61988J0221

ARREST VAN HET HOF VAN 22 FEBRUARI 1990. - EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR KOLEN EN STAAL TEGEN FAILLITE ACCIAIERIE E FERRIERE BUSSENI SPA. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: TRIBUNALE CIVILE E PENALE DI BRESCIA - ITALIE. - EGKS - ARTIKEL 41 EGKS-VERDRAG - SCHULDVORDERINGEN UIT HOOFDE VAN HEFFINGEN OP KOLEN EN STAAL. - ZAAK 221/88.

Jurisprudentie 1990 bladzijde I-00495
Zweedse bijz. uitgave bladzijde 00323
Finse bijz. uitgave bladzijde 00341


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1 . Prejudiciële vragen - Bevoegdheid van Hof - Verzoek om uitlegging in kader van EGKS-Verdrag - Daaronder begrepen

( EGKS-Verdrag, artikelen 31 en 41; EEG-Verdrag, artikelen 164 en 177; EGA-Verdrag, artikelen 146 en 150 )

2 . Handelingen van de instellingen - Richtlijnen of EGKS-aanbevelingen - Rechtstreekse werking - Voorwaarden - Grenzen - Mogelijkheid om richtlijn of EGKS-aanbevelingen in te roepen tegen particulier - Uitgesloten

( EGKS-Verdrag, artikel 14, derde alinea; EEG-Verdrag, artikel 189, derde alinea )

3 . EGKS - Heffingen op produktie - Faillissement van onderneming die heffingen verschuldigd is - Voorrecht voor communautaire heffingen - Aanbeveling 86/198 - Niet-inachtneming van dwingende termijn voor omzetting - Rechtstreekse werking - Grenzen

( Aanbeveling 86/198/EGKS, artikel 4, eerste alinea )

4 . Gemeenschapsrecht - Beginselen - Bescherming van gewettigd vertrouwen - Grenzen - Toepassing van nieuwe regeling op toekomstige gevolgen van onder eerdere regeling ontstane situaties

Samenvatting


1 . De artikelen 31 EGKS-Verdrag, 164 EEG-Verdrag en 146 EGA-Verdrag bevatten bepalingen van gelijke inhoud, op grond waarvan het Hof tot taak heeft, de eerbiediging van het recht te verzekeren bij de uitlegging en toepassing van die Verdragen .

In de artikelen 177 EEG-Verdrag en 150 EGA-Verdrag enerzijds en artikel 41 EGKS-Verdrag anderzijds is de bevoegdheid van het Hof tot het geven van prejudiciële beslissingen echter niet op volkomen gelijke wijze geregeld : met name bevat artikel 41 EGKS-Verdrag geen uitdrukkelijke bepaling omtrent een bevoegdheid van het Hof tot uitlegging van dat Verdrag en de op grond daarvan door de instellingen vastgestelde handelingen . Maar in feite brengen deze bepalingen alle dezelfde twee vereisten tot uitdrukking, namelijk dat de eenheid van het gemeenschapsrecht zo goed mogelijk wordt gewaarborgd en dat daartoe een doeltreffende samenwerking tussen het Hof van Justitie en de nationale rechterlijke instanties wordt verwezenlijkt .

In aanmerking nemende dat deze twee vereisten zich in het kader van het EGKS-Verdrag even sterk en vanzelfsprekend doen gelden als in het kader van het EEG-Verdrag en het EGA-Verdrag, en gelet bovendien op de nauwe samenhang tussen uitlegging en geldigheidstoetsing, moet, de strekking en de samenhang van de Verdragen indachtig, worden erkend dat de in artikel 41 EGKS-Verdrag aan het Hof toegekende bevoegdheid niet alleen de geldigheidstoetsing, maar ook de uitlegging omvat .

