61987J0193

ARREST VAN HET HOF VAN 11 MEI 1989. - HENRI MAURISSEN EN UNION SYNDICALE TEGEN REKENKAMER VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAAR - VAKORGANISATIE - RECHT VAN VAKVERENIGING - ONTVANKELIJKHEID. - GEVOEGDE ZAKEN 193 EN 194/87.

Jurisprudentie 1989 bladzijde 01045


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1 . Ambtenaren - Bezwarend besluit - Besluiten betreffende uitoefening van recht van vakvereniging

( Ambtenarenstatuut, artikel 24 bis )

2 . Ambtenaren - Beroep - Procesbelang - Beroep tot nietigverklaring van besluit betreffende uitoefening van verzoekers functie van vakbondsfunctionaris - Ontvankelijkheid

( Ambtenarenstatuut, artikel 91 )

3 . Beroep tot nietigverklaring - Beroep tegen bevestigend besluit - Niet-ontvankelijkheid - Voorwaarde - Toepassing op ambtenarenberoepen

( EEG-Verdrag, artikel 173; Ambtenarenstatuut, artikel 91 )

4 . Ambtenaren - Beroep - Procedureel kader - Beroep van vakorganisatie - Niet-ontvankelijkheid

( Ambtenarenstatuut, artikel 91 )

5 . Procedure - Termijnen - Van openbare orde - Beroep van rechtspersoon - Instelling van beroep afhankelijk van geldig genomen besluit van bevoegd orgaan - Geen gevolgen voor aanvang van beroepstermijn

6 . Beroep tot nietigverklaring - Termijnen - Aanvang - Kennisgeving - Begrip - Bewijslast inzake kennisgeving

( EEG-Verdrag, artikelen 173, derde alinea, en 191 )

Samenvatting


1 . Besluiten betreffende de voorwaarden waaronder de ambtenaren het recht van vakvereniging kunnen uitoefenen, raken de uitoefening van het in artikel 24 bis Ambtenarenstatuut erkende recht van vakvereniging . Deze besluiten hebben dus rechtsgevolgen en kunnen niet als louter interne organisatorische maatregelen worden beschouwd .

2 . Een ambtenaar die vakbondsfunctionaris is, heeft uit hoofde van die hoedanigheid een belang om op te komen tegen een besluit dat de voorwaarden raakt waaronder hij binnen de instelling zijn vakbondsfunctie moet vervullen, ook al is dit besluit gericht tot de vakvereniging waartoe hij behoort en gaat het hem niet alleen aan .

3 . Een beroep tot nietigverklaring van een bevestigend besluit, ingesteld krachtens artikel 173 EEG-Verdrag dan wel krachtens artikel 91 Ambtenarenstatuut, is alleen dan niet-ontvankelijk, wanneer het bevestigde besluit voor de betrokkene onherroepelijk is geworden doordat er niet tijdig beroep tegen is ingesteld . Zo niet, kan de betrokkene het bevestigde besluit, het bevestigende besluit of ook beide besluiten aanvechten .

4 . Een vakorganisatie kan niet krachtens artikel 91 Ambtenarenstatuut beroep instellen, aangezien het daarin voorziene rechtsmiddel slechts open staat voor ambtenaren en personeelsleden van de Gemeenschappen en niet voor vakorganisaties .

5 . De beroepstermijnen zijn van openbare orde en het staat niet aan partijen om ze naar eigen believen vast te stellen . Hoewel voor het recht van een rechtspersoon om in rechte op te treden onder meer het bestaan van een geldig genomen besluit van het daartoe bevoegde orgaan beslissend kan zijn, kan de aanvang van de beroepstermijn niet afhangen van de statuten of gebruiken van de rechtspersoon; het aanvangstijdstip kan derhalve niet worden gesteld op de dag waarop het bevoegde orgaan in regelmatige vergadering bijeen is gekomen en op geldige wijze kennis neemt van het aan te vechten besluit .

