Conclusie van advocaat-generaal Darmon van 29 mei 1991. - A. VERHOLEN EN ANDEREN TEGEN SOCIALE VERZEKERINGSBANK AMSTERDAM. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: RAAD VAN BEROEP'S-HERTOGENBOSCH - NEDERLAND. - GELIJKE BEHANDELING VAN MANNEN EN VROUWEN - SOCIALE ZEKERHEID - RICHTLIJN 79/7/EEG - TEMPORELE WERKINGSSFEER. - GEVOEGDE ZAKEN C-87/90, C-88/90 EN C-89/90.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-03757
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Naar aanleiding van de door de Raad van Beroep te 's-Hertogenbosch gestelde prejudiciële vragen in de gevoegde zaken C-87/90, C-88/90 en C-89/90 moet het Hof zich buigen over de met de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers gepaard gaande moeilijkheden en een nadere precisering geven van de wijze waarop het gemeenschapsrecht door de nationale rechter moet worden toegepast.
2. De drie bij de verwijzende rechter aanhangige zaken hebben betrekking op de vraag, wat na 23 december 1984 de werking is van de bepalingen van de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW) zoals deze luidden vóór de wijziging bij de wet van 28 maart 1985 en het Koninklijk Besluit van 26 april 1985. 23 december 1984 is de datum van inwerkingtreding van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid. (1)
3. Die wettelijke regeling is het Hof niet onbekend. (2) In het arrest Koks (3) van 23 september 1982 stelde het vast, dat de AOW
"het ouderdomspensioen in beginsel toekent aan verzekerden die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. Als verzekerden worden met name Nederlandse ingezetenen aangemerkt, doch niet diegenen die, hoewel Nederlands ingezetene, in het buitenland in dienstbetrekking zijn en uit dien hoofde krachtens een buitenlandse wettelijke regeling zijn verzekerd. Evenmin wordt als verzekerde aangemerkt de in Nederland wonende gehuwde vrouw, wier echtgenoot ingevolge de bepalingen van de Nederlandse wettelijke regeling niet verzekerd is. De gehuwde vrouw heeft in het algemeen geen eigen aanspraak op een ouderdomspensioen. Daartegenover staat, dat het pensioen van de gehuwde man hoger is dan dat van een ongehuwde. Voorts wordt het pensioen gekort met 1 % voor elk volledig kalenderjaar dat de gehuwde mannelijke rechthebbende tussen zijn 15e en 65e levensjaar niet verzekerd is geweest. Een zelfde korting wordt toegepast ten aanzien van de echtgenote van de rechthebbende, voor elk kalenderjaar dat zij in diezelfde levensperiode niet verzekerd is geweest". (4)
4. In mijn conclusie in de zaak Achterberg-te Riele e.a. (5) constateerde ik, dat de tijdvakken gedurende welke een gehuwde man niet verzekerd was geweest, bij voorbeeld wanneer hij enige tijd in het buitenland had gewerkt, bij de berekening van de pensioenrechten van zijn echtgenote werden afgetrokken, terwijl daarentegen wanneer een gehuwde vrouw enige tijd in het buitenland had gewerkt, dat geen gevolgen had voor de opbouw van de pensioenrechten van haar echtgenoot, omdat hij, als werknemer of als ingezetene, zelfstandig krachtens de AOW was verzekerd. Ingevolge het Koninklijk Besluit van 26 april 1985 kunnen gehuwde vrouwen, zoals ik uiteenzette (6), weliswaar met ingang van 19 april 1985 niet langer van de AOW worden uitgesloten op grond dat hun echtgenoot niet verzekerd was, maar artikel XXIV, lid 1, van de wet van 28 maart 1985 bepaalt, dat de nieuwe bepalingen geen toepassing vinden met betrekking tot het recht op ouderdomspensioen over vóór 1 april 1985 gelegen tijdvakken.
5. Het Hof behoefde zich in de zaak Achterberg-te Riele e.a. niet uit te spreken over de verenigbaarheid met richtlijn 79/7 van een wettelijke regeling als de AOW in haar vóór 1 april 1985 geldende versie, daar de verzoeksters in de bij de verwijzende rechters aanhangige gedingen niet binnen de personele werkingssfeer van de gemeenschapsregeling vielen. Het Hof oordeelde immers, op dit punt mijn conclusie volgend, dat richtlijn 79/7
"niet van toepassing is op personen die nooit ter beschikking van de arbeidsmarkt zijn geweest of die dit niet meer zijn om een reden die geen verband houdt met het intreden van een van de in de richtlijn bedoelde risico' s". (7)
6. Die opvatting, die overigens uit de tekst van de richtlijn zelf voortvloeit (8), werpt evenwel bepaalde moeilijkheden op in geval van een wettelijke regeling als de AOW, die uitkeringen aan verzekerden toekent die eventueel nooit deel hebben uitgemaakt van de beroepsbevolking.
7. Zo heeft, in zaak C-88/90, mevrouw Van Wetten-van Uden, behoudens enkele weken tijdens de Tweede Wereldoorlog, nooit beroepswerkzaamheden verricht. Van 1 maart tot 1 augustus 1959 en van 1 augustus 1961 tot 1 oktober 1965 werkte haar echtgenoot in de Bondsrepubliek Duitsland en was hij op die grond tijdens die tijdvakken niet verzekerd krachtens de AOW. Belanghebbende, inmiddels weduwe en 65 jaar geworden, ontvangt vanaf 1 november 1988 een ouderdomspensioen met een korting van 8 % wegens de vier jaar dat haar echtgenoot niet verzekerd is geweest.
8. Ook mevrouw Heiderijk, in zaak C-89/90, had zich sinds haar huwelijk op 19 januari 1949 niet meer op de arbeidsmarkt begeven. Van 1 oktober 1965 tot 1 april 1969 en van 1 februari 1981 tot 1 april 1982 verrichtte haar echtgenoot beroepsarbeid in de Bondsrepubliek Duitsland, terwijl hij woonachtig bleef in Nederland. Wegens het feit dat hij in die tijdvakken niet voor de AOW verzekerd was, werd de toeslag op het pensioen, die hij voor rekening van zijn echtgenote vanaf 1 december 1987 ontvangt, met 2 % per niet-verzekerd jaar gekort.
