61989A0080

ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (TWEEDE KAMER) VAN 6 APRIL 1995. - BASF AG EN ANDEREN TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - PROCEDURE - BEVOEGDHEID - REGLEMENT VAN ORDE VAN DE COMMISSIE. - ZAAK T-80/89.

Jurisprudentie 1995 bladzijde II-00729


Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1. Handelingen van de instellingen ° Individuele beschikking ° Kennisgeving ° Begrip

(EEG-Verdrag, art. 191, tweede alinea)

2. Handelingen van de instellingen ° Onaantastbaarheid na vaststelling ° Wijziging van motivering of dispositief ° Schending van rechtszekerheidsbeginsel ° Onwettigheid

(EEG-Verdrag, art. 189 en 190)

3. Mededinging ° Administratieve procedure ° Beschikking waarbij inbreuk wordt vastgesteld ° Motivering ° Op college rustende verplichting ° Wijziging na vaststelling ° Onwettigheid

(EEG-Verdrag, art. 85 e.v. en 190; Fusieverdrag, art. 17; verordening nr. 17 van de Raad, art. 3, lid 1, en 15, lid 2, sub a)

4. Mededinging ° Administratieve procedure ° Beschikking waarbij inbreuk wordt vastgesteld ° Vaststelling in authentieke taal op grond van machtiging ° Aantasting van collegialiteitsbeginsel ° Onwettigheid

(EEG-Verdrag, art. 85; Fusieverdrag, art. 17; reglement van orde van de Commissie, art. 27)

5. Mededinging ° Administratieve procedure ° Beschikking waarbij inbreuk wordt vastgesteld ° Beschikking die niet is ondertekend en is vastgesteld na verstrijken van ambtstermijn van lid van Commissie dat begeleidende brieven ondertekende ° Onwettigheid

(EEG-Verdrag, art. 85; Fusieverdrag, art. 17; reglement van orde van de Commissie, art. 12, derde alinea)

6. Beroep tot nietigverklaring ° Middelen ° Schending van wezenlijke vormvoorschriften ° Schending van bepalingen van reglement van orde van Commissie betreffende authentisatie van handelingen van deze instelling in talen waarin deze authentiek zijn

(EEG-Verdrag, art. 173; Fusieverdrag, art. 17; reglement van orde van de Commissie, art. 12)

7. Handelingen van de instellingen ° Vermoeden van geldigheid ° Non-existente handeling ° Begrip

(EEG-Verdrag, art. 189)

1. Een beschikking is naar behoren betekend zodra zij aan de geadresseerde is meegedeeld en deze in staat is gesteld er kennis van te nemen. Verzending per aangetekende brief met ontvangstbevestiging is een passende wijze van betekening. In dat geval is de datum van betekening normaliter de datum die voorkomt op de ontvangstbevestiging, doch dit ligt anders wanneer de ontvangstbevestiging geen enkele handtekening draagt en de geadresseerde van de beschikking aantoont dat hij deze op een andere datum heeft ontvangen.

2. Het beginsel, dat een eenmaal door de bevoegde autoriteit vastgestelde handeling onaantastbaar is, is een hoeksteen van de rechtszekerheid en de stabiliteit van de juridische situaties in de communautaire rechtsorde, zowel voor de gemeenschapsinstellingen als voor de rechtssubjecten wier juridische en materiële situatie door een besluit van deze instellingen wordt beïnvloed. Alleen een strikte en absolute naleving van dit beginsel biedt de zekerheid, dat de handeling na de vaststelling ervan nog slechts met inachtneming van de bevoegdheids- en vormvoorschriften kan worden gewijzigd en dat bijgevolg de betekende of bekendgemaakte handeling een exacte kopie is van de vastgestelde handeling, dus een getrouwe weergave is van de wil van de bevoegde autoriteit.

Aan deze onaantastbaarheid wordt afbreuk gedaan wanneer aan een door het college van commissarissen vastgestelde handeling wijzigingen of toevoegingen zijn aangebracht die, omdat zij na de vaststelling van de handeling zijn aangebracht en niet van zuiver orthografische of syntactische aard zijn, noodzakelijkerwijs zijn aangebracht door een persoon die daartoe niet bevoegd was, ongeacht de draagwijdte, het belang of het substantieel karakter van deze wijzigingen.

3. De eerbiediging van het collegialiteitsbeginsel binnen de Commissie, met name het vereiste dat de besluiten door de leden van de Commissie in gemeen overleg worden genomen, is stellig van belang voor de rechtssubjecten ten aanzien van wie die besluiten rechtsgevolgen sorteren, in dier voege dat de geadresseerden de zekerheid moeten hebben, dat deze besluiten daadwerkelijk door het college zijn genomen en exact weergeven wat het college heeft gewild.

Dit geldt in het bijzonder voor de uitdrukkelijk als beschikking aangemerkte handelingen die de Commissie ten aanzien van ondernemingen of ondernemersverenigingen geeft met het oog op de naleving van de mededingingsregels en die tot doel hebben, een inbreuk op die regels vast te stellen, deze ondernemingen bevelen te geven en hun geldboetes op te leggen.

Dergelijke beschikkingen dienen ingevolge artikel 190 van het Verdrag met redenen te zijn omkleed, hetgeen inhoudt dat de Commissie een uiteenzetting geeft van de redenen die haar tot de vaststelling van een beschikking hebben gebracht, teneinde de gemeenschapsrechter in staat te stellen zijn controle uit te oefenen en zowel de Lid-Staten als de belanghebbende onderdanen te laten weten onder welke omstandigheden zij het Verdrag heeft toegepast. Daar het dispositief en de motivering van een beschikking een ondeelbaar geheel vormen, brengt het collegialiteitsbeginsel mee, dat uitsluitend het college bevoegd is om die beide onderdelen vast te stellen. Dit impliceert, dat na de formele vaststelling van de tekst van een handeling door het college enkel nog zuiver orthografische of grammaticale correcties in die tekst mogen worden aangebracht, en dat iedere andere wijziging tot de exclusieve bevoegdheid van het college behoort.

4. Door een besluit waarbij een inbreuk op artikel 85 van het Verdrag wordt vastgesteld, tot verscheidene ondernemingen bevelen worden gericht en hun hoge geldboetes worden opgelegd en dat in verband daarmee executoriale kracht heeft, worden de rechten en verplichtingen alsmede het vermogen van deze ondernemingen duidelijk geraakt. De vaststelling van een dergelijk besluit in de authentieke taal kan niet als een eenvoudige maatregel van bestuur of beheer worden beschouwd die door slechts één commissaris op grond van een machtiging kan worden vastgesteld, zonder het in het artikel 27 van het reglement van orde van de Commissie uitdrukkelijk in herinnering geroepen collegialiteitsbeginsel rechtstreeks te miskennen.

5. Een commissaris is bevoegd, de begeleidende brieven bij het besluit van de Commissie tot vaststelling van een inbreuk op artikel 85 van het Verdrag met het oog op de kennisgeving aan de geadresseerden ervan en de bekendmaking in het Publikatieblad te ondertekenen conform artikel 12, derde alinea, van het reglement van orde van de Commissie. Een dergelijke ondertekening, op de dag van het verstrijken van de ambtstermijn van het lid van de Commissie, kan het aan de handeling klevende bevoegdheidsgebrek evenwel niet zuiveren, indien blijkt dat de handeling is vastgesteld op een tijdstip waarop de ambtstermijn van het lid was verstreken. Een handeling die door geen enkele autoriteit eigenhandig is ondertekend en die blijkens de instructie op zijn vroegst na het verstrijken van de ambtstermijn van het lid van de Commissie definitief is vastgesteld, is onwettig wegens onbevoegdheid in de tijd van de auteur ervan.

6. De in artikel 12, eerste alinea, van het reglement van orde van de Commissie voorgeschreven authentisatie van de besluiten heeft tot doel, de rechtszekerheid te waarborgen door de door het college vastgestelde tekst vast te leggen in de talen waarin deze authentiek is. Dank zij die authentisatie kan in geval van betwisting worden nagegaan, of de betekende of bekendgemaakte teksten exact overeenstemmen met de tekst zoals die is vastgesteld, en dus weergeven wat hun auteur heeft gewild. Hieruit volgt, dat de authentisatie is te beschouwen als een wezenlijk vormvoorschrift in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag, waarvan schending aanleiding kan geven tot een beroep tot nietigverklaring.

7. Ofschoon handelingen van de gemeenschapsinstellingen, zelfs indien zij onregelmatig zijn, worden vermoed rechtsgeldig te zijn en rechtsgevolgen in het leven roepen, zolang zij niet nietig zijn verklaard of zijn ingetrokken, moeten als uitzondering op dit beginsel handelingen waaraan een onregelmatigheid kleeft die van een zo klaarblijkelijke ernst is, dat zij door de communautaire rechtsorde niet kan worden getolereerd, worden geacht geen enkel ° ook geen voorlopig ° rechtsgevolg in het leven te hebben geroepen, dat wil zeggen als juridisch non-existent worden beschouwd.

Gelet op de ernst van de consequenties die zijn verbonden aan de vaststelling dat een handeling van een gemeenschapsinstelling non-existent is, moet deze vaststelling om redenen van rechtszekerheid worden voorbehouden voor uiterst extreme gevallen.

Hiervan is geen sprake in een situatie waarin, welke gebreken ook aan een besluit mogen kleven, vaststaat dat de Commissie daadwerkelijk heeft besloten het dispositief ervan vast te stellen, en waarin bovendien de onregelmatigheden ° onbevoegdheid en schending van vormvoorschriften ° die betrekking hebben op de wijze waarop de beschikking tot stand is gekomen, niet van een dermate klaarblijkelijke ernst zijn, dat die beschikking als juridisch non-existent moet worden beschouwd.

Partijen


In de gevoegde zaken

T-80/89,

BASF AG, te Ludwigshafen (Duitsland), vertegenwoordigd door F. Hermanns en K. Kaiser, advocaten te Duesseldorf, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Loesch & Wolter, advocaten aldaar, Rue Goethe 11,

T-81/89,

Monsanto Company, te St Louis, Missouri (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door C. Stanbrook, QC en J. Ratliff, Barrister, leden van de balie van Engeland en Wales, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Kronshagen, Boulevard de la Foire 12,

T-83/89,

NV DSM en DSM Kunststoffen BV, te Heerlen (Nederland), vertegenwoordigd door I. G. F. Cath, advocaat te 's-Gravenhage, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Dupong & Konsbruck, advocaten aldaar, Rue des Bains 14 A,

T-87/89,

Orkem SA, te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door D. Voillemot en J. Salzmann, advocaten te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Loesch & Wolter, advocaten aldaar, Rue Goethe 11,

T-88/89,

Bayer AG, te Leverkusen (Duitsland), vertegenwoordigd door O. Axster en H. Wissel, advocaten te Duesseldorf, en M. Waelbroeck, D. Waelbroeck en A. Vandencasteele, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Loesch & Wolter, advocaten aldaar, Rue Goethe 11,

T-90/89,

Atochem SA, te Puteaux (Frankrijk), vertegenwoordigd door X. de Roux en Ch.-H. Léger, advocaten te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Hoss & Elvinger, advocaten aldaar, Côte d' Eich 15,

T-93/89,

Den Norske Stats Oljeselskab AS (Statoil), te Stavanger (Noorwegen), vertegenwoordigd door G. Child, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger & Hoss, advocaten aldaar, Côte d' Eich 15,

T-95/89,

Enichem SpA, te Milaan (Italië), vertegenwoordigd door M. Siragusa, advocaat te Rome, G. Scassellati Sforzolini, advocaat te Bologna, en G. Arcidiacono, advocaat te Milaan, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Arendt & Medernach, advocaten aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,

T-97/89,

Hoechst AG, te Frankfurt am Main (Duitsland), vertegenwoordigd door H. Hellmann en H.-J. Voges, advocaten te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Loesch & Wolter, advocaten aldaar, Rue Goethe 11,

T-99/89,

Imperial Chemical Industries plc, te Londen, vertegenwoordigd door D. Vaughan, QC en D. Anderson, Barrister, leden van de balie van Engeland en Wales, geïnstrueerd door V. White, R. Coles en A. Ransom, Solicitors, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Dupong & Konsbruck, advocaten aldaar, Rue des Bains 14 A,

T-100/89,

Neste Oy, te Espoo (Finland), vertegenwoordigd door G. van Hecke, advocaat bij het Belgische Hof van Cassatie, en G. Van Gerven, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van F. Brausch, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,

T-101/89,

Repsol Quimica SA, te Madrid, vertegenwoordigd door J. Pérez Santos, advocaat te Madrid, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,

T-103/89,

Shell International Chemical Company Ltd, te Londen, vertegenwoordigd door K. Parker, QC, lid van de balie van Engeland en Wales, geïnstrueerd door J. Osborne, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger & Hoss, advocaten aldaar, Côte d' Eich 15,

T-105/89,

Montedison SpA, te Milaan (Italië), vertegenwoordigd door G. Celona, advocaat bij het Italiaanse Hof van Cassatie, G. Aghina, advocaat te Milaan, en P. Ferrari, advocaat te Rome, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van G. Margue, advocaat aldaar, Rue Philippe II 20,

T-107/89,

Chemie Holding AG, te Linz (Oostenrijk), vertegenwoordigd door O. Lieberknecht, advocaat te Duesseldorf, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Bonn, Côte d' Eich 22,

T-112/89,

The Dow Chemical Company, te Midland, Michigan (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door A. Deringer, advocaat te Keulen, P. Bos, advocaat te Rotterdam, en J. Pérez Santos, advocaat te Madrid, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Loesch & Wolter, advocaten aldaar, Rue Goethe 11,

verzoeksters,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall, B. J. Drijber en F. E. Gonzales Diaz, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door E. Morgan de Rivery, advocaat te Parijs, R. Morresi, advocaat te Bologna, N. Forwood, QC, lid van de balie van Engeland en Wales, en A. Boehlke, advocaat te Frankfurt am Main, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende beroepen tot de nietigverklaring van beschikking 89/191/EEG van de Commissie van 21 december 1988 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.866, LdPE) (PB 1989, L 74, blz. 21),

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: J. L. Cruz Vilaça, president, D. P. M. Barrington, A. Saggio, C. P. Briët en J. Biancarelli, rechters,

griffier: H. Jung

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 16 juni 1992,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


De feiten, de bestreden beschikking en het algemene verloop van de procedure

1 Naar aanleiding van verificaties bij ondernemingen uit de polypropyleensector op 13 en 14 oktober 1983 krachtens beschikkingen die waren gebaseerd op artikel 14 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (hierna: "Verdrag") (PB 1962, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), vermoedde de Commissie een mogelijke inbreuk op artikel 85 van het Verdrag in de sector polyethyleen van lage dichtheid (hierna: "LdPE") en begon zij een onderzoek daarnaar. In dat verband verrichtte zij diverse verificaties bij de betrokken ondernemingen en verzocht zij hun herhaalde malen om inlichtingen.

2 Op 24 maart 1988 besloot de Commissie op grond van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 ambtshalve een procedure in te leiden tegen achttien LdPE-producenten, te weten Atochem SA (hierna: "Atochem"), BASF AG (hierna: "BASF"), BP Chemicals Ltd (hierna: "BP"), Bayer AG (hierna: "Bayer"), Chemie Holding AG (hierna: "Chemie Holding"), The Dow Chemical Company (hierna: "Dow Chemical"), DSM NV en DSM Kunststoffen BV (hierna: "DSM"), Exxon Chemicals International Inc. (hierna: "Exxon"), Enichem SpA (hierna: "Enichem"), Hoechst AG (hierna: "Hoechst"), Imperial Chemical Industries (hierna: "ICI"), Monsanto Company (hierna: "Monsanto"), Montedison SpA (hierna: "Montedison"), Neste Oy (hierna: "Neste"), Orkem SA (hierna: "Orkem"), Repsol Quimica SA (hierna: "Repsol"), Shell International Chemical Company Ltd (hierna: "Shell International Chemical"), Statoil den Norske Stats Oljeselskap AS (hierna: "Statoil"). Op 5 april 1988 zond zij ieder van hen een mededeling van punten van bezwaar als bedoeld in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, blz. 2268; hierna: "verordening nr. 99/63"), waarin zij verklaarde, dat "de 18 genoemde ondernemingen hebben deelgenomen aan een basisovereenkomst, uitgevoerd en toegepast via een samenstel van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die een mededingingsregeling opleveren, in die zin dat de producenten die bulkthermoplastic LdPE leveren op de gemeenschappelijke markt, ongeveer sedert 1974 tot een onbekende datum tussen november 1984 en vandaag op geregelde tijdstippen zijn bijeengekomen om richt- en/of minimumprijzen vast te stellen, quota of kwantitatieve doeleinden overeen te komen, hun marktverrichtingen te cooerdineren en toezicht uit te oefenen op de toepassing van deze mededingingsregelingen".

3 Alle geadresseerden van de mededeling van punten van bezwaar antwoordden daarop in de loop van juni 1988. Na het antwoord van Exxon op de mededeling van punten van bezwaar heeft de Commissie de procedure tegen deze onderneming stopgezet. Alle andere geadresseerden van de mededeling van punten van bezwaar, met uitzondering van Shell International Chemical, verzochten te worden gehoord. De hoorzittingen vonden plaats te Brussel van 12 tot en met 16 september 1988 en op 19 september 1988. Op 1 december 1988 bracht het Raadgevend comité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities advies uit over de ontwerp-beschikking van de Commissie.

4 Op 17 maart 1989 werd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen "beschikking 89/191/EEG van de Commissie van 21 december 1988 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.866, LdPE)" (PB 1989, L 74, blz. 21; hierna: 'beschikking' ) bekendgemaakt, die in februari 1989 aan de ondernemingen was betekend. Het dispositief van de beschikking zoals deze is betekend en bekendgemaakt, bevat onder meer de volgende drie artikelen:

"Artikel 1

Atochem SA, BASF AG, BP Chemicals Ltd, Bayer AG, Chemie Holding AG, Dow Chemical Company, DSM NV, Enichem SpA, Hoechst AG, Imperial Chemical Industries plc, Monsanto Company, Montedison SpA, Neste Oy, Orkem SA (voorheen CdF Chimie SA), Repsol Quimica SA, Shell International Chemical Co. Ltd en Statoil ° Den Norske Stats Oljeselskap AS hebben inbreuk gemaakt op artikel 85 van het EEG-Verdrag door (gedurende de in deze beschikking aangegeven periodes) deel te nemen aan een omstreeks september 1976 tot stand gekomen overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen krachtens welke de producenten die in de Gemeenschap LdPE verkopen, geregelde bijeenkomsten bijwoonden met het doel 'richtprijzen' en richtquota vast te stellen en gezamenlijke initiatieven te plannen om het prijsniveau te verhogen en op de toepassing van de genoemde heimelijke afspraken toezicht te houden.

Artikel 2

De in artikel 1 genoemde ondernemingen die in de LdPE-sector in de Gemeenschap nog steeds actief zijn, moeten de genoemde inbreuken onverwijld beëindigen (voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan) en zich voortaan met betrekking tot hun LdPE-activiteiten onthouden van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die hetzelfde of een soortgelijk doel of gevolg kunnen hebben, met inbegrip van enigerlei uitwisseling van informatie van het type dat normaal onder het zakengeheim valt en waardoor de deelnemers rechtstreeks of zijdelings in kennis worden gesteld van de produktie, leveranties, voorraden, verkoopprijzen, kosten of investeringsplannen van andere individuele producenten, of op grond waarvan zij de naleving van elke uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst of onderling afgestemde gedraging met betrekking tot prijzen of het verdelen van de markten in de Gemeenschap zouden kunnen controleren. Elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie betreffende de LdPE-sector, waaraan de producenten deelnemen, dient op zodanige wijze te worden toegepast dat elke informatie waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid, is uitgesloten; de ondernemingen onthouden zich meer in het bijzonder van de onderlinge uitwisseling van enigerlei aanvullende informatie die voor de mededinging relevant is en niet onder een dergelijke regeling valt.

Artikel 3

Aan de in deze beschikking genoemde ondernemingen worden wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuken de volgende geldboeten opgelegd:

i) Atochem SA: een boete van 3 600 000 ecu;

ii) BASF AG: een boete van 5 500 000 ecu;

iii) BP Chemicals Ltd: een boete van 750 000 ecu;

iv) Bayer AG: een boete van 2 500 000 ecu;

v) Chemie Holding AG: een boete van 500 000 ecu;

vi) Dow Chemical Company: een boete van 2 250 000 ecu;

vii) DSM NV: een boete van 3 300 000 ecu;

viii) Enichem SpA: een boete van 4 000 000 ecu;

ix) Hoechst AG: een boete van 1 000 000 ecu;

x) Imperial Chemical Industries plc: een boete van 3 500 000 ecu;

xi) Montedison SpA: een boete van 2 500 000 ecu;

xii) Monsanto Company: een boete van 150 000 ecu;

xiii) Neste Oy: een boete van 1 000 000 ecu;

xiv) Orkem SA: een boete van 5 000 000 ecu;

xv) Repsol Quimica SA: een boete van 100 000 ecu;

xvi) Shell International Chemical Co. Ltd: een boete van 850 000 ecu;

xvii) Statoil ° Den Norske Stats Oljeselskap AS: een boete van 500 000 ecu."

5 De zeventien in de beschikking genoemde ondernemingen, behalve BP, hebben tussen 30 maart 1989 en 10 mei 1989 bij het Hof van Justitie een beroep tot nietigverklaring ingesteld. Krachtens artikel 3, lid 1, en artikel 14 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1) heeft het Hof deze zaken bij beschikkingen van 15 november 1989 naar het Gerecht verwezen.

6 Bij beschikking van 8 december 1989 heeft het Gerecht (Tweede kamer) de exceptie van niet-ontvankelijkheid die de Commissie tegen het door Shell International Chemical ingestelde beroep T-103/89 had opgeworpen, met de zaak ten gronde gevoegd.

7 Bij maatregel tot organisatie van de procesgang van 3 december 1991 heeft het Gerecht de Commissie verzocht om overlegging van enerzijds de notulen van de vergadering van het college van commissarissen van 21 december 1988 en anderzijds de tekst van de beschikking zoals deze door het college van commissarissen is vastgesteld.

8 Op 11 december 1991 vond een eerste vergadering ter voorbereiding van de terechtzitting plaats overeenkomstig artikel 64, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering.

9 Na de schriftelijke behandeling zijn de zaken T-80/89, T-81/89, T-83/89, T-87/89, T-88/89, T-90/89, T-93/89, T-95/89, T-97/89, T-99/89, T-100/89, T-101/89, T-103/89, T-105/89, T-107/89 en T-112/89 voor de mondelinge behandeling gevoegd bij beschikking van de president van de Tweede kamer van het Gerecht van 22 januari 1992.

10 Bij maatregel van instructie van 10 maart 1992 heeft het Gerecht de Commissie verzocht, "een voor gelijkluidend gewaarmerkt afschrift over te leggen van de beschikking van de Commissie van 21 december 1988 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.866, LdPE), zoals deze door het college van commissarissen is vastgesteld tijdens zijn vergadering van 21 december 1988 en is geauthentiseerd op de wijze als voorzien in het reglement van orde van de Commissie", in de taalversies waarin die beschikking is vastgesteld.

11 Bij maatregel tot organisatie van de procesgang van 2 april 1992 heeft het Gerecht verzoeksters uitgenodigd hun opmerkingen in te dienen over de stukken die de Commissie ter uitvoering van de maatregel van instructie van 10 maart 1992 had overgelegd, en zulks gelet op het arrest van het Gerecht van 27 februari 1992, (BASF e.a. ° arrest "PVC" °, gevoegde zaken T-79/89, T-84/89, T-85/89, T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-98/89, T-102/89 en T-104/89, Jurispr. 1992, blz. II-315).

12 Op 15 mei 1992 werd een tweede vergadering ter voorbereiding van de terechtzitting georganiseerd.

13 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juni 1992.

14 Naar het oordeel van het Gerecht dienen alle voormelde zaken voor het arrest te worden gevoegd; partijen zijn hierover tijdens de mondelinge behandeling gehoord.

Conclusies van partijen

15 In hun verzoekschriften concluderen verzoeksters dat het het Gerecht behage:

° primair, de beschikking van de Commissie van 21 december 1988 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.866, LdPE) nietig te verklaren, en subsidiair, de bij artikel 3 van deze beschikking opgelegde boete te vernietigen dan wel te verminderen;

° de Commissie in de kosten te verwijzen.

Daarenboven concludeert Montedison, dat de Commissie wordt veroordeeld tot vergoeding van alle in de administratieve procedure gemaakte kosten en van alle schade die de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking haar heeft veroorzaakt.

16 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

° het beroep van Shell International Chemical wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk te verklaren;

° de andere beroepen te verwerpen;

° verzoeksters in de kosten te verwijzen.

17 Ter aanvulling van de conclusies die zij in hun verzoekschriften hebben geformuleerd, concluderen verzoeksters in de opmerkingen die zij naar aanleiding van het verzoek van het Gerecht van 2 april 1992 hebben ingediend, dat het het Gerecht behage:

° de aan verzoeksters betekende en in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 17 maart 1989 (L 74, blz. 21-44) onder het opschrift "beschikking van de Commissie van 21 december 1988 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.866, LdPE) (89/191/EEG)", bekendgemaakte beschikking non-existent te verklaren;

° subsidiair, die rechtshandeling nietig te verklaren;

° de Commissie in de kosten te verwijzen.

De door het Gerecht bevolen maatregelen tot organisatie van de procesgang en instructiemaatregelen

A ° De schriftelijke argumentatie van partijen op grond waarvan het Gerecht heeft besloten tot de maatregel tot organisatie van de procesgang van 3 december 1991

18 In punt IV van deel A van haar verzoekschrift ("Schending van de motiveringsplicht ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking") stelt BASF met een beroep op het arrest van het Hof van 23 februari 1988 (zaak 131/86, Verenigd Koninkrijk/Raad, Jurispr. 1988, blz. 905, "legkippen"), dat artikel 190 van het Verdrag de Commissie verplicht om de beschikkingen die zij geeft, te voorzien van een motivering, die een essentieel bestanddeel van de beschikking is. Een beschikking zou bijgevolg nietig zijn, wanneer bij haar vaststelling de motivering geheel ontbrak, ontoereikend of onvolledig was, of wanneer de motivering nadien is gewijzigd.

19 Verzoekster stelt in casu vast, dat de betekende beschikking is gedateerd 21 december 1988 en vergezeld ging van een brief, gedateerd 5 januari 1989 en ondertekend "Voor de Commissie, P. Sutherland, lid van de Commissie". Zij zet uiteen, dat de Commissie haar op 21 december 1988 bij telexbericht had laten weten, dat op 22 december 1988 een beschikking was vastgesteld. Hoewel zij een verschrijving in dit verband niet wil uitsluiten, houdt zij niettemin staande, dat op 21 december 1988 de beschikking of geen of een andere motivering had dan de beschikking die haar is betekend. Hiertoe stelt zij, dat op verzoeken van haar kant ° tussen 21 december 1988 en 3 februari 1989, de datum van betekening ° om de beschikking formeel te betekenen, door personeelsleden van de Commissie was geantwoord, dat de Duitse tekst van de beschikking niet beschikbaar was en dat betekening derhalve niet mogelijk was. De tijd die is verstreken tussen de vaststelling van de beschikking en de betekening ervan zou voldoende bewijs opleveren, dat de motivering van de beschikking grondig is herschreven. Bijgevolg zou de beschikking nietig zijn.

20 Na erop te hebben gewezen, dat de Commissie verklaart dat de beschikking op basis van de Duitse, de Engelse en de Franse taalversie is gegeven, beklemtoont verzoekster in repliek, dat de Commissie noch krachtens de regels inzake de verdeling van de aan de gemeenschapsinstellingen verleende bevoegdheden noch krachtens een correcte uitlegging van artikel 235 van het Verdrag bevoegd was om het met mededingingszaken belaste lid te machtigen, de andere authentieke taalversies van de beschikking vast te stellen. Teneinde opheldering te krijgen over al deze punten, verzoekt zij, dat het Gerecht de Commissie gelast de ontwerpen van de beschikking van 21 december 1989 over te leggen en dat het deze voor partijen toegankelijk maakt.

21 In haar verzoekschrift concludeert Bayer uit de tijd die is verstreken tussen de datum waarop de beschikking is vastgesteld, kort voor het verstrijken van de ambtstermijn van de bevoegde commissaris, en de betekening van de beschikking op 10 februari 1989, dat de motivering van de beschikking op 21 december 1988 nog niet gereed was. Haars inziens is de motivering evenwel een essentieel bestanddeel van een beschikking en is voor de geldigheid van een krachtens de artikelen 3 en 15 van verordening nr. 17 gegeven beschikking onder meer vereist, dat zij volledig, dus zowel wat de motivering als wat het dispositief betreft, is vastgesteld. Bayer voegt eraan toe, dat wanneer de motivering is vastgesteld, deze niet meer kan worden gecorrigeerd, zelfs indien correcties noodzakelijk lijken. Met een beroep op het reeds aangehaalde arrest "legkippen" betoogt verzoekster, dat een handeling van de Commissie nietig is wanneer op het ogenblik van de vaststelling ervan de motivering nog niet definitief vastligt. Derhalve stelt zij voor, dat de Commissie wordt gelast het ontwerp van de beschikking, zoals dat door het college van commissarissen is goedgekeurd, over te leggen.

22 In haar verzoekschrift vraagt Atochem zich af, of de betekende tekst wel dezelfde is als die welke door de Commissie is goedgekeurd, gelet op de tijd die is verstreken tussen het telexbericht waarbij de beschikking werd aangekondigd en de betekening van de beschikking.

23 Enichem betoogt in haar verzoekschrift, dat door het grote tijdsverloop tussen de vaststelling van de beschikking en de betekening ervan, de betekende en gepubliceerde tekst niet overeen kan komen met de vastgestelde tekst, zodat de aan partijen betekende beschikking nietig is. Enichem verzoekt de gemeenschapsrechter de Commissie te bevelen om de tekst, in de werktaal van de Commissie, over te leggen op basis waarvan zij de beschikking van 21 december 1988 heeft vastgesteld. Enichem merkt verder op, dat de beschikking is vastgesteld nog voordat ° op 13 februari 1989 ° het definitieve verslag van de hoorzitting voor de Commissie gereed was. Dit betekent, aldus verzoekster, dat noch het Raadgevend comité, noch het college van commissarissen, noch het met mededingingszaken belaste lid van de Commissie kennis heeft kunnen nemen van de tekst van het definitieve verslag van de hoorzitting, zodat de hoorzitting ten overstaan van de Commissie geen enkele betekenis heeft gehad.

24 Hoechst stelt in haar verzoekschrift en in repliek, dat ingevolge artikel 190 van het Verdrag de motivering van de beschikking een uiteenzetting moet bevatten van de voornaamste juridische en feitelijke omstandigheden waarop zij berust. Bovendien moet deze motivering beschikbaar zijn ten tijde van de vaststelling van de beschikking. Het is bij voorbeeld in strijd met artikel 190 van het Verdrag, achteraf in de motivering wijzigingen aan te brengen die verder gaan dan eenvoudige correcties van spelfouten (arrest "legkippen", reeds aangehaald). Volgens verzoekster is er alle reden om aan te nemen, dat deze beginselen in casu zijn geschonden. Bovendien wijst zij erop, dat zij op 21 december 1988 een telexbericht van de Commissie had ontvangen met daarin het dispositief ° doch niet de motivering ° van de beschikking, die volgens dit bericht 22 december 1988 was gedateerd. Op grond van inlichtingen die zij van andere ondernemingen, eveneens geadresseerden van de beschikking, heeft ontvangen, moet haars inziens ernstig worden betwijfeld, of de beschikking is vastgesteld op basis van een compleet ontwerp met de vereiste motivering in de authentieke taal. Verzoekster vraagt derhalve de Commissie te verzoeken, aan het Gerecht het ontwerp over te leggen op basis waarvan zij op 21 december 1988 de beschikking heeft vastgesteld. Uit het verweerschrift van de Commissie maakt zij op, dat geen beschikking is vastgesteld in de Spaanse, de Italiaanse en de Nederlandse taal. De beschikking had volgens verzoekster echter in de taal van elke afzonderlijke geadresseerde moeten worden vastgesteld. Zij legt het Gerecht dan ook de vraag voor, "of de Commissie de beschikking niet op basis van de desbetreffende teksten moest vaststellen". Voorts meent zij, dat gezien de door de Commissie in het verweerschrift gerelateerde feiten de vraag rijst, of het met mededingingszaken belaste lid van de Commissie de beschikking wel geldig in de andere officiële talen kon vaststellen of heeft vastgesteld, aangezien zijn ambtstermijn op 5 januari 1989 verstreek, terwijl de vertalingen pas elf dagen later bij het secretariaat-generaal werden gedeponeerd. Op grond hiervan concludeert zij dat "de beschikking, die had moeten worden vastgesteld in de vorm van één beschikking voor alle geadresseerden te zamen, in haar geheel op losse schroeven staat".

25 Chemie Holding betoogt met een beroep op het reeds aangehaalde arrest "legkippen", dat volgens artikel 190 van het Verdrag de motivering een essentieel bestanddeel van een beschikking is. In de onderhavige zaak was de definitieve versie van de motivering op 21 december 1988 evenwel nog niet gereed en bestond er slechts een door de bevoegde rapporteur voorbereid ontwerp, dat later is gewijzigd en in het Duits is vertaald. Verzoekster is derhalve van mening, dat de Commissie de beschikking niet geldig heeft vastgesteld.

26 In haar verweerschrift en in dupliek wijst de Commissie het middel inzake de gestelde gebreken in de procedure van vaststelling van de beschikking, als ongegrond en feitelijk ongefundeerd van de hand. Zij betoogt, dat aan het college van commissarissen ontwerp-beschikkingen in zes talen zijn voorgelegd, te weten in het Duits, het Engels, het Frans, het Italiaans, het Nederlands en het Spaans. Blijkens de notulen van de 945e vergadering van de Commissie is de beschikking in het Duits, het Engels en het Frans vastgesteld en heeft het college van commissarissen het met mededingingszaken belaste lid gemachtigd, de beschikking in de andere authentieke taalversies vast te stellen. Een dergelijke machtiging is in overeenstemming met artikel 27 van de destijds geldende versie van het reglement van orde van de Commissie, zoals het Hof overigens heeft beslist in het arrest van 23 september 1986 (zaak 5/85, AKZO Chemie, Jurispr. 1986, blz. 2585, r.o. 40). Een dergelijke machtiging omvat volgens haar zeker de mogelijkheid, de verschillende versies waar nodig taalkundig te harmoniseren. Na de goedkeuring van de beschikking door het college van commissarissen werd de tekst in de resterende drie officiële talen vertaald, te weten in het Deens, het Grieks en het Portugees. Deze vertalingen werden op 16 januari 1989 aan het secretariaat-generaal voorgelegd. Alle versies in de verschillende officiële talen van de Gemeenschap werden vervolgens door de jurist-linguïsten getoetst, teneinde de onderlinge overeenstemming tussen de teksten te verzekeren. Deze harmonisatie was eind januari 1989 voltooid. De Commissie heeft verklaard bereid te zijn, desgevraagd alle in haar memories genoemde stukken aan het Gerecht over te leggen. Zij heeft opgemerkt, dat de machtiging niet op naam van de heer P. Sutherland was gesteld, maar was verleend aan het met mededingingszaken belaste lid.

27 Gezien deze uiteenlopende schriftelijke stellingnames en daar de beoordeling van de door verzoeksters opgeworpen middelen een vergelijking noodzakelijk maakt van de aan verzoeksters betekende en in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte handeling met de handeling zoals zij is vastgesteld, heeft het Gerecht, gezien ook het bewijsaanbod van de Commissie zelf, in het kader van zijn instructiebevoegdheid (arrest AKZO Chemie, reeds aangehaald) de Commissie op 3 december 1991 bij maatregel tot organisatie van de procesgang verzocht, de notulen van de vergadering van het college van commissarissen van 21 december 1988 over te leggen alsmede de tekst van de beschikking zoals die door het college van commissarissen is vastgesteld.

28 Bij haar op 10 februari 1992 ter griffie van het Gerecht ingeschreven antwoord op de maatregel tot organisatie van de procesgang heeft de Commissie als bijlagen 4 en 5 overgelegd:

a) de pagina' s 41 tot en met 43 van de in het Frans gestelde notulen van de 945e vergadering van het college van commissarissen van 21 december 1988 [referentie COM(88) PV 945 final]. Blijkens het bijgevoegde "schutblad" van deze notulen behoren de pagina' s 41 tot en met 43 tot deel I van de notulen van de vergadering, die 60 pagina' s tellen, en zijn deze notulen op 22 december 1988 door het college van commissarissen goedgekeurd. Deze eerste pagina is voorzien van de ondertekeningen van de voorzitter en de secretaris-generaal van de Commissie. Het overgelegde afschrift is voor gelijkluidend gewaarmerkt door de secretaris-generaal van de Commissie en voorzien van een stempelafdruk met het opschrift van de Commissie;

b) een uittreksel uit een document [referentie SEC(88) 2033, OJ 945, punt 15] gedateerd 19 december 1988 en met het opschrift "Note à l' attention de MM. les membres de la Commission", alsmede een document (referentie "annexe III") met het opschrift "modifications to be included in point 27 ° PVC, in point 34 ° LDPE" (wijzigingen in punt 27 ° PVC, in punt 34 ° LdPE);

c) drie ontwerp-beschikkingen, gedateerd 14 december 1988, in de Duitse, de Engelse en de Franse taal [referentie C(88) 2498].

29 In haar toelichtingen betreffende het tweede van genoemde documenten [referentie SEC(88) 2033], welke toelichtingen staan op een schutblad, betoogt de Commissie, dat blijkens de uitdrukking "behoudens een in de tekst aan te brengen wijziging, vgl. bijlage III hierbij" de tekst van de in punt 34 van de LdPE-beschikking in te lassen alinea door de kabinetschefs was goedgekeurd en te zamen met de rest van het ontwerp van de beschikking aan de commissarissen was voorgelegd. Verder preciseert de Commissie, dat de notulen van de vergadering van de Commissie verwijzen naar de notulen van de kabinetschefs en geen enkel element bevatten waaruit zou kunnen worden afgeleid, dat de aanbevelingen van de kabinetschefs niet volledig zijn gevolgd. Volgens de Commissie bewijst dit, dat de aanvullende alinea wel degelijk aan de Commissie is voorgelegd en door deze is goedgekeurd tijdens haar vergadering van 21 december 1988.

30 Met betrekking tot het document C(88) 2498, waarin de Duitse, de Engelse en de Franse taalversie van het aan het college van commissarissen voorgelegde ontwerp van de beschikking zijn opgenomen, verklaart de Commissie, dat de Italiaanse, de Nederlandse en de Spaanse taalversie van deze tekst op 21 december 1988 wel degelijk voorhanden waren, en dat dit geenszins wordt tegengesproken door de omstandigheid dat die taalversies van de beschikking pas op 16 januari 1989 zijn ingekomen bij de dienst belast met de linguïstische toetsing. Volgens de Commissie zijn de negen taalversies van de beschikking overeenkomstig de interne dienstpraktijk gelijktijdig naar de dienst linguïstische toetsing gestuurd. Zij voegt daaraan toe, dat in het onderhavige geval die vertraging enkel te wijten was aan het feit dat de Deense, de Griekse en de Portugese taalversie pas midden januari 1989 beschikbaar waren (schutblad van bijlage 5 bij het antwoord van de Commissie van 6 februari 1992).

B ° De omstandigheden op grond waarvan het Gerecht de instructiemaatregel van 10 maart 1992 heeft bevolen

31 In haar memories heeft de Commissie verklaard ° en ter terechtzitting heeft zij dit bevestigd °, dat op 21 december 1988 aan het college van commissarissen een tweede ontwerp-beschikking, inzake een procedure op grond van artikel 85 van het Verdrag in de sector polyvinylchloride [beschikking 89/190/EEG (IV/31.865, PVC], is voorgelegd. In dit verband heeft zij erop gewezen, dat de beschikking betreffende de PVC-sector en de onderhavige beschikking grotendeels identieke inbreuken aan de kaak stelden en dat de verificaties waarbij die inbreuken aan het licht zijn gekomen, en de verschillende fasen van de administratieve procedure parallel zijn verlopen. Verder dient te worden opgemerkt, dat verzoeksters zowel in hun memories als ter terechtzitting de nadruk hebben gelegd op de gelijkenis tussen deze zaak en de PVC-zaak, die eveneens bij het Gerecht aanhangig is geweest. In die laatste zaak luidde de beslissing van het Gerecht:

"1) Verklaart non-existent de aan verzoeksters betekende en in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. L 74 van 17 maart 1989 (blz. 1) bekendgemaakte handeling met het opschrift 'Beschikking 89/190/EEG van de Commissie van 21 december 1988 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.865, PVC)' .

2) Verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

3) Verwijst de Commissie in de kosten."

32 Gelet op, enerzijds, de aldus aangetoonde en erkende gelijkenis tussen de twee zaken en, anderzijds, de documenten die de Commissie ter uitvoering van de hierboven geanalyseerde maatregel tot organisatie van de procesgang heeft overlegd, heeft het Gerecht de Commissie op 10 maart 1992 gelast, "uiterlijk op dinsdag 31 maart 1992 om twaalf uur een voor gelijkluidend gewaarmerkt afschrift over te leggen van de beschikking van de Commissie van 21 december 1988 inzake een procedure op grond van artikel 85 EEG-Verdrag (IV/31.866, LdPE) (89/191/EEG), zoals deze door het college van commissarissen is vastgesteld tijdens zijn vergadering van 21 december 1988 en is geauthentiseerd op de wijze als voorzien in het reglement van orde van de Commissie, en wel in de taalversies waarin die beschikking is vastgesteld".

33 Op 31 maart 1992 heeft de Commissie een voor gelijkluidend gewaarmerkt afschrift overgelegd van het stuk dat zij als haar beschikking van 21 december 1988 inzake een procedure op grond van artikel van het 85 EEG-Verdrag (IV/31.866, LdPE) beschouwt, en wel in de zes authentieke talen, te weten het Duits, het Engels, het Frans, het Italiaans, het Nederlands en het Spaans. Elk van de overgelegde taalversies is voorzien van een schutblad met de formule van authentisatie overeenkomstig artikel 12 van de destijds geldende versie van het reglement van orde van de Commissie. Die authentisatie is niet gedateerd. Zij is in het Frans gesteld en luidt: "la ... décision a été adoptée par la Commission lors de sa 945e réunion tenue à Bruxelles, le 21 décembre 1988" ["de (...) beschikking is door de Commissie vastgesteld tijdens haar 945e vergadering, die plaatsvond te Brussel op 21 december 1988"]. Verder zij opgemerkt, dat de formule van authentisatie voor elk van de taalversies het totaal aantal bladzijden van de betrokken handeling aangeeft. Voorts wordt de formule van authentisatie op elk van de taalversies gevolgd door de handtekening van de voorzitter en van de secretaris-generaal van de Commissie en is elk schutblad onderaan voorzien van een stempelafdruk met het opschrift van de Commissie.

34 In de brief van 31 maart 1992 waarbij die documenten aan het Gerecht zijn overgelegd, verklaart de Commissie, dat de overgelegde teksten identiek zijn aan die welke aan verzoeksters zijn betekend en derhalve de door de jurist-linguïsten aangebrachte taalkundige wijzigingen bevatten. Het schutblad zou een voor gelijkluidend gewaarmerkt afschrift zijn van de overeenkomstig artikel 12 van het reglement van orde van de Commissie verrichte authentisatie. In diezelfde brief heeft de Commissie toegegeven, dat die authentisatie van recente datum is en enkel is verricht om aan de beschikking van het Gerecht te voldoen.

35 Dienaangaande moet er ook aan worden herinnerd, dat de Commissie in haar antwoord op de maatregel tot organisatie van de procesgang van 3 december 1991 heeft aangevoerd, dat de authenticiteit van de tekst van de beschikking zoals deze aan verzoeksters is betekend, wordt gewaarborgd door, enerzijds, de handtekening van de voorzitter en van de secretaris-generaal van de Commissie op de notulen van de vergadering van de Commissie en, anderzijds, de handtekening van de secretaris-generaal op de laatste bladzijde van de beschikking. Verder stelt de Commissie, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 17 oktober 1989 (Dow Chemical Iberica e.a., gevoegde zaken 97/87-99/87, Jurispr. 1989, blz. 3165, r.o. 59), dat geen enkele bepaling voorschrijft, dat het betekende exemplaar van de beschikking moet zijn ondertekend door het met mededingingszaken belaste lid; integendeel, deze laatste zou er zich toe kunnen beperken het begeleidend schrijven te ondertekenen (schutblad van bijlage 4 bij het antwoord van de Commissie van 6 februari 1992).

C ° De maatregel tot organisatie van de procesgang van 2 april 1992 en de schriftelijke opmerkingen van verzoeksters over de gevolgen die aan de door de Commissie overgelegde documenten moeten worden verbonden

36 Op 2 april 1992 heeft het Gerecht verzoeksters de door de Commissie ter uitvoering van de maatregel van instructie van 10 maart 1992 overgelegde documenten, te zamen met de toelichtingen van de Commissie, toegestuurd. Het heeft degenen onder verzoeksters die het middel inzake discordantie tussen de verschillende taalversies van de beschikking, alsmede tussen het ontwerp van de beschikking dat de Commissie op die datum in haar bezit had, en de aan elk van verzoeksters betekende tekst hadden opgeworpen, verzocht mee te delen, of zij, gelet op de door de Commissie overgelegde stukken, dit middel handhaven en, zo ja, tot staving van hun stelling een synoptische tabel van de gelaakte verschillen tussen de vastgestelde en de betekende handeling over te leggen.

37 Verder heeft het Gerecht verzoeksters overeenkomstig artikel 64, lid 3, sub b, van het Reglement voor de procesvoering verzocht zich schriftelijk over de ter uitvoering van de maatregel van instructie overgelegde stukken uit te laten, gelet op het reeds aangehaalde arrest "PVC".

38 Daarop hebben BASF, Bayer, Enichem, Chemie Holding, Hoechst, Atochem, Dow Chemical, Neste en Shell International Chemical een tabel overgelegd waarin de aan hen betekende tekst van de handeling wordt vergeleken met de op 21 december 1988 aan het college van commissarissen voorgelegde tekst van de ontwerp-beschikking. Deze verzoeksters hebben met betrekking tot elke onderzochte taalversie geconcludeerd, dat zowel de motivering als het dispositief van de betekende handeling verschilden van het ontwerp dat aan de Commissie was voorgelegd, en dat de wijzigingen veel verder gingen dan de louter grammaticale of syntactische wijzigingen die volgens genoemde rechtspraak van het Hof (arrest "legkippen") zijn toegestaan.

39 Meer in het bijzonder hebben alle verzoeksters opgemerkt, dat in punt 34 van de bestreden handeling een nieuwe alinea was ingevoegd, en wel in alle authentieke taalversies. Zich met name baserend op de rechtsoverwegingen 44-47 van het reeds aangehaalde arrest "PVC", die betrekking hebben op een soortgelijke invoeging in de op dezelfde dag vastgestelde handeling betreffende de PVC-sector, stellen verzoeksters, dat de Commissie niet heeft weten aan te tonen, dat het college van commissarissen de inlassing van bedoelde alinea, waardoor de bestreden handeling substantieel is gewijzigd ° een wijziging waarvan de Franse en de Engelse versie was vastgesteld tijdens de bijzondere vergadering van de kabinetschefs van 19 december 1988 [Doc. SEC.(88) 2033] °, daadwerkelijk heeft goedgekeurd.

40 Sommige verzoeksters, te weten BASF, Hoechst, Bayer, Enichem en Chemie Holding hebben het aldus opgeworpen middel dus enerzijds bevestigd of gehandhaafd en het anderzijds aangevuld, stellende dat die discordanties in strijd zijn met het beginsel van de onaantastbaarheid van de door de Commissie vastgestelde handelingen. De andere verzoeksters hebben laten weten, dat zij, gelet op de door de Commissie overlegde stukken, het middel inzake schending van het beginsel van de onaantastbaarheid van de handelingen opwerpen.

41 Bovendien hebben alle verzoeksters in hun opmerkingen een eerste aanvullend middel opgeworpen, te weten onbevoegdheid van de auteur van de handeling. Dit eerste aanvullend middel bestaat uit twee onderdelen.

42 Verzoeksters stellen in de eerste plaats, dat het met mededingingszaken belaste lid ratione materiae niet bevoegd was om de in het Italiaans, het Nederlands en het Spaans betekende en bekendgemaakte handelingen vast te stellen.

43 Alle verzoeksters betogen dienaangaande, dat het college van commissarissen de beschikking nooit in de Italiaanse, de Nederlandse of de Spaanse taal heeft vastgesteld, aangezien het tijdens zijn vergadering van 21 december 1988 enkel beschikte over de Duitse, de Engelse en de Franse taalversie van de ontwerp-beschikking. Ingevolge artikel 27, lid 1, van de destijds geldende versie van het reglement van orde van de Commissie, waaraan geen extensieve uitlegging mag worden gegeven, kon het met mededingingszaken belaste lid niet worden gemachtigd, de authentieke taalversies van de bestreden handeling die op het moment van de vergadering van het college van 21 december 1988 nog niet beschikbaar waren, op eigen houtje vast te stellen. Een dergelijke machtiging gaat namelijk verder dan de in artikel 27 van het reglement van orde van de Commissie bedoelde voorbereidende maatregelen of beheersmaatregelen en staat op gespannen voet met het collegialiteitsbeginsel.

44 In het tweede onderdeel van het eerste aanvullend middel stellen verzoeksters, dat het met mededingingszaken belaste lid ratione temporis niet bevoegd was om de aan verzoeksters betekende en in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte handelingen vast te stellen. Uit de uitleg van de Commissie over de wijze waarop bij de vaststelling en de revisie van de beschikking te werk is gegaan, leiden verzoeksters af, dat in feite pas op 16 januari 1989 alle taalversies van die handeling beschikbaar waren. Dit betekent huns inziens, dat de in elk van de zes authentieke talen betekende handelingen noodzakelijkerwijs zijn vastgesteld na 5 januari 1989, de datum waarop de ambtstermijn van de heer Sutherland, het destijds met mededingingszaken belaste lid van de Commissie, verstreek. Op basis van het reeds aangehaalde arrest "PVC" stellen verzoeksters, dat de getypte vermelding "voor de Commissie, Peter Sutherland, lid van de Commissie" onderaan de betekende handelingen ° al aangenomen dat dit zonder enig handgeschreven schriftteken van de heer Sutherland als diens ondertekening kan gelden ° noodzakelijkerwijs is aangebracht ofwel nadat diens ambtstermijn was verstreken, ofwel vóór 5 januari 1989, dat wil zeggen op een tijdstip waarop de handelingen, zoals ze zijn betekend en bekendgemaakt, nog niet bestonden. Dit betekent volgens verzoeksters, dat de bestreden handeling afkomstig is van een ratione temporis niet bevoegde autoriteit.

45 In een tweede aanvullend middel stellen verzoeksters vast, dat de Commissie geen gevolg heeft gegeven aan het haar bij de beschikking van het Gerecht van 10 maart 1992 gegeven bevel, een voor gelijkluidend gewaarmerkt afschrift van de beschikking in alle authentieke talen over te leggen, geauthentiseerd op de wijze als voorzien in artikel 12 van de destijds geldende versie van haar reglement van orde, volgens hetwelk de "ter vergadering (...) door de Commissie genomen besluiten (...) in de taal of talen, waarin zij authentiek zijn, door de ondertekening van de Voorzitter en van de Algemeen Secretaris worden gewaarmerkt".

46 Stellende dat de omstandigheden die waren vooraf gegaan aan de vaststelling van de bij het arrest "PVC" non-existent verklaarde handeling, volstrekt analoog waren aan die welke tot de vaststelling van de thans bestreden handeling hebben geleid, menen verzoeksters, dat het Gerecht de in dat arrest gevolgde redenering ook op de feiten van de onderhavige zaak van toepassing zou moeten achten.

47 Op basis van genoemd arrest stellen zij, dat in de eerste plaats alleen de authentisatie van de beschikking op de wijze als voorzien in artikel 12 van het reglement van orde van de Commissie, in combinatie met de overeenkomstig artikel 10 daarvan opgestelde en ondertekende notulen van de vergadering van de Commissie, waarin de vaststelling van die handeling wordt vermeld, onbetwistbare kennis verschaft omtrent het materiële bestaan en de inhoud van de handeling, evenals de zekerheid, dat de handeling overeenstemt met de wil van het college van commissarissen. In de tweede plaats kan door de authentisatie, namelijk via de datering van de handeling en de ondertekening door de voorzitter en de secretaris-generaal, de bevoegdheid van de auteur ervan worden gecontroleerd. In de derde plaats maakt de authentisatie, waardoor de handeling uitvoerbaar wordt, de handeling tot een integrerend bestanddeel van de communautaire rechtsorde.

48 Dienaangaande weigeren verzoeksters te aanvaarden, dat het 5 januari 1989 gedateerde en door de heer Sutherland ondertekende begeleidend schrijven op enigerlei wijze de in het reglement van orde van de Commissie voorgeschreven authentisatie zou kunnen vervangen, aangezien dit schrijven niet kan worden gelijkgesteld met de beschikking als zodanig.

49 Hetzelfde geldt huns inziens voor het stempel "voor gelijkluidend gewaarmerkt afschrift", vergezeld van de niet gedateerde handtekening van de heer Williamson, secretaris-generaal van de Commissie, op de eerste bladzijde van elk van de zes authentieke taalversies van de beschikking, die de Commissie op 31 maart 1992 heeft gedeponeerd.

50 In een derde aanvullend middel stellen verzoeksters, dat geen rechtskracht kan worden toegekend aan de achteraf op de op 31 maart 1992 gedeponeerde stukken aangebrachte authentisatieformule, die is voorzien van de handtekeningen van de secretaris-generaal en van de heer Delors, voorzitter van de Commissie.

51 Verzoeksters wijzen erop, dat die authentisatie, naar de Commissie heeft erkend, enkel is verricht om aan de beschikking van het Gerecht van 10 maart 1992 te voldoen, en stellen, dat de authentisatie enkel geldig is wanneer zij wordt verricht vóór de betekening van de handeling aan de betrokken geadresseerden, en dat een dergelijke tardief aangebrachte authentisatieformule alleen maar meer verwarring zaait met betrekking tot de datering en de inhoud van de bestreden handeling.

52 In dit verband beklemtonen enkele verzoeksters, dat die tardieve authentisatie in het geheel niet is gedateerd en dat op elk van de taalversies van de beschikking dezelfde, in het Frans gestelde formule is aangebracht, terwijl eerdergenoemde bepaling van het reglement van orde van de Commissie vereist, dat voor elke taalversie waarin de handeling wordt vastgesteld, de authentisatie in de betrokken taal wordt gesteld.