6 . Van een besluit is naar behoren, in de zin van artikel 91 EEG-Verdrag, kennis gegeven zodra het is medegedeeld aan degene tot wie het is gericht en deze in staat is gesteld daarvan kennis te nemen; het is bijgevolg aan de partij die aanvoert dat een beroep - gelet op de beroepstermijn van artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag - tardief is, om het bewijs te leveren van de datum van kennisgeving van het besluit .

Partijen


In de gevoegde zaken 193 en 194/87,

H . Maurissen, ambtenaar van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd en bijgestaan door J.-N . Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Y . Hamilius, advocaat aldaar, 11, boulevard Royal,

en

Union syndicale, service public européen, te Luxemburg, in de persoon van haar secretaris-generaal A . Buick, vertegenwoordigd en bijgestaan J.-N . Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Y . Hamilius, advocaat aldaar, 11, boulevard Royal,

verzoekers,

ondersteund door

Internationale des Services Publics, te Ferney-Voltaire ( Frankrijk ), vertegenwoordigd en bijgestaan door M . Deruyver en V . Leclercq, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Y . Hamilius, advocaat aldaar, 11, boulevard Royal,

interveniënte,

tegen

Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M . Becker en M . Ekelmans als gemachtigden, bijgestaan door L . Defalque, advocaat te Brussel, en J.-A . Stoll, domicilie gekozen hebbende ter zetel van de Rekenkamer,

verweerster,

betreffende beroepen tot nietigverklaring van :

1 . twee besluiten van de president van de Rekenkamer ( zaken 193 en 194/87 ), te weten :

- het besluit van 17 maart 1987 houdende aanwijzing aan de interne bodedienst van de Rekenkamer om voorlopig niet meer mee te werken bij de verspreiding van vakbondsmededelingen;

- het besluit van 31 maart 1987 om de vertegenwoordigers van Union syndicale geen vrijstelling van de dienst te verlenen voor het bijwonen van vergaderingen van de vakverenigingen met de Commissie van de Europese Gemeenschappen over algemene personeelsaangelegenheden;

2 . een derde besluit van de president van de Rekenkamer, van 2 juni 1987, houdende weigering om Maurissen buitengewoon verlof voor het volgen van colleges te verlenen ( zaak 193/87 ),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt : O . Due, president, T . Koopmans, R . Joliet, T . F . O' Higgins en F . Grévisse, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, G . F . Mancini, C . N . Kakouris, F . A . Schockweiler, J . C . Moitinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias, M . Diez de Velasco en M . Zuleeg, rechters,

advocaat-generaal : M . Darmon

griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur

gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 8 maart 1989,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 april 1989,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, ingekomen ten Hove op 22 juni 1987 ( zaak 193/87 ), heeft H . Maurissen, ambtenaar van de Rekenkamer, krachtens artikel 91 Ambtenarenstatuut beroep ingesteld tot nietigverklaring van twee besluiten van 17 en 31 maart 1987 van de president van de Rekenkamer betreffende de uitoefening van vakbondsactiviteiten binnen de Rekenkamer .

2 In zijn beroepschrift kwam Maurissen bovendien op tegen een besluit van de president van de Rekenkamer van 2 juni 1987 houdende weigering om hem buitengewoon verlof voor het volgen van colleges te verlenen . In de loop van het geding heeft Maurissen zijn vordering op dit punt evenwel ingetrokken, zodat daarover geen uitspraak behoeft te worden gedaan .

3 Bij verzoekschrift, ingekomen ten Hove op 22 juni 1987 ( zaak 194/87 ), heeft Union syndicale, service public européen, te Luxemburg, krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag eveneens beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen voormelde twee besluiten van 17 en 31 maart 1987 van de president van de Rekenkamer .

4 In een vlugschrift van 26 februari 1987 betreffende de plannen van de Rekenkamer met betrekking tot de geraamde uitgaven voor het begrotingsjaar 1988, uitte het uitvoerend comité van Union syndicale te Luxemburg bezwaren tegen de voorgenomen verhoging van het aantal tijdelijke functionarissen . Volgens het vlugschrift zou die stijging niet alleen het niveau van de communautaire overheidsdienst uithollen, maar bovendien de onafhankelijkheid van de Rekenkamer op het spel zetten en haar taak als "financieel geweten van Europa" in het gedrang brengen .