9. De feiten in zaak C-87/90 liggen echter anders. Na vanaf 1 juni 1974 in dienst te zijn geweest van de gemeente Roosendaal en Nispen, ging mevrouw Verholen op 1 juli 1984, toen zij de 61-jarige leeftijd had bereikt, met vervroegd pensioen. Vanaf 1 april 1988 geniet zij een ouderdomspensioen ingevolge de AOW. Ook haar ouderdomspensioen werd evenwel gekort, en wel met 16 % wegens de acht jaar (van 1 oktober 1976 tot 1985) dat haar echtgenoot beroepswerkzaamheden in België had verricht en daarom niet voor de AOW verzekerd was geweest.
10. De enige prejudiciële vraag die in zaak C-87/90 is gesteld, heeft betrekking op de verenigbaarheid van een wettelijke regeling als de AOW met het beginsel van gelijke behandeling inzake sociale zekerheid. Ik zal deze vraag straks bespreken. De vragen in de zaken C-88/90 en C-89/90 nopen het Hof namelijk, zich vooraf uit te laten over de wijze waarop de nationale rechter het gemeenschapsrecht moet toepassen.
I - Zaak C-88/90
11. De eerste vraag in zaak C-88/90 betreft de mogelijkheid, dat de nationale rechter een nationale wettelijke regeling ambtshalve toetst aan een richtlijn waarvan de uitvoeringstermijn is verstreken, indien de partijen in het geding op die richtlijn geen beroep hebben gedaan.
12. Men kan zich erover verbazen, dat een vraag van zo groot belang nog niet eerder als zodanig door het Hof is beslist.
13. In het arrest Rheinmuehlen (9) van 16 januari 1974 heeft het Hof weliswaar verklaard, dat artikel 177 EEG-Verdrag
"de nationale rechterlijke instanties de bevoegdheid verleent en, in voorkomend geval, de plicht oplegt tot een prejudiciële verwijzing, zodra de rechter ambtshalve of op verzoek van partijen vaststelt dat zich in het geding ten gronde een in de eerste alinea bedoeld punt voordoet" (10),
maar in die zaak ging het enkel om de mogelijkheid van de nationale rechter om het Hof een prejudiciële vraag te stellen. Niettemin moet worden vastgesteld, dat het Hof reeds uitdrukkelijk het recht van de nationale rechter heeft erkend om ambtshalve het bestaan van een gemeenschapsnorm te constateren, ten einde een zaak krachtens artikel 177 naar het Hof te verwijzen. Gezien de vaste rechtspraak, volgens welke het Hof
"bevoegd is bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van door de instellingen van de Gemeenschap verrichte handelingen, ongeacht of deze directe werking hebben of niet" (11),
mogen wij als vaststaand aannemen, dat een nationale rechter ambtshalve het bestaan van een gemeenschapsnorm kan vaststellen, ook ingeval deze geen directe werking heeft, teneinde het Hof een prejudiciële vraag te stellen.
14. Wanneer echter de rechter ambtshalve het bestaan van een gemeenschapsbepaling vaststelt, heeft dat niet enkel tot gevolg, dat hij een beroep kan doen op de regeling inzake rechterlijke samenwerking zoals bedoeld in artikel 177 EEG-Verdrag. Het kan er immers ook toe leiden, dat de rechter uit eigen beweging de met de gemeenschapsnorm in strijd zijnde nationale wet ter zijde stelt, indien die norm directe werking heeft. Die bevoegdheid vloeit voort uit de rechtstreekse toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht, welke het Hof met name in het arrest Simmenthal (12) heeft erkend. In dat arrest verklaarde het Hof immers, dat
"deze werking (...) elke rechter aangaat, die, aangezocht in het kader zijner bevoegdheid, als orgaan van een Lid-Staat tot taak heeft de door het gemeenschapsrecht aan particulieren toegekende rechten te beschermen" (13),
en vervolgens, dat het nuttig effect van artikel 177
"zou worden verkort, indien de rechter zou worden verhinderd aan het gemeenschapsrecht rechtstreeks een toepassing overeenkomstig de beslissing of de rechtspraak van het Hof te geven" (14),
en ten slotte, dat
"de nationale rechter, belast met de toepassing, in het kader zijner bevoegdheid, van de bepalingen van het gemeenschapsrecht, verplicht is zorg te dragen voor de volle werking dezer normen, daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de (...) nationale wetgeving buiten toepassing latende". (15)
15. In de prejudiciële vraag die thans voorligt, wordt evenwel geen onderscheid gemaakt naar gelang de gemeenschapsbepaling al dan niet rechtstreekse werking heeft. Al heeft het Hof de rechtstreekse werking van artikel 4 van richtlijn 79/7 (16), dat hier van toepassing lijkt, reeds erkend, het lijkt mij toch nuttig erop te wijzen, dat de nationale rechter de bevoegdheid heeft ambtshalve het bestaan van een gemeenschapsbepaling vast te stellen, ook indien die bepaling geen rechtstreekse werking heeft. Zoals gezegd, heeft het Hof die bevoegdheid reeds impliciet erkend met betrekking tot prejudiciële verwijzingen. Die bevoegdheid kan er echter eveneens toe leiden, dat de nationale rechter het nationale recht "zoveel mogelijk" (17) uitlegt in het licht van de bewoordingen en het doel van een richtlijn, zoals de zogeheten "conforme-uitleggingsrechtspraak" (18) van het Hof het hem voorschrijft, en wel ongeacht of de omzettingstermijn van de richtlijn is verstreken. (19)
16. Zoals ik in mijn conclusie in de zaken Dekker en Hertz (20) heb gezegd, moet de aandacht worden gevestigd op een onderscheid dat in de gehele rechtspraak van het Hof terug te vinden is, namelijk dat tussen enerzijds de mogelijkheid om zich op een - al dan niet rechtstreeks werkende - gemeenschapsbepaling te beroepen met het oog op de juiste uitlegging van het nationale recht of het aan het Hof voorleggen van een prejudiciële vraag, en anderzijds de rechtstreekse toepasselijkheid van een bepaling van gemeenschapsrecht ingeval er geen nationale regeling bestaat of indien de regels van nationaal recht met het gemeenschapsrecht onverenigbaar zijn. Voor een dergelijke rechtstreekse toepasselijkheid is het noodzakelijk, dat aan de bepaling rechtstreekse werking is toegekend.
