ARREST VAN HET HOF VAN 17 NOVEMBER 1992. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN VERENIGD KONINKRIJK. - VISSERIJ - VERGUNNINGEN - VOORWAARDEN. - ZAAK C-279/89.
Jurisprudentie 1992 bladzijde I-05785
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Visserij ° Gemeenschappelijk structuurbeleid ° Instandhouding van rijkdommen van de zee ° Stelsel van vangstquota ° Wettelijke regeling van Lid-Staat voor gebruik van zijn quota ° Verlening van vergunningen ° Voorwaarden die reële economische band van vaartuigen met betrokken Lid-Staat beogen te verzekeren ° Verplichting om visserijactiviteiten te verrichten vanuit nationale havens ° Bewijsmiddelen ° Aanlanding van deel van vangst en periodiek aandoen van nationale havens door vaartuig ° Toelaatbaarheid ° Voorwaarden
(Verordeningen van de Raad nrs. 101/76, 2057/82, 170/83 en 172/83)
2. Toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Gemeenschappen ° Spanje ° Portugal ° Vrij verkeer van personen ° Vrijheid van vestiging ° Vrijheid van dienstverrichting ° Discriminatie op grond van nationaliteit ° Verbod ° Werknemers ° Afwijkingen ° Verbod van nieuwe beperkingen inzake toegang tot arbeid ° Verplichting tot eerbiediging van bestaande rechten van gezinsleden van werknemer ° Beperkingen inzake arbeid aan boord van visserijvaartuigen ° Uitsluiting van Spaanse en Portugese onderdanen bij berekening van minimumpercentage aan gemeenschapsonderdanen in bemanning van visserijvaartuigen met vergunning ° Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 48, 52 en 59; Toetredingsakte van 1985, art. 55, 56, 215 en 216; verordening nr. 1612/68 van de Raad, art. 11; verordening nr. 1251/70 van de Commissie)
3. Visserij ° Gemeenschappelijk structuurbeleid ° Instandhouding van rijkdommen van de zee ° Stelsel van vangstquota ° Wettelijke regeling van Lid-Staat voor gebruik van zijn quota ° Verlening van vergunningen ° Voorwaarden die reële economische band van vaartuigen met betrokken Lid-Staat beogen te verzekeren ° Samenstelling van bemanning van in die staat geregistreerde schepen ° Voorwaarde van woonplaats aan wal in betrokken Lid-Staat ° Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 48, 52 en 59)
1. Het gemeenschapsrecht verzet zich er niet tegen, dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder nationale vangstquota als voorwaarde stelt, dat het vaartuig zijn activiteiten verricht vanuit nationale havens, voor zover die voorwaarde niet inhoudt dat het vaartuig voor al zijn reizen vanuit een nationale haven moet uitvaren, of dat een Lid-Staat als bewijs dat aan die voorwaarde is voldaan, slechts aanvaardt dat een bepaald gedeelte van de vangsten in nationale havens wordt aangeland of dat het vaartuig met een bepaalde regelmaat nationale havens aandoet,met dien verstande evenwel dat door de vereiste frequentie waarmee het vaartuig die havens dient aan te doen, niet direct of indirect de verplichting mag worden opgelegd dat de vangsten van het vaartuig in nationale havens moeten worden aangeland, en dat de uitoefening van normale visserijactiviteiten niet mag worden belemmerd.
2. Door van de 75 % van de bemanning van een vissersvaartuig onder zijn vlag, die volgens de termen van de vergunning om onder nationale quota te vissen, uit eigen onderdanen of onderdanen van andere Lid-Staten moet bestaan, als zelfstandige vissers werkzame Spaanse en Portugese onderdanen uit te sluiten, maakt een Lid-Staat zich jegens laatstgenoemden schuldig aan discriminatie op grond van nationaliteit en schendt hij daardoor, al naargelang het geval, artikel 52 of artikel 59 van het Verdrag.