5 Op 17 maart 1987 zond de president van de Rekenkamer een brief aan H . Maurissen - de enige ambtenaar van de Rekenkamer onder de leden van het uitvoerend comité van Union syndicale, die onderaan het vlugschrift waren vermeld - waarin hij zich over de vorm en de inhoud van het vlugschrift beklaagde en Maurissen in kennis stelde van zijn besluit om de interne bodedienst voorshands een verbod op te leggen om vakbondsmededelingen te verspreiden . In deze brief verzocht hij Maurissen deze mededelingen in de toekomst aan het personeelscomité te overhandigen, dat voor de verspreiding daarvan een beroep kon doen op de interne bodedienst; andere vormen van verspreiding zou hij zelf moeten verzorgen .

6 Op 11 maart 1987 had de secretaris-generaal van Union syndicale te Luxemburg de president van de Rekenkamer overigens laten weten, dat bij zijn instelling een vakbondsafvaardiging was opgericht, en hem verzocht de daartoe aangewezen leden van die afvaardiging vrij te stellen van de dienst voor het bijwonen van bijeenkomsten met de Commissie van de Europese Gemeenschappen over personeelszaken .

7 Bij brief van 31 maart 1987 aan de secretaris-generaal van Union syndicale, nam de president van de Rekenkamer akte van de instelling van een vakbondsafvaardiging, doch deelde hij mee dat hij het verzoek om de betrokkenen vrij te stellen van de dienst, niet kon inwilligen .

8 De onderhavige beroepen zijn gericht tegen de besluiten van 17 en 31 maart 1987 .

9 Aangezien de Rekenkamer de ontvankelijkheid van beide beroepen betwist, heeft het Hof besloten vooraf bij afzonderlijk arrest uitspraak te doen over deze middelen van niet-ontvankelijkheid .

10 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het verloop van de procedure en de middelen en argumenten van partijen, wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .

De ontvankelijkheid van het beroep van Maurissen

11 Volgens de Rekenkamer is het beroep van Maurissen niet-ontvankelijk, enerzijds omdat de bestreden besluiten verzoeker niet bezwaren, en anderzijds omdat het besluit van 31 maart 1987 een bevestigend besluit is .

12 Wat het eerste punt betreft, voert de Rekenkamer aan, dat deze besluiten niet een recht aantasten en dat Maurissen geen persoonlijk belang heeft bij de betwisting ervan .

13 Ingevolge artikel 91 Ambtenarenstatuut kan voor het Hof worden opgekomen tegen bezwarende besluiten . Volgens 's Hofs vaste rechtspraak zijn als zodanig te beschouwen de besluiten die een bepaalde rechtspositie aantasten .

14 Dat is het geval met de litigieuze besluiten .

15 Enerzijds bepaalt artikel 24 bis Ambtenarenstatuut, dat "de ambtenaren het recht van vereniging ( hebben ); zij kunnen met name lid zijn van vak - of beroepsorganisaties van Europese ambtenaren ".

16 Zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de vraag - die het onderzoek ten gronde betreft -, of de bestreden besluiten aan het in artikel 24 bis erkende recht van vakvereniging al dan niet rechtmatig beperken, kan worden volstaan met vast te stellen, dat zij de uitoefening van dit recht raken, aangezien zij de voorwaarden betreffen waaronder de ambtenaren hun recht van vakvereniging kunnen uitoefenen .

17 Deze besluiten hebben dus rechtsgevolgen en kunnen niet als loutere interne organisatorische maatregelen worden beschouwd .

18 Anderzijds heeft Maurissen in ieder geval als vakbondsfunctionaris een belang om tegen beide besluiten op te komen .

19 Bij het besluit van 17 maart 1987, dat in een tot hem gerichte brief is vervat, wordt hem persoonlijk een gedragslijn voorgeschreven met betrekking tot de verspreiding van vakbondsmededelingen . In zover tast het besluit zijn persoonlijke situatie aan .

