61988C0040

Conclusie van advocaat-generaal Tesauro van 19 april 1989. - PAUL F. WEBER GMBH TEGEN MILCHWERKE PADERBORN-RIMBECK E. G. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET LANDGERICHT PADERBORN. - GEMEENSCHAPPELIJK DOUANETARIEF - POST 04.02 A II B 1 EN 21.07 D II A 1 - MAGERE-MELKPOEDER. - ZAAK 40/88.

Jurisprudentie 1989 bladzijde 01395


Conclusie van de advocaat generaal


++++

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

1 . De firma Weber, verzoekster in het hoofdgeding, kocht van de firma Milchwerke, verweerster in het hoofdgeding, een produkt dat in de koopovereenkomst als "deutsches Magermilchpulver" ( Duits magere-melkpoeder ) was omschreven . Dit produkt werd eerst naar Nederland en vervolgens - via een Britse tussenhandelaar - naar Japan uitgevoerd . Weber ontving daarvoor restituties bij uitvoer en monetair compenserende bedragen ten belope van in totaal 716 476,47 DM .

Bij beschikking van 15 juli 1982 vorderde het Hauptzollamt Hamburg dit bedrag echter terug, op grond dat het betrokken produkt geen "magere-melkpoeder" in de zin van postonderverdeling 04.02 A II b ) 1 van het GDT was, maar als "produkt voor menselijke consumptie" onder postonderverdeling 21.07 D II a ) 1 van het GDT thuishoort, zodat het niet voor de hierboven bedoelde voordelen in aanmerking kwam .

Op grond van deze beschikking - waartegen een afzonderlijke beroepsprocedure is ingesteld - verrekende het Hauptzollamt de vordering tot terugbetaling gedeeltelijk - te weten ten belope van 613 020,79 DM met andere nog uitstaande financiële aanspraken van verzoekster, waarbij deze uiteraard verplicht bleef het resterende bedrag te voldoen .

Daarop maande Weber Milchwerke aan een produkt te leveren dat wél voor monetair compenserende bedragen en restitutie bij uitvoer in aanmerking zou komen . Toen hieraan geen gevolg werd gegeven, stelde Weber een schadevordering in ten belope van een bedrag overeenkomend met de teruggevorderde monetair compenserende bedragen en uitvoerrestituties .

Van oordeel, dat voor de oplossing van het geschil uitsluitsel nodig is over de vraag of het hier gaat om magere melk dan wel om een "produkt voor menselijke consumptie" in de zin van de twee genoemde posten van het GDT, heeft de nationale rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vragen voorgelegd :

"1 . Moet post 04.02 A II b ) 1 van het gemeenschappelijk douanetarief, in de versie die gold in de jaren 1978, 1979 en 1980, aldus worden uitgelegd, dat daaronder ook valt een produkt dat bestaat uit een droog mengsel van 23,4 % magere-melkpoeder en voor de rest weipoeder ( gedeeltelijk verrijkt met proteïne ), lactose, calciumcaseïnaat, natriumcaseïnaat, caseïnaat ( SVM ), kaliumhydrogeencarbonaat, calciumchloride, calciumcarbonaat en kaliumcarbonaat?

2 . Is daarbij van belang, dat de caseïnaten en het weipoeder soms afkomstig waren uit Nieuw-Zeeland, Canada en Australië en dat het mengsel volgens verweerster dezelfde analytische waarden had als magere-melkpoeder afkomstig van koemelk?

3 . Indien vraag 1 ontkennend moet worden beantwoord : valt een dergelijk produkt dan onder post 21.07 D II a ) 1 van het gemeenschappelijk douanetarief, in de versie die gold in de jaren 1978, 1979 en 1980?"

De eerste en tweede vraag

2 . In de eerste en de tweede vraag verzoekt de nationale rechter het Hof om uitlegging van postonderverdeling 04.02 A II b ) 1 van het GDT met betrekking tot een produkt dat bepaalde kenmerken vertoont qua samenstelling, bereidingswijze en geografische herkomst van sommige bestanddelen .

De samenstelling van bedoeld produkt is blijkens de toelichting van de nationale rechter als volgt : 23,4 % magere-melkpoeder, 42,3 % met proteïnen verrijkt weipoeder, 16,2 % lactose, 10,6 % natriumcaseïnaat, 7,1 % calciumcaseïnaat, en 0,4 % overige bestanddelen .

Het betrokken produkt is een mengsel dat niet op traditionele wijze ( dus door indroging van magere melk ) is vervaardigd, maar is verkregen door hereniging van de afzonderlijke droge bestanddelen .