Door op dezelfde wijze als vissers in loondienst werkzame Spaanse en Portugese onderdanen uit te sluiten, schendt hij evenzo artikel 48 van het Verdrag, wanneer hij, bij beperkingen die niet vóór de toetreding van Spanje en Portugal bestonden, de standstill-clausule van de artikelen 56, lid 1, en 216, lid 1, van de Toetredingsakte van 1985 niet in acht neemt, of, bij toepassing van die beperkingen op Spaanse of Portugese gezinsleden van onderdanen van andere Lid-Staten, de rechten niet eerbiedigt die die personen, onafhankelijk van de overgangsbepalingen van de Toetredingsakte van 1985, ontlenen aan verordening nr. 1612/68 dan wel verordening nr. 1251/70.
3. Een Lid-Staat komt zijn verplichtingen krachtens de artikelen 48, 52 en 59 van het Verdrag niet na, wanneer hij verlangt dat de gemeenschapsonderdanen waaruit, volgens de termen van de vergunning om onder nationale quota te vissen, ten minste 75 % van de bemanning van een vissersvaartuig onder zijn vlag moet bestaan, allen woonplaats aan wal op zijn grondgebied hebben. Een dergelijk vereiste vormt immers ten aanzien van onderdanen van de andere Lid-Staten een indirecte discriminatie op grond van nationaliteit.
In zaak C-279/89,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Fischer en P. Oliver, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
ondersteund door
Koninkrijk Spanje, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Conde de Saro, vervolgens door A. J. Navarro Gonzalez, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Europese Gemeenschappen, en door R. Silva de Lapuerta, abogado del Estado, hoofd van de dienst Communautaire geschillen, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard Emmanuel Servais 4-6,
interveniënt,
tegen
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, aanvankelijk vertegenwoordigd door R. Caudwell, vervolgens door S. Cochrane, van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, bijgestaan door C. Bellamy, QC, en C. Vadja, Barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Britse ambassade, Boulevard Roosevelt 14,
verweerder,
betreffende een beroep tot vaststelling dat het Verenigd Koninkrijk, door de afgifte van visserijvergunningen afhankelijk te stellen van bepaalde voorwaarden, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 34, 48, 52 en 59 EEG-Verdrag en de verordeningen (EEG) nrs. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2), 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 8), en 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een Lid-Staat na er een betrekking te hebben vervuld (PB 1970, L 142, blz. 24),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, C. N. Kakouris, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Zuleeg en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliet, F. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: C. Gulmann
griffier: D. Triantafyllou, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland ter terechtzitting van 17 maart 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 mei 1992,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 september 1989, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag verzocht vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk, door de afgifte van visserijvergunningen afhankelijk te stellen van bepaalde voorwaarden, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 34, 48, 52 en 59 EEG-Verdrag en de verordeningen (EEG) nrs. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2), 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 8), en 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een Lid-Staat na er een betrekking te hebben vervuld (PB 1970, L 142, blz. 24).
2 Bij beschikking van 6 december 1989 heeft het Hof het Koninkrijk Spanje toegestaan te interveniëren aan de zijde van de Commissie.
De omstreden nationale regels
3 Uit het aan het Hof voorgelegde dossier blijkt, dat ingevolge de Sea Fish (Conservation) Act 1967, zoals gewijzigd bij de Fisheries Limits Act 1976 en de Fisheries Act 1981, en de Sea Fish Licensing Order 1983 in het Verenigd Koninkrijk geregistreerde vissersvaartuigen over een visserijvergunning moeten beschikken.
4 Sinds 1 januari 1986 is de afgifte van vergunningen voor onder Britse quota vallende soorten afhankelijk van bepaalde voorwaarden betreffende, enerzijds, de exploitatie van het vissersvaartuig waarvoor de vergunning wordt verleend, en anderzijds de bemanning. Deze voorwaarden beogen te verzekeren, dat vissersvaartuigen een "reële economische band" met het Verenigd Koninkrijk hebben, en aan beide moet te allen tijde worden voldaan op straffe van intrekking van de vergunning.
5 De voorwaarde betreffende de exploitatie van het vissersvaartuig was tot 31 december 1990 in de volgende bewoordingen gesteld:
"i) Het vaartuig moet opereren vanuit het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden; behoudens het algemene karakter van dit vereiste, wordt een vaartuig geacht hieraan te voldoen, indien gedurende elke periode van zes maanden van elk kalenderjaar (dat wil zeggen januari-juni of juli-december) hetzij
a) ten minste 50 % van het gewicht van de aan land gebrachte of overgeladen vangst van het vaartuig waarop deze of enige andere vergunning betrekking heeft, is aangeland en verkocht in het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden, dan wel is overgeladen bij verkoop binnen de Britse visserijzones, hetzij
b) anderszins wordt aangetoond dat het vaartuig ten minste viermaal met tussenpozen van ten minste vijftien dagen een haven van het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden heeft aangedaan."