2 . In gevallen waarin het gemeenschapsgezag hetzij bij richtlijn hetzij bij EGKS-aanbeveling - in beide gevallen gelden dezelfde regels aangezien het om handelingen van dezelfde aard gaat - de Lid-Staten heeft verplicht een bepaalde gedragslijn te volgen, zou het nuttig effect van een dergelijke handeling worden verzwakt wanneer de justitiabelen en de nationale rechterlijke instanties ze niet zouden mogen beschouwen als een element van het gemeenschapsrecht . Mitsdien kan de Lid-Staat die de in een richtlijn voorgeschreven uitvoeringsmaatregelen niet tijdig heeft getroffen, het feit dat hij zijn uit die richtlijn voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen, niet aan de particulieren tegenwerpen .

Wanneer dus de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig blijken te zijn en uitvoeringsmaatregelen niet tijdig zijn getroffen, kan op die bepalingen een beroep worden gedaan tegenover elk nationaal voorschrift dat niet met de richtlijn in overeenstemming is . Hetzelfde geldt, wanneer die bepalingen rechten vastleggen die de particulieren tegenover de staat kunnen doen gelden .

Een dergelijk beroep is evenwel slechts mogelijk tegenover de betrokken Lid-Staat en andere overheidsinstanties . Hieruit volgt, dat een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren kan opleggen en dat een bepaling van een richtlijn als zodanig niet tegenover een particulier kan worden ingeroepen .

3 . Aanbeveling 86/198/EGKS legt de Lid-Staten nauwkeurige en onvoorwaardelijke verplichtingen op en moet daarom aldus worden uitgelegd, dat wanneer een Lid-Staat bij afloop van de daartoe in artikel 4, eerste alinea, gestelde, dwingende termijn niet de nationale maatregelen tot omzetting in nationaal recht heeft genomen - hetgeen een schending van het gemeenschapsrecht oplevert -, de EGKS zich tegenover die Lid-Staat op de aanbeveling kan beroepen ten aanzien van alle schuldvorderingen, ongeacht het tijdstip van hun ontstaan, die zij uit hoofde van de in de artikelen 49 en 50 EGKS-Verdrag bedoelde heffingen op de ondernemingen heeft, wanneer zij ingevolge de nationale regels betreffende samenloop van schuldeisers nog onder het passief van de faillissementsboedel kunnen worden gebracht . Zulks evenwel met dien verstande, dat de erkenning van het bevoorrechte karakter van de schuldvorderingen van genoemde Gemeenschap slechts werking heeft tegenover die staat en haar eventueel in een gelijkgerechtigde positie brengt met deze, maar niet de rechten verkort van de andere schuldeisers dan die staat, zoals die - ware de aanbeveling er niet - zouden voortvloeien uit de toepassing van de nationale regels inzake samenloop van schuldeisers .

4 . Het vertrouwensbeginsel verzet zich niet tegen het toekennen van een voorrecht voor schuldvorderingen die zijn ontstaan vóór de inwerkingtreding van de regeling waarbij dat voorrecht is ingevoerd, aangezien aan dat beginsel immers niet een dusdanig ruime draagwijdte mag worden gegeven, dat een nieuwe regeling in het algemeen nooit van toepassing zou kunnen zijn op de toekomstige gevolgen van situaties die onder de oude regeling zijn ontstaan .

Partijen


In zaak C-221/88,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 41 EGKS-Verdrag van het tribunale ( sez . fallimentare ) di Brescia, in het aldaar aanhangig geding tussen

Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal ( EGKS )

en

Acciaierie e Ferriere Busseni SpA, in faillissement,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van aanbeveling 86/198/EGKS van de Commissie van 13 mei 1986 inzake de invoering van een voorrecht voor schuldvorderingen uit hoofde van de heffingen op de produktie van kolen en staal ( PB 1986, L 144, blz . 40 ),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt : O . Due, president, C . N . Kakouris, F . A . Schockweiler en M . Zuleeg, kamerpresidenten, T . Koopmans, G . F . Mancini, R . Joliet, T . F . O' Higgins, J . C . Moitinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias en F . Grévisse, rechters,

advocaat-generaal : J . Mischo

griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur

gelet op de opmerkingen ingediend door :

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, optredend voor verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door E . Traversa, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,

- verweerster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door S . Conti, advocaat bij de Corte di Cassazione,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door L . Ferrari Bravo, hoofd van de afdeling diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigde, bijgestaan door I . Braguglia, avvocato dello stato, ter terechtzitting van 25 oktober 1989,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 november 1989,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 28 april 1988, ingekomen bij het Hof op 4 augustus daaraanvolgend, heeft het tribunale di Brescia krachtens artikel 41 EGKS-Verdrag enkele prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van aanbeveling 86/198/EGKS van de Commissie van 13 mei 1986 inzake de invoering van een voorrecht voor schuldvorderingen uit hoofde van de heffingen op de produktie van kolen en staal ( PB 1986, L 144, blz . 40, hierna : "de aanbeveling ").

