61989A0054

ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (VIERDE KAMER) VAN 22 NOVEMBER 1990. - V. TEGEN EUROPEES PARLEMENT. - AMBTENAAR - TIJDELIJK FUNCTIONARIS - VOORWAARDEN VOOR INVALIDITEITSPENSIOEN - INVALIDITEITSCOMMISSIE. - ZAAK T-54/89.

Jurisprudentie 1990 bladzijde II-00659


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1 . Ambtenaren - Invaliditeit - Invaliditeitscommissie - Collegiaal karakter van werkzaamheden - Draagwijdte - Opstelling van notulen - Geen essentiële voorwaarde

( Ambtenarenstatuut, bijlage II, artikel 7 )

2 . Ambtenaren - Beroep - Bezwarend besluit - Begrip - Brief houdende mededeling van conclusies van invaliditeitscommissie - Daarvan uitgesloten

( Ambtenarenstatuut, artikelen 90 en 91; bijlage II, artikel 9, tweede alinea )

3 . Ambtenaren - Invaliditeit - Instantie die bevoegd is om invaliditeit van tijdelijk functionaris vast te stellen - Invaliditeitscommissie - Onbevoegdheid van tot aanstelling bevoegd gezag

( Regeling andere personeelsleden, artikel 33, lid 2 )

4 . Ambtenaren - Ziekteverlof - Rechtvaardiging van ziekte - Overlegging van niet-gemotiveerd medisch attest - Onvoldoende - Overlegging van attest dat melding maakt van diagnose die door conclusies van invaliditeitscommissie en door controlevisite wordt tegengesproken - Verwerping van attest

( Ambtenarenstatuut, artikel 59 )

5 . Ambtenaren - Tijdelijk functionaris - Ontslag - Opzegging van overeenkomst voor onbepaalde duur alvorens conclusies van invaliditeitscommissie aan betrokkene zijn meegedeeld - Regelmatigheid

( Regeling andere personeelsleden, artikelen 47 en 48 )

Samenvatting


1 . Het collegiale karakter van de werkzaamheden van de invaliditeitscommissie staat er niet aan in de weg, dat de gedachtenwisseling tussen haar leden ten dele schriftelijk verloopt . Anderzijds is het opstellen van notulen geen essentiële voorwaarde voor de geldigheid van de beraadslagingen van de invaliditeitscommissie .

2 . De brief waarbij, overeenkomstig artikel 9, tweede alinea, van bijlage II bij het Statuut, de conclusies van de invaliditeitscommissie aan de betrokkene worden meegedeeld, is geen besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag, waartegen beroep tot nietigverklaring openstaat .

3 . Uit artikel 33, lid 2, van de Regeling andere personeelsleden volgt, dat wanneer de invaliditeitscommissie tot de conclusie is gekomen dat een personeelslid niet invalide is, het tot aanstelling bevoegd gezag geen conclusie in tegenovergestelde zin kan nemen .

4 . Een werkonderbreking van een ambtenaar wordt niet medisch gerechtvaardigd door de overlegging van een niet-gemotiveerd attest, noch door de overlegging van een attest dat melding maakt van een diagnose die zowel door de conclusies van de invaliditeitscommissie als door een controlevisite van de raadgevend arts van de instelling wordt tegengesproken .

5 . De artikelen 47 en 48 van de Regeling andere personeelsleden staan niet in de weg aan de eenzijdige opzegging, zonder motivering, van de overeenkomst voor onbepaalde duur van een tijdelijk functionaris . Die opzegging is zelfs mogelijk tijdens een ziekteverlof, op de enkele voorwaarde dat wanneer de overeenkomst een opzegclausule bevat, de opzegtermijn niet mag ingaan tijdens het verlof voor zover dit niet langer dan drie maanden duurt . Nergens is bepaald, dat de inleiding van een invaliditeitsprocedure het recht van het tot aanstelling bevoegd gezag om de overeenkomst van een personeelslid te beëindigen, schorst zolang de conclusies van de invaliditeitscommissie hem niet zijn meegedeeld . Uit het enkele feit dat het ontslagbesluit werd genomen alvorens verzoekster van de conclusie van de invaliditeitscommissie kennis had gekregen, kan niet worden geconcludeerd, dat dit besluit op misbruik van bevoegdheid berust .

Partijen


In zaak T-54/89,

V . ( 1 ), voormalig tijdelijk functionaris van het Europees Parlement, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door C . Pagni, advocaat te Milaan, en A . Guarino, advocaat te Rome, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A . Lorang, advocaat aldaar, 51, rue Albert Ier,

verzoekster,

tegen

Europees Parlement, vertegenwoordigd door J . Campinos, juridisch adviseur, en M . Peter, afdelingshoofd, als gemachtigden, en ter terechtzitting door A . May, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,

verweerder,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van het rapport van de met het onderzoek van verzoeksters geval belaste invaliditeitscommissie alsmede van een aantal besluiten van het Europees Parlement houdende respectievelijk weigering om verzoekster in het genot van een invaliditeitspensioen te stellen, weigering om het door verzoekster overgelegde medisch attest inzake werkonderbreking te erkennen, opzegging van haar overeenkomst als tijdelijk functionaris en afwijzing van de diverse door verzoekster ingediende klachten,