6 De vereisten betreffende de bemanning bevatten voorwaarden inzake nationaliteit, woonplaats en sociale zekerheid, en luiden als volgt:
"ii) Ten minste 75 % van de bemanning moet bestaan uit Britse onderdanen of EEG-onderdanen [(...) tot 1 januari 1993 met uitzondering van Spaanse en Portugese onderdanen, niet zijnde een echtgenoot of een kind beneden de 21 jaar van een (...) Spaanse of Portugese werknemer die reeds in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd, in overeenstemming met de overgangsregeling inzake het vrije verkeer van werknemers na de toetreding van (...) Spanje en Portugal tot de Gemeenschappen, bedoeld in de betrokken Toetredingsverdragen] die normaal woonachtig zijn in het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden.
iii) De kapitein en alle bemanningsleden moeten bijdragen betalen aan het nationale sociale-verzekeringsstelsel van het Verenigd Koninkrijk of de vergelijkbare stelsels van het eiland Man of de Kanaaleilanden: dit houdt in bijdragen voor groep 1, groep 2 (zeelieden) of groep 4 (zelfstandigen)."
7 Omdat zij deze voorwaarden in strijd met het gemeenschapsrecht achtte, heeft de Commissie de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag tegen het Verenigd Koninkrijk ingeleid.
8 Op het moment dat de precontentieuze procedure plaatsvond en dit beroep werd ingesteld, waren bij het Hof enkele prejudiciële vragen aanhangig die gerezen waren in het kader van twee gedingen voor de High Court of Justice, waarin de verenigbaarheid van diezelfde voorwaarden met het gemeenschapsrecht werd betwist. Het Hof heeft deze vragen beantwoord in zijn arresten van 14 december 1989 (zaak C-3/87, Agegate, en zaak C-216/87, Jaderow, Jurispr. 1989, blz. 4459, resp. 4509).
9 Na de uitspraak in deze arresten meende de Commissie, dat het sociale-zekerheidsvereiste, indien juist uitgelegd, in overeenstemming was met het gemeenschapsrecht, en deed zij afstand van haar grief met betrekking tot de verenigbaarheid van die voorwaarde met verordening nr. 1408/71 van de Raad.
10 Wat de andere voorwaarden betreft, blijkt uit het dossier, dat het Verenigd Koninkrijk met ingang van 1 januari 1991 het nationaliteitsvereiste en het woonplaatsvereiste voor Spaanse en Portugese onderdanen heeft afgeschaft en de exploitatievoorwaarde heeft versoepeld. De Commissie blijft echter van mening, dat dit aspect van haar beroep nog steeds relevant is om helderheid te verschaffen over enkele rechtsvragen die in de zaken Agegate en Jaderow wegens het prejudiciële karakter van die procedures onbeantwoord zijn gebleven. De door het Verenigd Koninkrijk opgelegde voorwaarden zouden bovendien ieder moment zonder voorafgaande kennisgeving gewijzigd kunnen worden.
11 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De voorwaarde betreffende de exploitatie van het vaartuig
12 In haar verzoekschrift betoogt de Commissie, dat de voorwaarde betreffende de exploitatie van het vissersvaartuig onverenigbaar is met artikel 34 EEG-Verdrag en met verordening (EEG) nr. 3796/81 van de Raad van 29 december 1981 inzake de gemeenschappelijke ordening der markten in visprodukten (PB 1981, L 379, blz. 1). De eigenaar van een schip kan een aanzienlijk financieel verlies lijden indien hij voldoet hetzij aan het criterium inzake de aanlanding van de vangsten, hetzij aan het criterium inzake het met een bepaalde regelmaat aandoen van een nationale haven, omdat dit hem kan verhinderen te profiteren van de hogere prijzen die hij in andere Lid-Staten zou kunnen krijgen.