2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen de EGKS en de gefailleerde Acciaierie e Ferriere Busseni SpA ( hierna : "Busseni ") over de erkenning van bepaalde schuldvorderingen van de EGKS op de gefailleerde als preferente schuldvorderingen .

3 Nadat Busseni op 3 februari 1987 failliet was verklaard, diende de EGKS twee schuldvorderingen ter verificatie in . Eén daarvan, ten bedrage van 246 652 086 LIT ter zake van niet-betaalde heffingen inclusief verhogingen wegens te late betaling, werd als preferente schuldvordering aangemeld, de andere, ten bedrage van 4 480 192 938 LIT ter zake van boetes inclusief verhogingen wegens te late betaling, als concurrente schuldvordering .

4 Het verzoek van de EGKS om op grond van de aanbeveling voor een gedeelte van deze schuldvorderingen als preferent schuldeiser te worden erkend, werd door de rechter-commissaris afgewezen . De EGKS deed van deze beslissing verzet bij het tribunale di Brescia .

5 Het tribunale stelde vast, dat de Lid-Staten ingevolge de aanbeveling aan schuldvorderingen die uit oplegging van de in de artikelen 49 en 50 EGKS-Verdrag bedoelde heffingen ontstaan, uiterlijk op 1 januari 1988 een voorrecht moeten toekennen van dezelfde aard als aan hun eigen schuldvorderingen ter zake van belastingen toekomt, en in het geval de voorrang verschilt naar gelang van de aard van de belasting, een voorrecht van dezelfde rang als aan schuldvorderingen van de staat ter zake van de BTW toekomt . Daar de Italiaanse Republiek nog geen enkele maatregel had genomen om de aanbeveling in nationaal recht om te zetten, vroeg het tribunale zich af, of de aanbeveling ook bij ontbreken van omzettingsmaatregelen tot gevolg kan hebben, dat schuldvorderingen van de EGKS in de Italiaanse rechtsorde rechtstreeks een preferent karakter krijgen .

6 In deze omstandigheden heeft het tribunale het Hof de volgende vragen gesteld :

"1 ) Heeft aanbeveling 86/198/EGKS van 13 mei 1986 - waar zij ( in haar artikelen 1 en 2 ) bepaalt dat ( in gevallen van samenloop van schuldeisers ) de Lid-Staten die aan fiscale schuldvorderingen van de staat zelf een zich over alle goederen van de belastingschuldige of over een deel daarvan uitstrekkend voorrecht toekennen, datzelfde voorrecht ook moeten toekennen aan schuldvorderingen die zijn ontstaan uit de oplegging van de in de artikelen 49 en 50 van het Verdrag bedoelde heffingen, en dat de Lid-Staten waar fiscale schuldvorderingen algemene of bijzondere voorrechten genieten waarvan de rang verschilt naar gelang van de aard van de onderscheiden belastingschulden, aan EGKS-heffingen een voorrecht van dezelfde rang moeten toekennen als aan de belasting over de toegevoegde waarde is verbonden - rechtstreekse en onmiddellijke werking in de Lid-Staat, zodat zij door de nationale rechter kan worden toegepast ongeacht of de Lid-Staat tot wie zij is gericht, uitvoeringsbepalingen heeft vastgesteld, of behoudt deze aanbeveling ( artikel 15 EGKS-Verdrag ) haar specifiek karakter van handeling die de Lid-Staten tot wie zij is gericht, verplichtingen oplegt ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch vrijlaat in de keuze van de middelen?

