren, en zij verdeelt of herverdeelt de hoeveelheden niet zelf onder de rechthebbenden.
Een dergelijke taakverdeling is niet in strijd met de bedoeling van de Raad, zoals geformuleerd in de overwegingen van de verordeningen nrs. 3889/89 en 3838/90, om een gemeenschappelijke beheerswijze van de betrokken tariefcontingenten tot stand te brengen. Deze beheerswijze kan namelijk beperkt blijven tot een gedecentraliseerd beheer, waarbij de autoriteiten van de Lid-Staten zijn betrokken en waarbij de handelaren hun aanvragen in de Lid-Staat van hun keuze mogen indienen en deze aanvragen volgens eenvormige, in de gehele Gemeenschap toepasselijke regels worden behandeld. Dit houdt dan ook niet in, dat de Commissie in concrete gevallen noodzakelijkerwijze onjuiste beslissingen van de nationale autoriteiten bij de uitoefening van de hun verleende bevoegdheden moet kunnen corrigeren.
2. De in artikel 3 van verordening nr. 3889/89 aan de Lid-Staten gestelde termijn waarbinnen zij de Commissie moeten meedelen voor welke hoeveelheden van het communautair tariefcontingent voor bevroren rundvlees in de eerste acht maanden van het lopende jaar nog geen aanvragen zijn ingediend, zulks met het oog op de herverdeling van deze hoeveelheden, is geen uiterste termijn en de niet-naleving ervan door een Lid-Staat ontslaat de Commissie niet van haar verplichting om met het oog op een optimale benutting van het jaarlijkse contingent, alle ongebruikte hoeveelheden zo veel mogelijk te herverdelen.
3. Artikel 5 van verordening nr. 3885/90, dat de Commissie in het kader van het beheer van een communautair tariefcontingent voor bevroren rundvlees toestaat om ingeval één aanvrager meerdere aanvragen om invoercertificaten in twee of meer Lid-Staten indient, alle betrokken aanvragen af te wijzen, doelt niet op de situatie waarin meerdere aanvragers in twee Lid-Staten aanvragen indienen die betrekking hebben op dezelfde referentiehoeveelheden. Teneinde te voorkomen dat in een dergelijk geval tweemaal importen plaatsvinden op basis van een zelfde referentiehoeveelheid, kon in artikel 2 van verordening nr. 519/91, tot vaststelling van de mate waarin gevolg kan worden gegeven aan de ingediende aanvragen, wettig worden bepaald, dat met betrekking tot deze referentiehoeveelheid enkel invoercertificaten mogen worden afgegeven, wanneer de betrokken importeurs een zekerheid stellen, gelijk aan de basisheffing bij invoer van het betrokken vlees, verhoogd met 10 %, die wordt vrijgegeven zodra de betrokken importeur definitief als importeur van de betrokken referentiehoeveelheid is geïdentificeerd.
In de gevoegde zaken C-106/90, C-317/90 en C-129/91,
Emerald Meats Ltd, vennootschap naar Iers recht, gevestigd te Dublin, vertegenwoordigd door J. Ratliff, barrister van de Middle Temple, en E. Wright, barrister van de Inn of Court of Northern Ireland, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Stanbrook en Hooper, advocaten aldaar, Boulevard de la Foire 12,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door P. Oliver, vervolgens door T. van Rijn en C. Docksey, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende:
° in zaak C-106/90,
° enerzijds, een verzoek om nietigverklaring
° van het besluit, genomen krachtens artikel 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 4024/89 van de Commissie van 21 december 1989 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de bij verordening (EEG) nr. 3889/89 van de Raad ingestelde invoerregeling voor bevroren rundvlees van GN-code 0202 en de produkten van GN-code 0206 29 91 (PB 1989, L 382, blz. 53), waarbij de Commissie heeft beslist in hoeverre aan de aanvragen om invoercertificaten in het kader van het communautaire tariefcontingent voor bevroren rundvlees voor 1990 kon worden voldaan,
en/of
° van het gedeelte van verordening (EEG) nr. 337/90 van de Commissie van 8 februari 1990 tot vaststelling van de mate waarin gevolg kan worden gegeven aan de op grond van verordening (EEG) nr. 4024/89 ingediende aanvragen om afgifte van invoercertificaten in de rundvleessector (PB 1990, L 37, blz. 11) dat op voornoemd besluit is gebaseerd, en,
° anderzijds, een verzoek om de Europese Economische Gemeenschap te veroordelen tot vergoeding van de schade die Emerald Meats heeft geleden of zal lijden doordat de Commissie het communautaire contingent niet correct heeft bestuurd en beheerd;
° in zaak C-317/90,
° een verzoek om nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 2983/90 van de Commissie van 15 oktober 1990 betreffende de toewijzing van de hoeveelheden van het bij verordening (EEG) nr. 3889/89 geopende contingent voor bevroren rundvlees waarvoor geen invoercertificaten zijn aangevraagd (PB 1990, L 283, blz. 36),
en/of
