BESCHIKKING VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (VIERDE KAMER) VAN 25 FEBRUARI 1992. - HARISSIOS TAGARAS TEGEN HOF VAN JUSTITIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - BEGROTING VAN DE KOSTEN. - GEVOEGDE ZAKEN T-18/89 EN T-24/89 DEPE.
Jurisprudentie 1992 bladzijde II-00153
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
++++
Procedure - Kosten - Begroting - In aanmerking te nemen factoren
Het staat niet aan de gemeenschapsrechter de honoraria vast te stellen die partijen aan hun eigen advocaten zijn verschuldigd, doch te bepalen tot welk bedrag deze honoraria kunnen worden teruggevorderd van de in de kosten verwezen partij. Bijgevolg kan de rechter geen rekening houden met nationale tarieven voor advocatenhonoraria noch met een eventuele overeenkomst dienaangaande.
Aangezien een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, moet de rechter de gegevens van de zaak vrijelijk beoordelen, daarbij rekening houdend met het onderwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen.
In de gevoegde zaken T-18/89 en T-24/89, Kosten,
H. Tagaras, voormalig ambtenaar van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Thessaloniki, vertegenwoordigd door E. Sachpekidou, advocaat te Thessaloniki, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van C. Thill, advocaat aldaar, Boulevard Royal 17,
verzoeker,
tegen
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Hubeau als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van zijn gemachtigde, Hof van Justitie, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een verzoek om begroting van de kosten na het arrest van het Gerecht van 7 februari 1991,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: R. García-Valdecasas, kamerpresident, D. A. O. Edward en C. P. Briët, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof van Justitie op 2 juni 1987, heeft H. Tagaras beroep ingesteld, ingeschreven onder nummer 162/87, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van het Hof van 23 september 1986 houdende zijn aanstelling als ambtenaar op proef, voor zover hij daarbij werd ingedeeld in de eerste salaristrap van de rang A 7, alsmede van het stilzwijgend besluit tot afwijzing van zijn klacht van 7 november 1986. Op 26 augustus 1987 heeft verweerder tegen dat beroep een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Op 24 september 1987 heeft verzoeker zijn opmerkingen over deze exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend.
2 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 november 1987, heeft Tagaras, voor het geval het eerdere beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard, een tweede beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van het Hof van 23 september 1986 houdende zijn aanstelling als ambtenaar op proef, voor zover hij daarbij werd ingedeeld in de eerste salaristrap van de rang A 7, alsmede van het stilzwijgend besluit tot afwijzing van zijn verzoek van 7 november 1986 en van het stilzwijgend besluit tot afwijzing van zijn klacht van 12 mei 1987. Dat beroep werd ingeschreven onder nummer 351/87. Op 8 januari 1988 heeft verweerder ook tegen dat tweede beroep een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Op 13 januari 1988 heeft verzoeker zijn opmerkingen over deze tweede exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend.
3 Op 10 februari 1988 heeft het Hof (Derde kamer) besloten, de zaken 162/87 en 351/87 te voegen voor de schriftelijke en mondelinge behandeling en voor het arrest en de beide excepties van niet-ontvankelijkheid te voegen met de zaak ten gronde.
4 Op 8 april 1988 heeft verweerder K. Th. Loukopoulos, advocaat te Athene, aangewezen om zijn gemachtigde bij te staan.
5 Bij beschikking van 15 november 1989 heeft het Hof (Derde kamer) deze zaken krachtens artikel 14 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen naar het Gerecht verwezen. Zaak 162/87 werd bij het Gerecht ingeschreven onder nummer T-18/89 en zaak 351/87 onder nummer T-24/89.
6 Tagaras was voor de schriftelijke procedure in deze zaken vertegenwoordigd door E. Sachpekidou, advocaat te Thessaloniki, en ter terechtzitting door A. Kalogeropoulos, advocaat te Athene.
7 Het Gerecht heeft op 7 februari 1991 in deze zaken arrest gewezen. Het eerste beroep (T-18/89) werd niet-ontvankelijk verklaard, het tweede beroep (T-24/89) werd ontvankelijk verklaard; het besluit van het Hof van 23 september 1986 werd nietig verklaard voor zover daarbij verzoekers indeling in salaristrap was vastgesteld, en verweerder werd in beide zaken in alle kosten verwezen. Het Gerecht verwees verweerder ook in de kosten van het niet-ontvankelijk verklaarde beroep, aangezien het oordeelde dat verzoeker door de houding van verweerder ertoe was gebracht, tot vrijwaring van zijn rechten twee beroepen in te stellen.
8 Op 30 april deed E. Kalogeropoulos verzoeker twee gespecificeerde declaraties toekomen betreffende zijn honorarium en de in verband met de beide procedures gemaakte kosten, ten bedrage van respectievelijk 295 000 en 50 280 BFR.
9 Bij brief van 10 juni 1991 aan verzoekers advocaat deelde de gemachtigde van verweerder hem mee, dat het gevraagde honorarium te hoog was "gelet op onder meer de geringe moeilijkheid van de zaak en de beschikbare punten van vergelijking". Verweerder verklaarde zich bereid 150 000 BFR aan honorarium te betalen.
10 Bij schrijven van 2 augustus 1991 aan verweerders gemachtigde verklaarde verzoeker, dat hij, ofschoon van mening dat het oorspronkelijk gevraagde bedrag juist en redelijk was, bereid was dit bedrag te verminderen indien daarmee het geschil onmiddellijk en definitief kon worden opgelost. Hij was bereid af te zien van 35 % van het gevraagde honorarium, met uitzondering van het honorarium voor de mondelinge behandeling, waarmee zijn vordering op een bedrag van 219 000 BFR kwam.
11 Bij schrijven van 18 september 1991 werd verzoekers advocaat meegedeeld, dat verweerder akkoord ging met betaling van 175 000 BFR aan honorarium en 50 280 BFR aan kosten.
12 In deze omstandigheden heeft verzoeker, bij op 15 november 1991 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift, verzocht om begroting van de kosten.
13 Gelijk het Hof reeds meermaals heeft verklaard, staat het niet aan de gemeenschapsrechter "de honoraria vast te stellen die partijen aan hun eigen advocaten zijn verschuldigd, doch te bepalen tot welk bedrag deze honoraria kunnen worden teruggevorderd van de in de kosten verwezen partij". Bijgevolg kan het Gerecht "geen rekening houden met nationale tarieven voor advocatenhonoraria noch met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de betrokken partij en haar gemachtigden of raadslieden". Aangezien een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, moet het Gerecht "de gegevens van de zaak vrijelijk beoordelen, daarbij rekening houdend met het onderwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen" (beschikking van het Hof van 26 november 1985, zaak 318/82, Leeuwarder Papierwarenfabriek, Jurispr. 1985, blz. 3727).
14 Gelet op het voorgaande en op de moeilijkheid van de zaak, het aantal opgestelde memories en de met het bijwonen van de terechtzitting in Luxemburg gemoeide reistijd, moet het totale bedrag van de aan verzoeker als honorarium te vergoeden kosten worden vastgesteld op 220 000 BFR, vermeerderd met de eventueel over dat bedrag verschuldigde BTW.
15 Aangezien het Gerecht bij de vaststelling van de invorderbare kosten rekening heeft gehouden met alle omstandigheden van de zaak tot aan het tijdstip van de vaststelling, behoeft niet afzonderlijk te worden beslist over de door partijen in verband met de onderhavige accessoire procedure gemaakte noodzakelijke kosten.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer)
beschikt:
Het bedrag van de door verweerder aan verzoeker als honorarium te vergoeden kosten wordt vastgesteld op 220 000 BFR te vermeerderen met de eventueel over dat bedrag verschuldigde BTW.
Luxemburg, 25 februari 1992.