13 Op 14 december 1989, dat wil zeggen nadat de Commissie haar verzoekschrift had ingediend, deed het Hof uitspraak in de zaak Jaderow (zaak C-216/87, reeds aangehaald). In dat arrest verklaarde het Hof voor recht, dat het gemeenschapsrecht zich er niet tegen verzet, dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder nationale vangstquota als voorwaarde stelt, dat het vaartuig zijn activiteiten verricht vanuit nationale havens, voor zover die voorwaarde niet inhoudt dat het vaartuig voor al zijn reizen vanuit een nationale haven moet uitvaren (punt 2 van het dictum), of dat een Lid-Staat als bewijs dat is voldaan aan de voorwaarde dat de activiteiten van het vaartuig vanuit nationale havens worden uitgeoefend, slechts aanvaardt dat een bepaald gedeelte van de vangsten in nationale havens wordt aangeland of dat het vaartuig met een bepaalde regelmaat nationale havens aandoet,met dien verstande evenwel dat door de vereiste frequentie waarmee het vaartuig die havens dient aan te doen, niet direct of indirect de verplichting mag worden opgelegd dat de vangsten van het vaartuig in nationale havens moeten worden aangeland, en dat de uitoefening van normale visserijactiviteiten niet mag worden belemmerd (punt 4 van het dictum).
14 In haar repliek, ingediend na de uitspraak in de zaak Jaderow, betoogde de Commissie, zonder het door haar in het verzoekschrift naar voren gebrachte middel in te trekken, dat de exploitatievoorwaarde onverenigbaar is met artikel 34 EEG-Verdrag, omdat het geen uitzonderings- of afwijkingsbepaling bevatte voor vissersvaartuigen wier normale visserijactiviteiten dreigen te worden belemmerd.
15 Het Verenigd Koninkrijk werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op met betrekking tot dit laatste middel. Het stelt, dat dit middel het voorwerp van het geding verandert, omdat het anders is dan het tijdens de precontentieuze procedure en in het verzoekschrift aangevoerde middel; het roept nieuwe rechtsvragen op, die enkel in de context van het arrest Jaderow kunnen worden begrepen en behandeld. Gelet op artikel 169 EEG-Verdrag en artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering zou het middel derhalve niet-ontvankelijk zijn.
16 De Commissie betoogt in reactie op de exceptie, dat haar repliek het voorwerp van de procedure ° het verkrijgen van een verklaring voor recht, dat de exploitatievoorwaarde in strijd is met artikel 34 van het Verdrag ° niet te buiten gaat. Zij zou haar stelling hebben gehandhaafd en in repliek enkel een nieuw middel tot staving ervan hebben aangevoerd. Dit middel, dat gebaseerd is op het arrest Jaderow, dat een nieuw element rechtens vormt, zou ingevolge artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering ontvankelijk zijn.
17 De exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden aanvaard. Het in repliek aangevoerde middel moet immers aldus worden begrepen, dat de exploitatievoorwaarde de uitoefening van normale visserijactiviteiten belemmert. Dit vormt echter een nieuwe grief, gebaseerd op een feitelijk middel dat zijn juridische grondslag vindt in het arrest Jaderow. Gelet op artikel 169 EEG-Verdrag kon de Commissie deze grief tijdens de procedure voor het Hof dus niet aanvoeren.
18 Mitsdien is het niet nodig de tweede door het Verenigd Koninkrijk opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te onderzoeken, die betrekking heeft op het door de Commissie aangevoerde bewijs ter ondersteuning van haar nieuwe grief.
19 Met betrekking tot de grief van de Commissie, zoals geformuleerd in haar verzoekschrift, moet erop worden gewezen, dat blijkens het arrest Jaderow (zie r.o. 13 supra) de exploitatievoorwaarde in bepaalde feitelijke situaties weliswaar onverenigbaar met het gemeenschapsrecht kan blijken te zijn, doch op zich en in zijn algemeenheid niet in strijd is met de bepalingen van het gemeenschapsrecht.
20 Deze grief moet derhalve worden afgewezen.
Het toepassen van het nationaliteitsvereiste op Spaanse en Portugese onderdanen
21 Volgens dit vereiste moet 75 % van de bemanning van een vissersvaartuig Brits onderdaan of onderdaan van een andere Lid-Staat van de Gemeenschap zijn, met uitsluiting tot 1 januari 1993 van Spaanse en Portugese onderdanen.