° een verzoek om de Europese Economische Gemeenschap te veroordelen tot vergoeding van de schade die Emerald Meats heeft geleden of zal lijden doordat de Commissie het voor "nieuwkomers" bestemde gedeelte van het communautaire contingent niet heeft bestuurd en beheerd;
° en in zaak C-129/91,
° enerzijds, een verzoek om nietigverklaring
° van het besluit, genomen krachtens artikel 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3885/90 van de Commissie van 27 december 1990 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de bij verordening (EEG) nr. 3838/90 van de Raad ingestelde invoerregeling voor bevroren rundvlees van GN-code 0202 en de produkten van GN-code 0206 29 91 (PB 1990, L 367, blz. 136), waarbij de Commissie heeft beslist in hoeverre aan de aanvragen om invoercertificaten in het kader van het communautaire tariefcontingent voor bevroren rundvlees voor 1991 kon worden voldaan,
en
° van verordening (EEG) nr. 519/91 van de Commissie van 1 maart 1991 tot vaststelling van de mate waarin gevolg kan worden gegeven aan de op grond van verordening (EEG) nr. 3885/90 ingediende aanvragen om afgifte van invoercertificaten in de rundvleessector (PB 1991, L 56, blz. 12), voor zover bij deze verordening uitvoering is gegeven aan voornoemd besluit, en,
° anderzijds, een verzoek om de Europese Economische Gemeenschap te veroordelen tot vergoeding van de schade die Emerald Meats heeft geleden of zal lijden ten gevolge van de handelingen van de Commissie en het feit dat zij de verdeling van het bedoelde communautaire tariefcontingent voor 1991 niet overeenkomstig het gemeenschapsrecht heeft bestuurd en beheerd,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresident, waarnemend voor de president, M. Zuleeg, kamerpresident, G. F. Mancini, R. Joliet, F. A. Schockweiler, F. Grévisse en M. Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal: C. Gulman
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 15 mei 1992, waarbij Emerald Meats Ltd was vertegenwoordigd door J. Ratliff en E. Wright, en door P. Gallagher, Senior Counsel,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 november 1992,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op respectievelijk 18 april 1990, 22 oktober 1990 en 9 mei 1991 heeft Emerald Meats Ltd (hierna: "verzoekster"), een vennootschap naar Iers recht, krachtens artikel 173, tweede alinea, en de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld, enerzijds tot nietigverklaring van bepaalde besluiten van de Commissie in het kader van het beheer van de communautaire tariefcontingenten voor bevroren rundvlees van GN-code 0202 en voor de produkten van GN-code 0206 29 91, die voor de jaren 1990 en 1991 zijn geopend bij respectievelijk de verordeningen (EEG) van de Raad nrs. 3889/89 van 11 december 1989 (PB 1989, L 378, blz. 16) en 3838/90 van 20 december 1990 (PB 1990, L 367, blz. 3), en anderzijds tot veroordeling van de Europese Economische Gemeenschap tot vergoeding van de schade die verzoekster heeft geleden of zal lijden doordat de Commissie de betrokken tariefcontingenten niet correct heeft bestuurd en beheerd.
2 Bij artikel 1 van verordening nr. 3889/89 betreffende de opening en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor bevroren rundvlees van GN-code 0202 en voor de produkten van GN-code 0206 29 91 (hierna: "de basisverordening"), is voor het jaar 1990 een communautair tariefcontingent geopend voor een totale hoeveelheid van 53 000 ton.
3 Bij artikel 2 van deze verordening is deze hoeveelheid in twee delen gesplitst, waarvan het eerste gelijk is aan 90 % (hierna: "het hoofdcontingent") en wordt verdeeld over de importeurs die kunnen aantonen, in de laatste drie jaren bevroren rundvlees van de betrokken tariefposten te hebben ingevoerd; het tweede deel is gelijk aan 10 % (hierna: "het contingent voor 'nieuwkomers' "), en wordt verdeeld onder de handelaren die kunnen aantonen dat zij in het kader van de handel met derde landen in rundvlees dat niet onder deze invoerregeling of onder de regelingen actieve of passieve veredeling valt, een activiteit uitoefenen die gedurende een nog te bepalen periode betrekking heeft op een nog nader vast te stellen minimumhoeveelheid.
4 Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 3889/89 bepaalt, dat hoeveelheden waarvoor op 31 augustus 1990 geen invoercertificaten zijn aangevraagd, in het vierde kwartaal van dat jaar opnieuw worden toegewezen, in voorkomend geval zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de in artikel 2 bedoelde verdeling. Krachtens artikel 3, lid 2, moeten de Lid-Staten de Commissie vóór 16 september 1990 de hoeveelheden meedelen waarvoor op 31 augustus van dat jaar geen aanvragen waren ingediend.