17. Overigens bestaan er naast de gevallen waarin toepassing wordt gegeven aan artikel 177 of waarin de "conforme-uitleggingsverplichting" bestaat, nog andere omstandigheden waarin de nationale rechter ambtshalve de verenigbaarheid van een nationale bepaling moet nagaan met een bepaling van gemeenschapsrecht die geen rechtstreekse werking heeft. Dat is voornamelijk het geval in door particulieren bij de nationale rechter ingestelde beroepen wegens aansprakelijkheid van de staat wegens niet-nakoming van zijn gemeenschapsverplichtingen. Dergelijke beroepen worden bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht weliswaar beheerst door het nationale recht van de Lid-Staten (21), maar indien het nationale recht een aansprakelijkheid van de staat kent, kan het voor de rechter nuttig zijn, de onverenigbaarheid te constateren van het nationale recht met een gemeenschapsbepaling, ook wanneer deze geen rechtstreekse werking heeft, ten einde het onrechtmatig handelen van de nationale overheid en daarmee de aansprakelijkheid van de staat vast te stellen.
18. Deze preciseringen zijn niet overbodig. Voor het geval richtlijn 79/7 niet op juiste wijze in Nederlands recht zou zijn omgezet, is het gezien de uitspraak in de zaak Marshall (22) niet evident, dat mevrouw Van Wetten-van Uden zich tegenover de Sociale Verzekeringsbank op artikel 4 van die richtlijn kan beroepen. Zou de nationale rechter, gelet op 's Hofs arrest in de zaak Foster (23), van oordeel zijn, dat de Sociale Verzekeringsbank geen orgaan van de staat is, dan kan hij weliswaar ambtshalve naar richtlijn 79/7 verwijzen, niet om het nationale recht buiten toepassing te verklaren, doch enkel om "voor zoveel mogelijk" (24) te trachten daaraan een uitlegging te geven die aansluit bij de eisen van de gemeenschapsregeling.
19. Rest ons nog vast te stellen, of de nationale rechter verplicht is ambtshalve het bestaan van een gemeenschapsnorm te constateren met het oog op de conforme uitlegging van het nationale recht. Die vraag lijkt bevestigend te moeten worden beantwoord. De voorrang van het gemeenschapsrecht kan niet aan de beoordeling van de nationale rechter worden overgelaten, daar dit de eenvormige toepassing daarvan ernstig in gevaar zou brengen. Deze verplichting heeft de rechter bovendien zowel voor gemeenschapsnormen mét als voor normen zonder rechtstreekse werking.
20. Wat de gemeenschapsnormen met rechtstreekse werking betreft, is het de taak van de rechter "de door het gemeenschapsrecht aan particulieren toegekende rechten te beschermen". (25) Uit de motivering van het arrest Salgoil blijkt overigens, hoezeer voorrang en rechtstreekse werking "tweelingen" zijn (26), maar ook hoezeer die twee beginselen noodzakelijkerwijs onderstellen, dat het gemeenschapsrecht een volstrekt onmiddellijke toepasselijkheid heeft. Het Hof overwoog in dat arrest, dat de bepalingen van gemeenschapsrecht
"de overheden en met name de bevoegde rechters der Lid-Staten de plicht opleggen tot handhaving van die belangen der onderdanen, welke mogelijk door een miskenning van bedoelde bepalingen geschonden werden, zulks bij wege van een rechtstreekse en onmiddellijke bescherming" (27)
Ook de overwegingen van het arrest Simmenthal zijn op dat punt zeer duidelijk. De nationale rechter "heeft tot taak (...) de door het gemeenschapsrecht aan particulieren toegekende rechten te beschermen" (28); hij is "verplicht (...) zorg te dragen voor de volle werking dezer normen". (29)
21. Wat de gemeenschapsnormen zonder rechtstreekse werking betreft, is het niet de taak van de rechter om de rechten van de justitiabelen te beschermen, voor zover de gemeenschapsnorm geen rechtstreekse werking heeft. Er zij evenwel aan herinnerd, dat de rechtspraak van het Hof, ingeval de nationale rechter zich gesteld ziet tegenover een richtlijn zonder rechtstreekse werking, hem ertoe verplicht het nationale recht zoveel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn. Die regel is zowel af te leiden uit artikel 189 als uit artikel 5 EEG-Verdrag. Zoals het Hof in het arrest Marleasing vaststelde,
"(gelden) de uit een richtlijn voortvloeiende verplichting van de Lid-Staten om het daarmee beoogde doel te bereiken, alsook hun uit artikel 5 EEG-Verdrag voortvloeiende plicht om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen welke geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren, voor alle autoriteiten van de Lid-Staten, de rechterlijke instanties in het kader van hun bevoegdheid daaronder begrepen". (30)
Ook deze verplichting vloeit voort uit de voorrang van het gemeenschapsrecht, welke veronderstelt, dat de regels van dat recht in de gehele Gemeenschap op uniforme en onmiddellijke wijze worden toegepast. Hierin zijn weliswaar, zonder de rechtstreekse werking, de ongetwijfeld meer traditionele grondtrekken van het volkenrecht terug te vinden, maar niettemin moet de nationale rechter, als autoriteit van de Lid-Staat, in het kader van zijn bevoegdheid de inachtneming van de gemeenschappelijke wetgeving verzekeren.
22. Ik geef dan ook in overweging, de eerste vraag in zaak C-88/90 in die zin te beantwoorden.
23. De tweede vraag in die zaak betreft het geval dat een partij in het hoofdgeding niet onder de personele werkingssfeer van een richtlijn valt, terwijl het sociale-zekerheidsstelsel dat in dat geding aan de orde is, er wel onder valt. De verwijzende rechter vraagt zich af, of hij in een dergelijk geval de verenigbaarheid van een nationale rechtsregel met die richtlijn heeft te beoordelen.