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vierde Kamer ),

samengesteld als volgt : D . A . O . Edward, kamerpresident, R . Schintgen en R . García-Valdecasas, rechters,

griffier : H . Jung

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 4 juli 1990,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


De feiten

1 Verzoekster werd op 10 juli 1981 aangeworven als tijdelijk functionaris in de rang C 1 bij de fractie van de Europese Volkspartij ( hierna : "EVP-fractie ") in het Europees Parlement ( hierna : "Parlement "). In de daaropvolgende jaren bedroeg haar totale ziekteverlof over een periode van drie jaar meer dan twaalf maanden . Volgens verzoekster waren haar afwezigheden eerst te wijten aan een nierverzakking, die zich manifesteerde door plotse stekende pijn en een toestand van fysieke uitputting, en vervolgens aan een psychische depressie . Voor bepaalde van die afwezigheden legde verzoekster een medisch attest over .

2 Krachtens artikel 59, lid 1, vierde alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ( hierna : "Statuut "), van toepassing op tijdelijke functionarissen ingevolge artikel 16 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen ( hierna : "RAP "), werd verzoekster aan een eerste procedure tot vaststelling van een eventuele invaliditeit onderworpen . De op 20 november 1986 bijeengekomen invaliditeitscommissie kwam tot de conclusie, dat verzoekster niet verkeerde in een toestand van algehele invaliditeit die haar belette de functies van een tot haar loopbaan behorend ambt te vervullen, en dat zij dus het werk moest hervatten . Het door verzoekster aangewezen lid van de invaliditeitscommissie, dokter Boccardo, distantieerde zich echter van deze conclusie . Verzoekster werd van het standpunt van de commissie op de hoogte gebracht bij brief van de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën ( hierna : "directeur-generaal "), die haar gelastte het werk te hervatten . Verzoekster ging op 6 januari 1987 weer aan het werk .

3 Na tal van andere afwezigheden werd zij op verzoek van de raadgevend arts van het Parlement onderzocht door de Brusselse nierspecialist Van Roost, die het volgende constateerde :

"De gegevens van het klinisch onderzoek en zorgvuldige studie van alle door V . overgelegde documenten rechtvaardigen niet de conclusie, dat zij verkeert in een toestand van blijvende algehele invaliditeit die haar belet de functie van secretaresse te vervullen ."

4 Nadat verzoekster wederom herhaaldelijk afwezig was geweest, besloot het tot aanstelling bevoegd gezag op 014 juli 1987 de zaak aan een nieuwe invaliditeitscommissie voor te leggen . Verzoekster wees dokter Boccardo als lid van deze commissie aan en het Europees Parlement dokter Di Paolantonio . Deze twee artsen bereikten echter geen overeenstemming omtrent de aanwijzing van het derde lid en de verplichting van de administratie om een kopie van het volledige medisch dossier van verzoekster aan Boccardo toe te zenden .

5 Op 6 oktober 1987 schreef Di Paolantonio aan Boccardo :

"De vereisten die V . stelt ten aanzien van de derde arts ( Italiaanse cultuur en mentaliteit, verwijdering van de plaats van tewerkstelling van de betrokkene ) worden reeds vervuld door de arts die zij heeft gekozen om haar te vertegenwoordigen; de derde arts moet volgens het Statuut in onderlinge overeenstemming door de andere twee artsen van de invaliditeitscommissie worden gekozen .

Ik bevestig u, dat ik de in uw brieven van 26 augustus en 29 september 1987 voorgestelde artsen niet kan aanvaarden, en betreur het dat u de in mijn brief van 11 september 1987 voorgestelde kandidaten niet heeft kunnen aanvaarden . Bijgevolg stel ik professor Alexandre, nierspecialist van wereldnaam, verbonden aan het academisch ziekenhuis Saint-Luc te Brussel, als derde arts voor .

Wat het dossier van V . betreft ... In maart 1984 heeft zij u geraadpleegd in het kader van het jaarlijks medisch onderzoek . Alle medische gegevens van na die datum zijn ons door de betrokkene en door uzelf meegedeeld, zodat ik het niet nodig acht u 'een kopie van die kopieën' te doen toekomen ."

6 Bij brief van 17 oktober 1987 antwoordde Boccardo aan Di Paolantonio :

"Ik kan u bevestigen wat ik u reeds op 12 oktober 1987 per telefoon heb meegedeeld : wij hebben er geen enkel bezwaar tegen om professor Alexandre van de Universiteit te Brussel als derde lid van de invaliditeitscommissie te aanvaarden .

Ik wil echter de aandacht vestigen op enkele voorwaarden die ik vóór het definitieve akkoord over de door u voorgestelde naam aanvaard zou willen zien :

1 ) daar het de tweede maal is dat wij door u voorgestelde personen aanvaarden, zal, indien professor Alexandre niet bereid mocht zijn om van de commissie deel uit te maken, de eventuele volgende keuze worden gemaakt tussen personen die wij zullen voorstellen, met uitsluiting van die welke u, zelfs zonder motivering, reeds eerder heeft geweigerd;

2 ) ik acht uw samenvatting van het medisch dossier van mijn patiënte onvoldoende, zodat de invaliditeitscommissie eerst zal worden bijeengeroepen nadat ik een kopie zal hebben ontvangen van alle briefwisseling betreffende mijn patiënte ( onderzoeken door de raadgevende arts, hulpverlening op het werk, therapieën, enz .) en van ieder ander document dat niet in mijn bezit is omdat het door ons aan de medische dienst van het Parlement is toegezonden ."