5 Ingevolge artikel 4 van de basisverordening stelde de Commissie op 21 december 1989 verordening (EEG) nr. 4024/89 vast, tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de bij verordening (EEG) nr. 3889/89 van de Raad ingestelde invoerregeling voor bevroren rundvlees van GN-code 0202 en de produkten van GN-code 0206 29 91 (PB 1989, L 382, blz. 53; hierna: "de uitvoeringsverordening"). Artikel 1, leden 1 en 2, van deze verordening bevat de criteria voor toewijzing van de twee delen van het tariefcontingent als bedoeld in artikel 2 van de basisverordening, waarbij het contingent voor "nieuwkomers" is gereserveerd voor handelaren die kunnen bewijzen, dat zij in de jaren 1988 en 1989 een hoeveelheid vlees van ten minste 50 ton per jaar hebben in- of uitgevoerd.
6 Artikel 1, lid 3, van de uitvoeringsverordening bepaalt, dat het in de leden 1 en 2 bedoelde bewijs wordt geleverd aan de hand van het douanedocument waarmee de goederen in het vrije verkeer worden gebracht, en dat "de Lid-Staten kunnen voorschrijven, dat dit bewijs moet worden geleverd door degene die in vak 4 van het invoercertificaat is vermeld".
7 Artikel 4, lid 1, van de uitvoeringsverordening bepaalt, dat de importeurs de aanvraag tot invoer, vergezeld van het in artikel 1, lid 3, bedoelde bewijs, uiterlijk op 19 januari 1990 bij de bevoegde instanties moeten indienen, en dat de Lid-Staten uiterlijk op 31 januari 1990 aan de Commissie de lijst van de importeurs moeten doen toekomen, met vermelding van hun naam, adres en de hoeveelheid vlees die zij in elk van de laatste drie jaren in het kader van het contingent hebben ingevoerd. Krachtens artikel 4, lid 2, gelden dezelfde termijnen voor de indiening van de aanvragen die betrekking hebben op het contingent voor "nieuwkomers".
8 Volgens artikel 6, lid 1, van de uitvoeringsverordening beslist "de Commissie (...) in hoeverre aan de aanvragen kan worden voldaan". Dit artikel bepaalt voorts: "Onder voorbehoud van deze beslissing tot aanvaarding van de aanvragen door de Commissie worden de invoercertificaten afgegeven met ingang van 9 februari 1990."
9 In januari 1990 diende verzoekster, die sedert 1983 vleesprodukten in de Gemeenschap invoert, bij het Ierse Ministerie van Landbouw en Voedselvoorziening (hierna: "het Ministerie van Landbouw") aanvragen tot invoer in, zowel in het kader van het hoofdcontingent als van het contingent voor "nieuwkomers". Tot staving van deze aanvragen legde zij een aantal bewijsstukken over in de zin van artikel 1, lid 3, van de uitvoeringsverordening.
10 Het Ministerie van Landbouw wees de in het kader van het hoofdcontingent ingediende aanvragen af, voor zover zij gebaseerd waren op hoeveelheden die in de referentiejaren 1987 en 1988 waren ingevoerd, omdat verzoekster deze hoeveelheden slechts had ingevoerd voor rekening van de erkende vleesverwerkers, aan wie de invoercertificaten waren toegekend. Op 31 januari 1990 liet het ministerie de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de uitvoeringsverordening dus een lijst toekomen, waarop verzoekster enkel was vermeld voor de voor 1989 aangegeven hoeveelheden, en de erkende vleesverwerkers waren vermeld voor hoeveelheden die verzoekster naar eigen zeggen in 1987 en 1988 zou hebben ingevoerd.
11 Daarop stelde verzoekster bij de High Court te Dublin beroep in tegen de weigering van het Ministerie van Landbouw om haar te beschouwen als de importeur van de voor de jaren 1987 en 1988 aangegeven hoeveelheden. Tevens stelde zij de Commissie ervan in kennis, dat de haar door het Ministerie van Landbouw toegezonden lijst onjuist was, en deed zij haar documenten toekomen ten bewijze dat zij, verzoekster, moest worden beschouwd als de importeur, in de zin van artikel 1 van de uitvoeringsverordening, van de hoeveelheden die voor de drie referentiejaren waren aangegeven.
12 Bij telefaxbericht van 6 februari 1990 verzocht de Commissie het Ministerie van Landbouw om toelichting en wees zij erop, dat het ministerie verzoekster in het kader van het tariefcontingent voor 1989 had geregistreerd als importeur van aanzienlijke hoeveelheden in de jaren 1987 en 1988.