24. Wij vinden hier de problematiek terug van het arrest Achterberg-te Riele e.a. (31) Zoals de verwijzende rechter heeft vastgesteld, maakt mevrouw Van Wetten-van Uden geen deel uit van de beroepsbevolking in de zin van artikel 2 van richtlijn 79/7; niettemin heeft artikel 3, lid 1, sub a, van die richtlijn betrekking op wettelijke regelingen inzake ouderdomspensioenen. Zoals gezegd, oordeelde het Hof in het arrest Achterberg-te Riele e.a., dat
"uit de artikelen 2 en 3 van de richtlijn te zamen genomen volgt (...) dat de richtlijn enkel geldt voor personen die arbeid verrichten op het moment waarop zij aanspraak kunnen maken op ouderdomspensioen, of wier arbeid voordien is onderbroken door een van de andere in artikel 3, lid 1, sub a, genoemde risico' s". (32)
25. Richtlijn 79/7 nu verlangt de volledige toepassing van het beginsel van gelijke behandeling binnen de grenzen van de werkingssfeer van de richtlijn. Indien iemand niet binnen die werkingssfeer valt, behoren de betrokken nationale rechtsregels niet tot die waarvoor de richtlijn de inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling heeft willen voorschrijven. Niets verbiedt de Nederlandse wetgever om aan verzekerden die geen deel uitmaken van de beroepsbevolking, sociale-zekerheidsuitkeringen toe te kennen; in die gevallen eist het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand echter niet, dat het beginsel van gelijke behandeling wordt toegepast. Zoals ik in mijn conclusie in de zaak Achterberg-te Riele e.a. heb beklemtoond, kan het paradoxaal lijken dat een nationale regeling die alle ingezetenen van een Lid-Staat een uiterst doeltreffende bescherming bij ouderdom biedt, zich wat het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen betreft, niet kan spiegelen aan de gemeenschapswetgeving. Nochtans kan ik hier enkel maar vaststellen, dat de Nederlandse wetgeving voorloopt op het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand. (33)
26. Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie niet onder richtlijn 79/7 valt, kan de verwijzende rechter in dat geding uiteraard niet de verenigbaarheid van het nationale recht met die richtlijn beoordelen.
27. De derde vraag is eenvoudiger. De verwijzende rechter vraagt het Hof, of artikel 2 van de richtlijn betrekking heeft op de personele werkingssfeer van die richtlijn zelve, dan wel evenals artikel 3 moet worden gezien als een afbakening van de door die richtlijn bestreken stelsels van sociale zekerheid.
28. In dat verband kan ik het Hof slechts verwijzen naar het arrest Achterberg-te Riele e.a., waarin het overwoog, dat
"de personele werkingssfeer van de richtlijn is omschreven in artikel 2, volgens hetwelke de richtlijn van toepassing is op de beroepsbevolking, op werkzoekenden en op werknemers en zelfstandigen wier arbeid is onderbroken door een van de in artikel 1, sub a, opgesomde risico' s". (34)
29. Moeilijk valt in te zien, waarom artikel 2 ook betrekking zou hebben op de afbakening van door de richtlijn bestreken stelsels van sociale zekerheid, aangezien die afbakening uitdrukkelijk uit artikel 3, lid 1, sub a, volgt.
II - Zaak C-89/90
30. De enige vraag die in zaak C-89/90 is gesteld, heeft eveneens de bedoeling de bezwaren te ondervangen die ik aan het begin van mijn conclusie heb gesignaleerd. De verwijzende rechter vraagt het Hof, of een justitiabele een beroep kan doen op richtlijn 79/7 indien hij de gevolgen ondervindt van een discriminerende nationale bepaling die zijn echtgenote treft, die in de procedure geen procespartij is.
31. Die vraag vindt haar oorsprong in de bijzondere omstandigheden van het geval. Mevrouw Heiderijk was namelijk, anders dan haar echtgenoot, destijds nog geen 65 jaar oud. Daarom ontving haar echtgenoot voor zichzelf een ouderdomspensioen, aangevuld met een toeslag ten behoeve van een ten laste komend persoon die de leeftijd van 65 jaar nog niet had bereikt. Gehuwde vrouwen verkregen namelijk eerst recht op een eigen pensioen vanaf de leeftijd van 65 jaar, welk pensioen overigens aan de echtgenoot werd uitgekeerd, behoudens in bepaalde gevallen, onder meer wanneer de echtgenoot was overleden. (35) Die toeslag werd verlaagd, met name in verband met de tijdvakken dat mevrouw Heiderijk niet verzekerd was voor de AOW omdat haar echtgenoot het niet was. Enkel de heer Heiderijk treedt op in het hoofdgeding. Volgens de verwijzende rechter kan mevrouw Heiderijk naar Nederlands procesrecht in dat geding niet interveniëren.
32. De vraag is tamelijk moeilijk. Tot op heden werd op discriminatie een beroep gedaan door degene die er zelf het slachtoffer van was. (36) Het Hof heeft zich dan ook nog niet behoeven uit te spreken over de netelige vraag, wie bij de nationale rechter een beroep op het gemeenschapsrecht kan doen. In feite heeft dit probleem voor het ogenblik een zuiver nationale oplossing gevonden, doordat de rechter aan wie het hoofdgeding is voorgelegd, zo nodig de hoedanigheid en het procesbelang van de betrokkene onderzoekt aan de hand van de nationale regels van procesrecht. Indien de betrokkene procesbevoegd is, kan hij ter verdediging van zijn rechten een beroep doen op een gemeenschapsnorm waaraan hij rechten meent te ontlenen. Betekent dit, dat enkel het nationale recht kan bepalen wie op het gemeenschapsrecht een beroep kan doen? Dat lijkt mij niet. Twee "correcties" zijn reeds door de rechtspraak van het Hof aangebracht.
33. In de eerste plaats kan de nationale wetgeving het beginsel van de toegang tot de rechter niet belemmeren. (37) Dat zou in het bijzonder het geval zijn, indien het slachtoffer van een door het gemeenschapsrecht verboden discriminatie zijn rechten niet via de rechter geldend zou kunnen maken om redenen die uitsluitend verband houden met het nationale procesrecht.
34. In de tweede plaats mag de toepassing van regels van nationaal procesrecht er niet toe leiden, dat de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten praktisch onmogelijk wordt gemaakt. (38)
35. In casu wordt evenwel niet het oordeel van het Hof verzocht over de vraag of het feit dat mevrouw Heiderijk, het mogelijke slachtoffer van een discriminatie, zich niet in rechte kan beroepen op de onverenigbaarheid van de betrokken nationale wettelijke regeling, al dan niet in strijd is met de zojuist aangehaalde rechtspraak. In mijn conclusie in de zaak Bakker wees ik er reeds op, dat de Nederlandse wetgeving destijds immers bepaalde, dat alleen aan de man een pensioen werd uitgekeerd, waarin de pensioenrechten van beide echtgenoten waren begrepen. (39) Enkel in bijzondere gevallen ontving de gehuwde vrouw haar ouderdomspensioen rechtstreeks. Derhalve was het niet slechts zo, dat de niet-verzekerde tijdvakken van de mannelijke werknemer rechtstreeks van invloed waren op de hoogte van de uitkering aan zijn echtgenote, maar ook was hij degene die het aan zijn echtgenote toegekende pensioen ontving. Zonder dat het Hof behoeft te bepalen wie de rechthebbende op het pensioen was, zal het constateren, dat het de man is die het pensioen ontvangt en die naar Nederlands procesrecht zijn rechten in rechte geldend kan maken. Hij moet dan ook voor de verdediging van die rechten een beroep kunnen doen op de bepalingen van richtlijn 79/7 waaraan hij rechten meent te ontlenen.