7 Van mening dat de door Boccardo gestelde voorwaarden onaanvaardbaar waren, verzocht het Parlement op 26 oktober 1987 de president van het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 7, derde alinea, van bijlage II bij het Statuut, ambtshalve het derde lid van de invaliditeitscommissie te benoemen . Dokter Pouthier van de dienst nefrologie van het Centre hospitalier te Luxemburg werd aangewezen . Boccardo werd hiervan op de hoogte gebracht bij brief van de directeur-generaal van 12 november 1987 .

8 Op 26 januari 1988 kwam de invaliditeitscommissie gedurende vijf uur en veertig minuten bijeen . Op deze bijeenkomst werden alle medische, fysieke en psychologische problemen van verzoekster besproken . Di Paolantonio en Pouthier weigerden een door Boccardo opgesteld ontwerp van 98 bladzijden te ondertekenen, waarin werd voorgesteld verzoekster invalide te verklaren .

9 Pouthier weigerde bovendien op de bijeenkomst enig document te ondertekenen, omdat zij nadere informatie wenste . Zij verklaarde, dat zij haar conclusies op korte termijn zou inzenden . Van de bijeenkomst van de commissie werden geen notulen opgemaakt .

10 Op 27 januari 1988 stelde Di Paolantonio een medisch rapport van vier bladzijden en een ontwerp van conclusies op, dat hij aan zijn twee confrères voorlegde . Op 1 februari 1988 sloot Pouthier, met inachtneming van de termijn die zij zichzelf had opgelegd, zich aan bij de opvatting van Di Paolantonio en ondertekende zij de door deze voorgestelde conclusies . Op 8 februari 1988 deelde Boccardo zijn twee collega' s mee, dat hij weigerde bedoelde conclusies te ondertekenen en een nieuwe bijeenkomst van de invaliditeitscommissie verlangde .

11 Op 19 februari 1988 bracht Di Paolantonio aan de directeur-generaal verslag uit over het verloop van de bijeenkomst en deed hij hem een kopie van de conclusies van de invaliditeitscommissie toekomen .

12 Bij brief nr . 05170 van 24 februari 1988 deelde de directeur-generaal aan Boccardo mee, dat aangezien twee artsen dezelfde conclusies hadden ondertekend, deze moesten worden geacht de opvatting van de meerderheid van de invaliditeitscommissie weer te geven, en dat de werkzaamheden van de commissie dus waren beëindigd . Bij brief nr . 05169 van dezelfde datum zond de directeur-generaal verzoekster zonder commentaar de conclusies van de invaliditeitscommissie toe .

13 Bij brief van dezelfde dag deelde de voorzitter van de EVP-fractie in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag verzoekster overeenkomstig artikel 47, lid 2, sub a, RAP de opzegging van haar arbeidsovereenkomst mee . Hij preciseerde, dat de opzegtermijn op 1 maart 1988 zou ingaan en op 31 mei 1988 zou verstrijken .

14 In tussentijd had verzoekster de administratie een op 23 februari 1988 gedateerd, door dokter Verreydt ondertekend attest voor werkonderbreking van twee maanden doen toekomen . Bij brief van 26 februari 1988 liet de directeur-generaal verzoekster weten, dat bedoeld attest "gelet op de conclusies van de met uw geval belaste invaliditeitscommissie ... op voorstel van de raadgevend arts" door de instelling werd geweigerd, en gelastte hij haar onverwijld het werk te hervatten . Het betrokken attest maakte geen melding van de medische gronden die de werkonderbreking rechtvaardigden . Naar haar zeggen was verzoekster voor een maagspoeling in het ziekenhuis opgenomen .

15 Daarop legde verzoekster een tweede, op 1 maart 1988 gedateerd en eveneens door Verreydt ondertekend attest over voor een werkonderbreking van 1 maart tot 1 juni 1988 .

16 Op 7 maart 1988 maakte dokter Vandenitte, raadgevend arts van het Parlement, na een telefoongesprek met de behandelend arts, een controlevisite ten huize van verzoekster . Volgens hem was verzoekster op dat ogenblik arbeidsgeschikt .

17 Bij nota van 3 mei 1988, ingeschreven bij het Parlement op 24 mei daaraanvolgend, diende verzoekster een klacht in tegen het besluit van de voorzitter van de EVP-fractie van 24 februari 1988 en tegen besluit nr . 05531 van de directeur-generaal van 26 februari 1988 houdende weigering van het medisch attest van 23 februari 1988 .

18 Bij een volgende nota, van 16 mei 1988, ingeschreven op 24 mei daaraanvolgend, verzocht verzoekster om nietigverklaring van besluit nr . 05169 van de directeur-generaal van 24 februari 1988, waarbij deze de conclusies van de invaliditeitscommissie tot de zijne maakte; tevens verzocht zij om voortzetting van de invaliditeitsprocedure .