13 Toen een antwoord van het Ministerie van Landbouw uitbleef, stelde de Commissie op 8 februari 1990, op basis van de gegevens op de haar door dat ministerie toegezonden lijst, verordening (EEG) nr. 337/90 vast, tot vaststelling van de mate waarin gevolg kan worden gegeven aan de op grond van verordening (EEG) nr. 4024/89 ingediende aanvragen om afgifte van invoercertificaten in de rundvleessector (PB 1990, L 37, blz. 11; hierna: "de verdelingsverordening voor 1990"). In artikel 1 van deze verordening is bepaald, dat elke in het kader van het hoofdcontingent ingediende aanvraag om een invoercertificaat wordt ingewilligd voor 321,581 kg per in 1987, 1988 en 1989 ingevoerde ton, en dat elke aanvraag om een invoercertificaat die is ingediend in het kader van het contingent voor "nieuwkomers", wordt ingewilligd voor 16,56 ton per aanvraag. Overeenkomstig artikel 1, lid 2, van deze verordening "geven de Lid-Staten de invoercertificaten af met ingang van 9 februari 1990".
14 Daarop wendde verzoekster zich bij herhaling tot de Commissie met het verzoek ervoor te zorgen, dat de door het Ministerie van Landbouw bij de toepassing van de uitvoeringsverordening gepleegde onregelmatigheden ongedaan werden gemaakt en dat de invoercertificaten die zij inmiddels had aangevraagd, haar zouden worden afgegeven. Verzoekster vroeg zich voorts af, waar het invoercertificaat bleef inzake de in het kader van het contingent voor "nieuwkomers" ingediende aanvraag, die door het Ministerie van Landbouw was goedgekeurd en op de lijst geplaatst die het op 31 januari 1990 overeenkomstig artikel 4, lid 2, van de uitvoeringsverordening aan de Commissie had gezonden, nu in de verdelingsverordening voor 1990 was bepaald, dat de Lid-Staten de invoercertificaten met ingang van 9 februari 1990 moesten afgeven.
15 Toen de bij de Commissie ondernomen stappen niets opleverden, stelde verzoekster op 18 april 1990 het beroep in zaak C-106/90 in, waarin zij naast veroordeling van de Gemeenschap tot schadevergoeding, ook verzocht om nietigverklaring van het krachtens artikel 6, lid 1, van de uitvoeringsverordening genomen besluit van de Commissie, waarbij is bepaald in hoeverre aan de aanvragen om afgifte van invoercertificaten voor het communautaire tariefcontingent voor bevroren rundvlees voor 1990 kan worden voldaan, en/of nietigverklaring van het gedeelte van de verdelingsverordening 1990 dat op bedoeld besluit was gebaseerd.
16 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 13 juli 1990, verzocht verzoekster het Hof in kort geding de opschorting te gelasten van de tenuitvoerlegging van de besluiten waartegen zij beroep tot nietigverklaring had ingesteld, en de Commissie te gelasten, alle nodige maatregelen te nemen om verzoekster in aanmerking te laten komen voor het gedeelte van het tariefcontingent waarop zij aanspraak maakt. Bij beschikking van 14 augustus 1990 heeft de president van het Hof dit verzoek afgewezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
17 Op 23 juli 1990 deelde het Ministerie van Landbouw verzoekster mede, dat sommige bewijsstukken met betrekking tot in de jaren 1988 en 1989 ingevoerde hoeveelheden, die zij had ingediend tot staving van haar aanvraag om afgifte van een invoercertificaat in het kader van het contingent voor "nieuwkomers", niet konden worden aanvaard, zodat haar aanvraag werd afgewezen.
18 In meerdere brieven die zij in de maanden augustus, september en oktober 1990 aan de Commissie zond, verzocht verzoekster met aandrang, de hoeveelheid waarop zij in het kader van het contingent voor "nieuwkomers" aanspraak maakte omdat haar aanvraag aanvankelijk in de lijst van het Ministerie van Landbouw was opgenomen en door de Commissie was goedgekeurd toen deze in de verdelingsverordening voor 1990 besliste in welke mate gevolg kon worden gegeven aan de op grond van de uitvoeringsverordening ingediende aanvragen, niet overeenkomstig artikel 3 van de basisverordening opnieuw toe te wijzen in het kader van de toewijzing van hoeveelheden waarvoor op 31 augustus 1990 geen invoercertificaten waren aangevraagd.
19 Daarnaast stelde verzoekster op 8 oktober 1990 beroep in bij de Ierse rechter, die zij verzocht het Ministerie van Landbouw te dwingen haar het in het kader van het contingent voor "nieuwkomers" aangevraagde invoercertificaat af te geven. Bij brief van 15 oktober 1990 stelde zij de Commissie officieel hiervan in kennis.
20 Op 11 oktober 1990 zond het Ministerie van Landbouw, dat de Commissie op 26 september 1990 nog had laten weten dat Ierland niet beschikte over hoeveelheden als bedoeld in artikel 3 van de basisverordening, waarvoor op 31 augustus geen aanvragen waren ingediend, de Commissie een telefaxbericht, met de mededeling dat 16,56 ton ongebruikt was gebleven.