Ten slotte blijkt het in het produkt aanwezige weipoeder uit derde landen ( Australië en Canada ) te zijn ingevoerd .

3 . Het eerste punt waaraan ik aandacht wil geven, is het in casu toegepaste bereidingsprocédé en het ( eventuele ) belang daarvan voor de uitlegging van de desbetreffende tariefpost .

Wat de grond van de zaak betreft, dient te worden herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke het beslissend criterium voor de indeling van de goederen in het GDT in beginsel moet worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen van de produkten op het ogenblik van de invoer . Dit heeft, zoals bekend, een tweeledig doel, te weten het waarborgen van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke ( en dus ook snelle en goedkope ) douanecontrole . Dienaangaande kan naar de volgende arresten worden verwezen : het arrest van 23 maart 1972, zaak 36/71, Henck, Jurispr . 1972, blz . 187; 22 november 1973, zaak 128/73, Past, Jurispr . 1973, blz . 1277; 29 mei 1974, zaak 185/73, Koenig, Jurispr . 1974, blz . 607; 10 december 1975, zaak 53/75, Vandertaelen, Jurispr . 1975, blz . 1647; 18 februari 1976, gevoegde zaken 98 en 99/75, Carstens Keramik, Jurispr . 1976, blz . 241; 16 oktober 1976, zaak 38/76, Luma, Jurispr . 1976, blz . 2027; 8 december 1977, zaak 62/77, Carlsen-Verlag, Jurispr . 1977, blz . 2343; 23 september 1982, zaak 237/81, Almadent, Jurispr . 1982, blz . 2981; 17 maart 1983, zaak 175/82, Dinter, Jurispr . 1983, blz . 969; 26 september 1985, zaak 166/84, Thomasduenger, Jurispr . 1985, blz . 3001 .

Omgekeerd heeft de wijze waarop de goederen zijn vervaardigd, in de regel geen gevolgen voor de tariefindeling, evenmin overigens als andere factoren, zoals bestemming, de wijze van aanbieding of de handelswaarde .

Over deze materie bestaat een uitgebreide en vaste rechtspraak . Ik verwijs met name maar rechtsoverweging 10 van het arrest Henck, waarin het Hof verklaarde : "... aan de indeling van een waar ( doet ) niet af ... dat de waar bewerkingen heeft ondergaan, wanneer nadien de verhouding van de wezenlijke componenten van het basisprodukt niet belangrijk verschilt van het gehalte dezer componenten in het betrokken produkt in natuurlijke staat ." Ook wil ik hier de volgende passage uit de conclusie van advocaat-generaal Roemer citeren : "... voor de toepassing van het douanetarief ( staat ) gewoonlijk de objectieve gesteldheid van een waar op de voorgrond ..., hetgeen vooral zijn verklaring vindt in bestuurstechnische redenen : het achterhalen van een bepaald produktieprocédé - en controle op de toepassing ervan - kost vaak bijzonder veel hoofdbrekens . Een afwijking is eigenlijk alleen maar op haar plaats wanneer de in een tariefnummer gebezigde omschrijvingen kennelijk op een bepaalde wijze van vervaardiging slaan ." Deze opvatting is ook terug te vinden in het arrest Luma, rechtsoverweging 7 : "... weliswaar ( houdt ) het douanetarief in bepaalde gevallen rekening ... met fabricagemethoden of de bestemming van de goederen, doch ( het maakt ) omwille van de rechtszekerheid en een gemakkelijke controle in het algemeen en bij voorkeur gebruik ... van indelingscriteria gebaseerd op de objectieve kenmerken en eigenschappen van de produkten, die bij inklaring geverifieerd kunnen worden", en voorts in de arresten Biegi, rechtsoverwegingen 14 en volgende, en Wuensche, rechtsoverwegingen 7 tot en met 13 .

Hieruit volgt, dat de wijze van vervaardiging slechts van beslissend belang is, wanneer de tariefpost dat uitdrukkelijk voorschrijft ( zoals bij voorbeeld post 39.07, gelijk het Hof oordeelde in zijn arrest van 8 december 1987, zaak 42/86, Artimport, Jurispr . 1987, blz . 4817 ).

4 . In tariefpost 04.02 A II, waar het in deze zaak om gaat, wordt de bereidingswijze niet als indelingscriterium gehanteerd . Bovendien wordt niet betwist, dat de bijzondere bereidingswijze van het betrokken produkt als zodanig geen invloed kan hebben op de analytische waarden ervan, doordat het de samenstelling ervan wijzigt . Gelijk de Commissie ter terechtzitting opmerkte, speelt het in de onderhavige zaak geen enkele rol of de magere-melkpoeder verkregen is door indroging van koemelk, dan wel door wedersamenstelling van de verschillende stoffen in droge vorm .

Derhalve mag mijns inziens worden aangenomen, dat het in casu toegepaste bereidingsprocédé niet relevant is voor de afbakening van de werkingssfeer van genoemde tariefpost .

5 . Het onderzoek van het andere, in de tweede vraag van de nationale rechter opgeworpen punt, namelijk de geografische herkomst van bepaalde bestanddelen van het litigieuze produkt, leidt tot dezelfde conclusie .

Het is duidelijk, dat de indeling van een bepaald produkt onder deze of gene tariefpost van het GDT volkomen losstaat van de herkomst van dat produkt of van enig bestanddeel ervan . De tariefindeling moet immers geschieden aan de hand van de tekst van de tariefposten en de daarbij behorende aantekeningen bij de afdelingen en hoofdstukken van het GDT, waarbij - zoals hierboven gezegd - vooral rekening moet worden gehouden met de objectieve kenmerken van het in te delen produkt . De herkomst van het produkt kan daarentegen wel van belang zijn in een latere fase, namelijk wanneer het toepasselijke douanerecht moet worden bepaald ( ik denk hierbij aan de preferentiële stelsels voor invoer uit sommige landen ) of ook, zoals de Commissie in haar opmerkingen heeft verklaard, wanneer het erom gaat in het kader van de uitvoering van de landbouwregeling te bepalen of, en onder welke voorwaarden, het betrokken produkt in aanmerking komt voor de aldaar genoemde voordelen ( bij voorbeeld restitutie bij uitvoer ).

6 . Dan kom ik tot het laatste punt, de samenstelling van het litigieuze produkt .

Gezien de onzekerheid die daaromtrent blijkt te bestaan, lijkt het mij nuttig hier enkele vaststaande punten te noemen .

In de eerste plaats wordt niet betwist, dat het in casu gaat om een mengsel van de verschillende, hierboven opgesomde bestanddelen . Daarvan zijn, zoals de deskundige van de Commissie ter terechtzitting heeft verklaard, magere-melkpoeder, weipoeder en lactose, die in totaal iets meer dan 80 % van het totale gewicht uitmaken, aan te merken als natuurlijke bestanddelen, die dus normaal in het langs traditionele weg verkregen magere-melkpoeder voorkomen . Het natriumcaseïnaat ( in casu 10,6 %) en het calciumcaseïnaat ( 7,1 %) daarentegen, zijn door de producent toegevoegde, kunstmatige bestanddelen . ( 1 ) Deze toevoegingen zijn evenwel niet van dien aard, dat het produkt daardoor qua uiterlijk voorkomen en voornaamste hoedanigheden - daaronder begrepen de gebruiksmogelijkheden - verschilt van het langs traditionele weg verkregen magere-melkpoeder .

7 . Tot zover de feiten . Wat het juridische aspect betreft, wijs ik op regel 3 b van de algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het GDT, volgens hetwelk de goederen die niet onder een specifieke tariefpost vallen, "worden ingedeeld naar de stof of naar het goed, waaraan ( zij ) hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald ".

Volgens de toelichtingen bij de Nomenclatuur van de Internationale Douaneraad ( IDR-Nomenclatuur ) kan de factor, welke doorslaggevend is bij het bepalen van dit wezenlijk karakter, verschillen van de ene soort van goederen tot de andere . De goederen kunnen hun wezenlijk karakter bij voorbeeld ontlenen aan de stof waaruit zij bestaan, aan de artikelen, waaruit zij zijn samengesteld, aan de omvang, de hoeveelheid, het gewicht en de waarde daarvan, ofwel aan de belangrijkheid van de samenstellende stoffen ten opzichte van het gebruik, dat van de goederen zal worden gemaakt ( zie toelichting VIII op regel 3 b van de algemene bepalingen .

Regel 3 vindt uiteraard slechts toepassing voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van de posten en aantekeningen op de afdelingen of de hoofdstukken ( zie toelichting II op regel 3 b, alsmede de arresten van 2 mei 1979, zaak 137/78, Henningsen Food, Jurispr . 1979, blz . 1707, met name r.o . 8, en 18 januari 1984, zaak 327/82, Ekro, Jurispr . 1984, blz . 107 ).

8 . Gelet op het voorgaande blijven er twee vragen te beantwoorden . Aangezien het produkt waar het hier om gaat, een mengsel is, kan het dan overeenkomstig regel 3 b van de algemene bepalingen op grond van het element waaraan het zijn wezenlijk karakter ontleent, worden ingedeeld onder post 04.02? Zo ja, verzetten de bewoordingen van de posten en aantekeningen op de afdelingen of de hoofdstukken zich dan niet tegen deze indeling?

De eerste vraag kan bevestigend worden beantwoord . Zoals wij hebben gezien, bestaat het betrokken mengsel voor meer dan 80 % uit stoffen die normaliter in magere-melkpoeder van post 04.02 voorkomen . Het staat buiten twijfel, dat het betrokken produkt zijn wezenlijk karakter juist ontleent aan het magere-melkpoeder . Wanneer de douaneautoriteiten zich voor de indeling slechts op regel 3 b zouden moeten baseren, zouden zij het niettegenstaande de toevoeging van natrium - en calciumcaseïnaat zonder meer onder post 04.02 indelen .

Maar, zoals gezegd, vindt deze regel slechts toepassing, wanneer de bewoordingen van de in aanmerking komende tariefpost zich niet om een bijzondere reden daartegen verzetten . Zo was het Hof in het reeds aangehaalde arrest Henningsen Food van oordeel, dat een produkt dat 52 % kipheeleipoeder, 25 % sojameel, 22 % glucosestroop en 1 % zout en lecithine bevat, niet valt onder post 04.05 B I (" vogeleieren uit de schaal en eigeel ..., geschikt voor menselijke consumptie ") maar onder post 21.07 G I a ) 1 als "produkt voor menselijke consumptie ". Het Hof overwoog namelijk, dat blijkens de bewoordingen van post 04.05 van het GDT en de toelichtingen daarop slechts vogeleieren uit de schaal en eigeel in hun oorspronkelijke toestand, waaraan eventueel slechts kleine hoeveelheden conserverende chemicaliën zijn toegevoegd, kunnen worden geacht onder deze post te vallen . Ofschoon het produkt, gezien het hoge gehalte aan kipheeleipoeder - een lager gehalte overigens dan het melkpoeder in onderhavige zaak - volgens regel 3 b van de algemene bepalingen ongetwijfeld onder post 04.05 zou vallen, heeft het Hof geoordeeld dat deze post niet in aanmerking kwam op grond dat het produkt "daarnaast aanzienlijke hoeveelheden andere bestanddelen, waaronder sojameel en glucosestroop, ( bevatte ) die geen chemicaliën zijn welke uitsluitend als conserveringsmiddel dienen", en dus duidelijk niet beantwoordde aan de omschrijving van genoemde tariefpost .

9 . Volgens de Commissie kan de in casu aan de orde zijnde post 04.02 in geen geval produkten of mengsels omvatten, die voor meer dan 3 % van het gewicht uit natriumcaseïnaat bestaan ( 2 ), ook al blijft het magere-melkpoeder bepalend voor het wezenlijke karakter van het mengsel .

Met andere woorden, in een geval als het onderhavige kan regel 3 b van de algemene bepalingen niet worden toegepast, omdat post 04.02 uitdrukkelijk voorziet dat magere-melkpoeder waaraan meer dan 3 % natriumcaseïnaat is toegevoegd, er niet onder valt .

Voor deze stelling draagt de Commissie de volgende argumenten aan .

In kleine hoeveelheden, tot ongeveer 1 %, kan natriumcaseïnaat als emulgator worden aanvaard om het melkpoeder zoveel mogelijk dezelfde oplosbaarheid in vloeistof ( b.v . in koffie ) te geven, als gewone melk van nature heeft . Iets hogere percentages, tot 3 %, zijn eveneens aanvaardbaar voor zover zij het mogelijk maken de smaak van de bereiding te verbeteren en op die van gewone melk te doen lijken . Bij meer dan 3 % natriumcaseïnaat is er evenwel, nog steeds volgens de Commissie, sprake van een kunstmatig produkt, namelijk een melksurrogaat, dat, wanneer het zou worden ingedeeld onder dezelfde post als normaal magere-melkpoeder, gevaar van misbruik, te weten het ten onrechte incasseren van restituties bij uitvoer, met zich zou brengen .

De grenswaarde van 3 % is aanvaard door de leden van de ad-hocgroep "Chemie" van het Comité Nomenclatuur van het GDT, die in 1982 om een uitspraak werden verzocht in het kader van een onderzoek ingesteld op voorstel van de Duitse delegatie, die twijfels koesterde over de mogelijkheid om een soort magere-melkpoeder met meer dan 19 % natriumcaseïnaat onder post 04.02 in te delen . Naar de Commissie ter terechtzitting verklaarde, heeft het Comité Nomenclatuur later van dit standpunt van de deskundigen "kennis genomen ". Er is dienaangaande evenwel geen enkel bewijsstuk overgelegd . Vast staat in ieder geval, dat het oordeel van de deskundigen door het Comité niet formeel als criterium is overgenomen .

Een en ander zou ten slotte eveneens in overeenstemming zijn met een indelingsadvies van 1971, volgens welk een produkt verkregen door vermenging van boter met magere melk, waaraan een geringe hoeveelheid natriumcaseïnaat is toegevoegd, onder post 04.02 valt .

10 . Leveren deze overwegingen voldoende grond op, om een mengsel van magere-melkpoeder dat meer dan 3 % natriumcaseïnaat bevat, van tariefpost 04.02 uit te sluiten?

Allereerst zij eraan herinnerd dat, gelijk de Commissie zelf in haar schriftelijke opmerkingen ( sub B, II, 3 ) heeft verklaard, de bewoordingen van postonderverdeling 04.02 A II b ) 1 een produkt dat is samengesteld als dit waar het in casu om gaat, niet uitsluiten .

In de toelichtingen op het GDT bij post 04.02 wordt bepaald :

"Deze post heeft betrekking op alle bij post 04.01 bedoelde produkten ( melk, room en bij de verwerking daarvan verkregen bijprodukten ), die door een bewerking zijn ingedikt en/of verduurzaamd in de zin van Aantekening 2 op dit Hoofdstuk of waaraan suiker is toegevoegd .

Aan deze produkten mogen andere zelfstandigheden worden toegevoegd, b.v . zetmeel in een hoeveelheid van niet meer dan 10 gewichtspercenten, anti-oxydatiemiddelen, emulgatoren, vitaminen of geringe hoeveelheden zuren ( citroensap hieronder begrepen )."

Ik geloof daarom ook, dat het uitdrukkelijk is toegelaten bepaalde stoffen, zoals emulgatoren, aan de melk toe te voegen en dat daarvoor geen maximumhoeveelheden zijn bepaald, anders dan voor zetmeel ( niet meer dan 10 gewichtspercenten ) en voor zuren (" geringe hoeveelheden ").

In de Toelichtingen op de IDR-Nomenclatuur vind ik geen andere aanwijzingen . Tot zover de teksten, die, ik herhaal het, van doorslaggevend belang zijn .

Verder dien ik erop te wijzen, dat in het stelsel van het GDT uitdrukkelijk wordt aangegeven, wanneer de indeling van een produkt afhangt van het procentuele gehalte aan bepaalde bestanddelen .

Zo hangt de indeling onder de verschillende postonderverdelingen van post 04.02 af van het vetgehalte en, zoals ik zoëven heb verklaard, wat de melk betreft, van de hoeveelheid zetmeel die erin aanwezig is en die niet meer dan 10 % mag bedragen . Het is niet moeilijk nog meer voorbeelden hiervan te vinden; bij het doorbladeren van de Toelichtingen op het GDT springen de talloze nauwkeurig vastgestelde grenswaarden voor bij voorbeeld suiker, proteïnen, vet, enz . dadelijk in het oog .

Ik meen derhalve, dat in casu de bewoordingen van de desbetreffende tariefpost noch die van de Toelichtingen op het GDT zich tegen toepassing van regel 3 b van de algemene bepalingen verzetten .

11 . Met betrekking tot het eerdergenoemde onderzoek, dat op initiatief van de Duitse delegatie binnen het Comité Nomenclatuur van het GDT heeft plaatsgevonden, wil ik het volgende opmerken .

In de eerste plaats betrof dit onderzoek een produkt met een aanzienlijk hoger gehalte aan natriumcaseïnaat ( 19,11 %) dan het produkt waar het hier om gaat . In de tweede plaats had de Commissie zich bij die discussie ( zie de notulen van de vergadering van 13.10.1981 ) eerst uitgesproken voor indeling van het produkt onder hoofdstuk 4 van het GDT, omdat zij van oordeel was, dat natriumcaseïnaat zelfs in een gehalte van 19,11 % als een natuurlijk bestanddeel van melk kan worden aangemerkt . In de derde plaats is het resultaat van dit onderzoek, zoals gezegd, niet neergelegd in een officieel document waarvan de deelnemers aan het economische verkeer kennis hadden kunnen nemen : er is niet besloten een indelingsadvies op te stellen, noch de Toelichtingen op het GDT te wijzigen, laat staan een verordening vast te stellen . Het ging hier dus slechts om een zuiver interne en informele discussie, die, naar ik meen, geen beslissende invloed kan hebben op de uitlegging die het Hof thans van de tariefpost dient te geven . Bepalend voor deze uitlegging zijn de tekst van de betrokken tariefpost en de daarbij horende aantekeningen op de afdelingen en hoofdstukken van het GDT . De tekst van de tariefpost, gelezen in samenhang met de Toelichtingen op het GDT, sluit niet uit, dat een mengsel als datgene waar het hier om gaat, onder postonderverdeling 04.02 A II b ) 1 wordt ingedeeld, wanneer niettegenstaande de aanwezigheid van 10,7 % natriumcaseïnaat, de specifieke bestanddelen van magere-melkpoeder ( dat wil zeggen meer dan 80 % van het gewicht ) het produkt zijn wezenlijke karakter verlenen .

12 . Er is echter nog een ander aspect . Ter terechtzitting heeft de Commissie verklaard, dat er tot dusver "nog geen analytische methoden bestaan om de aanwezigheid van toegevoegd natriumcaseïnaat in melkpoeder als dat waar het hier om gaat, rechtstreeks aan te tonen ". Tot deze conclusie was overigens ook de ad-hocgroep "Chemie" van het Comité Nomenclatuur van het GDT ( notulen van de vergadering van 1.4.1982 ) reeds gekomen naar aanleiding van het door de Duitse delegatie verlangde onderzoek .

Het is dus niet mogelijk, door middel van een rechtstreekse en voldoende eenvoudige controle aan de grens de hand te houden aan dit maximumgehalte van 3 % natriumcaseïnaat .

Alleen een administratieve controle, dat wil zeggen een controle in het produktiestadium, is mogelijk; een dergelijke procedure is uiteraard slechts denkbaar - zij het ook dan nog met de nodige moeilijkheden - voor produkten die binnen de Gemeenschap voor de export worden geproduceerd, maar niet in het omgekeerde geval, wanneer het erom gaat produkten uit derde landen zo snel mogelijk in te klaren .

Het komt mij dus voor, dat het door de Commissie voorgestelde indelingscriterium ( dat is gebaseerd op de inachtneming van een tolerantiegrens van 3 %) niet alleen geen steun vindt in de tekst van het GDT, maar ook duidelijk in strijd is met het fundamentele vereiste van een zekerheid biedende en tegelijkertijd eenvoudige douanecontrole . Uitlegging van post 04.02 volgens dit criterium zou leiden tot een ingewikkelde en, althans wat de resultaten betreft, onzekere toepassing van het GDT, omdat zij berust op gegevens die moeilijk of helemaal niet objectief zijn te controleren .

Wat de relevantie van dit punt betreft, dient eraan te worden herinnerd, dat het Hof reeds heeft erkend, dat de moeilijkheden die zich bij de toepassing van een tariefbepaling kunnen voordoen - doch in het onderhavige geval gaat het in feite om onmogelijkheid - weliswaar niet kunnen afdoen aan de geldigheid ervan, maar wel van belang kunnen zijn voor de uitlegging ervan ( arrest van 30 september 1982, zaak 317/81, Howe, Jurispr . 1982, blz . 3257 ).

13 . Ten slotte rest mij nog een laatste punt te behandelen .

De nationale rechter heeft het Hof enkel vragen gesteld over de indeling van het litigieuze produkt . Of deze indeling in het GDT ook gevolgen kan hebben voor de toepassing van de communautaire landbouwregeling, met name de bepalingen omtrent restituties bij uitvoer, is een andere kwestie .

Zoals bekend, worden in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen voor landbouwprodukten de daaronder vallende produkten die eventueel voor bepaalde voordelen in aanmerking kunnen komen, doorgaans omschreven door verwijzing naar de desbetreffende posten van het GDT . Dit is bij voorbeeld het geval in de sector melk en zuivelprodukten .

De reden waarom zich hier in een concreet geval problemen kunnen voordoen, is duidelijk . Een producent heeft immers talloze mogelijkheden om allerlei mengsels te vervaardigen, die weliswaar qua samenstelling of onderlinge verhouding van de afzonderlijke bestanddelen van elkaar verschillen, doch qua uiterlijk voorkomen, aard, werkzaamheid en gebruiksmogelijkheid in wezen gelijksoortig zijn .

Het tarief is weliswaar zeer gedetailleerd en uitgewerkt, doch deze veelheid aan mogelijkheden kan uiteraard indelingsproblemen meebrengen . En juist in die gevallen kan - binnen de hierboven genoemde grenzen - uitkomst worden geboden door de regel inzake het "wezenlijke karakter", met behulp waarvan produkten die, objectief gezien, gelijkaardig zijn en daarom onderling in een concurrentieverhouding staan, onder dezelfde post kunnen worden ingedeeld .

Wanneer de indeling echter niet uitsluitend om douanedoeleinden wordt verricht, maar bij voorbeeld om de toepasselijke heffing of restitutie vast te stellen, kunnen de ondernemers om voor de hand liggende redenen belang hebben bij manipulatie van de samenstelling van het mengsel . Bij invoer zal de neiging bestaan het produkt zoveel mogelijk te "depreciëren" ( b.v . door verhoging van het gehalte aan bestanddelen waardoor het produkt als "restprodukt" kan worden aangemerkt ) om de te betalen heffingen te ontgaan of in ieder geval zo laag mogelijk te houden, terwijl bij uitvoer ( met een tegenovergestelde ingreep ) zal worden getracht "de waarde" van het produkt "op te trekken" om maximale restituties te verkrijgen, ook al blijven die produkten van een lagere kwaliteit die evenwel net voldoende is voor het recht op restitutie .

Het staat uiteraard aan de nationale instanties die de landbouwbepalingen toepassen, deze aspecten te beoordelen . Bovendien mag niet worden vergeten, dat de nationale rechter geen vragen heeft gesteld over de uitlegging van die regels . Dit facet valt dus buiten het kader van deze procedure .

Om duidelijk te maken, dat overwegingen in verband met de werking van de gemeenschappelijke marktordeningen voor landbouwprodukten irrelevant zijn voor de uitlegging van de douanebepalingen, dient erop te worden gewezen, dat de voor douanedoeleinden verrichte indeling van het litigieuze produkt onder post 04.02 niet prejudicieert op de toepassing die de nationale instanties voor andere doeleinden en in het kader van andere wettelijke regelingen aan deze indelingsregel geven .

In beginsel moeten deze regels natuurlijk op eenvormige wijze worden uitgelegd, ongeacht de regeling in het kader waarvan zij toepassing vinden . Dit beginsel is terug te vinden in het arrest van 4 juli 1978 ( zaak 5/78, Milchfutter, Jurispr . 1978, blz . 1597 ) waarin het Hof overwoog, "dat - tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald - het onjuist zou zijn de posten van het gemeenschappelijk douanetarief verschillend toe te passen al naar gelang zij worden aangewend voor de indeling van een produkt met het oog op de inning van de douanerechten, de toepassing van de regeling der gemeenschappelijke marktordeningen dan wel die van de monetaire compenserende bedragen" ( r.o . 12 ); deze formule is eveneens terug te vinden in het arrest van 28 maart 1979 ( zaak 158/78, Biegi, Jurispr . 1979, blz . 1103, r.o . 18 ).

Anderzijds kan ook niet worden ontkend, dat in de praktijk - afgezien van de gevallen waarin "uitdrukkelijk anders is bepaald" - aan dit beginsel niet altijd even streng de hand is gehouden .

Reeds in het hierboven aangehaalde arrest Henck verklaarde het Hof, dat "de verwijzing in verordening nr . 19/62 ( inzake invoerheffingen op bepaalde goederen ) naar tariefpost 23.07 niet ook betrekking heeft op veevoeder, dat, ofschoon onder deze post vallend, geen produkten bevat die als zodanig worden genoemd in de voorschriften betreffende de in die verordening vervatte gemeenschappelijke marktordening ". Het Hof volgde in deze de conclusie van advocaat-generaal Roemer, die had verklaard : "Wanneer ... de eis gesteld wordt voor een juiste tariefindeling van een waar de juridische context van een tariefnummer - waartoe uiteraard de belangen van de marktordening behoren - in aanmerking te nemen, wordt eigenlijk alleen maar in overweging gegeven een gangbare uitleggingsmethode te volgen", bij welke methode, aldus de advocaat-generaal, het beginsel van het opgewekt vertrouwen niet wordt miskend, omdat de belanghebbenden de context van de betrokken tariefposten kennen en weten welke beleidsoogmerken daarbij uiteindelijk een rol spelen .

Een wellicht nog duidelijker bevestiging is te vinden in het arrest van 26 april 1972 ( zaak 92/71, Interfood, Jurispr . 1972, blz . 231 ), waar het Hof op het argument van verzoekster in het hoofdgeding, dat het "onaanvaardbaar ware, indien een indelingsvoorschrift, binnen het bestek van hetzelfde tarief en van hetzelfde hoofdstuk, verschillend zou mogen worden uitgelegd, naar gelang een produkt voor de heffing dan wel voor de douanerechten moet worden ingedeeld", heeft geantwoord, dat "dit betoog de zelfstandigheid van de voorschriften betreffende de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten miskent; dat waar overeenkomstig artikel 9, lid 2, van 's Raad verordening nr . 865/68 ... de voorschriften voor de toepassing van het gemeenschappelijke douanetarief gelden voor de classificatie van de produkten die onder de bij deze verordening in het leven geroepen 'gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten vallen' , deze classificatie voor de toepassing der douanerechten beslissend is, doch ten aanzien van de eventueel op te leggen heffing slechts als aanwijzing is te beschouwen ."

In dezelfde lijn ligt het arrest van 18 januari 1984 ( zaak 327/82, Ekro, Jurispr . 1984, blz . 107 ), dat vanwege de analoge casuspositie bijzonder van belang is voor de onderhavige zaak . In dit arrest overwoog het Hof, dat regel 3 b van de algemene bepalingen ( waarin het criterium van het "wezenlijke karakter" wordt genoemd ) van toepassing is op de indeling van produkten in het kader van de verordening tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector rundvlees, voor zover noch de tekst van die verordening noch de doelstelling van het stelsel van uitvoerrestituties tot een andere oplossing dwingt .

Het beginsel dat de tariefposten eenvormig moeten worden uitgelegd ongeacht in welke sector zij worden toegepast - welk beginsel uiteraard de rechtszekerheid ten goede komt -, moet mijns inziens in concreto worden getemperd door de specifieke eisen van de regelingen welke naar die tariefposten verwijzen . Het staat dan aan de nationale instanties om bij de toepassing van de relevante gemeenschapsbepalingen rekening te houden met deze vereisten .

Ik herhaal echter, dat het weliswaar kan voorkomen dat aan een tariefpost bij toepassing in het kader van een landbouwregeling een betekenis wordt gegeven die niet meer geheel overeenstemt met de douanerechtelijke betekenis, maar dat het omgekeerde volstrekt uitgesloten is . De uitlegging van tariefposten voor zuiver douanerechtelijke doeleinden mag en kan niet afhangen van overwegingen die aan de gemeenschappelijke marktordeningen zijn ontleend, zelfs niet om redenen van rechtszekerheid .

Derhalve ben ik van mening, dat in het onderhavige geval, waarin het - zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt - slechts gaat om de uitlegging van de betrokken tariefpost, het aan de nationale rechter te geven antwoord uitsluitend mag worden gebaseerd op de tekst van de posten van het GDT en de toelichtingen daarop, alsmede op het beginsel van het "wezenlijk karakter ". Op grond van deze teksten - de enige waarvan de deelnemers aan het economische verkeer op de hoogte zijn - moet een mengsel als het in geding zijnde onder post 04.02 worden ingedeeld, althans zolang de daartoe bevoegde instanties daaraan geen nauwkeurige en duidelijke wijziging hebben aangebracht .

14 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de verwijzende rechter het volgende antwoord te geven :

"Een mengsel dat is samengesteld als dat waarom het in casu gaat, valt onder post 04.02 A II b ) 1 van het GDT, ongeacht de wijze waarop het is vervaardigd en de herkomst van sommige bestanddelen ervan ."

(*) Oorspronkelijke taal : Italiaans .

( 1 ) In feite had de gemachtigde van de Commissie zowel in zijn schriftelijke opmerkingen als ter terechtzitting verklaard, dat natriumcaseïnaat van nature in hoeveelheden van minder dan 3 % in de droge stof van melk voorkomt . Deze verklaring is naderhand gecorrigeerd op grond van de door de deskundige verstrekte gegevens .

( 2 ) Opgemerkt zij, dat de Commissie geen bezwaren heeft gemaakt tegen de aanwezigheid van 7,1 % calciumcaseïnaat .