22 De Commissie betoogt, dat die uitsluiting in strijd is a) met artikel 52 of artikel 59 EEG-Verdrag, naar gelang het gaat om het recht van vestiging of om dienstverlening wanneer de betrokken onderdanen zelfstandige vissers zijn; b) met artikel 48 EEG-Verdrag wanneer zij werknemers zijn; c) met artikel 11 van verordening nr. 1612/68 van de Raad voor zover de Spaanse en Portugese gezinsleden van onderdanen van andere Lid-Staten die in het Verenigd Koninkrijk werkzaam zijn als werknemer of in loondienst, ook uitgesloten zijn van de 75 % van de bemanning, en d) met verordening nr. 1251/70 van de Commissie voor zover Spaanse en Portugese gezinsleden van onderdanen van andere Lid-Staten die onder die verordening vallen, zijn uitgesloten van de 75 %.
De artikelen 52 en 59 van het Verdrag
23 Het volstaat erop te wijzen, dat de bestreden voorwaarde Spaanse en Portugese onderdanen die als zelfstandige vissers werkzaam zijn, discrimineert op grond van hun nationaliteit, hetgeen verboden is bij artikel 52 of artikel 59 EEG-Verdrag, al naar gelang het geval. Deze grief moet daarom worden aanvaard.
Artikel 48 van het Verdrag
24 De Commissie is van mening, dat de in geding zijnde voorwaarde in strijd is met artikel 48 van het Verdrag, voor zover zij Spaanse en Portugese onderdanen die werkzaam zijn als vissers in loondienst, discrimineert. In de artikelen 56, lid 1, en 216, lid 1, van de Toetredingsakte van 1985 kan geen rechtvaardiging voor deze discriminatie worden gevonden, aangezien deze bepalingen wel de handhaving van al vóór de toetreding bestaande beperkingen toestaan, doch de Lid-Staten niet machtigen nieuwe beperkingen aan Spaanse en Portugese onderdanen op te leggen.
25 Een voorwaarde die werknemers die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat, juist op grond van hun nationaliteit uitsluit van het werken aan boord van een onder de vlag van een Lid-Staat varend vissersvaartuig, is in strijd met artikel 48 van het Verdrag. De artikelen 55, 56, 215 en 216 van de Toetredingsakte van 1985 voorzagen evenwel met betrekking tot Spaanse en Portugese werknemers tot 31 december 1992 in een afwijking op dit punt.
26 In het arrest Agegate heeft het Hof voor recht verklaard, dat de artikelen 55 en 56 van de Toetredingsakte van 1985 zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling of praktijk volgens welke Spaanse werknemers tot 1 januari 1993 uitgesloten zijn van de 75 % van de bemanning van die vaartuigen, mits een dergelijke, na de Toetredingsakte van 1985 ingevoerde beperking in geen geval de situatie van Spaanse werknemers verslechterde en niet gold voor Spaanse onderdanen die ten tijde van de toetreding reeds als werknemers op het Britse grondgebied of aan boord van een Brits vaartuig waren tewerkgesteld, wanneer de arbeidsverhouding een voldoende nauwe band met dat grondgebied had.
27 De artikelen 215 en 216, lid 1, van de Toetredingsakte bevatten met betrekking tot Portugese werknemers bepalingen die identiek zijn aan die welke de artikelen 55 en 56, lid 1, van dezelfde Akte met betrekking tot Spaanse werknemers bevatten.
28 Derhalve moet worden onderzocht, of de in geding zijnde voorwaarde een beperkende maatregel vormt die de situatie van Spaanse en Portugese werknemers verslechtert, en, zo ja, of zij is ingevoerd op een moment waarop het Verenigd Koninkrijk dergelijke maatregelen niet meer mocht nemen.
29 Met betrekking tot de eerste vraag zij opgemerkt, dat krachtens de British Fishing Boats Act 1983 en de British Fishing Boats Order 1983 een Brits vissersvaartuig binnen de Britse visserijzone enkel mocht vissen en vis mocht overladen en in het Verenigd Koninkrijk vis mocht aanlanden, wanneer ten minste 75 % van de bemanningsleden Brits onderdaan of onderdaan van een andere Lid-Staat was. Aangezien Spanje en Portugal in die tijd geen lid waren van de Gemeenschap, waren Spaanse en Portugese onderdanen uitgesloten van de 75 % van de bemanning. Zij konden echter aan boord van Britse schepen werken die buiten de Britse visserijzone opereerden, omdat de Britse wetgeving op dat punt geen voorwaarden bevatte.