21 Op 15 oktober 1990 stelde de Commissie krachtens artikel 3 van de basisverordening verordening (EEG) nr. 2983/90 vast, betreffende de toewijzing van de hoeveelheden van het bij verordening (EEG) nr. 3889/89 geopende contingent voor bevroren rundvlees waarvoor geen invoercertificaten zijn aangevraagd (PB 1990, L 283, blz. 36; hierna: "de herverdelingsverordening").
22 Van mening dat de 16,56 ton waarop zij meende recht te hebben krachtens de verdelingsverordening 1990, was opgenomen in het totaal van 35 ton dat in de herverdelingsverordening werd toegewezen, stelde verzoekster op 22 oktober 1990 het beroep in zaak C-317/90 in, en verzocht zij om veroordeling van de Gemeenschap tot schadevergoeding, alsmede om nietigverklaring van de herverdelingsverordening.
23 Bij verordening nr. 3838/90 opende de Raad op 20 december 1990 voor het jaar 1991 een nieuw communautair tariefcontingent van 53 000 ton. Op 27 december 1990 stelde de Commissie verordening (EEG) nr. 3885/90 vast, tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de bij verordening (EEG) nr. 3838/90 van de Raad ingestelde invoerregeling voor bevroren rundvlees van GN-code 0202 en de produkten van GN-code 0206 29 91 (PB 1990, L 367, blz. 136). De regels in deze verordeningen zijn in essentie identiek aan die in de basisverordening en in de uitvoeringsverordening voor 1990.
24 Verzoekster vreesde, dat het Ministerie van Landbouw in het kader van het contingent voor 1991 de hoeveelheden die zij volgens haar aangifte in 1988 had ingevoerd, opnieuw zou afwijzen en zou weigeren haar voor 1990 als importeur te beschouwen van de hoeveelheden waarop zij aanspraak maakte maar die zij niet had mogen invoeren, en diende in januari 1991 aanvragen om afgifte van invoercertificaten in het kader van het contingent voor 1991 in bij de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk. Hoewel deze autoriteiten alle door verzoekster ingediende aanvragen geldig achtten, hebben zij op verzoek van de Commissie bij brief van 12 februari 1991 de hoeveelheden geïdentificeerd waarvoor het risico bestond dat dubbele aanvragen waren ingediend, zowel in het Verenigd Koninkrijk door verzoekster, als in Ierland door de vleesverwerkers die het Ministerie van Landbouw als importeurs had erkend voor de hoeveelheden die verzoekster volgens haar aangifte in 1988 had ingevoerd, en aan wie het de invoercertificaten had afgegeven waarop verzoekster in het kader van het contingent voor 1990 aanspraak maakte.
25 Op 1 maart 1991 stelde de Commissie verordening (EEG) nr. 519/91 vast, tot vaststelling van de mate waarin gevolg kan worden gegeven aan de op grond van verordening (EEG) nr. 3885/90 ingediende aanvragen om afgifte van invoercertificaten in de rundvleessector (PB 1991, L 56, blz. 12; hierna: "de verdelingsverordening voor 1991"). Om te voorkomen dat, wanneer twee of meer importeurs stellen dat zij in de voorafgaande referentiejaren dezelfde referentiehoeveelheid hebben ingevoerd, deze hoeveelheid bij de verdeling van het hoofdcontingent tussen de importeurs die in het kader daarvan een aanvraag hebben ingediend, meer dan eens in aanmerking zou worden genomen, is in artikel 2 van deze verordening bepaald, dat voor die referentiehoeveelheid slechts invoercertificaten mogen worden afgegeven als door de betrokken importeurs een zekerheid wordt gesteld die gelijk is aan de basisinvoerheffing voor het betrokken vlees die geldt op het tijdstip van afgifte van het certificaat, verhoogd met 10 %, welke zekerheid wordt vrijgegeven wanneer de betrokken importeur definitief als importeur van de betrokken referentiehoeveelheid is geïdentificeerd.
26 Van mening dat de rechten die zij in het kader van het contingent voor 1991 deed gelden, in de verdelingsverordening voor 1991 dus afhankelijk werden gesteld van een besluit van de nationale autoriteiten om haar als importeur te erkennen van de hoeveelheden op basis waarvan meer dan één aanvraag zou zijn ingediend, stelde verzoekster op 9 mei 1991 het beroep in in zaak C-129/91, en verzocht zij om veroordeling van de Gemeenschap tot schadevergoeding, alsmede om nietigverklaring van het krachtens artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3885/90 genomen besluit van de Commissie, waarbij is bepaald in hoeverre aan de aanvragen om afgifte van invoercertificaten voor het communautaire tariefcontingent voor bevroren rundvlees voor 1991 kan worden voldaan, en van de verdelingsverordening voor 1991, voor zover vorenbedoeld besluit in deze verordening ten uitvoer is gelegd.