36. Wil het antwoord van het Hof voor de door de nationale rechter te geven beslissing van nut kunnen zijn, dan moeten wij evenwel nog een precisering aanbrengen. Immers, ofschoon de heer Heiderijk zich op richtlijn 79/7 kan beroepen, neemt dat niet weg, dat die tekst - ik zeg het ten overvloede nogmaals - niet van toepassing is op verzekerden die geen deel uitmaken van de beroepsbevolking in de zin van artikel 2 van de richtlijn. De nationale rechter kan derhalve de richtlijn slechts in aanmerking nemen, indien hij overweegt dat de rechthebbende op het pensioen naar Nederlands recht de heer Heiderijk is - die uiteraard onder de werkingssfeer van de richtlijn valt - en niet zijn echtgenote, die geen deel uitmaakt van de groep van in artikel 2 bedoelde personen. Indien dat het geval is, moet hij de AOW toetsen aan artikel 4, lid 1, van de richtlijn, waarin iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect, is uitgesloten, in het bijzonder met betrekking tot "de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen".
III - Zaak C-87/90
37. Hij zal daarbij zeker worden geholpen door 's Hofs antwoord op de in zaak C-87/90 gestelde prejudiciële vraag. Mevrouw Verholen verrichtte, zoals gezegd, sinds 1974 beroepsarbeid en genoot sinds 1 juli 1984 vervroegd pensioen. Dat pensioen genoot zij nog steeds toen zij op 1 april 1988 recht verkreeg op ouderdomspensioen ingevolge de AOW. De verwijzende rechter heeft in zijn verwijzingsbevel geoordeeld, dat zij tot de beroepsbevolking in de zin van artikel 2 van richtlijn 79/7 behoorde. Dit punt is evenwel door de Nederlandse regering zowel in haar schriftelijke opmerkingen als ter terechtzitting uitdrukkelijk bestreden. Volgens de Nederlandse regering heeft mevrouw Verholen door vervroegd uit te treden, haar dienstbetrekking vrijwillig verlaten en kan zij derhalve niet meer worden geacht deel uit te maken van de beroepsbevolking.
38. Laat ik onmiddellijk zeggen, dat ik die stelling niet houdbaar acht. Immers, volgens het arrest Achterberg-te Riele e.a. geldt richtlijn 79/7
"voor personen die arbeid verrichten op het moment waarop zij aanspraak kunnen maken op ouderdomspensioen, of wier arbeid voordien is onderbroken door een van de andere in artikel 3, lid 1, sub a, genoemde risico' s". (40)
Het risico van ouderdom wordt uitdrukkelijk in artikel 3, lid 1, sub a, genoemd. De Nederlandse regering is in wezen van mening, dat een werknemer die vervroegd uittreedt, zijn dienstverband niet beëindigt wegens het intreden van het risico van ouderdom. Ik zie niet in, waarom het staken van de beroepsarbeid op de leeftijd van 61 jaar niets van doen heeft met het risico van ouderdom, terwijl dat wel het geval is indien die arbeid vier jaar later wordt gestaakt. Zodra iemand zijn dienstverband beëindigt om een uitkering te genieten die wordt toegekend wegens het bereiken van een bepaalde leeftijd en eventueel het hebben gewerkt gedurende een bepaald aantal jaren, komt hij daarmee binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7 zoals bepaald door artikel 2 daarvan. De overwegingen betreffende de financiering en de uitvoering van het stelsel van vrijwillig vervroegde uittreding zijn weliswaar zeer zeker van belang om uit te maken, of die uitkering onder artikel 119 EEG-Verdrag valt of moet worden gezien als een uitkering van sociale zekerheid, maar voor de vraag of die uitkering binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7 valt, doen zij niet ter zake. Aanvaarding van de stelling van de Nederlandse regering zou ertoe leiden, dat alle vervroegd gepensioneerden hun bescherming zouden verliezen. Ik ben dan ook met de verwijzende rechter van mening, dat mevrouw Verholen deel uitmaakt van de beroepsbevolking in de zin van de richtlijn.
39. Het Hof moet zich derhalve afvragen, of en in hoeverre het met de artikelen 4, lid 1, en 5, van de richtlijn verenigbaar is, dat een Lid-Staat de gevolgen laat voortduren van een wettelijke regeling waarbij gehuwde vrouwen in bepaalde omstandigheden van de verzekering worden uitgesloten.
40. De verwijzende rechter en de Sociale Verzekeringsbank (41) zijn het met elkaar eens over het discriminerend karakter van de AOW in de vóór 1 april 1985 geldende versie. Zoals gezegd werd tot die datum op het pensioen van de gehuwde vrouw wier echtgenoot niet verzekerd was geweest, met name wegens verblijf voor het verrichten van arbeid in een andere Lid-Staat, een korting toegepast naar rato van de niet-verzekerde tijdvakken van haar echtgenoot. Daarentegen hadden niet-verzekerde tijdvakken van de gehuwde vrouw geen gevolgen voor de opbouw van de pensioenrechten van haar echtgenoot, aangezien deze, als werknemer of als ingezetene, uit eigen hoofde voor de AOW verzekerd was.