2 ) Ingeval genoemde aanbeveling rechtstreekse en onmiddellijke werking heeft, kan zij dan enkel worden toegepast op schuldvorderingen die na haar vaststelling ( op 13.5.1986 ) ter zake van heffingen zijn ontstaan, of is zij ook van toepassing op schuldvorderingen die een oudere oorzaak hebben?

3 ) Ingeval de betrokken aanbeveling haar specifieke waarde behoudt, te weten die van een normatieve handeling die de Lid-Staten tot wie zij is gericht, verplichtingen oplegt ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch vrijlaat in de keuze van de middelen, is dan de in artikel 4 van de aanbeveling aan de Lid-Staten gestelde omzettingstermijn ( 1.1.1988 ) peremptoir, zodat overeenkomstig het in de rechtspraak van de constitutionele rechter ontwikkelde beginsel de niet-inachtneming van die termijn tot gevolg heeft, dat de regeling inzake de voorrechten wordt geacht ongrondwettig te zijn ( wegens schending van artikel 11 van de grondwet ) voor zover zij het fiscale voorrecht niet uitbreidt tot schuldvorderingen die zijn ontstaan uit de oplegging van de in de artikelen 49 en 50 EGKS-Verdrag bedoelde heffingen?"

7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .

De bevoegdheid van het Hof

8 Al aanstonds zij opgemerkt, dat de handeling waarvan uitlegging wordt gevraagd, geen advies is, zoals Busseni stelt, maar een krachtens artikel 14 EGKS-Verdrag vastgestelde aanbeveling van de Commissie, dat wil zeggen een handeling die volgens genoemde bepaling verbindend is ten aanzien van de daarin gestelde doeleinden, maar degenen tot wie zij is gericht, de keuze laat van de middelen ter bereiking van die doeleinden . Hetgeen Busseni op dit punt beweert, is dus hoe dan ook niet ter zake .

9 Niettemin rijst de vraag, of het Hof bevoegd is kennis te nemen van een prejudiciële vraag over de uitlegging van het EGKS-Verdrag of van krachtens dit Verdrag verrichte handelingen .

10 De artikelen 31 EGKS-Verdrag, 164 EEG-Verdrag en 146 EGA-Verdrag bevatten, ondanks zuiver formele redactionele verschillen tussen het eerstgenoemde en de beide andere Verdragen, bepalingen van gelijke inhoud, volgens welke het Hof de eerbiediging van het recht verzekert bij de uitlegging en toepassing van die Verdragen .

11 Terwijl echter het EEG-Verdrag en het EGA-Verdrag, in artikel 177 respectievelijk artikel 150, in gelijke bewoordingen de voorwaarden omschrijven waaronder het Hof zijn bevoegdheid tot uitlegging van het gemeenschapsrecht uitoefent, namelijk door beantwoording van door de nationale rechterlijke instanties gestelde prejudiciële vragen, bevat het EGKS-Verdrag geen uitdrukkelijke bepaling omtrent een uitleggingsbevoegdheid van het Hof .

12 Daarentegen bepaalt artikel 41 EGKS-Verdrag uitdrukkelijk, dat "alleen het Hof bevoegd is, bij wege van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over de geldigheid van besluiten van de Hoge Autoriteit en van de Raad, indien een geschil dat aan de nationale rechter is voorgelegd, deze geldigheid in het geding brengt ".

13 Ondanks alle verschillen die er, naar de letter genomen, tussen deze bepalingen bestaan, brengen de artikelen 41 EGKS-Verdrag, 177 EEG-Verdrag en 150 EGA-Verdrag - welke Verdragen na elkaar tot stand zijn gekomen, het EGKS-Verdrag in 1951, en het EEG-Verdrag en het EGA-Verdrag in 1957 - toch dezelfde twee vereisten tot uitdrukking, namelijk dat de eenheid van het gemeenschapsrecht zo goed mogelijk wordt gewaarborgd en dat daartoe een doeltreffende samenwerking tussen het Hof van Justitie en de nationale rechterlijke instanties wordt verwezenlijkt .