30 De thans omstreden voorwaarde neemt die van 1983 ten dele over en voegt er een extra beperking aan toe. De voorwaarde van 1983 was van toepassing a) op het vissen op alle soorten vis, al of niet vallend onder het quotastelsel, b) binnen de Britse visserijzone. In tegenstelling hiermee heeft de thans omstreden voorwaarde betrekking op: a) onder quota vallende soorten, b) alle gebieden van de ICES (International Council for the Exploration of the Sea) waar het Verenigd Koninkrijk quota heeft, of zij nu binnen of buiten de Britse visserijzone zijn gelegen. De omstreden voorwaarde verslechtert derhalve, voor zover zij geldt voor het vissen op onder Britse quota vallende soorten buiten de Britse visserijzone, de situatie van Spaanse en Portugese werknemers.
31 Het Verenigd Koninkrijk ontkent dat dit het geval is, omdat Britse vissersvaartuigen die na 1983 buiten de Britse visserijzone opereerden, binnen de Ierse visserijzone toch onderworpen waren aan een hun door Ierland sinds 1983 opgelegde vergelijkbare voorwaarde. Spaanse en Portugese onderdanen waren derhalve sinds die tijd uitgesloten van de 75 % van de bemanning van Britse vaartuigen, zowel binnen de Britse als binnen de Ierse visserijzone.
32 Dit argument kan niet worden aanvaard. De standstill-bepaling neergelegd in de artikelen 56, lid 1, en 216, lid 1, van de Toetredingsakte van 1985, staat het Verenigd Koninkrijk enkel toe bestaande nationale beperkingen te handhaven. Bijgevolg kunnen door andere Lid-Staten opgelegde beperkingen niet in aanmerking worden genomen voor de toepassing van die bepaling.
33 Met betrekking tot de tweede vraag kan worden volstaan met vast te stellen, dat de omstreden maatregel op 1 januari 1986 van kracht is geworden, dat wil zeggen op de dag van inwerkingtreding van de Toetredingsakte van 1985, en dus niet kan worden geacht van vroegere datum dan die Akte te zijn.
34 Hieruit volgt, dat de extra beperking die bij de in geding zijnde voorwaarde met betrekking tot Spaanse en Portugese onderdanen is ingevoerd, geen rechtvaardiging kan vinden in de overgangsbepalingen van de Toetredingsakte van 1985.
35 Voor zover echter de in geding zijnde voorwaarde gerelateerd is aan quota binnen de Britse visserijzone, handhaaft zij een reeds bestaande beperking. In zoverre kan de rechtvaardiging ervan worden gevonden in de overgangsbepalingen van de Toetredingsakte. Overeenkomstig het arrest Agegate kan de bestaande beperking echter evenwel niet worden toegepast op Spaanse onderdanen die ten tijde van de toetreding reeds als werknemer op het Britse grondgebied of aan boord van een Brits vaartuig waren tewerkgesteld, wanneer de arbeidsverhouding een voldoende nauwe band met dat grondgebied heeft.
36 De uitsluiting van Spaanse en Portugese werknemers van de 75 % van de bemanning van een Brits vissersvaartuig is mitsdien, voor zover het vissen op onder Britse quota vallende soorten buiten de Britse visserijzone betreft, in strijd met artikel 48 van het Verdrag.
De verordeningen nr. 1612/68 van de Raad en nr. 1251/70 van de Commissie
37 De rechten die de gezinsleden van een werknemer ontlenen aan artikel 11 van verordening nr. 1612/68 van de Raad en aan verordening nr. 125-1/70 van de Commissie, zijn afgeleid van de rechten die zijn toegekend aan de werknemer tot wiens gezin zij behoren.
38 Indien dus een werknemer die reeds vóór de toetreding van Spanje en Portugal in het Verenigd Koninkrijk werkzaam was, onderdaan is van een staat die lid was van de Gemeenschap, hebben al zijn gezinsleden die eventueel de Spaanse of Portugese nationaliteit bezitten, rechten die zij ontlenen aan genoemde verordeningen, onafhankelijk van de overgangsbepalingen van de Toetredingsakte van 1985.