19 Op 22 augustus 1988 wees het tot aanstelling bevoegd gezag de twee klachten uitdrukkelijk af .

Het procesverloop

20 Bij op 21 november 1988 ter griffie van het Hof van Justitie neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster het onderhavige beroep tegen het Parlement ingesteld, dat is ingeschreven onder nr . 336/88 .

21 De schriftelijke behandeling heeft geheel voor het Hof plaatsgevonden . Bij beschikking van 15 november 1989 heeft het Hof de zaak krachtens artikel 14 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen verwezen naar het Gerecht, waar zij is ingeschreven onder nummer T-54/89 .

22 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht ( Vierde Kamer ) besloten, zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan .

23 Na twee keer te zijn uitgesteld, heeft de mondelinge behandeling ten slotte op 4 juli 1990 plaatsgehad . De vertegenwoordigers van partijen zijn in hun pleidooien gehoord en hebben vragen van het Gerecht beantwoord .

24 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage :

1 ) nietig te verklaren de navolgende handelingen van het Parlement :

a ) het op 24 februari 1988 aan verzoekster toegezonden rapport van de invaliditeitscommissie betreffende verzoeksters invaliditeit;

b ) besluit nr . 05169 van de directeur Personeelszaken van het Parlement, voor zover deze het rapport van de invaliditeitscommissie stilzwijgend aanvaardt en tot het zijne maakt en weigert verzoekster in het genot van een invaliditeitspensioen te stellen;

c ) besluit nr . 05531 van de directeur Personeelszaken van het Parlement van 26 februari 1988, waarbij het door verzoekster overgelegde medisch attest inzake werkonderbreking wordt geweigerd en verzoekster wordt gelast het werk te hervatten;

d ) het besluit van de voorzitter van de fractie van de Europese Volkspartij - in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag - om verzoeksters overeenkomst als tijdelijk functionaris van het Parlement in de rang C 1/5 in dienst van de fractie van de Europese Volkspartij te beëindigen;

e ) het besluit van de voorzitter van de fractie van de Europese Volkspartij - in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag -, voor zover het een afwijzing inhoudt van de door verzoekster op 16 mei 1988 krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediende klacht tegen besluit nr . 05169 van de directeur Personeelszaken;

f ) het besluit van de voorzitter van de fractie van de Europese Volkspartij - in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag -, voor zover het een afwijzing inhoudt van de door verzoekster op 3 mei 1988 krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediende klacht tegen het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag om de arbeidsverhouding te beëindigen;

2 ) vast te stellen dat verzoekster aan een nieuw medisch onderzoek moet worden onderworpen, ten einde na te gaan of de voorwaarden voor invaliditeit zijn vervuld;

3 ) verweerder te veroordelen :

a ) tot betaling van de aan verzoekster in haar hoedanigheid van tijdelijk functionaris in de rang C 1/5 verschuldigde bezoldiging, met inbegrip van de bijzondere en gewone vergoedingen, vermeerderd met de volgens het gebruikelijke percentage berekende moratoire interessen vanaf 31 mei 1988;

b ) tot betaling van de kosten van het geding .

25 Het Parlement concludeert dat het het Gerecht behage :

1 ) het beroep te verwerpen;

2 ) over de kosten te beslissen overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Statuut .

Ten gronde

26 Tot staving van haar conclusies heeft verzoekster in haar schriftelijke opmerkingen een reeks middelen aangevoerd, die ter terechtzitting door haar vertegenwoordiger zijn samengevat als volgt :

- de invaliditeitscommissie was onregelmatig samengesteld, aangezien het derde lid van de commissie op verzoek van het Parlement door de president van het Hof van Justitie was aangewezen, terwijl partijen reeds tot een akkoord waren gekomen over de naam van professor Alexandre;

- de werkzaamheden van die commissie hebben niet plaatsgevonden op collegiale wijze, overeenkomstig de door het Hof in zijn arrest van 10 december 1987 ( zaak 277/84, Jaensch, Jurispr . 1987, blz . 4923 ) vastgestelde criteria;

- de werkzaamheden van bedoelde commissie vertoonden een wezenlijk proceduregebrek, aangezien geen notulen werden opgesteld;

- het besluit houdende weigering om verzoekster in het genot van een invaliditeitspensioen te stellen, is onregelmatig, aangezien het is genomen door een onbevoegd persoon, die niet de hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag bezat, en aangezien het niet met redenen was omkleed;

- het besluit verzoekster te ontslaan, is onwettig, aangezien het is genomen vóór de kennisgeving van het besluit inzake haar verzoek om invalide te worden verklaard, dat wil zeggen alvorens de invaliditeitsprocedure was beëindigd en alvorens het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag haar behoorlijk ter kennis was gebracht;

- het besluit verzoekster te ontslaan, is ook onwettig omdat het is genomen op een tijdstip waarop verzoekster regelmatig met ziekteverlof was, aangezien het besluit tot verwerping van de door Verreydt op 23 februari en 1 maart 1988 opgestelde attesten zelf onregelmatig was .

27 Deze middelen moeten vanuit tweeërlei oogpunt worden onderzocht, te weten de regelmatigheid van de samenstelling en de werkzaamheden van de invaliditeitscommissie en de regelmatigheid van de eind februari en begin maart 1988 genomen besluiten .