27 Bij beschikking van 16 december 1992 heeft de president van het Hof besloten de drie zaken voor het arrest te voegen.
28 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaken, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
29 Vooraf moet worden vastgesteld, dat de door de Commissie krachtens artikel 6, lid 1, van de uitvoeringsverordening genomen besluiten, waarbij zij heeft bepaald in hoeverre aan de aanvragen om afgifte van invoercertificaten kan worden voldaan, zijn neergelegd in de verdelingsverordeningen voor 1990 en 1991, zodat moet worden geconstateerd, dat de beroepen tot nietigverklaring in de zaken C-106/90 en C-129/91 in werkelijkheid uitsluitend tegen die verordeningen zijn gericht.
30 Tot staving van haar beroepen voert verzoekster diverse middelen en argumenten aan, die zijn gebaseerd op de zienswijze, dat de noodzaak van een communautair beheer van de betrokken tariefcontingenten meebrengt, dat de Commissie ze volgens de in de relevante gemeenschapsregeling vastgestelde eenvormige beginselen en gemeenschappelijke regels moet beheren en besturen, en ervoor dient te zorgen, dat haar eigen handelingen in het kader van dat beheer, daarmee in overeenstemming zijn. Uit dien hoofde zou zij meer in het bijzonder verplicht zijn de door de nationale autoriteiten meegedeelde gegevens te controleren, met name de in artikel 4 van de uitvoeringsverordeningen bedoelde lijsten van aanvragers, wanneer zij weet of redelijkerwijs moest weten, dat zij onjuist zijn of uitgaan van een onwettige uitlegging van de gemeenschapsregeling, zodat zij geen geldige basis voor haar eigen handelingen kunnen vormen.
31 In dit verband moet er eerst aan worden herinnerd, dat de betrokken tariefcontingenten krachtens de basis- en de uitvoeringsverordeningen worden verdeeld onder handelaren die kunnen aantonen dat zij in bepaalde referentiejaren bevroren rundvlees hebben ingevoerd. De uitvoeringsverordeningen bepalen in artikel 1, lid 3, welk soort bewijs kan worden toegelaten, en in artikel 1, leden 4 en 5, dat het hoofdcontingent wordt omgeslagen pro rata van de in de referentiejaren ingevoerde hoeveelheden en het contingent voor "nieuwkomers" pro rata van de gevraagde hoeveelheden.
32 Ook moet worden opgemerkt, dat krachtens artikel 2, lid 1, van de uitvoeringsverordeningen handelaren die op 1 januari van het jaar waarvoor het contingent is geopend, geen enkele activiteit meer uitoefenden in de rundvleessector, geen toegang tot het contingent hebben.
33 Vervolgens moet erop worden gewezen, dat ingevolge artikel 4 van de uitvoeringsverordeningen de importeurs hun aanvragen met de vereiste bewijsstukken moeten indienen bij de bevoegde instanties van de Lid-Staten, en dat deze instanties de Commissie de lijst van de importeurs moeten doen toekomen, met vermelding van onder meer hun naam, adres en de hoeveelheden vlees die zij in elk van de referentiejaren hebben ingevoerd.
34 Verder zijn krachtens artikel 5, eerste alinea, van de uitvoeringsverordeningen de aanvragen tot invoer slechts ontvankelijk voor zover de aanvrager schriftelijk verklaart, dat hij in het kader van dezelfde bijzondere regeling geen aanvragen heeft ingediend, en zich er ook toe verbindt geen aanvragen in te dienen, in andere Lid-Staten dan die waar de aanvraag wordt ingediend. Indien dezelfde belanghebbende in het kader van dezelfde bijzondere regeling aanvragen indient in twee of meer Lid-Staten, worden al zijn aanvragen afgewezen.
35 Ten slotte heeft de Commissie krachtens artikel 6, lid 1, van de uitvoeringsverordeningen tot taak te beslissen in hoeverre aan de aanvragen kan worden voldaan en moeten de Lid-Staten, wanneer de Commissie heeft beslist dat de aanvragen worden aanvaard, de gevraagde invoercertificaten afgeven.
36 Uit deze bepalingen volgt, dat de gemeenschapsregeling weliswaar communautaire regels voor de betrokken tariefcontingenten heeft ingevoerd, maar dat wat het beheer van deze contingenten betreft, de taken en bevoegdheden daarin tussen de Lid-Staten en de Commissie zijn verdeeld. In het kader van deze bevoegdheidsverdeling moeten de door de Lid-Staten aangewezen instanties de aanvragen in ontvangst nemen en op basis van de door de betrokkenen overgelegde bewijsstukken de lijst opstellen van degenen die voor de regeling in aanmerking komen, met vermelding van de betrokken hoeveelheden. De Commissie dient enkel na te gaan of een aanvrager niet op meer dan één lijst voorkomt, en te bepalen in welke mate, gelet op de in de verschillende nationale lijsten vermelde hoeveelheden en op het totaal van het te verdelen contingent, de nationale instanties aan de door hen goedgekeurde aanvragen kunnen voldoen.