41. Ik heb mij in mijn conclusie in de zaak Achterberg-te Riele e.a. reeds uitgesproken over het laten voortduren van dergelijke gevolgen in verband met het beginsel van gelijke behandeling. Zoals gezegd, geeft de rechtspraak van het Hof reeds waardevolle aanwijzingen op dat punt. In het arrest Dik (42) stelde het Hof bijvoorbeeld vast, dat
"richtlijn 79/7 niet voorziet in uitzonderingen op het in artikel 4, lid 1, van de richtlijn neergelegde beginsel van gelijke behandeling, op grond waarvan oudere nationale beperkingen hun discriminerende werking zouden mogen behouden. Bijgevolg mag een Lid-Staat na 23 december 1984 geen ongelijke behandelingen laten voortduren die te wijten zijn aan de omstandigheid, dat de aan het ontstaan van het recht op uitkering verbonden voorwaarden reeds vóór die datum golden. De omstandigheid dat die ongelijke behandelingen uit overgangsbepalingen voortvloeien, leidt niet tot een andere beoordeling". (43)
Dat arrest vormt overigens een bevestiging van vaste rechtspraak. (44)
42. De Nederlandse regering en de Sociale Verzekeringsbank zijn evenwel van mening, dat die arresten, die respectievelijk betrekking hadden op werkloosheidsuitkeringen (45) en op de toekenningsvoorwaarden voor een uitkering krachtens een niet-contributief stelsel (46), niet kunnen worden toegepast op een sociale-zekerheidsstelsel op basis van kapitalisatie. Mijns inziens heeft het geen zin om onderscheid te maken tussen zogenoemde risicostelsels en premiestelsels. In het reeds genoemde arrest Dik verwees het Hof naar de voorwaarden voor het ontstaan van het recht op uitkering, zonder daarbij onderscheid te maken tussen sociale verzekeringen op basis van een omslagstelsel en die op basis van kapitaalvorming. De richtlijn maakt dat onderscheid trouwens evenmin.
43. Richtlijn 86/378/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid (47), bepaalt in artikel 8, lid 2, dat de richtlijn niet belet, dat "de rechten en verplichtingen die verband houden met een periode van aansluiting bij een ondernemings- of sectoriële regeling die voorafging aan de herziening van deze regeling, blijven vallen onder de bepalingen van de regeling die van kracht was tijdens bedoelde periode". Het is denkbaar, dat de gemeenschapswetgever voor ondernemingsregelingen van sociale zekerheid, die ten laste komen van de werkgever, het beginsel van gelijke behandeling geleidelijk heeft willen invoeren. Dat is voor de onderhavige zaak evenwel van geen belang, daar een dergelijke bepaling in richtlijn 79/7 juist niet voorkomt. Indien de gemeenschapswetgever de onmiddellijke uitvoering van de gelijke behandeling in de wettelijke stelsels van sociale zekerheid heeft willen waarborgen, dan dient die wens te worden gerespecteerd.
44. Bovendien heeft het Hof in een recent arrest (48) geoordeeld, dat het beginsel van gelijke behandeling onmiddellijk (49) van toepassing moet zijn, terwijl het daar, evenals in de onderhavige zaak, ging om een bijdragestelsel. Het Hof heeft zelfs nader gepreciseerd, dat
"geen beperking van de gevolgen van ((die)) uitlegging kan worden toegestaan ten aanzien van pensioenrechten die vanaf de datum van dit arrest ontstaan". (50)
45. Ik zal straks de mogelijkheid onderzoeken om de gevolgen in de tijd van het in de thans voorliggende zaak te wijzen arrest te beperken. Ik moet evenwel vaststellen, dat degenen die voorheen gediscrimineerd zijn, sinds het arrest Barber recht hebben op een pensioen waarbij niet meer van de vroegere discriminerende bepalingen wordt uitgegaan, zelfs indien de premies die zij vóór die tijd hebben betaald, met die nieuwe situatie geen rekening konden houden.
46. Anders dan de Sociale Verzekeringsbank in haar opmerkingen stelt, gaat het hier niet om het toekennen van terugwerkende kracht aan de richtlijn. (51) Het gaat er eenvoudig om, te verzekeren dat het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen onmiddellijk in werking treedt, wat onderstelt dat eventuele nog bestaande ongelijkheden onverwijld worden opgeheven. De richtlijn zou haar nuttig effect grotendeels verliezen wanneer men ervan zou uitgaan, dat zij enkel volledig en onverkort moet worden toegepast op degenen die sinds 23 december 1984 premies zijn gaan betalen.
47. Zo heeft ook advocaat-generaal Cruz Vilaça in zijn conclusie in de zaak Borrie Clarke beklemtoond, dat
"er in geen enkele afwijking is voorzien op grond waarvan een Lid-Staat de discriminerende gevolgen van oudere nationale bepalingen zou mogen handhaven, en is de handhaving van die gevolgen evenzeer in strijd met de richtlijn als de instandhouding van de betrokken nationale bepalingen". (52)
48. In hun schriftelijke opmerkingen hebben de Nederlandse regering en de Sociale Verzekeringsbank willen aantonen, dat de in geding zijnde gevolgen niet voortvloeien uit juist deze of gene bepaling van overgangsrecht, maar uit het beginsel dat elke in het verleden gelegen situatie moet worden getoetst aan het destijds toepasselijke recht.
49. Het is in dit verband van weinig belang, of bedoelde gevolgen uit een overgangsbepaling voortvloeien. De werking van het gemeenschapsrecht mag niet verschillen naargelang van de voor de uitwerking daarvan door het nationale recht gekozen rechtsvorm. Men kan zich trouwens ernstig afvragen, of het hier wel gaat om uitvoering van op een situatie in het verleden toepasselijk recht. Sinds 23 december 1984, dus thans, hebben vrouwen recht op een pensioen bij de berekening waarvan niet meer van de discriminerende bepalingen wordt uitgegaan. De situatie in het verleden betreft pensioenen die zijn uitgekeerd vóór 23 december 1984, waarvoor de rechthebbenden geen betaling kunnen verlangen van bedragen die zij als gevolg van discriminatie zijn misgelopen, omdat het beginsel van gelijke behandeling destijds nog niet gold.
50. Ten slotte stelt de Nederlandse regering, dat bij de berekening van pensioenrechten die in het buitenland zijn verworven door gehuwde mannen die aldaar werkzaam zijn geweest, voor een toeslag op het pensioen over het algemeen rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van een echtgenoot of ten laste komend persoon. Dat argument kan niet worden aanvaard. Enerzijds bepalen sommige wettelijke regelingen, dat gehuwden elk autonome rechten op een ouderdomspensioen verwerven. Anderzijds blijkt uit een recent arrest van het Hof, dat het bij richtlijn 79/7 ingevoerde beginsel van gelijke behandeling onverwijld en volledig moet worden toegepast vanaf de inwerkingtreding van de richtlijn, "zelfs indien dat onder bepaalde omstandigheden zou leiden tot dubbele betaling" (53) van de uitkering of "inbreuk zou maken op het in het nationale recht neergelegde verbod van ongerechtvaardigde verrijking". (54)
51. Nu moet nog worden onderzocht, of het Hof de gevolgen van zijn arrest op dit punt kan beperken. Het heeft zich daarover in verband met de gelijke behandeling van mannen en vrouwen twee maal moeten uitspreken. (55) Naar het mij voorkomt, zijn de eisen van de rechtszekerheid waardoor het Hof zich in die arresten heeft laten leiden, thans niet in dezelfde mate aan de orde. In het arrest Defrenne II heeft het Hof voor de eerste maal de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag erkend. Op die bepaling is echter merkwaardig genoeg tot de thans voorliggende zaak nog geen beroep gedaan. In het arrest Barber oordeelde het Hof, dat het discriminerend was
"dat een man aan wie gedwongen ontslag is verleend, slechts aanspraak heeft op een uitgesteld pensioen op de normale pensioengerechtigde leeftijd, terwijl een vrouw in dezelfde omstandigheden recht heeft op een onmiddellijk ingaand ouderdomspensioen, doordat een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde geldt", (56)
terwijl het in een eerder arrest (Burton (57)) het verschil in leeftijdsvoorwaarden voor mannen en vrouwen bij vrijwillig uittreden gerechtvaardigd had geacht. In de zaken Defrenne II en Barber konden de sociale partners en de nationale wetgevers dus niet op de rechtspraak van het Hof anticiperen.