De samenstelling en de werkzaamheden van de invaliditeitscommissie

28 Om te beginnen voert verzoekster aan, dat Boccardo en Di Paolantonio tot een akkoord waren gekomen over de aanwijzing van professor Alexandre als derde lid van de invaliditeitscommissie . Het Parlement zou dan ook geen reden hebben gehad om de president van het Hof van Justitie te verzoeken de samenstelling van de commissie te vervolledigen, aangezien dit een uitzonderlijke procedure is, die slechts mag worden gevolgd in geval van volstrekte en blijvende onenigheid tussen de twee door partijen aangewezen artsen . Bijgevolg zou Pouthier niet overeenkomstig de bepalingen van het Statuut zijn aangewezen en zouden alle verdere werkzaamheden van de commissie onherroepelijk nietig zijn .

29 In de tweede plaats betoogt verzoekster, dat de werkzaamheden van de commissie hebben plaatsgevonden in strijd met het collegialiteitsbeginsel, zoals dit door het Hof in zijn arrest van 10 december 1987 ( zaak 277/84, Jaensch, reeds aangehaald ) werd geponeerd . Volgens haar hadden het medisch rapport en de na de eerste bijeenkomst door Di Paolantonio opgestelde conclusies, te zamen met het rapport van Boccardo, door de leden van de commissie tijdens een tweede bijeenkomst moeten worden besproken . Verzoekster stelt, dat de commissie pas na afloop van een dergelijke bespreking tot geldige conclusies had kunnen komen .

30 In de derde plaats stelt verzoekster, dat het ontbreken van notulen een wezenlijk proceduregebrek vormt, dat tot nietigheid van de werkzaamheden van de invaliditeitscommissie leidt . Ook al oordeelde het Hof in zijn arrest van 10 december 1987 ( zaak 277/84, Jaensch, reeds aangehaald ), dat het opstellen van notulen geen essentiële voorwaarde voor de geldigheid van de beraadslaging van een invaliditeitscommissie is, het Gerecht zou daarin niet moeten meegaan .

31 Het Parlement werpt tegen, dat de gestelde instemming van Boccardo met de aanwijzing van professor Alexandre niet definitief was, omdat er onaanvaardbare voorwaarden aan waren verbonden . Het zou niet voorbarig zijn geweest, een beroep te doen op de uitzonderlijke procedure van artikel 7, derde alinea, van bijlage II bij het Statuut, aangezien dit pas gebeurde drie maanden na het besluit om een nieuwe commissie met de zaak te belasten .

32 Aangaande de beweerde schending van het collegialiteitsbeginsel betoogt het Parlement, dat dit beginsel niet impliceert dat de artsen de conclusies gezamenlijk moeten opstellen . In casu zou een lange bijeenkomst hebben plaatsgevonden, waarop elk van de leden aantekeningen kon maken op basis waarvan hij een ontwerp van conclusies kon indienen . Het feit dat Di Paolantonio zijn confrères een ontwerp van conclusies heeft voorgelegd, zou geen afbreuk hebben gedaan aan het collegiale karakter van de werkzaamheden van de commissie . De conclusies van de meerderheid zouden geldig zijn, ook al zijn die door één arts niet ondertekend . Het Parlement verwijst dienaangaande naar de arresten van het Hof van 12 maart 1975 ( zaak 31/71, Gigante, Jurispr . 1975, blz . 337 ) en 9 juli 1975 ( gevoegde zaken 42/74 en 62/74, Vellozzi, Jurispr . 1975, blz . 871 ). Wat het ontbreken van notulen betreft, verwijst het naar 's Hofs arrest van 10 december 1987 ( zaak 277/84, Jaensch, reeds aangehaald ).

33 Het Gerecht is van oordeel, dat de bewoordingen van de brief van Boccardo van 17 oktober 1987, bezien in het licht van die van de brief van Di Paolantonio van 6 oktober 1987 ( zie hierboven rechtsoverwegingen 5 en 6 ), geen twijfel laten omtrent de aard van de voorwaarden die waren verbonden aan de instemming van Boccardo met de aanwijzing van professor Alexandre als derde lid van de invaliditeitscommissie . Deze voorwaarden waren niet van louter formele aard en waren uitdrukkelijk aangemerkt als voorafgaand aan een "definitief akkoord", dat zij dus opschortten . Verzoekster kan dus niet beweren, dat tussen Boccardo en Di Paolantonio een akkoord tot stand was gekomen . Het middel ontleend aan een vermeend proceduregebrek bij de samenstelling van de invaliditeitscommissie moet derhalve worden afgewezen .