37 Bovendien, zoals de advocaat-generaal in punt 35 van zijn conclusie vaststelt, behoeven de aanvragen zelf noch de vereiste bewijsstukken aan de Commissie te worden meegedeeld. Ook bepaalt artikel 3, lid 2, van de basisverordeningen met betrekking tot de herverdeling van ongebruikte hoeveelheden in het vierde kwartaal van het betrokken jaar enkel, dat de Lid-Staten de Commissie vóór 16 september van het lopende jaar de hoeveelheden meedelen waarvoor op 31 augustus van dat jaar geen aanvragen waren ingediend, zonder te verlangen, dat ook andere gegevens worden verstrekt over met name de identiteit van de betrokken handelaren of de redenen waarom de hoeveelheden niet zijn gebruikt.
38 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie volgens de gemeenschapsregeling niet verplicht en evenmin gerechtigd is om de juistheid te controleren van de lijsten of de haar door de instanties van de Lid-Staten verstrekte gegevens, en dat de Commissie, aangezien zij slechts bevoegd is om te bepalen in hoeverre aan de door de nationale instanties goedgekeurde aanvragen kan worden voldaan, de aldus vastgestelde hoeveelheden niet zelf onder de rechthebbenden verdeelt of herverdeelt, en met name niet bevoegd is om zich met betrekking tot de afgifte van de invoercertificaten in de plaats van de nationale autoriteiten te stellen.
39 Anders dan verzoekster stelt, is een dergelijke conclusie niet in strijd met de bedoeling van de Raad, zoals geformuleerd in de overwegingen van de consideransen van de basisverordeningen, om een gemeenschappelijke beheerswijze van de betrokken tariefcontingenten tot stand te brengen. Een dergelijke beheerswijze onderstelt niet, dat alle besluiten door de Commissie worden genomen, maar kan ook de vorm aannemen van een gedecentraliseerd beheer waarbij de autoriteiten van de Lid-Staten zijn betrokken, en waarbij de handelaren hun aanvragen in de Lid-Staat van hun keuze mogen indienen en deze aanvragen volgens eenvormige, in de gehele Gemeenschap toepasselijke regels worden behandeld.
40 Een communautair beheer vereist evenmin, dat de Commissie in concrete gevallen noodzakelijkerwijze onjuiste beslissingen van de nationale autoriteiten in het kader van dit beheer moet kunnen corrigeren, aangezien de eerbiediging van de gemeenschappelijke regels en de uniforme toepassing ervan in alle Lid-Staten kan worden verzekerd via de niet-nakomingsprocedure van artikel 169 van het Verdrag, dan wel via beroepen bij de nationale rechter, voor wie de procedure van artikel 177 van het Verdrag openstaat.
41 Uit het voorafgaande volgt, dat verzoeksters middelen en argumenten gebaseerd op de zienswijze dat de Commissie in casu de haar door de Ierse autoriteiten verstrekte gegevens had moeten controleren en niet in haar eigen handelingen had mogen integreren, moeten worden afgewezen.
42 Verzoekster stelt voorts ook, dat de Commissie artikel 3 van basisverordening nr. 3889/89 heeft geschonden door te aanvaarden, dat bepaalde hoeveelheden haar met het oog op herverdeling moeten worden teruggegeven na 16 september 1990, dat wil zeggen na de datum waarop de Lid-Staten de Commissie de hoeveelheden moeten meedelen waarvoor op 31 augustus van hetzelfde jaar geen aanvragen waren ingediend.
43 In dit verband moet eerst worden vastgesteld, dat geen enkele specifieke bepaling van de relevante gemeenschapsregeling gevolgen verbindt aan de miskenning van de in artikel 3, lid 2, van verordening nr. 3889/89 gestelde termijn.
44 De hoeveelheden die de Lid-Staten aan de Commissie moeten meedelen, zijn bovendien die waarvoor op 31 augustus nog geen aanvraag was ingediend, en 16 september vormt enkel de einddatum van de termijn voor de kennisgeving aan de Commissie van de in elke Lid-Staat op 31 augustus bestaande situatie. Een kennisgeving na 16 september kan dus van geen enkele invloed zijn op de op 31 augustus van hetzelfde jaar bestaande situatie en kan de belangen van de handelaren niet nadelig beïnvloeden.
45 Zoals in de vijfde overweging van de considerans van de basisverordening is vermeld, heeft de herverdeling in de loop van het jaar tot doel het jaarlijkse contingent optimaal te kunnen gebruiken, hetgeen zowel in het belang is van de betrokken handelaren in de Gemeenschap als van de partners van de Gemeenschap binnen het GATT.
46 Uit het voorafgaande volgt, dat 16 september 1990 geen uiterste datum is, en dat niet-naleving ervan door een Lid-Staat de Commissie niet ontslaat van haar verplichting om met het oog op een optimale benutting van het contingent de ongebruikte hoeveelheden zoveel mogelijk te herverdelen.