52. De thans aan de orde zijnde situatie is volkomen anders. Sinds het arrest Koks van 23 december 1982, dus vóór de inwerkingtreding van richtlijn 79/7, wist de Nederlandse regering, hoe het er gezien de eisen van die gemeenschapstekst met de AOW voor stond. In die zaak gaf de Commissie immers als haar mening te kennen, dat "de Nederlandse regeling, waarbij de gehuwde vrouw behoudens uitzonderingen slechts verzekerd is krachtens onder meer de AOW indien haar echtgenoot krachtens die wet verzekerd is, in strijd is met bedoelde richtlijn en moet worden gewijzigd binnen een termijn die op 22 december 1984 verstrijkt, aangezien op 22 december 1978 van de richtlijn is kennisgegeven". (58) In het arrest Koks preciseerde het Hof de draagwijdte van die tekst bovendien als volgt:
"Afgezien van richtlijn nr. 79/7/EEG (...), die de Lid-Staten een termijn van zes jaar laat om de nodige bepalingen in werking te doen treden, bestaat er geen enkele regel van gemeenschapsrecht, die zich ertegen verzet dat de Lid-Staten de rechten die een der echtgenoten aan een stelsel van sociale zekerheid ontleent, doen afhangen van de aansluiting van de andere echtgenoot bij dat stelsel". (59)
53. Dat de door de Nederlandse regering beschreven moeilijkheden, voortvloeiend uit de door haar ter terechtzitting genoemde financiële consequenties, omvangrijk zijn, valt niet te ontkennen. Ik moet evenwel vaststellen, dat de weigering van de Nederlandse regering om ten aanzien van de betrokken vrouwen onverwijld toepassing te geven aan het beginsel van gelijke behandeling, niet kan worden gezien als voortkomend uit onwetendheid betreffende de gebreken die de AOW in verband met dit beginsel vertoonde. Ik stel dan ook voor, geen gebruik te maken van de mogelijkheid om de gevolgen in de tijd van het arrest te beperken.
54. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, voor recht te verklaren:
1) in zaak C-88/90:
a) de nationale rechter, die tot taak heeft in het kader van zijn bevoegdheid de bepalingen van het gemeenschapsrecht toe te passen, heeft de plicht zorg te dragen voor de volle werking van die normen, door ambtshalve iedere bepaling van nationaal recht buiten toepassing te laten die onverenigbaar is met een gemeenschapsnorm met rechtstreekse werking; hij is tevens gehouden, de bepalingen van nationaal recht zoveel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de gemeenschapsrechtelijke norm, zelfs al heeft deze geen rechtstreekse werking;
b) de nationale rechter kan geen oordeel geven over de verenigbaarheid van het nationale recht met een gemeenschapsnorm ten gunste van een justitiabele die niet onder de personele werkingssfeer van die norm valt;
c) artikel 2 van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moet aldus worden uitgelegd, dat dit artikel enkel bepaalt, welke personen zich op de bepalingen van de richtlijn kunnen beroepen;
2) in zaak C-89/90:
a) degenen die volgens de regels van nationaal procesrecht in rechte aanspraak kunnen maken op uitkeringen die behoren tot de in artikel 3, leden 1 en 2, van vorenaangehaalde richtlijn genoemde, kunnen zich op de bepalingen van die richtlijn beroepen, met name op artikel 4, lid 1;
b) de bepalingen van de betrokken richtlijn zijn evenwel slechts van toepassing op personen die recht hebben op de in artikel 3, leden 1 en 2, genoemde uitkeringen, indien zij behoren tot de groep van in artikel 2 bedoelde personen;
c) het staat aan de nationale rechter daartoe vast te stellen, welke personen gezien het nationale recht recht hebben op een uitkering ingevolge een stelsel van ouderdomspensioenen als het door de Algemene Ouderdomswet ingestelde;
3) in zaak C-87/90:
de vorenaangehaalde richtlijn moet in die zin worden uitgelegd, dat zij de Lid-Staten niet toestaat, over enig tijdvak een ongelijke behandeling in stand te houden die de toekenningsvoorwaarden voor rechten op ouderdomspensioen betreft, indien de daarmee overeenkomende uitkeringen zijn of zullen worden betaald na 23 december 1984.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) PB 1979, L 6, blz. 24.
(2) Zie bij voorbeeld de arresten van 20 april 1988 (zaak 151/87, Bakker, Jurispr. 1988, blz. 2009) en 2 mei 1990 (zaak C-293/88, Winter-Lutzins, Jurispr. 1990, blz. I-1623).
(3) Zaak 275/81, Jurispr. 1982, blz. 3013.
(4) Rechtsoverweging 5.
(5) Arrest van 27 juni 1989 (gevoegde zaken 48/88, 106/88 en 107/88, Jurispr. 1989, blz. 1963); conclusie (blz. 1977, punt 2).
(6) Jurispr. 1989, blz. 1977, punt 3.
(7) Rechtsoverweging 11.
(8) Vergelijk de artikelen 2 en 3 van de tekst, in hun onderlinge samenhang gelezen.
(9) Zaak 166/73, Jurispr. 1974, blz. 33.
(10) Rechtsoverweging 3, cursivering van mij.
(11) Arrest van 20 mei 1976, zaak 111/75, Mazzalai, Jurispr. 1976, blz. 657, r.o. 7.
(12) Arrest van 9 maart 1978 (zaak 106/77, Jurispr. 1978, blz. 629).