34 Wat het collegiale karakter van de werkzaamheden van de commissie betreft, is het Gerecht van oordeel dat wanneer, zoals in casu, een bijeenkomst van vijf uur en veertig minuten heeft plaatsgevonden, waarop een ontwerp van 98 bladzijden werd besproken, niet kan worden bekritiseerd dat de verdere gedachtenwisseling schriftelijk is verlopen . Niets wijst erop, dat de door Di Paolantonio gevolgde procedure de andere leden van de commissie heeft belet vrijelijk hun mening uit te spreken . Evenmin zijn er aanwijzingen, dat de andere twee artsen niet voldoende waren ingelicht over het standpunt van Boccardo . Ten slotte heeft het Gerecht geen aanwijzingen, dat Pouthier ertoe zou zijn gebracht, de door Di Paolantonio voorbereide documenten anders dan volkomen vrij en naar eer en geweten te ondertekenen . Onder die omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat in alle opzichten is voldaan aan de door het Hof in zijn arrest van 10 december 1987 ( zaak 277/84, Jaensch, reeds aangehaald ) vastgestelde criteria .

35 Aangaande het ontbreken van notulen sluit het Gerecht zich aan bij het oordeel van het Hof in zijn arrest van 10 december 1987 ( zaak 277/84, Jaensch, reeds aangehaald ), dat het opstellen van notulen geen essentiële voorwaarde is voor de geldigheid van de beraadslaging van een commissie . In casu had het ontbreken van notulen geen weerslag op de voortzetting van de werkzaamheden van de commissie noch op de uitoefening van het rechterlijk toezicht waaraan deze thans zijn onderworpen .

36 Uit een en ander volgt, dat de werkzaamheden van de invaliditeitscommissie geen wezenlijk gebrek vertonen dat de regelmatigheid ervan aantast . Dit middel moet dus worden verworpen .

De regelmatigheid van de eind februari en begin maart 1988 genomen besluiten

37 Verzoekster voert diverse middelen en argumenten aan ten betoge, dat alle besluiten die het tot aanstelling bevoegd gezag eind februari en begin maart 1988 jegens haar heeft genomen onwettig waren . Met name betoogt zij, dat het besluit houdende weigering om haar in het genot van een invaliditeitspensioen te stellen, onwettig is wegens onbevoegdheid en gebrek aan motivering . In de tweede plaats stelt zij, dat het besluit houdende opzegging van haar overeenkomst als tijdelijk functionaris eveneens onwettig is, omdat het werd genomen op een tijdstip waarop de invaliditeitsprocedure nog liep en waarop zij bovendien regelmatig met ziekteverlof was . Om de onwettigverklaring van die twee besluiten te verkrijgen, acht verzoekster het noodzakelijk achtereenvolgens op te komen tegen "besluit" nr . 05169 van de directeur-generaal van 24 februari 1988, "voor zover hij het rapport van de invaliditeitscommissie aanvaardt en tot het zijne maakt en weigert verzoekster in het genot van een invaliditeitspensioen te stellen" en tegen "besluit" nr . 05531 van de directeur-generaal van 26 februari 1988 houdende weigering van het medisch attest dat Verreydt op 23 februari 1988 had opgesteld . Zij leidt daaruit af, dat het besluit van de voorzitter van de EVP-fractie, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, om haar overeenkomst te beëindigen, eveneens onwettig was, te meer daar op het tijdstip waarop de opzegtermijn moest ingaan, Verreydt haar opnieuw arbeidsongeschikt had verklaard . Ten slotte betoogt zij om dezelfde redenen, dat de besluiten tot afwijzing van haar klachten ook onwettig zijn .

38 Aangaande brief nr . 05169 van 24 februari 1988 voert verzoekster aan, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, los van het rapport van de invaliditeitscommissie, een met redenen omkleed besluit over de afloop van de invaliditeitsprocedure had moeten nemen . Brief nr . 05169 zou slechts hebben gediend om de conclusie van de invaliditeitscommissie mee te delen en zou zijn ondertekend door een persoon - de directeur-generaal - die niet de hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag bezat en derhalve niet bevoegd was tot het nemen van het besluit om verzoekster niet in het genot van een invaliditeitspensioen te stellen . Volgens verzoekster heeft die brief dus geen einde gemaakt aan de invaliditeitsprocedure, die verder ging .

39 Het Parlement erkent, dat de conclusies van de invaliditeitscommissie verzoekster werden meegedeeld door de directeur-generaal Personeelszaken, ter vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten . Het betoogt echter dat een dergelijke mededeling, in de vorm van een aangetekende brief aan de ambtenaar, onmiskenbaar een kennisgeving is en een bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut vormt . In ieder geval zou het tot aanstelling bevoegd gezag, nadat het verzoeksters op die beweerde onregelmatigheid in de procedure gebaseerde klacht had afgewezen, de in brief nr . 05169 vervatte kennisgeving hebben bevestigd .

40 Wat de door Verreydt opgestelde medische attesten betreft beklemtoont verzoekster, dat het besluit om het attest van 23 februari 1988 te verwerpen, volgens de bewoordingen van brief nr . 05531 van de directeur-generaal van 26 februari 1988, die haar ervan op de hoogte bracht, werd genomen in het licht van de conclusies van de invaliditeitscommissie . Onder verwijzing naar 's Hofs arrest van 27 april 1989 ( zaak 271/87, Fedeli, Jurispr . 1989, blz . 993 ) betoogt verzoekster, dat die conclusies niets uitstaande hadden met de beoordeling van de regelmatigheid van tijdelijke afwezigheid wegens ziekte, daar het hier om twee verschillende zaken gaat . Bovendien zou het attest zonder controlevisite zijn verworpen . Het latere attest, gedateerd 1 maart 1988, zou eerst op 7 maart 1988, dat wil zeggen toen de opzegtermijn reeds was ingegaan, tot een controlevisite hebben geleid .