39 De uitsluiting van die Spaanse en Portugese onderdanen van de 75 % van de bemanning van een Brits vissersvaartuig is derhalve in strijd met artikel 11 van verordening nr. 1612/68 van de Raad en met verordening nr. 1251/70 van de Commissie.
Het woonplaatsvereiste
40 Krachtens dit vereiste moeten onderdanen van het Verenigd Koninkrijk of onderdanen van een andere Lid-Staat, die 75 % van de bemanning van een vissersvaartuig vormen, hun woonplaats aan wal in het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden hebben.
41 De Commissie betoogt, dat het vereiste in strijd is met artikel 48 van het Verdrag met betrekking tot vissers in loondienst, en met artikel 52 of artikel 59 van het Verdrag met betrekking tot vissers die als zelfstandigen werkzaam zijn.
42 Volstaan kan worden met de opmerking, dat door het opleggen van die voorwaarde het Verenigd Koninkrijk onderdanen van andere Lid-Staten indirect op grond van hun nationaliteit uitsluit van de 75 % van de bemanning van een vissersvaartuig. Immers, Britse onderdanen zullen in de meeste gevallen hun woonplaats aan wal in het Verenigd Koninkrijk hebben en dus automatisch aan die voorwaarde voldoen, terwijl onderdanen van andere Lid-Staten, om aan dezelfde voorwaarde te voldoen, in de meeste gevallen verplicht zullen zijn hun woonplaats naar het Verenigd Koninkrijk te verleggen (zie arrest van 25 juli 1991, zaak C-221/89, Factortame, Jurispr. 1991, blz. I-3905, r.o. 32).
43 Het woonplaatsvereiste is derhalve in strijd met de artikelen 48, 52 en 59 EEG-Verdrag.
44 Hierna wordt niet afgedaan door de omstandigheid, dat deze voorwaarde is vastgelegd in visserijvergunningen betreffende Britse quota. In zijn arrest Agegate heeft het Hof immers voor recht verklaard, dat het gemeenschapsrecht zich er tegen verzet, dat een Lid-Staat als voorwaarde voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder zijn vangstquota verlangt, dat 75 % van de bemanning van dat vaartuig woonplaats aan wal heeft in die Lid-Staat (punt 2 van het dictum).
45 Uit het voorgaande volgt dat:
het Verenigd Koninkrijk de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 48, 52 en 59 EEG-Verdrag, artikel 11 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, en verordening (EEG) nr. 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een Lid-Staat na er een betrekking te hebben vervuld.
46 Voor het overige wordt het beroep verworpen.
Kosten
47 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Ingevolge lid 3 van dit artikel kan het Hof de proceskosten evenwel geheel of gedeeltelijk compenseren, indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien het beroep van de Commissie ten dele gegrond is verklaard, moeten de kosten worden gecompenseerd. Het Koninkrijk Spanje, interveniënt, dient zijn eigen kosten te dragen krachtens artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering.
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) Door van de 75 % van de bemanning van een vissersvaartuig onder Britse vlag, die moet bestaan uit Britse onderdanen of onderdanen van een andere Lid-Staat, uit te sluiten a) Spaanse en Portugese onderdanen die buiten de visserijzone van het Verenigd Koninkrijk als werknemers vissen op onder Britse quota vallende soorten, b) Spaanse en Portugese onderdanen die de visserij als zelfstandige beoefenen, en c) Spaanse en Portugese onderdanen die gezinsleden zijn van een onderdaan van een staat die vóór de toetreding van Spanje en Portugal lid was van de Gemeenschap, en door te eisen dat de onderdanen van andere Lid-Staten die tot die 75 % van de bemanning behoren, hun woonplaats aan wal hebben in het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden, is het Verenigd Koninkrijk de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 48, 52 en 59 EEG-Verdrag, artikel 11 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, en verordening (EEG) nr. 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een Lid-Staat na er een betrekking te hebben vervuld.
2) Het beroep wordt voor het overige verworpen.
3) Elk der partijen, interveniënt daaronder begrepen, zal haar eigen kosten dragen.