(13) Rechtsoverweging 16.
(14) Rechtsoverweging 20.
(15) Rechtsoverweging 24, cursivering van mij.
(16) Arrest van 4 december 1986 (zaak 71/85, FNV, Jurispr. 1986, blz. 3855, r.o. 21).
(17) Arrest van 13 november 1990 (zaak C-106/89, Marleasing, Jurispr. 1990, blz. I-4135).
(18) Arresten van 10 april 1984 (zaak 14/83, Von Colson en Kamann, Jurispr. 1984, blz. 1891, en zaak 79/83, Harz, ibid., blz. 1921); arrest van 4 februari 1988 (zaak 157/86, Murphy, Jurispr. 1988, blz. 673).
(19) Arrest van 8 oktober 1987 (zaak 80/86, Kolpinghuis Nijmegen, Jurispr. 1987, blz. 3969, r.o. 15).
(20) Arresten van 8 november 1990 (zaken C-177/88 en C-179/88, Jurispr. 1990, blz. I-3941, resp. blz. I-3979); conclusie punten 7-15.
(21) Arrest van 22 januari 1976 (zaak 60/75, Russo, Jurispr. 1976, blz. 45); zie in dat verband het arrest van 19 november 1991 (gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90, Francovitch e.a., Jurispr. 1991, blz. I-5357).
(22) Arrest van 26 februari 1986 (zaak 152/84, Jurispr. 1986, blz. 723).
(23) Arrest van 12 juli 1990 (zaak C-188/89, Jurispr. 1990, blz. I-3313).
(24) Zaak C-106/89, reeds aangehaald, r.o. 8.
(25) Zaak 106/77, reeds aangehaald, r.o. 16; zie ook arrest van 19 december 1968 (zaak 13/68, Salgoil, Jurispr. 1968, blz. 631, 645).
(26) R. Kovar, L' invocabilité du droit communautaire devant les juridictions nationales, in: L' avocat et l' Europe des 12 et des 21, Actes du XIIème congrès de l' association française des centres de formation professionnelle du barreau, 1988, blz. 187.
(27) Zaak 13/68, reeds aangehaald, blz. 645.
(28) Zaak 106/77, reeds aangehaald, r.o. 16, cursivering van mij.
(29) Rechtsoverweging 24, cursivering van mij.
(30) Zaak C-106/89, reeds aangehaald, r.o. 8.
(31) Gevoegde zaken 48/88, 106/88 en 107/88, reeds aangehaald.
(32) Rechtsoverweging 10.
(33) Jurispr. 1989, blz. 1979, punt 15.
(34) Gevoegde zaken 48/88, 106/88 en 107/88, reeds aangehaald, r.o. 9.
(35) Vergelijk het rapport ter terechtzitting in de zaak Bakker (zaak 151/87, Jurispr. 1988, blz. 2009, 2010), alsook het feitelijk gedeelte van het arrest Koks (zaak 275/81, Jurispr. 1982, blz. 3015, 3016); volgens de ter terechtzitting door de Nederlandse regering verstrekte gegevens, werd het pensioen rechtstreeks aan de vrouw uitgekeerd indien haar echtgenoot zelf geen recht had op pensioen ingevolge de AOW, indien het huwelijk was gesloten na het ontstaan van het recht op het pensioen, en ten slotte indien de vrouw als gezinshoofd moest worden beschouwd, hetgeen blijkbaar het geval was indien de echtgenoot was overleden.
(36) Zie evenwel het arrest van 17 oktober 1989 (zaak 109/88, Handels- og Kontorfunktionaerernes forbund i Danmark, Jurispr. 1989, blz. 3199), waarin in het hoofdgeding twee vakverenigingen tegenover elkaar stonden.
(37) Arrest van 15 mei 1986 (zaak 222/84, Johnston, Jurispr. 1986, blz. 1651); arrest van 15 oktober 1987 (zaak 222/86, Heylens, Jurispr. 1987, blz. 4097).
(38) Arrest van 9 november 1983 (zaak 199/82, San Giorgio, Jurispr. 1983, blz. 3595, r.o. 12).
(39) Zaak 151/87, reeds aangehaald, punt 3.
(40) Gevoegde zaken 48/88, 106/88 en 107/88, reeds aangehaald, r.o. 10, zie hiervóór, punt 24.
(41) Punt 12 van haar schriftelijke opmerkingen.
(42) Arrest van 8 maart 1988 (zaak 80/87, Jurispr. 1988, blz. 1601).
(43) Rechtsoverweging 9.
(44) Arresten van 4 december 1986 (zaak 71/85, FNV, Jurispr. 1986, blz. 3855, r.o. 21 en 22); 24 maart 1987 (zaak 286/85, McDermott en Cotter, Jurispr. 1987, blz. 1453, r.o. 18 en 19); 24 juni 1987 (zaak 384/85, Borrie Clarke, Jurispr. 1987, blz. 2865, r.o. 10).
(45) Zaken 286/85, 71/85 en 80/87, alle reeds aangehaald.
(46) Zaak 384/85, reeds aangehaald.
(47) PB 1986, L 225, blz. 40.
(48) Arrest van 17 mei 1990 (zaak C-262/88, Barber, Jurispr. I-1990, blz. 1889).
(49) In feite vanaf de dag van de uitspraak van het arrest, aangezien het Hof de gevolgen in de tijd van het arrest heeft beperkt, behalve voor degenen die reeds een rechtsvordering of een daarmee gelijk te stellen vordering hadden ingesteld.
(50) Zaak C-262/88, reeds aangehaald, r.o. 44.
(51) Punt 26.
(52) Zaak 384/85, reeds aangehaald, blz. 2872, punt 30.
(53) Arrest van 13 maart 1991, Cotter en McDermott (zaak C-377/89, Jurispr. 1991, blz. I-1155, r.o. 22).
(54) Ibidem, rechtsoverweging 27.
(55) Arrest van 8 april 1976 (zaak 43/75, Defrenne II, Jurispr. 1976, blz. 455); zaak C-262/88, reeds aangehaald.
(56) Zaak C-262/88, reeds aangehaald, r.o. 35.
(57) Arrest van 16 februari 1982 (zaak 19/81, Jurispr. 1982, blz. 55).
(58) Zaak 275/81, reeds aangehaald, feitelijk gedeelte van het arrest, Jurispr. 1982, blz. 3019.
(59) Zaak 275/81, reeds aangehaald, r.o. 11, cursivering van mij.