41 Het Parlement antwoordt, dat het eerste attest, gedateerd 23 februari 1988, geen melding maakte van de medische gronden die de werkonderbreking rechtvaardigden, terwijl het tweede attest was gebaseerd op de diagnose die ook reeds voor de twee opeenvolgende invaliditeitscommissies was aangevoerd . De in deze twee attesten voorziene lange periode van afwezigheid zou een belangrijk beoordelingsgegeven hebben gevormd bij het nemen van bedoeld besluit . Het feit dat de raadgevend arts van de instelling had vastgesteld, dat verzoekster vijftien dagen nadat een werkonderbreking van twee maanden was voorgeschreven respectievelijk zes dagen nadat een werkonderbreking van drie maanden was voorgeschreven, arbeidsgeschikt was, zou bevestigen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag terecht het eerste attest heeft verworpen en het tweede niet in aanmerking heeft genomen .

42 Wat het bij brief van de voorzitter van de EVP-fractie van 24 februari 1988 meegedeelde ontslagbesluit betreft, betwist verzoekster niet, dat dit besluit door het tot aanstelling bevoegd gezag werd genomen . Zij betoogt echter, dat het tot aanstelling bevoegd gezag een dergelijk besluit niet kon nemen zolang de invaliditeitsprocedure nog lopende was en alvorens het medisch attest van 23 februari 1988 was verworpen . Door 1 maart 1988 als datum van ingang van de opzegtermijn te kiezen, zou verweerder zich schuldig hebben gemaakt aan misbruik van bevoegdheid om er zeker van te zijn, dat de verwerping van het medisch attest naar behoren aan verzoekster was meegedeeld .

43 Dienaangaande baseert het Parlement zich op de artikelen 47 en 48 RAP en op het arrest van het Hof van 18 oktober 1977 ( zaak 25/68, Schertzer, Jurispr . 1977, blz . 1729 ), die de precaire positie van een tijdelijk functionaris als verzoekster, wiens overeenkomst zonder opgave van redenen kan worden opgezegd, in het licht stellen . Het Parlement betwist, dat het ontslagbesluit na ontvangst van het medisch attest van 23 februari 1988 werd genomen . Volgens hem kan uit de in casu aan het licht gekomen feiten worden opgemaakt, dat verzoekster niet arbeidsongeschikt - en derhalve niet met ziekteverlof - was op het tijdstip waarop het ontslagbesluit werd genomen noch op de dag waarop de opzegtermijn inging .

44 Wat om te beginnen brief nr . 05169 van de directeur-generaal van 24 februari 1988 betreft, constateert het Gerecht, dat het hierbij niet gaat om een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag, waartegen beroep tot nietigverklaring openstaat . Deze brief bevat immers de kennisgeving van de conclusies van de invaliditeitscommissie, bedoeld in artikel 9, lid 2, van bijlage II bij het Statuut, dat bepaalt :

"De conclusies van de commissie worden aan het tot aanstelling bevoegd gezag en de betrokkene medegedeeld ."

Bijgevolg kan het onderdeel van verzoeksters conclusies dat betrekking heeft op de nietigverklaring van die brief, niet worden aanvaard .

45 Voor zover verzoeksters betoog vooronderstelt, dat de invaliditeitsprocedure slechts bij besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag kon worden beëindigd, zij erop gewezen, dat artikel 33, lid 2, RAP met betrekking tot tijdelijke functionarissen uitdrukkelijk bepaalt :

"De mate van invaliditeit wordt vastgesteld door de invaliditeitscommissie, genoemd in artikel 9 van het Statuut ."

Daaruit volgt dat, wanneer de invaliditeitscommissie tot de conclusie is gekomen dat een personeelslid niet invalide is, het tot aanstelling bevoegd gezag geen besluit in tegenovergestelde zin kan nemen . Het staat dus niet aan het tot aanstelling bevoegd gezag, een besluit tot beëindiging van de procedure te nemen . Men dient zich echter af te vragen, of de wettigheid van het besluit om verzoekster te ontslaan, kan zijn beïnvloed door het feit dat dit besluit werd genomen alvorens verzoekster van de conclusies van de commissie kennis had gekregen . Het Gerecht zal die vraag behandelen in het kader van het onderzoek van de wettigheid van het ontslagbesluit .