14 In dit verband zij bovendien gewezen op de nauwe samenhang tussen uitlegging en geldigheidstoetsing . In de eerste plaats, ofschoon artikel 41 EGKS-Verdrag slechts spreekt over de bevoegdheid van het Hof om bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid van besluiten van de Commissie en de Raad, is het voor een oordeel over de geldigheid van een handeling noodzakelijk dat zij eerst wordt uitgelegd . In de tweede plaats, met betrekking tot de toepassing van artikel 177 EEG-Verdrag, dat geen enkele formele precisering op dit punt bevat, heeft het Hof verklaard, dat het zelf bij uitsluiting bevoegd is om een handeling van een gemeenschapsinstelling ongeldig te verklaren ( arrest van 22.10.1987, zaak 314/85, Foto-Frost, Jurispr . 1987, blz . 4199 ), waarmee het in wezen weer heeft aangeknoopt bij de uitdrukkelijke bepaling van artikel 41 EGKS-Verdrag .

15 Wegens de aard van de bevoegdheden die bij het EGKS-Verdrag aan de gemeenschapsautoriteiten en in het bijzonder aan de Commissie zijn verleend, zullen de nationale rechterlijke instanties dat Verdrag en de erop gebaseerde handelingen weliswaar minder vaak hebben toe te passen of vragen over de geldigheid ervan hebben te beantwoorden, maar toch is samenwerking op dat gebied tussen die instanties en het Hof in het kader van het EGKS-Verdrag niet minder noodzakelijk dan in dat van het EEG-Verdrag en het EGA-Verdrag . De noodzaak van eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht is daar immers even sterk en vanzelfsprekend .

16 Het ware dan ook in strijd met de strekking en de samenhang van de Verdragen, wanneer in zaken waarin regels in het kader van het EEG-Verdrag en het EGA-Verdrag in het geding zijn, het Hof van Justitie in hoogste instantie over hun betekenis en draagwijdte zou beslissen, gelijk dat ter verzekering van een eenvormige toepassing in gelijke bewoordingen is voorzien in artikel 177 EEG-Verdrag en artikel 150 EGA-Verdrag, terwijl wanneer het gaat om regels in het kader van het EGKS-Verdrag, die bevoegdheid bij uitsluiting zou toekomen aan de vele nationale rechterlijke instanties, die elk tot een andere uitlegging zouden kunnen komen, zonder dat het Hof bevoegd was een eenvormige uitlegging van die regels te verzekeren .

17 Uit het voorgaande volgt, dat het Hof bevoegd is zich over de vragen van het tribunale di Brescia uit te spreken .

De eerste vraag

18 Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of de EGKS zich ook bij ontbreken van nationale omzettingsmaatregelen kan beroepen op de artikelen 1 en 2 van de aanbeveling, ten einde in de door de nationale wetgeving voorziene gevallen van samenloop van schuldeisers voor sommige van haar schuldvorderingen die uit de oplegging van de in de artikelen 49 en 50 EGKS-Verdrag bedoelde heffingen zijn ontstaan, aanspraak te maken op een algemeen of bijzonder voorrecht van dezelfde rang als door de wetgeving van de betrokken staat wordt toegekend aan schuldvorderingen van die staat ter zake van de BTW .

19 Volgens de Commissie is voldaan aan de in de rechtspraak van het Hof gestelde voorwaarden waaronder voor de nationale rechter een beroep kan worden gedaan op de bepalingen van een richtlijn die door een Lid-Staat nog niet in nationaal recht is omgezet .

20 Busseni daarentegen meent, dat de EGKS zich wegens het ontbreken van nationale omzettingsbepalingen niet op de aanbeveling kan beroepen .

21 Om te beginnen zij opgemerkt, dat de door het Hof geformuleerde regels voor het bepalen van de werking van een niet in nationaal recht omgezette richtlijn ook gelden voor aanbevelingen in de zin van het EGKS-Verdrag . Dit zijn immers handelingen van dezelfde aard, in zoverre zij degene tot wie zij zijn gericht, het bereiken van een bepaald doel voorschrijven, doch hem vrij laten in de keuze van de middelen om dat doel te bereiken .

22 Volgens de rechtspraak van het Hof zou in gevallen waarin het gemeenschapsgezag de Lid-Staten bij richtlijn heeft verplicht een bepaalde gedragslijn te volgen, het nuttig effect van een dergelijke handeling worden verzwakt wanneer de justitiabelen en de nationale rechterlijke instanties ze niet zouden mogen beschouwen als een element van het gemeenschapsrecht . Mitsdien kan de Lid-Staat die de in een richtlijn voorgeschreven uitvoeringsmaatregelen niet tijdig heeft getroffen, het feit dat hij zijn uit die richtlijn voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen, niet aan de particulieren tegenwerpen . Wanneer dus de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig blijken te zijn en uitvoeringsmaatregelen niet tijdig zijn getroffen, kan op die bepalingen een beroep worden gedaan tegenover elk nationaal voorschrift dat niet met de richtlijn in overeenstemming is . Hetzelfde geldt, wanneer die bepalingen rechten vastleggen die de particulieren tegenover de staat kunnen doen gelden ( zie met name het arrest van 19.1.1982, zaak 8/81, Becker, Jurispr . 1982, blz . 53 ).

23 Een dergelijk beroep is evenwel slechts mogelijk tegenover de betrokken Lid-Staat en andere overheidsinstanties . Hieruit volgt, dat een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren kan opleggen en dat een bepaling van een richtlijn als zodanig niet tegenover een particulier kan worden ingeroepen ( arrest van 26.2.1986, zaak 152/84, Marshall, Jurispr . 1986, blz . 723 ).

24 In een geval als het onderhavige, waarin de EGKS niet alleen de betrokken Lid-Staat, maar ook de andere schuldeisers van de onderneming tegenover zich kan vinden, zou toepassing van de aanbeveling niet slechts werking hebben tegenover de staat tot wie zij is gericht, maar ook de kansen op betaling van die andere schuldeisers verkleinen .

25 Inwilliging van het verzoek van de EGKS aan de bevoegde nationale instanties, om op grond van de aanbeveling voor sommige van haar schuldvorderingen als preferent schuldeiser te worden behandeld, zou immers niet enkel de positie van de betrokken staat ongunstig beïnvloeden, maar noodzakelijkerwijs ook wijziging brengen in de relatieve positie van de diverse schuldeisers in de faillissementsprocedure . Erkenning van het voorrecht van de EGKS zou derhalve rechtstreeks de rechten aantasten van al die andere schuldeisers van de onderneming, wier schuldvorderingen geen preferentie genieten dan wel enkel een gelijke of lagere preferentie dan de schuldvorderingen van de betrokken staat ter zake van de BTW .

26 Uit het voorgaande volgt, dat indien de in geding zijnde aanbeveling de kenmerken vertoont op grond waarvan een niet in nationaal recht omgezette richtlijn voor de nationale rechter kan worden ingeroepen, de EGKS er zich tegenover een staat op kan beroepen, mits de erkenning van de voorrang van haar schuldvorderingen slechts tegenover die staat werking heeft, waardoor zij, wat haar schuldvorderingen betreft, eventueel op gelijke rang komt met die staat . Daarentegen mag het aan de EGKS toegekende voorrecht geen afbreuk doen aan de rechten van andere schuldeisers dan de staat, zoals die zonder de aanbeveling zouden voortvloeien uit de toepassing van de nationale faillissementswetgeving .

27 Rest nog te onderzoeken, of de aanbeveling inderdaad de kenmerken vertoont die een beroep daarop voor de nationale rechter mogelijk maken, dat wil zeggen of de bepalingen van de aanbeveling onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn .

28 Enerzijds is de in de artikelen 1 en 2 van de aanbeveling aan de Lid-Staten opgelegde verplichting om aan de uit de oplegging van de in de artikelen 49 en 50 van het EGKS-Verdrag bedoelde heffingen ontstane schuldvorderingen van de EGKS een voorrecht toe te kennen, voldoende duidelijk .

29 Anderzijds wordt in artikel 4, tweede alinea, van de aanbeveling - inhoudende dat haar bepalingen van toepassing zijn op de invorderingsprocedures die op de datum van omzetting van de aanbeveling aanhangig zijn - van de Lid-Staten verlangd, dat zij "door middel van daartoe geëigende overgangsmaatregelen zorg dragen voor een passende bescherming van de rechten van de overige schuldeisers van de onderneming die heffingen verschuldigd is ". In zoverre wordt dus een voorwaarde verbonden aan de toepassing van de aanbeveling, maar uit de bewoordingen zelf blijkt, dat deze bepaling slechts de bescherming beoogt van de rechten van andere schuldeisers dan de EGKS en de betrokken staat .

30 Op de eerste vraag moet dus worden geantwoord, dat de aanbeveling aldus moet worden uitgelegd, dat, wanneer iedere nationale maatregel tot omzetting in nationaal recht ontbreekt, de EGKS zich na het verstrijken van de voor omzetting van de aanbeveling gestelde termijn op deze aanbeveling kan beroepen tegenover de Lid-Staat die ze niet in nationaal recht heeft omgezet; de erkenning van het bevoorrecht karakter van de schuldvorderingen van genoemde Gemeenschap heeft evenwel slechts werking tegenover die staat en brengt haar eventueel in een gelijkgerechtigde positie met deze, maar verkort niet de rechten van de andere schuldeisers dan die staat, zoals die - ware de aanbeveling er niet - zouden voortvloeien uit de toepassing van de nationale regels inzake samenloop van schuldeisers .

De tweede vraag

31 Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of de aanbeveling, voor zover de EGKS de toepassing ervan in het recht van een Lid-Staat kan verlangen, aan de Gemeenschap een voorrecht verleent voor alle schuldvorderingen die zij op een onderneming heeft uit hoofde van de in de artikelen 49 en 50 EGKS-Verdrag bedoelde heffingen, ongeacht het tijdstip waarop deze schuldvorderingen zijn ontstaan, of enkel voor de vorderingen die ontstaan zijn na de vaststelling van de aanbeveling .

32 Ingevolge artikel 4, eerste alinea, van de aanbeveling moesten de Lid-Staten de nodige maatregelen nemen om de aanbeveling uiterlijk op 1 januari 1988 in nationaal recht om te zetten . Zoals hiervóór reeds gezegd, volgt daaruit, dat de bepalingen ervan bij ontbreken van omzettingsmaatregelen vanaf 2 januari 1988 voor de nationale rechter konden worden ingeroepen .

33 Luidens de tweede alinea van dit artikel "schrijven de Lid-Staten voor, dat deze bepalingen van toepassing zijn op de invorderingsprocedures die op de datum van de omzetting van deze aanbeveling aanhangig zijn ". Uit de bewoordingen zelf van deze bepaling volgt, dat een beroep op de aanbeveling voor de nationale rechter mogelijk was in alle faillissementsprocedures die op 2 januari 1988 nog niet waren afgesloten .

34 Wat het punt betreft waarom het in deze vraag gaat, namelijk of de aanbeveling tot gevolg kan hebben, dat vóór de vaststelling van de aanbeveling ontstane schuldvorderingen van de EGKS worden bevoorrecht, zij erop gewezen, dat de Commissie, naar uit de zevende overweging van de considerans blijkt, met die bepaling heeft willen bereiken dat het ingevolge de aanbeveling toegekende voorrecht kan worden uitgeoefend "in procedures betreffende samenloop van schuldvorderingen die op de dag van de omzetting van deze aanbeveling nog aanhangig zijn, ... om de ruimst mogelijke invordering te verzekeren van schuldvorderingen die zijn ontstaan uit de oplegging van heffingen in de aan de vaststelling van deze aanbeveling voorafgaande jaren ".

35 Anders dan Busseni betoogt, verzet het vertrouwensbeginsel zich niet tegen het toekennen van een voorrecht voor schuldvorderingen die zijn ontstaan vóór de inwerkingtreding van de regeling waarbij dat voorrecht is ingevoerd . Gelijk het Hof eerder besliste, mag aan dat beginsel immers niet een dusdanig ruime draagwijdte worden gegeven, dat een nieuwe regeling in het algemeen nooit van toepassing zou kunnen zijn op de toekomstige gevolgen van situaties die onder de oude regeling zijn ontstaan ( arrest van 14.1.1987, zaak 278/84, Duitsland/Commissie, Jurispr . 1987, blz . 1 ).

36 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat de tweede alinea van artikel 4 van de aanbeveling aldus moet worden uitgelegd, dat de EGKS, in de omstandigheden en onder het voorbehoud als hiervóór omschreven, haar voorrecht kan doen gelden voor alle schuldvorderingen, ongeacht het tijdstip van hun ontstaan, die zij uit hoofde van de in de artikelen 49 en 50 EGKS-Verdrag bedoelde heffingen op de ondernemingen heeft, wanneer zij ingevolge de nationale regels betreffende samenloop van schuldeisers nog onder het passief van de faillissementsboedel kunnen worden gebracht .

De derde vraag

37 Met zijn derde vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of de aan de Lid-Staten gestelde termijn voor omzetting van de aanbeveling in nationaal recht - 1 januari 1988 - een dwingend karakter heeft .

38 Gelijk het Hof reeds heeft verklaard ( arrest van 19.1.1982, Becker, reeds aangehaald ), volgt uit artikel 189, derde alinea, EEG-Verdrag dat een richtlijn de Lid-Staten waarvoor zij is bestemd, een resultaatsverplichting oplegt die bij afloop van de in de richtlijn gestelde termijn moet zijn nagekomen .

39 Op grond van dit beginsel, dat ook voor krachtens artikel 14 EGKS-Verdrag vastgestelde aanbevelingen geldt, heeft de in artikel 4, eerste alinea, aan de Lid-Staten gestelde termijn voor omzetting van de aanbeveling - 1 januari 1988 - een dwingend karakter .

40 Wanneer een Lid-Staat de aanbeveling op die datum nog niet in nationaal recht heeft omgezet, levert dat dus schending van het gemeenschapsrecht op .

41 Op de derde vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat artikel 4, eerste alinea, van de aanbeveling aldus moet worden uitgelegd, dat de 1e januari 1988 een dwingende termijn is en dat overschrijding ervan schending van het gemeenschapsrecht oplevert .

Beslissing inzake de kosten


Kosten

42 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechter over de kosten heeft te beslissen .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het tribunale di Brescia bij beschikking van 28 april 1988 gestelde vragen, verklaart voor recht :

1 ) Aanbeveling 86/198/EGKS van de Commissie van 13 mei 1986 moet aldus worden uitgelegd, dat, wanneer iedere nationale maatregel tot omzetting in nationaal recht ontbreekt, de EGKS zich na het verstrijken van de voor omzetting van de aanbeveling gestelde termijn op deze aanbeveling kan beroepen tegenover de Lid-Staat die ze niet in nationaal recht heeft omgezet; de erkenning van het bevoorrechte karakter van de schuldvorderingen van genoemde Gemeenschap heeft evenwel slechts werking tegenover die staat en brengt haar eventueel in een gelijkgerechtigde positie met deze, maar verkort niet de rechten van de andere schuldeisers dan die staat, zoals die - ware de aanbeveling er niet - zouden voortvloeien uit de toepassing van de nationale regels inzake samenloop van schuldeisers .

2 ) De tweede alinea van artikel 4 van de aanbeveling moet aldus worden uitgelegd, dat de EGKS, in de omstandigheden en onder het voorbehoud als hiervóór omschreven, haar voorrecht kan doen gelden voor alle schuldvorderingen, ongeacht het tijdstip van hun ontstaan, die zij uit hoofde van de in de artikelen 49 en 50 EGKS-Verdrag bedoelde heffingen op de ondernemingen heeft, wanneer zij ingevolge de nationale regels betreffende samenloop van schuldeisers nog onder het passief van de faillissementsboedel kunnen worden gebracht .

3 ) Artikel 4, eerste alinea, van de aanbeveling moet aldus worden uitgelegd, dat de 1e januari 1988 een dwingende termijn is en dat overschrijding ervan schending van het gemeenschapsrecht oplevert .