53 Ten slotte voeren verzoeksters als vierde aanvullend middel aan, dat bij gebreke van een volgens de regels vastgestelde en geauthentiseerde beschikking de bestreden handeling niet geldig aan hen is betekend.

De ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van het beroep T-103/89, Shell International Chemical/Commissie

De argumenten van partijen

54 De Commissie werpt op, dat het beroep van Shell International Chemical (T-103/89) niet-ontvankelijk is omdat het is ingesteld na het verstrijken van de termijn van twee maanden en tien dagen waarover de vennootschap beschikte krachtens artikel 173, derde alinea, van het Verdrag en bijlage II bij het Reglement voor de procesvoering van het Hof, betreffende de termijnen van afstand.

55 Tot staving van haar exceptie legt de Commissie een bevestiging van ontvangst van een aangetekende brief over. Uit dit ontvangstbevestiging, die door een postambtenaar van het Verenigd Koninkrijk is ondertekend en gedateerd, blijkt, dat de beschikking aan verzoekster is betekend op zaterdag 11 februari 1989. De Commissie stelt, dat volgens de methode voor de berekening van de beroepstermijnen, die met name voortvloeit uit het arrest van het Hof van 15 januari 1987 (zaak 152/85, Misset, Jurispr. 1987, blz. 223), volgens hetwelk een in kalendermaanden uitgedrukte termijn verstrijkt aan het einde van de dag die in de betrokken maand dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag die de termijn heeft doen ingaan, de beroepstermijn waarover verzoekster in het onderhavige geval beschikte, te weten twee maanden en tien dagen, is verstreken op vrijdag 21 april 1989 om 24 uur. Het beroep, dat op maandag 24 april 1989 is ingesteld, zou derhalve tardief zijn.

56 In haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid betwist verzoekster noch de duur van de toepasselijke beroepstermijn noch de door de Commissie voorgestane berekeningsmethode. Zij stelt evenwel, dat de beschikking haar niet op zaterdag 11 februari 1989 is betekend. De datum 11 februari 1989, de dag waarop de post de omstreden brief heeft ontvangen, zou door een postambtenaar bij vergissing zijn vermeld op het voor de geadresseerde bestemde vakje van de ontvangstbevestiging. De brief zou pas op maandag 13 februari 1989 zijn besteld en de beschikking zou derhalve pas op die dag zijn betekend. Tot staving van haar verklaringen legt verzoekster een onder ede afgelegde getuigenverklaring over, die is ondertekend door de directeur van de klantendienst van het postdistrict Zuidoost-Londen.

57 In haar aanvullende opmerkingen geeft de Commissie toe, dat de door verzoekster aangedragen bewijzen op het eerste gezicht overtuigend zijn en het Gerecht ertoe zouden kunnen brengen, de door de posterijen opgestelde ontvangstbevestiging terzijde te leggen.

Beoordeling rechtens

58 Volgens vaste rechtspraak moet de gemeenschapsregeling inzake de procestermijnen strikt worden toegepast ter wille van de rechtszekerheid en de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden (arrest Hof 26 november 1985, zaak 42/85, Cockerill-Sambre, Jurispr. 1985, blz. 3749, r.o. 10). Het is eveneens vaste rechtspraak, dat de partijen noch de rechter vrijelijk kunnen beschikken over de beroepstermijnen en dat deze termijnen van openbare orde zijn (arrest Gerecht 29 mei 1991, zaak T-12/90, Bayer, Jurispr. 1991, blz. II-219, en arrest Hof 15 december 1994, zaak C-195/91 P, Bayer, Jurispr. 1994, blz. I-5619).

59 Ter zake van de vaststelling van de datum van betekening van een beschikking, welke datum volgens artikel 173, derde alinea, van het Verdrag de termijn voor instelling van beroep bij het Gerecht doet ingaan, is het vaste rechtspraak, dat een beschikking naar behoren is betekend zodra zij aan de geadresseerde is meegedeeld en deze in staat is gesteld er kennis van te nemen. In dit verband wijst het Gerecht erop, dat volgens de rechtspraak verzending per aangetekende brief met ontvangstbevestiging een juiste wijze van betekening is, omdat hierdoor het begin van de termijn met zekerheid kan worden vastgesteld (arrest Gerecht, zaak T-12/90, Bayer, reeds aangehaald).

60 Bij onderzoek van de door de Commissie overgelegde ontvangstbevestiging van de posterijen stelt het Gerecht vast, dat het vakje "datum en handtekening van de geadresseerde" de datum 11 februari 1989 vermeldt, maar geen enkele handtekening bevat. Bovendien tonen de beëdigde verklaring (ondertekend door de directeur van de klantendienst van het postdistrict Zuidoost-Londen) en de daarbij gevoegde stukken afdoende aan, dat de datum 11 februari 1989 in feite bij vergissing in dit vakje is vermeld door een postambtenaar op het ogenblik waarop de brief op een postkantoor te Londen is binnengekomen, en niet door de vertegenwoordiger van verzoekster op het ogenblik waarop de brief aan deze laatste is overhandigd. Hieruit volgt, dat de in die ontvangstbevestiging van de posterijen voorkomende informatie over de datum van overhandiging van de brief verkeerd is en derhalve terzijde moeten worden gelegd.

61 Uit de door verzoekster overlegde bewijzen ° inzonderheid bovengenoemde onder ede afgelegde getuigenverklaring van de vertegenwoordiger van de post ° blijkt daarentegen, dat de brief met de omstreden beschikking verzoekster op maandag 13 februari 1989 is overhandigd. Het is dus op die datum dat de beschikking aan verzoekster is betekend in de zin van artikel 173, derde alinea, van het Verdrag.

62 Volgens de door het Hof in het reeds aangehaalde arrest Misset gehanteerde methode voor de berekening van de termijnen, is de beroepstermijn van twee maanden en tien dagen waarover verzoekster beschikte, derhalve verstreken op 23 april 1989. Het Gerecht stelt evenwel vast, dat 23 april 1989 een zondag was en dat volgens artikel 80, lid 2, van de destijds geldende versie van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, de termijn waarvan de laatste dag een zondag is, verstrijkt aan het einde van de daaropvolgende werkdag. Hieruit volgt, dat verzoeksters beroep, dat op maandag 24 april 1989 bij het Hof is ingekomen, binnen de termijn is ingesteld.

63 Mitsdien moet het beroep T-103/89 ontvankelijk worden verklaard.

De ontvankelijkheid van de aanvullende middelen die verzoeksters hebben aangevoerd in de opmerkingen die zij na de maatregel tot organisatie van de procesgang van 2 april 1992 hebben ingediend

64 Gelijk hierboven is uiteengezet, hebben verzoeksters in de opmerkingen die zij na de maatregel tot organisatie van de procesgang van 2 april 1992 hebben ingediend, vier nieuwe middelen aangevoerd. Deze opmerkingen betreffen de gevolgen die moeten worden verbonden aan de documenten die de Commissie ter uitvoering van de instructiemaatregel van 10 maart 1992 heeft overgelegd.

65 Volgens artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht mogen nieuwe middelen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.

66 Het Gerecht stelt vast, dat de vier nieuwe middelen alle steunen op feitelijke gegevens die betrekking hebben op de interne werking van de Commissie en door verweerster pas in loop van de procedure, met name ter uitvoering van de door het Gerecht getroffen instructiemaatregel, aan het licht zijn gebracht.

67 Mitsdien moeten de vier aanvullende middelen die verzoeksters hebben aangevoerd, in ieder geval ontvankelijk worden verklaard.

Ten gronde

De conclusies strekkende tot vaststelling dat de aan verzoeksters betekende handeling non-existent is of, subsidiair, dat de omstreden beschikking nietig is

68 Het Gerecht stelt vast, dat de middelen die verzoeksters in hun verzoekschriften tot staving van hun conclusies hebben aangevoerd, in drie groepen kunnen worden verdeeld, te weten schending van grondrechten, miskenning van wezenlijke vormvoorschriften en gebrekkige of onjuiste beoordeling en juridische kwalificatie van de feiten in verband met artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Zoals gezegd, hebben zij in hun opmerkingen na de maatregel tot organisatie van de procesgang van 2 april 1992 vier aanvullende middelen aangevoerd.

69 Het Gerecht is van oordeel dat allereerst moet worden geantwoord op sommige aanvullende middelen van verzoeksters. In dit verband dient eerst het middel inzake schending van het beginsel van de onaantastbaarheid van de vastgestelde handeling te worden onderzocht, vervolgens het middel inzake onbevoegdheid van de auteur van de handeling en ten derde het middel inzake onregelmatigheden in de procedure van authentisatie van de handeling. Ten slotte zal het Gerecht het middel inzake non-existentie van de handeling onderzoeken, mede rekening houdend met de conclusies waartoe het onderzoek van de eerste drie middelen heeft geleid.

70 Alvorens deze middelen te onderzoeken dient te worden opgemerkt, dat de Commissie op 29 april 1992 bij het Hof hogere voorziening heeft ingesteld tegen het reeds aangehaalde arrest "PVC". Bij arrest van 15 juni 1994 heeft het Hof het arrest van het Gerecht vernietigd, op grond dat het Gerecht het recht had geschonden door de betrokken beschikking non-existent te verklaren. Het Hof heeft de door het Gerecht non-existent verklaarde beschikking, te weten beschikking 89/190/EEG van de Commissie van 21 december 1988 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV-31.865, PVC), evenwel nietigverklaard op grond dat deze beschikking met schending van de wezenlijke vormvoorschriften was vastgesteld (zaak C-137/92 P, BASF e.a., Jurispr. 1994, blz. I-2555).

A ° Schending van het beginsel van de onaantastbaarheid van de vastgestelde handeling VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER : 689A0080.1

71 Verschillende verzoeksters hebben gesteld, dat de handeling zoals die hun is betekend en in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen is bekendgemaakt, op bepaalde punten afwijkt van de vastgestelde handeling. Deze afwijkingen, die meer inhouden dan louter orthografische of syntactische correcties, zouden een kennelijke schending van het beginsel van de onaantastbaarheid van de vastgestelde handeling betekenen en de nietigheid van de beschikking in haar geheel meebrengen (zie r.o. 18-25 supra).

72 De Commissie erkent weliswaar het bestaan van de door verzoeksters aan het licht gebrachte wijzigingen, doch betoogt, dat die wijzigingen de rechten van de betrokken ondernemingen geenszins hebben aangetast, zodat deze er zich niet op kunnen beroepen om de geldigheid van de beschikking te betwisten. De rechten van de ondernemingen zouden immers uitsluitend worden bepaald door de betekende versie van de handelingen. Bovendien zou het gaan om louter syntactische of grammaticale wijzigingen of om wijzigingen die hun oorsprong vinden in de voorstellen van de bijzondere vergadering van de kabinetschefs van 19 december 1988. Tot staving van haar betoog legt zij al de hierboven geanalyseerde stukken over (zie hierboven, r.o. 26 en 33).

73 Het Gerecht is van oordeel, dat het beginsel, dat een eenmaal door de bevoegde autoriteit vastgestelde handeling onaantastbaar is, inderdaad een wezenlijk element uitmaakt van de rechtszekerheid en de stabiliteit van de juridische situaties in de communautaire rechtsorde, zowel voor de gemeenschapsinstellingen als voor de rechtssubjecten wier juridische en materiële situatie door een besluit van deze instellingen wordt beïnvloed. Alleen een strikte en absolute naleving van dit beginsel biedt de zekerheid, dat de handeling na de vaststelling ervan nog slechts met inachtneming van de bevoegdheids- en vormvoorschriften kan worden gewijzigd en dat bijgevolg de betekende of bekendgemaakte handeling een exacte kopie is van de vastgestelde handeling, aldus getrouwelijk de wil van de bevoegde autoriteit weergevend.

74 In dit verband wijst het Gerecht erop, dat het Hof in zijn arrest BASF e.a., reeds aangehaald, heeft verklaard, dat de eerbiediging van het voor de Commissie geldende collegialiteitsbeginsel, en met name het vereiste dat de besluiten door de leden van de Commissie in gemeen overleg worden genomen, stellig van belang is voor de rechtssubjecten ten aanzien van wie die besluiten rechtsgevolgen sorteren, in dier voege dat de geadresseerden de zekerheid moeten hebben, dat deze besluiten daadwerkelijk door het college zijn genomen en exact weergeven wat het college heeft gewild (r.o. 64). Het Hof heeft beklemtoond, dat dit in het bijzonder geldt voor de uitdrukkelijk als beschikking aangemerkte handelingen die de Commissie krachtens de artikelen 3, lid 1, en 15, lid 2, sub a, van verordening nr. 17 ten aanzien van ondernemingen of ondernemersverenigingen geeft met het oog op de naleving van de mededingingsregels en die tot doel hebben, een inbreuk op die regels vast te stellen, deze ondernemingen bevelen te geven en hun geldboetes op te leggen (r.o. 65).

75 In datzelfde arrest heeft het Hof er ook aan herinnerd, dat dergelijke beschikkingen ingevolge artikel 190 van het Verdrag met redenen dienen te zijn omkleed en dat die bepaling volgens vaste rechtspraak verlangt, dat de Commissie een uiteenzetting geeft van de redenen die haar tot de vaststelling van een beschikking hebben gebracht, teneinde de gemeenschapsrechter in staat te stellen zijn controle uit te oefenen en zowel de Lid-Staten als de belanghebbende onderdanen te laten weten onder welke omstandigheden zij het Verdrag heeft toegepast (r.o. 66).

76 Het Hof heeft bovendien verklaard, dat slechts op basis van de motivering het dispositief van een mededingingsbeschikking kan worden begrepen en de strekking ervan kan worden bepaald, en dat aangezien het dispositief en de motivering van een beschikking dus een ondeelbaar geheel vormen, het collegialiteitsbeginsel meebrengt, dat uitsluitend het college bevoegd is om die beide onderdelen vast te stellen. Onder verwijzing naar zijn arrest "legkippen", reeds aangehaald, heeft het Hof eraan herinnerd, dat de nakoming van die verplichting impliceert, dat na de formele vaststelling van de tekst van een handeling door het college enkel nog zuiver orthografische of grammaticale correcties in die tekst mogen worden aangebracht, en dat iedere andere wijziging tot de exclusieve bevoegdheid van het college behoort (r.o. 67 en 68).

77 Ten slotte wijst het Gerecht erop, dat het Hof op basis van die overwegingen heeft afgewezen het argument van de Commissie, dat het college van commissarissen zich in het besluitvormingsproces ertoe kan beperken kenbaar te maken dat het op een bepaalde wijze wil handelen, en zich noch met de redactie van de handeling waarin die wil is vastgelegd, noch met de definitieve vormgeving van die handeling behoeft bezig te houden. Het Hof heeft dienaangaande opgemerkt, dat waar het intellectuele en het formele element een onlosmakelijk geheel vormen, de schriftelijke vormgeving van de handeling de noodzakelijke uitdrukking vormt van de wil van de autoriteit die de handeling vaststelt (r.o. 69 en 70).

78 In casu stelt het Gerecht in de eerste plaats vast, dat uit het samenstel van de door de Commissie overgelegde en hierboven onderzochte stukken (zie hierboven r.o. 28 en 30) blijkt, dat de drie aan het college van commissarissen voorgelegde en 14 december 1988 gedateerde ontwerpen op bepaalde punten verschillen van de handelingen die aan verzoeksters zijn betekend en in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen zijn bekendgemaakt. Het Gerecht stelt overigens vast, dat deze afwijkingen in wezen niet worden betwist door verweerster, hetzij omdat sommige haars inziens van volstrekt ondergeschikt belang zijn, hetzij omdat deze wijzigingen volgens haar de rechten en verplichtingen van de ondernemingen zoals die uit de inhoud van de betekende handeling voortvloeien, onverlet laten.

79 In de tweede plaats stelt het Gerecht vast, dat de Commissie, aan wie op 21 december 1988 de ontwerp-beschikkingen met referentie C(88) 2498 waren voorgelegd door de heer Sutherland, het met mededingingszaken belaste lid, volgens de tekst van de notulen van de 945e vergadering van het college van commissarissen op genoemde datum

° heeft beslist dat de 17 bij de LdPE-zaak betrokken ondernemingen artikel 85 van het Verdrag hadden overtreden, de hoogte van de boetes voor de ondernemingen heeft bepaald en het aan de ondernemingen op te leggen gebod, een einde aan de inbreuk te maken, heeft goedgekeurd;

° in zaak IV/31.866 ° LdPE een beschikking heeft vastgesteld in de Duitse, de Engelse en de Franse taal die voor sommige van verzoeksters authentiek zijn; deze beschikkingen zijn "overgenomen" in bovengenoemde documenten C(88) 2498;

° het met mededingingszaken belaste lid van de Commissie heeft gemachtigd de tekst van de beschikking in de andere officiële talen van de Gemeenschap vast te stellen;

° kennis heeft genomen van het onderzoek van de zaak door de kabinetschefs van de commissarissen tijdens de bijzondere vergadering en de wekelijkse vergadering van 19 december 1988.

80 Gezien deze feitelijke vaststellingen moet het Gerecht zich uitspreken over het middel van schending van het beginsel van de onaantastbaarheid van de in de Duitse, de Engelse en de Franse taalversie vastgestelde handeling.

81 Dienaangaande stelt het Gerecht vast, dat uit vergelijking van de ontwerp-beschikkingen van 14 december 1988 zoals deze volgens de notulen van de 945e vergadering door het college van commissarissen in het Duits, het Engels en het Frans zijn vastgesteld, met de beschikking zoals die is betekend en bekendgemaakt, blijkt, dat de beschikking na haar vaststelling tal van wijzigingen heeft ondergaan. Deze vergelijking bevestigt de juistheid van de door BASF, Bayer, Enichem, Chemie Holding, Hoechst, Atochem en Dow Chemical overgelegde lijsten van afwijkingen, die de Commissie overigens niet heeft bestreden; deze heeft namelijk enkel beklemtoond, dat de aangebrachte wijzigingen niet substantieel zijn.

82 Bij vergelijking van de drie ontwerpen van 14 december 1988, die in het Duits, het Engels en het Frans zijn gesteld en volgens de notulen van de 945e vergadering op 21 december 1988 door de Commissie zijn goedgekeurd, blijkt immers, dat de in de Duitse, de Engelse en de Franse taal vastgestelde beschikking inderdaad aanzienlijke verschillen vertoont met de betekende en bekendgemaakte versie van de beschikking. Zelfs indien de wijzigingen in de door het college van commissarissen vastgestelde Duitse, Engelse en Franse versie zouden zijn aangebracht met het doel, de in de verschillende authentieke talen betekende en bekendgemaakte teksten te harmoniseren, dan nog zijn deze wijzigingen onregelmatig, omdat zij zijn aangebracht na de vaststelling van de handeling, in sommige gevallen veel verder gaan dan eenvoudige correcties van orthografische of syntactische fouten en daardoor rechtstreeks inbreuk maken op het beginsel van de onaantastbaarheid van de door de bevoegde autoriteit vastgestelde handeling.

83 Verscheidene van de ° met name in het gemeenschappelijk pleidooi van verzoeksters ° gereleveerde afwijkingen kunnen inderdaad niet als eenvoudige correcties van syntactische of orthografische aard worden afgedaan. Daarbij vestigt het Gerecht de aandacht met name op de volgende wijzigingen, die respectievelijk in de Duitse, de Engelse en de Franse tekst van de 14 december 1988 gedateerde ontwerp-beschikking zijn aangebracht nadat deze door de Commissie was goedgekeurd, zoals blijkt uit de reeds aangehaalde notulen van haar 945e vergadering:

i) wijzigingen in de Duitse tekst van het ontwerp van 14 december 1988 (de referenties hebben betrekking op de goedgekeurde ontwerp-beschikking in het Duits, gedateerd 14 december 1988 en door de Commissie overgelegd op 7 februari 1992):

° pagina 19, punt 14, vijfde alinea: in de betekende en bekendgemaakte tekst is de zin "Auch Repsol wurde offiziell eingeladen" ("Ook Repsol was formeel uitgenodigd") toegevoegd;

° pagina 24, punt 31, zevende alinea: de zin "Die Kommission erkennt nicht an, dass diese Hersteller ein solch umfangreiches Unternehmen ohne eine globale Koordinierung oder Leiting ihrer Preispolitik durchgefuehrt haben koennen" ("De Commissie aanvaardt niet, dat deze producenten een zo omvangrijke onderneming zonder globale cooerdinatie of leiding van hun prijsbeleid zouden hebben kunnen uitvoeren") is in de betekende en bekendgemaakte handeling vervangen door de zin "Die Kommission erkennt nicht an, dass diese Hersteller den Vertrieb eines derart preisanfaelligen Erzeugnisses ohne interne Leitung ihrer Preispolitik durchgefuehrt haben koennen" ("De Commissie aanvaardt niet dat deze producenten zaken kunnen hebben gedaan in dit prijsgevoelige produkt zonder enig intern afgestemd, gericht prijsbeleid");

° pagina 48, punt 64, eerste alinea: in de betekende en bekendgemaakte tekst is een vijfde gedachtenstreepje "° die Sitzungen blieben aeusserst geheim" ("° de bijeenkomsten werden in het grootste geheim gehouden") toegevoegd, dat niet voorkwam in de tekst van het ontwerp van 14 december 1988, en de in dat ontwerp staande tekst van het vijfde gedachtenstreepje is verplaatst en vormt de tweede alinea van punt 64 van de betekende en bekendgemaakte tekst;

ii) wijzigingen in de Engelse tekst van het ontwerp van 14 december 1988 (de referenties hebben betrekking op de goedgekeurde ontwerp-beschikking in het Engels, gedateerd 14 december 1988 en door de Commissie overgelegd op 7 februari 1992):

° pagina 2, punt 2, eerste alinea: in de betekende en bekendgemaakte handeling is het in de tweede zin van die alinea van het ontwerp voorkomende zinsdeel "and in some cases produce inside the EEC" ("en vervaardigen zij in sommige gevallen hun produkten binnen de EEG") geschrapt;

° pagina 22, punt 31, zevende alinea: de tweede zin van die alinea van het ontwerp "The Commission does not accept that these producers could have conducted such an important business with no overall co-ordination of direction of their pricing policy" ("De Commissie aanvaardt niet, dat deze producenten een zo omvangrijke onderneming zonder globale cooerdinatie of leiding van hun prijsbeleid zouden hebben kunnen uitvoeren") is in de betekende en bekendgemaakte handeling vervangen door de zin "The Commission does not accept that these producers could have conducted business in this price-sensitive product without any internal direction of their pricing policy" ("De Commissie aanvaardt niet dat deze producenten zaken kunnen hebben gedaan in dit prijsgevoelige produkt zonder enig intern afgestemd, gericht prijsbeleid");

° pagina 27, punt 37, tweede alinea: "In the present case, the continuing restrictive arrangements of the LDPE producers over a period of years are clearly referable in their essential characteristics to the proposal made in 1976 and constitute its implementation in practice" ("In het onderhavige geval zijn de jarenlang voortgezette concurrentiebeperkende afspraken tussen de LdPE-producenten in wezen duidelijk terug te voeren op, en te beschouwen als de praktische uitvoering van, het in 1976 gedane voorstel") is in de betekende en bekendgemaakte handeling vervangen door de volgende tekst "In the present case, the continuing restrictive arrangements of the LDPE producers over a period of years clearly originate in the proposal made in 1976 and constitute its implementation in practice" ("In het onderhavige geval zijn de jarenlang voortgezette concurrentiebeperkende afspraken tussen de LdPE-producenten duidelijk terug te voeren op, en te beschouwen als de praktische uitvoering van, het in 1976 gedane voorstel");

iii) wijzigingen in de Franse tekst van het ontwerp van 14 december 1988 (de referenties hebben betrekking op de goedgekeurde ontwerp-beschikking in het Frans, gedateerd 14 december 1988 en door de Commissie overgelegd op 7 februari 1992):

° pagina 2, punt 2, eerste alinea: in de betekende en bekendgemaakte handeling is het in de tweede zin van die alinea van het ontwerp voorkomende zinsdeel "et dans certains cas les y fabriquent" ("en vervaardigen zij in sommige gevallen hun produkten binnen de EEG") geschrapt;

° pagina 23, punt 31, zevende alinea: de tweede zin van die alinea van het ontwerp "La Commission n' admet pas que ces producteurs puissent avoir mené des activités aussi importantes sans coordination globale de leur politique en matière de prix" ("De Commissie aanvaardt niet, dat deze producenten een zo omvangrijke onderneming zonder globale cooerdinatie of leiding van hun prijsbeleid zouden hebben kunnen uitvoeren") is in de betekende en bekendgemaakte handeling vervangen door de zin "La Commission n' admet pas que ces producteurs puissent avoir mené des activités concernant ce produit sensible aux prix sans direction interne de leur politique en matière de prix" ("De Commissie aanvaardt niet dat deze producenten zaken kunnen hebben gedaan in dit prijsgevoelige produkt zonder enig intern afgestemd, gericht prijsbeleid");

° pagina 34, punt 46, derde alinea, tweede zin: het in het ontwerp voorkomende zinsdeel tussen gedachtenstreepjes "tels que le 'gel' de la clientèle ou le renvoi de nouveaux clients" ("bij voorbeeld door het klantenbestand te 'bevriezen' of nieuwe klanten weg te sturen") is in de betekende en bekendgemaakte handeling vervangen door het zinsdeel tussen gedachtenstreepjes "tels que le 'gel' de la clientèle ou la fin de non-recevoir opposée à des demandes" ("bij voorbeeld door het klantenbestand te 'bevriezen' of potentiële kopers bij de eerste benadering af te wijzen").

84 Aangezien deze wijzigingen enerzijds na de vaststelling van de handeling op 21 december 1988 zijn aangebracht en anderzijds naar hun aard geen zuiver orthografische of syntactische wijzigingen zijn, zijn zij noodzakelijkerwijs aangebracht door een persoon die daartoe niet bevoegd was, en doen zij derhalve afbreuk aan de onaantastbaarheid van de door het college van commissarissen vastgestelde handeling, zonder dat de draagwijdte en het belang van de wijzigingen, alsmede de vraag of het om substantiële wijzigingen gaat, behoeven te worden onderzocht, zoals blijkt uit het arrest "legkippen" en uit het arrest BASF e.a., reeds aangehaald.

85 Uit de instructie blijkt overigens, dat naast de hierboven behandelde wijzigingen sommige wijzigingen in de aan verzoeksters betekende en in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte handelingen betrekking hebben op alle versies ° te weten de Duitse, de Engelse en de Franse taalversie ° die volgens de notulen van de 945e vergadering op 21 december 1988 zijn vastgesteld.

86 Verder stelt het Gerecht vast, dat in punt 34 van de motivering van de betekende en in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte handelingen een geheel nieuwe vierde alinea is ingevoegd, wat bij sommige authentieke taalversies, en met name bij de Italiaanse taalversie, overigens duidelijk blijkt uit het afwijkende lettertype dat voor de betrokken passage is gebruikt. Deze nieuwe alinea betreft de vraag, of wanneer zoals in casu verscheidene ondernemingen in een procedure ex artikel 85 van het Verdrag zijn betrokken en een van deze ondernemingen ten gunste van de andere, in dezelfde procedure betrokken ondernemingen afstand doet van de vertrouwelijkheidsbescherming voor de op haar betrekking hebbende informatie, de Commissie hierop mag ingaan, of dat overwegingen van openbare orde zich daartegen juist verzetten. Dit delicate en omstreden vraagstuk is door de Commissie aangesneden op blz. 52 van haar Achttiende verslag over het mededingingsbeleid.

87 De in de betekende beschikkingen ingevoegde alinea luidt: "Er dient op te worden gewezen dat het afstand doen door ondernemingen van het recht op vertrouwelijke behandeling van hun interne zakelijke documenten ondergeschikt is aan het voorrang hebbende openbare belang dat eist, dat moet worden voorkomen dat concurrenten op een wijze die de mededinging tussen hen beperkt over elkaars commerciële activiteiten en bedoelingen worden ingelicht."

88 Blijkens de notulen van de 945e vergadering van het college van commissarissen van 21 december 1988, die aan het Gerecht zijn overgelegd, kwam de betrokken alinea in geen van de door de Commissie in de drie authentieke talen goedgekeurde ontwerpen van 14 december 1988 voor. Op grond van de tekst van deze notulen staat eveneens vast, dat de Commissie enkel kennis heeft genomen van het onderzoek van de zaak door de kabinetschefs op hun bijzondere vergadering van 19 december 1988. Het Gerecht wijst erop, dat de stukken die de Commissie als zijnde voor gelijkluidend gewaarmerkte uittreksels uit de notulen van de bijzondere vergadering van de kabinetschefs van 19 december 1988 heeft overgelegd, waaronder een als bijlage III aangeduid document met daarin ° in de Engelse en de Franse taal ° de betrokken alinea, geenszins aantonen dat deze wijziging door de kabinetschefs zou zijn aanvaard of voorgesteld teneinde aan het college van commissarissen te worden voorgelegd.

89 Het Gerecht is echter van oordeel, dat ook indien de betrokken wijziging als voorstel aan het college van commissarissen zou zijn voorgelegd tijdens de vergadering van 21 december 1988 ° wat in ieder geval is uitgesloten wat de Duitse versie van de beschikking betreft, aangezien, zoals is uiteengezet, van bijlage III enkel een Engelse en een Franse versie bestaat °, op grond van de hierboven besproken (r.o. 79) tekst van de notulen van de vergadering niet kan worden geconcludeerd, dat het college van commissarissen, door zijn goedkeuring te hechten aan de ontwerpen van 14 december 1988 waarin bedoelde alinea ontbreekt, impliciet te kennen heeft gegeven, die wijziging tot de zijne te maken. Bijgevolg is de alinea die in de aan verzoeksters betekende en in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte handelingen voorkomt, noodzakelijkerwijs eerst na 21 december 1988 ingelast, hetgeen een kennelijke schending van het beginsel van de onaantastbaarheid van de door de bevoegde autoriteit vastgestelde handeling betekent. Deze toevoeging in de motivering van de beschikking, die niet van syntactische of grammaticale aard is, tast de geldigheid van alle betekende handelingen aan evenals die van de in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte handeling, zoals het Hof in het reeds aangehaalde arrest "legkippen" heeft beslist, zonder dat de ° overigens niet te betwisten ° substantiële aard ervan behoeft te worden onderzocht.

90 Uit het voorgaande volgt, dat het eerste door verzoeksters aangevoerde aanvullend middel tot nietigverklaring moet worden aanvaard.

B ° Onbevoegdheid van de auteur van de handeling

91 In hun memories hebben enkele verzoeksters uitdrukkelijk de onbevoegdheid van de auteur van de betekende en bekendgemaakte handelingen als middel voorgedragen. Zo heeft Hoechst gesteld, dat het verweer van de Commissie tegen de door verzoeksters als middel aangevoerde schending van de onaantastbaarheid van de handeling de vraag deed rijzen, of het met mededingingszaken belaste lid van de Commissie de beschikkingen in de overige authentieke talen wel geldig kon vaststellen. Zij wezen er eveneens op, dat de ambtstermijn van de heer Sutherland op 5 januari 1989 afliep, terwijl volgens de informatie van de Commissie de vertalingen in de verschillende officiële talen eerst elf dagen later ° op 16 januari 1989 ° aan het secretariaat-generaal werden voorgelegd.

92 Ter terechtzitting hebben alle verzoeksters zich tot staving van dit middel beroepen op de redenering die het Gerecht dienaangaande in zijn reeds aangehaald arrest "PVC" had gevolgd voor zijn conclusie, dat het met mededingingszaken belaste lid van de Commissie in de eerste plaats ratione materiae niet bevoegd was om de in het Italiaans en het Nederlands betekende en bekendgemaakte handelingen vast te stellen en in de tweede plaats ratione temporis niet bevoegd was om de aan verzoeksters betekende en in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte handelingen vast te stellen (arrest "PVC", reeds aangehaald, r.o. 54-65).

93 De Commissie heeft daartegen in haar memories aangevoerd, dat de handelingen in drie van de authentieke talen regelmatig zijn vastgesteld door het college van commissarissen en dat artikel 27 van haar reglement van orde de rechtsgrondslag vormt van de beschikkingen in de Italiaanse, de Nederlandse en de Spaanse taal, welke derhalve bevoegd zijn vastgesteld door het met mededingingszaken belaste lid, die daartoe naar behoren was gemachtigd door het college. De aan de heer Sutherland gegeven machtiging was immers niet persoonlijk, maar was verleend aan het met mededingingszaken belaste lid.

94 Ter terechtzitting heeft de Commissie overigens gesteld, dat zij, anders dan in de notulen van haar 945e vergadering, van 21 december 1988, met zoveel woorden staat te lezen, de beschikking in alle authentieke taalversies heeft vastgesteld.

95 Zoals bij de bespreking van het eerste middel is gebleken, bestaan er verschillen tussen de vastgestelde handelingen en de handelingen die zijn betekend en bekendgemaakt, moeten de aangebrachte wijzigingen afkomstig zijn van personen die geen deel uitmaken van het college van commissarissen, en moet dat hebben plaatsgevonden nadat het college de bestreden handelingen had vastgesteld. Gelet op deze vaststellingen moet het Gerecht het door verzoeksters aangevoerde middel inzake onbevoegdheid van de auteur van de betekende en bekendgemaakte handelingen onderzoeken. Dit middel, dat in elk geval van openbare orde is, bestaat uit twee onderdelen. Er dient immers onderscheid te worden gemaakt tussen de bevoegdheid ratione materiae en de bevoegdheid ratione temporis van de auteur van de betekende en bekendgemaakte handelingen die verzoeksters aan het Gerecht hebben voorgelegd.

1. De bevoegdheid ratione materiae van het met mededingingszaken belaste lid van de Commissie om de betekende en bekendgemaakte handelingen in het Italiaans, het Nederlands en het Spaans vast te stellen

96 Artikel 3 van de destijds geldende versie van verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 1958, blz. 385), laatstelijk gewijzigd bij punt XVIII van bijlage I bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 1994, C 241, blz. 21), gewijzigd bij het besluit van de Raad van de Europese Unie van 1 januari 1995 houdende aanpassing van de documenten betreffende de toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Europese Unie (PB 1995, L 1, blz. 1; hierna: verordening nr. 1) bepaalt: "De stukken die door de instellingen (...) aan een persoon ressorterende onder de jurisdictie van een Lid-Staat worden toegezonden, worden gesteld in de taal van die Staat." Volgens artikel 12, eerste alinea, van de destijds geldende versie van het reglement van orde van de Commissie worden de ter vergadering of in een schriftelijke procedure door de Commissie genomen besluiten in de taal of talen, waarin zij authentiek zijn, door de ondertekening van de voorzitter en van de algemeen secretaris gewaarmerkt.

97 Volgens het Gerecht volgt uit deze bepalingen in onderling verband gelezen, dat wanneer de Commissie, zoals in dit geval, bij een materieel enkelvoudige handeling een besluit wil nemen dat rechtskracht heeft tegenover meerdere rechtspersonen die onder verschillende taalregelingen vallen, zij het besluit, wil authentisatie niet onmogelijk zijn, moet vaststellen in elk van de talen waarin het authentiek is. In het onderhavige geval kan de door de Commissie ter terechtzitting geponeerde stelling, dat de beschikking in alle authentieke taalversies is vastgesteld, niet worden aanvaard, daar blijkens de tekst van de op 22 december 1988 door het college van commissarissen goedgekeurde notulen van de 945e vergadering de beschikking door het college van commissarissen niet vastgesteld in het Italiaans, het Nederlands en het Spaans, welke de bij uitsluiting authentieke talen zijn voor respectievelijk Enichem en Montedison, DSM, en Repsol.

98 Volgens artikel 27, eerste alinea, van de op de feiten van het geding toepasselijke versie van haar reglement van orde kan de Commissie "op voorwaarde dat het beginsel van haar collegiale verantwoordelijkheid volstrekt blijft geëerbiedigd, aan haar leden de bevoegdheid verlenen in haar naam en onder haar toezicht duidelijk omschreven maatregelen van beheer of bestuur te nemen".

99 Het Gerecht stelt vast, dat het Hof in zijn reeds aangehaald arrest BASF e.a. heeft geoordeeld, dat, anders dan het geval is bij beschikkingen waarbij een onderneming wordt gelast zich aan een verificatie te onderwerpen, en die, als instructiemaatregelen, als zuivere maatregelen van beheer kunnen worden beschouwd, ten aanzien van beschikkingen waarbij een inbreuk op artikel 85 wordt vastgesteld, niet een individuele machtiging in de zin van het reeds aangehaalde artikel 27 van het reglement van orde van de Commissie aan het met mededingingszaken belaste lid kan worden verleend zonder dat het collegialiteitsbeginsel wordt geschonden (r.o. 71).

100 Bij lezing van de eerste alinea van artikel 27 van het reglement van orde van de Commissie in samenhang met de tweede alinea van dit artikel, betreffende de delegatie van bevoegdheid aan ambtenaren, blijkt immers, dat het college van commissarissen in voorkomend geval aan een van zijn leden enkel de bevoegdheid kan verlenen om het besluit vast te stellen in die officiële talen van de Gemeenschap, vermeld in artikel 1 van verordening nr. 1, die niet tevens de authentieke talen zijn, in casu dus het Deens, het Grieks en het Portugees, aangezien de in deze drie talen vastgestelde beschikkingen geen rechtsgevolgen teweegbrengen en geen executoriale titel vormen ten opzichte van een of meer van de in het dispositief van de beschikking genoemde ondernemingen.

101 De vaststelling van het besluit in de authentieke taal heeft een heel andere draagwijdte. Door een besluit waarbij een inbreuk op een artikel van het Verdrag wordt vastgesteld, tot verscheidene ondernemingen bevelen worden gericht en hun hoge geldboetes worden opgelegd en dat executoriale kracht heeft, worden de rechten en verplichtingen alsmede het vermogen van deze ondernemingen duidelijk geraakt. Een dergelijk besluit kan niet als een eenvoudige maatregel van bestuur of beheer worden beschouwd en kan dus niet door slechts één lid op bevoegde wijze worden vastgesteld, zonder het in het reeds aangehaalde artikel 27 van het reglement van orde van de Commissie uitdrukkelijk in herinnering geroepen collegialiteitsbeginsel rechtstreeks te miskennen.

102 Bijgevolg is de handeling die het met mededingingszaken belaste lid in het Italiaans, het Nederlands en het Spaans heeft vastgesteld krachtens de hem ter vergadering van 21 december 1988 verleende machtiging, vastgesteld door een ratione materiae niet bevoegde autoriteit.

2. De bevoegdheid ratione temporis van het met mededingingszaken belaste lid van de Commissie om de aan verzoeksters betekende en in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte handelingen vast te stellen

103 Het met mededingingszaken belaste lid mist, zoals uiteengezet, weliswaar de bevoegdheid om, alleen handelende, in de authentieke talen een besluit te nemen dat toepassing geeft aan artikel 85, lid 1, van het Verdrag, doch is zonder twijfel wel bevoegd om de kopieën van de door het college van commissarissen vastgestelde handeling te ondertekenen met het oog op de betekening aan de geadresseerden van de handeling, conform artikel 12, derde alinea, van de destijds geldende versie van het reglement van orde van de Commissie. Uit de memories van de Commissie en de inlichtingen die zij tijdens de mondelinge behandeling heeft verstrekt blijkt evenwel, dat in casu de in de verschillende talen gestelde tekst van de handeling, zowel in de zes authentieke als in de drie overige officiële talen, eerst op 16 januari 1989 definitief gereed was en aan het secretariaat-generaal van de Commissie is gezonden ° dat de teksten vervolgens ter revisie doorstuurde aan de jurist-linguïsten (vgl. het arrest van het Hof "legkippen", reeds aangehaald) ° en dat de jurist-linguïsten pas eind januari 1989 klaar waren met hun werk.

104 In verband met deze omstandigheden stelt het Gerecht vast, dat de Commissie tegenover de precieze argumenten van verzoeksters niet heeft weten aan te tonen, dat er vóór een tijdstip gelegen tussen 16 en 31 januari 1989 kon worden gesproken van een perfecte handeling, die kon worden betekend en bekendgemaakt. De in elk van de zes authentieke talen betekende handelingen moeten dan ook noodzakelijkerwijs worden geacht te zijn vastgesteld na 5 januari 1989, op welke datum de ambtstermijn van de heer Sutherland verstreek.

105 Bijgevolg is de getypte vermelding "voor de Commissie, Peter Sutherland, lid van de Commissie" onderaan de betekende handelingen, al aangenomen dat dit zonder enig handgeschreven schriftteken van de heer Sutherland als diens ondertekening kan gelden, noodzakelijkerwijs aangebracht ofwel nadat diens ambtstermijn was verstreken, ofwel vóór 5 januari 1989, dit wil zeggen op een tijdstip waarop de handelingen zoals zij zijn betekend en bekendgemaakt, nog niet bestonden. Het feit dat de heer Sutherland de begeleidende brief bij de nog niet definitief vastgestelde handelingen op 5 januari 1989 heeft ondertekend, is juridisch niet relevant, aangezien deze brief geen deel uitmaakt van de bestreden handeling en geen rechtsgevolgen teweegbrengt. Ook het door de Commissie aangevoerde feit, dat de machtiging is verleend aan het met mededingingszaken belaste lid en niet aan de heer Sutherland persoonlijk, is niet van belang ter weerlegging van dit middel. Zelfs indien verweersters stelling juist zou zijn, dan had toch de opvolger van de heer Sutherland als het met mededingingszaken belast lid, wiens ambtstermijn op 6 januari 1989 begon, de handelingen behoren te ondertekenen, vooropgesteld dat hij daartoe de bevoegdheid had. Dit is in casu evenwel niet gebeurd. Het Gerecht moet derhalve vaststellen, dat de aan verzoeksters betekende en in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 17 maart 1989 bekendgemaakte handelingen afkomstig zijn van een ratione temporis niet bevoegde autoriteit.

106 Dit zou slechts anders zijn, indien verweerster kon aantonen, dat dit gebrek enkel het aan de geadresseerden overhandigde afschrift of het voor bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen aan het Bureau voor officiële publikaties gezonden exemplaar betrof en dat het originele besluit naar behoren en bevoegd was ondertekend. Daarmee zou de onbevoegdheid van de ondertekenaar van de betekende en bekendgemaakte handelingen afdoende kunnen worden ontzenuwd. Alleen dit bewijs, dat het vermoeden van geldigheid zou ondersteunen, dat voor communautaire handelingen wordt aangenomen en dat het logische uitvloeisel vormt van het strikte formalisme waardoor de vaststelling ervan wordt gekenmerkt, zou in casu het kennelijke bevoegdheidsgebrek dat kleeft aan de beschikking zoals aan verzoeksters betekend en in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt, hebben kunnen rechttrekken. Om de hierna nog uiteen te zetten redenen kan het Gerecht niet anders doen dan vaststellen, dat dit bewijs door verweerster niet is geleverd.

107 Uit het voorgaande volgt, dat de twee onderdelen van het tweede door verzoekster aangevoerde aanvullend middel tot nietigverklaring ° te weten onbevoegdheid van de auteur van de handeling ° moeten worden aanvaard.

C ° De onregelmatigheden in de procedure van authentisatie van de door de Commissie vastgestelde handeling

Argumenten van partijen

108 Tegen de omstandigheid, dat de Commissie op 31 maart 1991 een kopie van de bestreden handeling heeft overgelegd met daarop voor elke authentieke taalversie de in het Frans gestelde authentisatieformule zonder datum, voeren verzoeksters aan, dat de door artikel 12 van de destijds geldende versie van het reglement van orde van de Commissie voorgeschreven authentisatie vóór de betekening van de bestreden handeling moet plaatsvinden.

109 Zij betogen meer bepaald, dat de voorzitter en de secretaris-generaal van de Commissie tardief hun handtekening hebben geplaatst op een kopie van de bestreden handeling, dat dezen geenszins gemachtigd zijn om de tekst van door de Commissie vastgestelde besluiten achteraf te wijzigen of om door derden aangebrachte wijzigingen goed te keuren en dat dezen die tekst geen schijn van authenticiteit mogen verlenen, wegens het gevaar dat derden daardoor op een dwaalspoor worden gebracht omtrent de datum van vaststelling van de bestreden handeling en omtrent de bij de vaststelling goedgekeurde inhoud van de handeling.

110 Zij zijn derhalve van mening, dat in het onderhavige geval de tardieve authentisatie niet voldoet aan de vereisten van artikel 12 van de destijds geldende versie van het reglement van orde van de Commissie.

111 De Commissie stelt daarentegen, dat de door artikel 12 van het reglement van orde voorgeschreven authentisatie een interne procedure is waarmee derden niets te maken hebben, zodat dezen dus ook geen argumenten kunnen ontlenen aan enige onregelmatigheid in de procedure.

112 Verder voert verweerster aan, dat artikel 12 van haar reglement van orde niet aangeeft wanneer vastgestelde besluiten moeten worden geauthentiseerd en dat voor derden de rechtsgevolgen van een door de Commissie vastgesteld besluit niet voortvloeien uit de authentisatie van dat besluit, maar uit de betekening van het besluit aan de geadresseerden zoals bepaald in artikel 191, tweede alinea, EEG-Verdrag.

113 Volgens de Commissie houdt de authentisatie van een door haar vastgesteld besluit in, dat zij dit besluit tot het hare maakt omdat het volgens de regels is vastgesteld. Derhalve dient dit middel haars inziens te worden afgewezen.

Beoordeling rechtens

114 Het Gerecht wijst erop, dat de op de authentieke taalversies van de bestreden handeling aangebrachte authentisatieformule niet is gedateerd. De Commissie heeft overigens uitdrukkelijk toegegeven, dat de authentisatie enkel was verricht om te voldoen aan de door het Gerecht in zijn reeds aangehaalde beschikking van 10 maart 1992 getroffen maatregel van instructie.

115 Verder merkt Gerecht op, dat de authentisatieformule ook op de Italiaanse, de Nederlandse en de Spaanse tekst van de bestreden handeling is aangebracht, ofschoon uit de op 6 februari 1992 aan het Gerecht overgelegde notulen van de 945e vergadering van de Commissie blijkt, dat de ontwerp-beschikkingen tijdens die vergadering van het college van commissarissen slechts in de Duitse, de Engelse en de Franse taal zijn goedgekeurd.

116 Artikel 12, eerste alinea, van de destijds geldende versie van het reglement van orde van de Commissie bepaalt evenwel, dat de door de Commissie genomen besluiten worden gewaarmerkt in de taal of de talen waarin zij authentiek zijn, door de ondertekening van de voorzitter en van de secretaris-generaal. Volgens de tweede alinea van deze bepaling wordt de tekst van deze handelingen als bijlage gevoegd bij de notulen van de Commissie, waarin melding wordt gemaakt van de aanneming ervan.

117 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd, dat het Hof in zijn arrest BASF e.a., reeds aangehaald, heeft geoordeeld, dat de in artikel 12, eerste alinea, van het reglement van orde van de Commissie voorgeschreven authentisatie van besluiten tot doel heeft, de rechtszekerheid te waarborgen door de door het college vastgestelde tekst vast te leggen in de talen waarin deze authentiek is. Dankzij die authentisatie kan in geval van betwisting worden nagegaan, of de betekende of bekendgemaakte teksten exact overeenstemmen met de tekst zoals die is vastgesteld, en dus weergeven wat de auteur ervan heeft gewild (r.o. 75). In datzelfde arrest heeft het Hof ook geoordeeld, dat de in artikel 12, eerste alinea, van het reglement van orde van de Commissie voorziene authentisatie van besluiten een wezenlijk vormvoorschrift in de zin van artikel 173 van het Verdrag is en dat schending van dit vormvoorschrift aanleiding kan geven tot een beroep tot nietigverklaring (r.o. 76).

118 Vaststaat evenwel, dat in het onderhavige geval de omstreden handeling niet vóór de ondertekening van de notulen van de 945e vergadering van de Commissie is geauthentiseerd. Integendeel, de omstreden handeling blijkt niet alleen pas na de betekening ervan aan de betrokken ondernemingen en na de bekendmaking ervan in het Publikatieblad, maar zelfs pas na de instelling van de beroepen tot nietigverklaring en na de betekening van de beschikking van het Gerecht van 10 maart 1992 te zijn geauthentiseerd.

119 Bijgevolg maakt de authentisatie van de op 31 maart 1992 aan het Gerecht overgelegde stukken het niet mogelijk, de inhoud van de bestreden handeling alsmede de juiste datum van de vaststelling ervan te bepalen, en voldoet zij derhalve niet aan de vereisten van artikel 12 van het reglement van orde van de Commissie.

120 Een dergelijke tardieve authentisatie kan dus niet worden geacht in overeenstemming te zijn met de bepalingen van artikel 12 van het reglement van orde van de Commissie. Het Gerecht concludeert derhalve, dat er op het ogenblik van de betekening aan de betrokken ondernemingen geen handeling voorhanden was die overeenkomstig genoemde bepaling van het reglement van orde van de Commissie naar behoren was geauthentiseerd.

121 Uit het voorgaande volgt, dat het derde door verzoeksters aangevoerde aanvullend middel tot nietigverklaring, te weten gebreken in de procedure van authentisatie van de beschikking, moet worden aanvaard.

D ° Non-existentie van de handeling

122 Het Gerecht is van oordeel, dat verzoeksters terecht (zie hierboven r.o. 45-50) beklemtonen, dat de door het Gerecht bij het reeds aangehaalde arrest "PVC" non-existent verklaarde handeling in gelijkaardige omstandigheden was tot stand gekomen en vastgesteld als de in de onderhavige zaak bestreden handeling. Het wijst erop, dat verzoeksters aanvoeren dat het Gerecht de in dat arrest gevolgde redenering dan ook dient toe te passen op de feiten van de onderhavige zaak en de handeling derhalve non-existent moet verklaren.

123 Gelijk hierboven is uiteengezet, is genoemd arrest van het Gerecht van 27 februari 1992, BASF e.a., door het Hof in hogere voorziening vernietigd bij het arrest BASF e.a., reeds aangehaald. In dit arrest heeft het Hof eraan herinnerd, dat handelingen van de gemeenschapsinstellingen, zelfs indien zij onregelmatig zijn, worden vermoed rechtsgeldig te zijn en, bijgevolg, rechtsgevolgen in het leven te roepen, zolang zij niet nietig zijn verklaard of zijn ingetrokken (r.o. 48). Als uitzondering op dit beginsel moeten evenwel handelingen waaraan een onregelmatigheid kleeft die van een zo klaarblijkelijke ernst is, dat zij door de communautaire rechtsorde niet kan worden getolereerd, worden geacht geen enkel ° ook geen voorlopig ° rechtsgevolg in het leven te hebben geroepen, dat wil zeggen dat zij als juridisch non-existent moeten worden beschouwd (r.o. 49). Gelet op de ernst van de consequenties die zijn verbonden aan de vaststelling dat een handeling van een gemeenschapsinstelling non-existent is, moet deze vaststelling om redenen van rechtszekerheid worden voorbehouden voor uiterst extreme gevallen (r.o. 50). Bij de toepassing van deze beginselen op de PVC-beschikking heeft het Hof allereerst vastgesteld, dat "het Gerecht niet in twijfel heeft getrokken, dat de Commissie tijdens de vergadering van 21 december 1988, zoals in de desbetreffende notulen wordt bevestigd, daadwerkelijk heeft besloten het daarin overgenomen dispositief vast te stellen, welke gebreken ook eventueel aan dat besluit mochten kleven" (r.o. 51). Vervolgens heeft het geoordeeld, dat "de door het Gerecht gereleveerde onregelmatigheden ° onbevoegdheid en schending van wezenlijke vormvoorschriften °, die betrekking hebben op de wijze waarop de beschikking van de Commissie tot stand is gekomen, op zichzelf of zelfs in hun totaliteit beschouwd, niet van een dermate klaarblijkelijke ernst zijn, dat die beschikking als juridisch non-existent moet worden beschouwd" (r.o. 52). Het Hof heeft dan ook geoordeeld, dat het Gerecht het recht had geschonden door de betrokken beschikking non-existent te verklaren (r.o. 53).

124 Wanneer deze door het Hof geformuleerde beginselen op de feiten van de onderhavige zaken worden toegepast, kan het Gerecht verzoeksters' conclusies strekkende tot vaststelling van de non-existentie van de beschikking slechts afwijzen. Allereerst merkt het Gerecht met betrekking tot het dispositief van de beschikking op, dat de wijzigingen die aan de door het college van commissarissen vastgestelde tekst zijn aangebracht, niet verder gaan dan de orthografische of grammaticale correcties die door het Hof worden toegestaan (arrest BASF e.a., reeds aangehaald, r.o. 68). Verder is het Gerecht van oordeel, dat de andere bevoegdheids- en vormgebreken die hierboven zijn vastgesteld, ten zeerste gelijken op die welk in de zaak "PVC" zijn vastgesteld, zodat zij geen grond kunnen vormen om de beschikking non-existent te verklaren.

E ° De conclusies strekkende tot nietigverklaring van omstreden beschikking

125 Uit het voorgaande (zie hierboven r.o. 90, 107 en 121) blijkt, dat het Gerecht de drie aanvullende middelen van verzoeksters, te weten schending van het beginsel van de onaantastbaarheid van de vastgestelde handeling, onbevoegdheid van de auteur van de handeling en onregelmatigheden in de procedure van authentisatie van de handeling, gegrond acht. Uit de redenering die het Gerecht ertoe heeft gebracht die middelen gegrond te achten, volgt ook, dat bij de vaststelling van de beschikking de beginselen van collegiale vaststelling van de besluiten van de Commissie en de bescherming van de rechtszekerheid, artikel 190 van het Verdrag en substantiële vormvoorschriften zijn geschonden.

126 Om al deze redenen moet beschikking 89/191/EEG van de Commissie van 21 december 1988 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.866, LdPE) worden nietigverklaard.

De tot schadevergoeding strekkende conclusies van Montedison

127 Verzoekster in zaak T-105/89, Montedison, verzoekt het Gerecht de Commissie te veroordelen tot vergoeding van alle in de administratieve procedure gemaakte kosten en van alle schade veroorzaakt door de tenuitvoerlegging van de beschikking of door de verplichting om in geval van uitstel van betaling zekerheid te stellen.

128 Na onderzoek van verzoeksters memories stelt het Gerecht vast, dat dit verzoek door geen enkel argument wordt gestaafd en evenmin vergezeld gaat van een raming van de gestelde schade op basis waarvan uitspraak zou kunnen worden gedaan over deze conclusies. In die omstandigheden dient het verzoek tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

129 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld en partijen verwijzing in de kosten hebben gevorderd, dient de instelling in de kosten te worden verwezen.

Dictum


HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),

rechtdoende:

1) Verwerpt de door de Commissie in zaak T-103/89 opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid.

2) Verklaart nietig beschikking 89/191/EEG van de Commissie van 21 december 1988 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.866, LdPE).

3) Wijst af de conclusies strekkende tot vaststelling van de non-existentie van beschikking 89/191/EEG van de Commissie van 21 december 1988 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.866, LdPE).

4) Verklaart de in zaak T-105/89 geformuleerde conclusies strekkende tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

5) Verwijst de Commissie in de kosten.