46 Wat de door Verreydt opgestelde medische attesten betreft is het inderdaad zo, dat het Hof in zijn arrest van 27 april 1989 ( zaak 271/87, Fedeli, reeds aangehaald ) heeft verklaard dat het door een invaliditeitscommissie in het kader van een invaliditeitsprocedure opgestelde rapport dient om vast te stellen of een ambtenaar al dan niet geschikt is om blijvend een tot zijn loopbaan behorend ambt te vervullen, en niet om te beoordelen of de tijdelijke afwezigheid van die ambtenaar als medisch gerechtvaardigd kan worden beschouwd . Het Hof leidde daaruit af, dat wanneer die commissie tot het oordeel komt, dat niet is voldaan aan de voorwaarden om een ambtenaar op invaliditeitspensioen te stellen, haar conclusies niet kunnen dienen tot bewijs van de lichamelijke geschiktheid van de betrokkene om zijn functies op een gegeven moment te vervullen, zulks in verband met het verschillend karakter van de in elk van de twee gevallen te geven beoordeling . Bij die gelegenheid preciseerde het Hof ook dat, indien bij de verwerende instelling twijfel bleef bestaan omtrent de betrouwbaarheid van de door verzoekster overgelegde medische attesten en dus omtrent de regelmatigheid van haar afwezigheden, zij de daartoe in het Statuut voorziene procedure had moeten volgen en de in artikel 59 bedoelde controles had moeten laten verrichten . Bij lezing van de volledige tekst van het arrest, het rapport ter terechtzitting en de conclusie van de advocaat-generaal blijkt echter, dat de aan de zaak Fedeli ten grondslag liggende feiten zeer bijzonder waren, daar het Parlement na kennisneming van de conclusies van een invaliditeitscommissie bepaalde naar behoren gemotiveerde medische attesten wilde verwerpen, ofschoon het zich reeds genoodzaakt had gezien, zijn standpunt met betrekking tot bepaalde vroegere attesten te herzien en de betrouwbaarheid ervan te erkennen, juist na kennisneming van de bij een controlevisite gedane vaststellingen . Het Gerecht is dus van oordeel, dat genoemd arrest niet kan dienen tot staving van het in casu door verzoekster ingenomen standpunt, dat de enkele overlegging van een zelfs niet gemotiveerd medisch attest hoe dan ook onmiddellijk recht geeft op ziekteverlof, dat slechts zou kunnen eindigen na een controlevisite waarbij de arbeidsgeschiktheid wordt vastgesteld .

47 In casu maakte het eerste attest van Verreydt van 23 februari 1988 geen melding van de medische gronden die een werkonderbreking rechtvaardigden, hoewel het niettemin in een werkonderbreking van twee maanden voorzag . Het Gerecht is van oordeel, dat het Parlement, gezien de bijzondere omstandigheden van de zaak en met name gelet op haar lange voorgeschiedenis, de conclusies van de invaliditeitscommissie en het voorstel van zijn raadgevend arts, gerechtigd was een dergelijk attest te verwerpen . Verzoekster had dus niet bewezen, dat haar afwezigheid op die datum medisch gerechtvaardigd was en dat zij dus recht had op ziekteverlof . Zij behield echter de mogelijkheid, het motiveringsgebrek in het eerste attest te verhelpen door overlegging van een uitvoeriger attest, in casu het tweede attest van Verreydt, gedateerd 1 maart 1988 . Volgens de door verzoekster onweersproken verklaringen van het Parlement, herhaalde dit tweede attest echter slechts de diagnose die de invaliditeitscommissie juist had verworpen . Bovendien kon de raadgevend arts van de instelling op 7 maart 1988 bij een controlevisite vaststellen, dat verzoekster op die datum arbeidsgeschikt was, zulks in flagrante tegenspraak met de bewoordingen van de twee door Verreydt opgestelde attesten, die voorzagen in een afwezigheid van twee of drie maanden . Het attest van 1 maart 1988 kan dan ook niet worden geacht met terugwerkende kracht het motiveringsgebrek in het vorige attest van 23 februari 1988 te hebben verholpen . Bijgevolg heeft verzoekster op geen enkel moment van de kritieke periode aangetoond, dat zij recht had op ziekteverlof .

48 Wat het ontslagbesluit betreft zij erop gewezen, dat de artikelen 47 en 48 RAP niet in de weg staan aan de eenzijdige opzegging, zonder motivering, van de overeenkomst voor onbepaalde duur van een tijdelijk functionaris ( arrest van 18 oktober 1977, zaak 25/68, Schertzer, reeds aangehaald ). Die opzegging is zelfs mogelijk tijdens een ziekteverlof, op de enkele voorwaarde dat wanneer de overeenkomst een opzegclausule bevat, de opzegtermijn niet mag ingaan tijdens het verlof voor zover dit niet langer dan drie maanden duurt . Nergens is bepaald, dat de inleiding van een invaliditeitsprocedure het recht van het tot aanstelling bevoegd gezag om de overeenkomst van een personeelslid te beëindigen, schorst zolang de conclusies van de invaliditeitscommissie hem niet zijn meegedeeld . Uit het enkele feit dat het ontslagbesluit werd genomen alvorens verzoekster van de conclusie van de invaliditeitscommissie kennis had gekregen, kan het Gerecht niet concluderen, dat dit besluit op misbruik van bevoegdheid berust . Bijgevolg moeten alle middelen ontleend aan de beweerde onregelmatigheid van de in februari en maart 1988 jegens verzoekster genomen besluiten worden afgewezen .

49 Uit een en ander volgt, dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen .

Beslissing inzake de kosten


Kosten

50 Volgens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 11, derde alinea, van het eerdergenoemde besluit van de Raad van 24 oktober 1988 van overeenkomstige toepassing is op het Gerecht, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd . Volgens artikel 70 van dat Reglement blijven evenwel de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te haren laste .

Dictum


HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vierde Kamer ),

rechtdoende :

1 ) Verwerpt het beroep .

2 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .