Conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 10 januari 1991. - DEPARTMENT OF HEALTH AND SOCIAL SECURITY TEGEN CHRISTOPHER STEWART BARR EN MONTROSE HOLDINGS LTD. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: DEPUTY HIGH BAILIFF'S COURT DOUGLAS (ISLE OF MAN) - VERENIGD KONINKRIJK. - BEPERKINGEN VAN HET VRIJE VERKEER VAN WERKNEMERS OP HET EILAND MAN - ARTIKEL 177 VAN HET VERDRAG - ONTVANKELIJKHEID. - ZAAK C-355/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-03479
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De onderhavige zaak is door de Deputy High Bailiff' s Court te Douglas (Isle of Man), op grond van artikel 177 EEG-Verdrag naar het Hof verwezen. De verwijzende rechter vraagt uitleg over de verenigbaarheid van een wet van het eiland Man met het gemeenschapsrecht, en deze zaak brengt het Hof voor de eerste maal tot een onderzoek van de gevolgen van het gemeenschapsrecht voor het eiland, dat samen met de Kanaaleilanden ingevolge het EEG-Verdrag onder een bijzondere regeling valt. Alvorens mij te buigen over de problemen die de aan het Hof gestelde vragen opwerpen, is het wellicht nuttig een korte beschrijving te geven van de tamelijk bijzondere relatie die het eiland zowel met het Verenigd Koninkrijk als met de Europese Gemeenschap onderhoudt.
Het eiland Man (1)
2. Het eiland Man is gelegen in de Ierse Zee, op ongeveer gelijke afstand van Engeland, Wales, Schotland, Noord-Ierland en Ierland. Het is 227 km2 groot en telt ongeveer 68 000 inwoners, waarvan bijna de helft in Douglas, de hoofdstad, woont. De voornaamste economische sectoren zijn de kleinmetaal, de landbouw, de visserij, het toerisme en de financiële dienstverlening.
3. Het eiland Man valt sinds de veertiende eeuw onder de Engelse Kroon, maar zijn huidige constitutionele positie dateert van 1866, in welk jaar de financiën van het eiland werden gescheiden van die van het Verenigd Koninkrijk en het eiland bepaalde controlebevoegdheden over zijn eigen uitgaven kreeg. Vanaf die datum zijn steeds meer bevoegdheden aan de plaatselijke autoriteiten overgedragen.
4. Evenmin als de Kanaaleilanden maakt het eiland Man deel uit van het Verenigd Koninkrijk, en het is ook geen kolonie. Het wordt meestal gekarakteriseerd als afhankelijk van de Britse Kroon, hoewel deze term geen vaste juridische betekenis heeft. Het eiland heeft een eigen parlement, de Tynwald genaamd, dat bestaat uit de House of Keys (Lagerhuis) en de Legislative Council (Hogerhuis). De vertegenwoordiger van de Kroon op het eiland, de Lieutenant-Governor, is lid van de Legislative Council.
5. De Tynwald heeft een aanzienlijke mate van zelfbestuur met betrekking tot zaken die de grenzen van het eiland niet overschrijden. Om kracht van wet te krijgen hebben de wetten van de Tynwald evenwel, net zoals de wetten van het parlement van het Verenigd Koninkrijk, koninklijke goedkeuring nodig. Daarentegen, en hier bestaat een verschil met de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk, bestaat er geen constitutionele conventie die de vorst verplicht aan de wetgeving van het eiland Man de koninklijke goedkeuring te geven. De Home Secretary van het Verenigd Koninkrijk, het lid van de regering van het Verenigd Koninkrijk dat in het bijzonder verantwoordelijk is voor de relatie met het eiland, kan de vorst dientengevolge adviseren koninklijke goedkeuring te weigeren, indien de maatregel in kwestie voor de regering van het Verenigd Koninkrijk niet aanvaardbaar is. Hoewel de koninklijke goedkeuring naar het schijnt slechts bij uitzondering is geweigerd, is de praktijk, dat de minister van Binnenlandse zaken alle voorstellen van wet van het eiland moet goedkeuren.
6. Als gevolg van de wetgevende bevoegdheid van de Tynwald in zuiver interne aangelegenheden heeft het Britse parlement in Westminster de gewoonte, in zaken die slechts het eiland aangaan geen wetten uit te vaardigen zonder de instemming van de autoriteiten van het eiland. De Royal Commission on the Constitution is evenwel van oordeel, dat rechtens het Britse parlement ten aanzien van het eiland een onbegrensde wetgevende bevoegdheid heeft en daarbij de instemming van het eiland niet nodig heeft.
7. Het eiland Man is niet vertegenwoordigd in het Britse parlement. Wetten van het Britse parlement gelden niet automatisch voor het eiland, doch alleen indien zij uitdrukkelijk op het eiland van toepassing worden verklaard of indien die toepassing noodzakelijkerwijs is geïmpliceerd. Wanneer een wet van het Britse parlement is bedoeld om op het eiland van toepassing te zijn, dan gebeurt dit meestal niet rechtstreeks, maar wordt in de wet een bepaling opgenomen, dat de werkingssfeer van de wet bij "Order in Council" (een vorm van lagere wetgeving) tot het eiland wordt uitgebreid, met eventuele in de Order nader aangegeven aanpassingen. Door dit systeem kan men tot op zekere hoogte rekening houden met de bijzondere behoeften van het eiland.
8. Het eiland Man beschikt over een eigen administratief, fiscaal en juridisch stelsel en over eigen rechterlijke instanties. Beroep tegen beslissingen van de rechterlijke instanties van het eiland Man kan worden ingesteld bij de Judicial Committee of the Privy Council, dat in London zetelt en in hoogste instantie recht spreekt. Tot de leden van de Judicial Committee behoren de Lord Chancellor en alle Lords of Appeal in Ordinary, die normaal gesproken in het House of Lords zitting hebben. Wanneer de Judicial Committee beroepen van het eiland Man behandelt, treedt zij echter als rechterlijke instantie van het eiland Man op en niet als rechterlijke instantie van het Verenigd Koninkrijk.
9. De regering van het Verenigd Koninkrijk draagt zorg voor de buitenlandse betrekkingen en de defensie van het eiland. Toen het Verenigd Koninkrijk verzocht te mogen toetreden tot de Gemeenschap, ontstond in verband met het eerste punt enige ongerustheid. Deze ongerustheid kwam voort uit artikel 227, lid 4, EEG-Verdrag, dat bepaalt: "De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op de Europese grondgebieden welker buitenlandse betrekkingen door een Lid-Staat worden behartigd". Zonder bijzondere bepalingen zou het EEG-Verdrag bij de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de Gemeenschap dus integraal op het eiland van toepassing worden.
10. De bewoners van het eiland waren van mening, dat dit voor de economie van het eiland nadelige gevolgen zou hebben. Het Verenigd Koninkrijk heeft dan ook onderhandeld over een speciale regeling om rekening te houden met de bijzondere positie van het eiland Man. Deze regeling is neergelegd in artikel 227, lid 5, sub c, EEG-Verdrag, dat is toegevoegd bij de Toetredingsakte van 1972, en in Protocol nr. 3 bij die Akte. Artikel 227, lid 5, sub c, EEG-Verdrag luidt als volgt:
"In afwijking van de voorgaande leden:
(...)
zijn de bepalingen van dit Verdrag op de Kanaaleilanden en op het eiland Man slechts van toepassing voor zover noodzakelijk ter verzekering van de toepassing van de regeling die voor deze eilanden is vastgesteld in het op 22 januari 1972 ondertekende Verdrag betreffende de toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie."
In andere verdragen zijn soortgelijke bepalingen opgenomen: zie de artikelen 79, sub c, EGKS-Verdrag en 198, sub d, EGA-Verdrag. In hoeverre het EEG-Verdrag en het EGA-Verdrag op het eiland Man van toepassing zijn, is in Protocol nr. 3 bij de Toetredingsakte van 1972 geregeld. Over de uitlegging van dit protocol heeft de verwijzende instantie in het onderhavige geval vragen gesteld.
De feiten en de prejudiciële vragen
11. In het hoofdgeding worden C. S. Barr en de vennootschap Montrose Holdings Limited door het Department of Health and Social Security (Isle of Man) (hierna: "DHSS") vervolgd op grond van Section 2 (1) van de Control of Employment Act 1975 (zoals gewijzigd), een wet van de Tynwald. Dit artikellid luidt als volgt:
"Onverminderd het in Sections 2 en 3 bepaalde, is het een persoon niet toegestaan
a) op het eiland Man in loondienst te treden of werkzaamheden in loondienst te verrichten, wanneer hij geen werknemer van het eiland Man is, of
b) een andere persoon in loondienst te nemen, wanneer deze persoon geen werknemer van het eiland Man is,
behoudens krachtens een vergunning, die door het Department of Health and Social Security is verleend, en overeenkomstig de voorwaarden die in deze vergunning zijn gesteld (...)."
Section 2 (2) (die in het hoofdgeding niet aan de orde lijkt) geeft een verweermiddel aan de werkgever die "ten genoegen van de Court kan aantonen, dat hij de persoon die hij in dienst had, als een werknemer van het eiland Man beschouwde en dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen om na te gaan of deze overtuiging juist was". De uitdrukking "werknemer van het eiland Man" wordt in Section 1 omschreven. Globaal worden hiermee personen bedoeld die op het eiland zijn geboren of er gedurende lange tijd ononderbroken hebben gewoond. Volgens Section 2 (3) geldt het verbod van Section 2 (1) niet voor de betrekkingen die in bijlage 1 bij de wet zijn opgesomd.
12. Barr is Brits staatsburger. Hij is geen werknemer van het eiland Man in de zin van Section 1 van de Employment Act 1975. Van 1 september 1988 tot 1 januari 1989 is hij op het eiland in dienst geweest van de vennootschap Montrose Holdings Limited. DHSS heeft voor zijn werkzaamheden geen vergunning op grond van de Act van 1975 verleend. Barr kan worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of een geldboete van ten hoogste 1 000 UKL dan wel tot beide. De vennootschap Montrose Holdings Limited kan worden veroordeeld tot een geldboete van ten hoogste 1 000 UKL.
13. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat beide gedaagden de feiten erkennen. Hun enige verweer bestaat hierin, dat de Act van 1975 onverenigbaar is met Protocol nr. 3, dat op grond van de European Communities (Isle of Man) Act 1973, een Act of Tynwald, op het eiland Man van kracht is geworden. In verband hiermee zijn aan het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Is de Control of employment Act 1975 (zoals gewijzigd) - een 'Act of Tynwald' - in strijd met Protocol nr. 3 bij het Toetredingsverdrag van 1972, bij een juiste uitlegging van dit protocol, in zover die 'Act of Tynwald'
a) voor de tewerkstelling op het eiland Man van personen die geen werknemer van het eiland Man zijn in de zin van vorengenoemde Act (zoals gewijzigd), controles of beperkingen ten aanzien van vak, beroep of type werk voorschrijft, die discriminerend zijn;
b) met betrekking tot de tewerkstelling in loondienst op het eiland Man voorziet in een behandeling van natuurlijke en rechtspersonen van de Gemeenschap, die verschilt van de rechten die bewoners van het eiland Man in het Verenigd Koninkrijk genieten?
2) Betekent artikel 4 van Protocol nr. 3 bij een juiste uitlegging ervan niet meer dan dat de autoriteiten van het eiland Man tussen natuurlijke of rechtspersonen van de Gemeenschap niet mogen discrimineren op grond van nationaliteit?"
14. Het Hof kan de eerste vraag zoals zij hier is geformuleerd, uiteraard niet beantwoorden, aangezien zij een verzoek inhoudt om beoordeling van de verenigbaarheid van een bepaalde wet van het eiland Man met het gemeenschapsrecht. Het staat immers wel vast, dat artikel 177 het Hof daartoe geen bevoegdheid verleent. Het is evenwel mogelijk om op de twee vragen een antwoord te geven dat de verwijzende rechter in staat stelt uitspraak te doen.
De bevoegdheid van het Hof
15. Alvorens op de inhoud van de gestelde vragen te kunnen ingaan, moet eerst worden onderzocht, of het Hof bevoegd is om van de verwijzingsbeschikking kennis te nemen. Uit artikel 1, leden 2 en 3, van het Toetredingsverdrag en uit artikel 158 van de Toetredingsakte blijkt duidelijk, dat het Hof bevoegd is om een prejudiciële beslissing te geven over de uitlegging van Protocol nr. 3, wanneer een rechter van een Lid-Staat het dit vraagt. Zoals ik eerder heb aangegeven, maakt het eiland Man echter geen deel uit van het Verenigd Koninkrijk. Derhalve doet zich de vraag voor, of de verwijzende instantie is te beschouwen als een "rechterljike instantie van een der Lid-Staten" in de zin van artikel 177.
16. Het lijdt geen twijfel, dat ten tijde van de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de Gemeenschap de Tynwald van mening was dat deze vraag bevestigend moest worden beantwoord. Zo bepaalt Section 2 (1) van de European Communities (Isle of Man) Act 1973 uitdrukkelijk dat:
"alle rechtsmiddelen en procedures waarin bij of krachtens de verdragen is voorzien en die (ingevolge de bepalingen van (...) de Akte bij het Toetredingsverdrag en de bepalingen van het protocol) overeenkomstig de verdragen zonder nader besluit op het eiland Man gelding verkrijgen of worden gebruikt, zullen op het eiland Man worden erkend en rechtsgeldig zijn, en zullen worden uitgevoerd, toegelaten en nageleefd (...)".
Section 3 (1) bepaalt:
"Iedere vraag die in enig rechtsgeding rijst betreffende de betekenis of de gevolgen van een van de bepalingen van de verdragen die op het eiland Man gelding bezitten, of betreffende de geldigheid, de betekenis of de gevolgen van enige regeling van gemeenschapsrecht die op het eiland Man gelding bezit, zal worden beschouwd als een rechtsvraag (en indien zij niet naar het Hof van Justitie van de EEG wordt verwezen, als zodanig worden onderzocht, in overeenstemming met de beginselen die het Hof heeft geformuleerd en met iedere uitspraak van dit Hof (...)".
Deze bepalingen maken duidelijk, dat de Tynwald van mening was dat de rechterlijke instanties van het eiland Man het recht hadden om in voorkomend geval gebruik te maken van de in artikel 177 neergelegde procedure.
17. Ik ben van mening, dat het standpunt van de Tynwald juist was. Het vindt steun in artikel 227, lid 5, sub c, EEG-Verdrag, bepalende dat het Verdrag op het eiland Man van toepassing is "voor zover noodzakelijk ter verzekering van de toepassing van de regeling die (...) is vastgesteld" bij Protocol nr. 3. In zoverre is artikel 177 derhalve op het eiland Man van toepassing: er volgt wellicht uit, dat de rechterlijke instanties van het eiland alleen om deze reden het recht hebben om van de in artikel 177 neergelegde mogelijkheid gebruik te maken.
18. Hoe dit ook zij, wil het protocol op de juiste wijze kunnen worden toegepast, moeten naar mijn mening de rechterlijke instanties van het eiland bevoegd worden geacht om aan het Hof uitleg over de inhoud ervan te vragen. Zoals DHSS en de regering van het Verenigd Koninkrijk, die gezamenlijke opmerkingen hebben ingediend, betogen, zou een uniforme uitlegging en toepassing van de bepalingen van gemeenschapsrecht die krachtens Protocol nr. 3 op het eiland van toepassing zijn, moeilijk te verwezenlijken zijn indien de rechterlijke instanties van het eiland Man het recht zou worden ontzegd zich op artikel 177 te beroepen. Gelet op het essentiële belang van deze doelstelling, ben ik van mening dat de uitdrukking "rechterljke instantie van een der Lid-Staten" in artikel 177 ruim moet worden uitgelegd, in die zin dat zij zich uitstrekt tot de rechterlijke instanties van ieder gebied waarop het Verdrag krachtens artikel 227 van toepassing is, zij het ook maar ten dele. Anders zouden de rechterlijke instanties in deze gebieden, die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van het gemeenschapsrecht, geen enkele mogelijkheid hebben om het Hof te raadplegen. Een dergelijke situatie zou het functioneren van de communautaire rechtsorde ernstig in gevaar brengen.
De vragen
19. De verdragsregels betreffende het vrije verkeer van werknemers, de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting zijn niet van toepassing op het eiland Man. De enige verwijzing in Protocol nr. 3 naar deze regels is te vinden in artikel 2: "Aan de rechten die de onderdanen van deze gebieden in het Verenigd Koninkrijk hebben verkregen, wordt geen afbreuk gedaan door de Akte van toetreding. De communautaire bepalingen betreffende het vrije verkeer van personen en diensten zijn echter niet op hen van toepassing." (Met "onderdaan" wordt in het geval van het eiland Man voornamelijk bedoeld iedere Britse burger die bepaalde, zeer nauwe banden met het eiland onderhoudt: zie artikel 6 van het protocol en de verklaring van de regering van het Verenigd Koninkrijk betreffende de definitie van het woord "onderdanen", PB 1983, C 23, blz. 1.) Onderdanen van het eiland Man behouden dus hun traditionele rechten van vestiging in het Verenigd Koninkrijk en van toegang tot de arbeidsmarkt aldaar, maar zij hebben niet het recht om zich in de rest van de Gemeenschap vrij te verplaatsen. Onderdanen van de Lid-Staten, waaronder ook onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die niet afkomstig zijn van het eiland Man, hebben naar gemeenschapsrecht niet het recht zich naar het eiland Man te begeven om aldaar werk te zoeken of een betrekking te vervullen, zich er als zelfstandige te vestigen of diensten te verrichten.
20. De verdachten zoeken dan ook terecht geen steun bij de vedragsbepalingen betreffende het vrij verkeer van personen. In plaats daarvan doen zij een beroep op artikel 4 van Protocol nr. 3, dat eenvoudig bepaalt: "De autoriteiten van deze gebieden [namelijk de Kanaaleilanden en het eiland Man] behandelen alle natuurlijke of rechtspersonen van de Gemeenschap op dezelfde wijze." Verdachten stellen, dat de wet op grond waarvan zij worden vervolgd, de Control of Employment Act 1975, onverenigbaar is met artikel 4 en derhalve niet kan worden toegepast.
21. Alvorens dit argument te bespreken, moet ik eerst nagaan of de situatie waarmee de verwijzende rechter zich geconfronteerd ziet, binnen het toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht valt. In zaak 175/78, Saunders (Jurispr. 1979, blz. 1129, r.o. 11) besliste het Hof, dat de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers niet kunnen worden toegepast "op zuiver interne aangelegenheden van een Lid-Staat, dat wil zeggen op situaties waarbij iedere band met door het gemeenschapsrecht beoogde situaties ontbreekt" (zie ook gevoegde zaken 35/82 en 36/82, Morson en Jhanjan, Jurispr. 1982, blz. 3723; zaak 180/83, Moser, Jurispr. 1984, blz. 2539, gevoegde zaken 297/88 en 197/89, Dzodzi, Jurispr. 1990, blz. I-3763). Dezelfde beperking geldt voor de verdragsbepalingen betreffende de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting: zie bijvoorbeeld zaak 115/78, Knoors, Jurispr. 1979, blz. 399. In de onderhavige zaak zijn de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van personen niet aan de orde; zoals ik reeds heb uitgelegd, zijn deze regels niet van toepassing op het eiland. Nu het hier echter gaat om het recht van een Brits onderdaan om op het eiland Man arbeid in loondienst te verrichten, zou men kunnen denken dat in het onderhavige geval de bepalingen van Protocol nr. 3 eveneens niet toepasselijk zijn, omdat het geval een zuiver interne zaak van een Lid-Staat is. In de gezamenlijke opmerkingen van DHSS en het Verenigd Koninkrijk wordt dit inderdaad verdedigd, en wel op grond dat in het geschil centraal staat de aanspraak van een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk om arbeid in loondienst te verrichten in een gebied waarvan de buitenlandse betrekkingen door het Verenigd Koninkrijk worden behartigd en waar de gemeenschapsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers niet van toepassing zijn.
22. Deze opvatting kan mijns inziens niet worden aanvaard. Omstandigheden als die welke in het onderhavige geval aan de orde zijn, zijn geen "zuiver interne aangelegenheden van een Lid-Staat", aangezien het eiland Man, zoals ik reeds heb uitgelegd, geen deel uitmaakt van het Verenigd Koninkrijk. Bovendien is artikel 4 van het protocol klaarblijkelijk van toepassing op de onderdanen van alle Lid-Staten, met inbegrip van die van het Verenigd Koninkrijk, aangezien het de autoriteiten van het eiland Man verplicht alle natuurlijke en rechtspersonen van de Gemeenschap op dezelfde wijze te behandelen. Men kan daarom niet zeggen, zoals het Hof in de zaak Saunders deed, dat iedere band met door het gemeenschapsrecht beoogde situaties ontbreekt. Het gevolg van de Saunders-uitspraak is, dat een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk minder rechten ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk kan hebben dan onderdanen van andere Lid-Staten. Protocol nr. 3 houdt echter geenszins in, dat onderdanen van het Verenigd Koninkrijk op grond van het gemeenschapsrecht ten aanzien van het eiland Man minder rechten zouden hebben dan onderdanen van andere Lid-Staten. Mijn conclusie luidt, dat de omstandigheden van dit geval niet zijn te beschouwen als "zuiver interne aangelegenheden van een Lid-Staat" en dat zij daarom binnen het toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht vallen.
23. Ik kom derhalve nu toe aan het argument van verdachten, dat de Control of Employment Act 1975 onverenigbaar is met artikel 4 van Protocol nr. 3. De kern van dit argument is, dat bepaalde in bijlage 1 bij de Act van 1975 genoemde betrekkingen, die door personen die geen eiland Man-werknemer zijn, zonder vergunning kunnen worden uitgeoefend, in de praktijk slechts openstaan voor onderdanen van het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Alle partijen die opmerkingen hebben ingediend, zijn het erover eens dat artikel 4, in de gevallen waarin het van toepassing is, discriminatie op grond van nationaliteit wil voorkomen. Verdachten concluderen, dat het stelsel van vrijgestelde betrekkingen onverenigbaar is met artikel 4, omdat het onderdanen van Lid-Staten, niet zijnde het Verenigd Koninkrijk of Ierland, discrimineert. Zij geven echter toe, dat als de Act van 1975 onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, niet afkomstig van het eiland Man, en Ierse onderdanen op dezelfde wijze zou behandelen als onderdanen van de andere Lid-Staten, hij in overeenstemming met artikel 4 zou zijn. Zij bestrijden met andere woorden niet de wettigheid van de door de Act van 1975 veroorzaakte discriminatie van personen die geen werknemer van het eiland Man zijn.
24. Verdachten hebben de inhoud van bijlage I bij de Act van 1975 uitgebreid besproken, maar naar mijn mening behoeft het Hof dit niet te doen, en wel om twee redenen. De eerste is, dat Barr Brits onderdaan is. Ongeacht of de door verdachten gemaakte analyse van de vrijgestelde betrekkingen juist is of niet, is hij niet daarom het slachtoffer van discriminatie op grond van nationaliteit geworden. De tweede reden is dat, zoals de advocaat van verdachten ter terechtzitting reeds heeft uitgelegd, Barr als bedrijfsjurist in dienst is genomen door Montrose Holding Limited, die zich voornamelijk bezighoudt met projectontwikkeling. Niet is gesteld, dat de betrekking van Barr een vrijgestelde betrekking als bedoeld in bijlage I bij de Act van 1975 was. Om deze twee redenen is er geen enkel verband tussen de bepalingen van de Act, waarvan wordt beweerd dat zij discrimineren ten gunste van onderdanen van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, en de vraag of verdachten de hun telastegelegde overtredingen hebben begaan. De verenigbaarheid van deze bepalingen met Protocol nr. 3 is derhalve niet relevant. Dientengevolge behoeft niet nader te worden ingegaan op de reikwijdte van het discriminatieverbod van artikel 4 van Protocol nr. 3 en in het bijzonder niet op de vraag, of de toepassing ervan in verband moet worden gezien met het Verdrag in zijn geheel of slechts met de bepalingen van gemeenschapsrecht die uitdrukkelijk op het eiland Man van toepassing zijn verklaard.
25. Ik zou derhalve de vragen die de Deputy High Bailiff' s Court aan het Hof heeft gesteld als volgt willen beantwoorden:
"Artikel 4 van Protocol nr. 3 bij de Toetredingsakte moet aldus worden uitgelegd, dat de autoriteiten van het eiland Man niet mogen discrimineren op grond van nationaliteit tussen onderdanen van de Lid-Staten van de Gemeenschap. Deze bepaling verzet zich niet tegen de toepassing van de locale wetgeving op situaties waarin geen sprake is van discriminatie op grond van de nationaliteit."
(*) Oorspronkelijke taal: Engels.
(1) Bij de voorbereiding van dit deel van mijn conclusie zijn vooral de schriftelijke opmerkingen die in deze zaak zijn ingediend, en de volgende werken bijzonder nuttig geweest: Simmonds, "The British Islands and the Community; II - The Isle of Man" (1970) 7 CMLRev 454; Report of the Royal Commission on the Constitution (1973), Cmnd. 5460, vol. I; Horner, The Isle of Man and the Channel Islands - A Study of their Status under Constitutional, International and European Law, EUI Working Paper nr. 98 (1984); Plender, "The Protocol, the Bailiwicks and the Jersey Cow" in Plender (ed.), Legal History and Comparative Law (1990), blz. 193. Zie ook het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 25 april 1978, Tyrer/Verenigd Koninkrijk, serie A, nr. 26.