47 Dit middel kan dus evenmin slagen.
48 Ten slotte stelt verzoekster, dat het vereiste in artikel 2 van de verdelingsverordening om een zekerheid te stellen teneinde te voorkomen dat tweemaal importen plaatsvinden op basis van dezelfde referentiehoeveelheden, in de eerste plaats onwettig is, omdat de Commissie verplicht is zelf na te gaan of er aanvragen zijn die tot dubbele invoer kunnen leiden, en de ongeldige aanvragen moet afwijzen, en in de tweede plaats onredelijk, omdat verzoekster de financiële last van een zekerheid niet kan dragen.
49 In dit verband moet eerst worden vastgesteld, dat de situatie die zich bij de aanvragen voor het contingent voor 1991 voordeed, niet die was waarover het gaat in artikel 5 van de uitvoeringsverordening. Deze bepaling doelt namelijk op het geval waarin één aanvrager meerdere aanvragen in twee of meer Lid-Staten indient, terwijl de Commissie in 1991 werd geconfronteerd met de situatie dat meerdere aanvragers in twee Lid-Staten aanvragen hadden ingediend die betrekking hadden op dezelfde referentiehoeveelheden.
50 Hieruit volgt, dat de Commissie niet zonder meer alle betrokken aanvragen kon afwijzen met een beroep op artikel 5 van de uitvoeringsverordening. Anderzijds kon zij zich niet in de plaats stellen van de autoriteiten van de Lid-Staten en de haar toegezonden lijsten corrigeren of dezelfde referentiehoeveelheden zonder meer tweemaal aanvaarden, in welk geval de hoeveelheden die konden worden toegewezen aan andere handelaren van de Gemeenschap op basis van de hoeveelheden waarvan zij de invoer in de referentiejaren hadden bewezen, onrechtmatig zouden zijn verminderd.
51 Onder deze omstandigheden lijkt het niet onredelijk, dat de Commissie, teneinde te voorkomen dat tweemaal importen plaatsvinden op basis van dezelfde referentiehoeveelheden, heeft geopteerd voor het stelsel van zekerheden als bedoeld in artikel 2 van de verdelingsverordening voor 1991.
52 Het bedrag van deze zekerheid is bovendien niet onredelijk, nu het, behoudens een vermeerdering van 10 % om eventuele schommelingen van de heffingspercentages te kunnen opvangen, gelijk is aan de basisheffing bij invoer van het betrokken vlees, die handelaren wier aanvragen uiteindelijk worden afgewezen, in elk geval zouden moeten betalen.
53 Dit middel moet dus eveneens worden afgewezen.
54 Uit alle voorgaande overwegingen volgt, dat de beroepen tot nietigverklaring moeten worden verworpen.
55 Wat de schadevorderingen betreft, zij eraan herinnerd, dat er volgens vaste rechtspraak van het Hof ingevolge artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag pas sprake kan zijn van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap en een recht op vergoeding van de geleden schade, indien aan een aantal voorwaarden is voldaan, te weten de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, de werkelijk geleden schade en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade (arrest van 8 april 1992, zaak 55/90, Cato, Jurispr. 1992, blz. I-2533, r.o. 18).
56 Uit het voorgaande volgt evenwel, dat de Commissie met betrekking tot de vaststelling van de bestreden besluiten geen onrechtmatig optreden kan worden verweten waardoor sprake zou kunnen zijn van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap.
57 Uit de stukken blijkt integendeel, dat de Commissie, door zich meermaals tot de Ierse autoriteiten te wenden en door in haar eigen besluiten diverse wijzigingen aan te brengen teneinde rekening te houden met het verloop van de gerechtelijke procedures die verzoekster bij de Ierse rechter had ingeleid, haar meer bijstand heeft verleend dan zij op grond van de betrokken regeling diende te doen.
58 Bijgevolg behoeft niet te worden onderzocht, of aan de overige voorwaarden voor de aansprakelijkheid van de Gemeenschap is voldaan, zodat ook de schadevorderingen moeten worden afgewezen.
59 De beroepen moeten derhalve in hun geheel worden verworpen.
Kosten
60 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Krachtens artikel 69, lid 3, kan het Hof de proceskosten evenwel over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen. In dit verband wijst het Hof erop dat de Commissie, door tegen Ierland een procedure krachtens artikel 169 EEG-Verdrag in te leiden en door na afloop van het kort geding in zaak C-317/90 R de herverdelingsverordening te wijzigen ter vrijwaring van de rechten die verzoekster in het kader van het contingent voor "nieuwkomers" deed gelden, bij verzoekster de indruk kan hebben doen ontstaan, dat haar vorderingen gegrond waren.
61 Gelet op deze omstandigheden moet worden beslist, dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, daaronder begrepen de op het kort geding in zaak C-106/90 R gevallen kosten.
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1. Verwerpt de beroepen.
2. Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen, daaronder begrepen de op het kort geding in zaak C-106/90 R gevallen kosten.