20 Hetzelfde geldt voor het besluit van 31 maart 1987 . Maurissen was uitdrukkelijk genoemd als één van de vakbondsfunctionarissen voor wie om vrijstelling van de dienst werd verzocht om aan bijeenkomsten met de Commissie te kunnen deelnemen . Hij heeft dus belang om tegen de afwijzing van dit verzoek door de president van de Rekenkamer op te komen, ofschoon deze afwijzing tot Union syndicale was gericht en hem niet alleen aangaat .

21 De stelling van de Rekenkamer, dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het besluit van 31 maart 1987 enkel bevestigend van aard is, kan evenmin slagen .

22 Volgens verweerster is dit besluit slechts de bevestiging van het standpunt dat het tot aanstelling bevoegde gezag van de Rekenkamer steeds heeft gehuldigd, te weten dat zonder behoorlijke wettelijke of budgettaire grondslag geen vrijstelling van de dienst kan worden verleend aan zijn personeelsleden .

23 Zelfs indien dit was aangetoond, dan nog zou deze omstandigheid de gestelde niet-ontvankelijkheid niet kunnen rechtvaardigen, aangezien een besluit slechts de bevestiging kan zijn van een ander besluit, wanneer laatstbedoeld besluit vatbaar is voor beroep .

24 Verweerster voert weliswaar aan, dat zij op 25 maart 1987 een besluit tot Maurissen heeft gericht, waarbij hem geen vrijstelling van de dienst werd toegestaan om een bepaalde bijeenkomst te Brussel bij te wonen .

25 Zelfs indien echter het besluit van 31 maart 1987, in weerwil van zijn algemene karakter, als een bevestiging van het besluit van 25 maart 1987 was te beschouwen, zou het beroep daarom niet niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard .

26 Een beroep tegen een bevestigend besluit is namelijk alleen dan niet-ontvankelijk, wanneer het bevestigde besluit voor de betrokkene onherroepelijk is geworden doordat er niet tijdig beroep tegen is ingesteld . Zo niet, kan de betrokkene het bevestigde besluit, het bevestigende besluit of ook beide besluiten aanvechten .

27 In casu blijkt uit de processtukken, dat op de datum waarop Maurissen tegen het besluit van 31 maart 1987 beroep heeft ingesteld, het besluit van 25 maart 1987 te zijnen aanzien nog niet onherroepelijk was geworden .

28 Uit een en ander volgt, dat de tegen het beroep van Maurissen aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid moeten worden afgewezen .

De ontvankelijkheid van het beroep van Union syndicale

29 Vooraf zij erop gewezen dat, zoals Union syndicale in haar verzoekschrift zelf stelt, het beroep gebaseerd is op artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag . Het beroep had overigens ook niet geldig krachtens artikel 91 Ambtenarenstatuut kunnen worden ingesteld, omdat volgens 's Hofs jurisprudentie ( arresten van 8 oktober 1974, zaken 175/73, Union syndicale/Raad, Jurispr . 1974, blz . 917, en 18/74, Algemeen Vakverbond/Commissie, Jurispr . 1974, blz . 933 ) het in artikel 91 voorziene rechtsmiddel slechts open staat voor ambtenaren en personeelsleden en niet voor vakorganisaties .

30 De Rekenkamer acht het beroep van Union syndicale formeel onregelmatig . Daarnaast betwist zij de ontvankelijkheid van de conclusies die tegen elk van de twee bestreden besluiten zijn gericht .

De formele regelmatigheid van het beroep

31 Volgens de Rekenkamer heeft Union syndicale artikel 38, paragraaf 5, van het Reglement voor de procesvoering geschonden door bij het verzoekschrift niet de volledige tekst van de statuten te voegen en door niet "het bewijs ( te leveren ), dat de aan de advocaat gegeven volmacht op regelmatige wijze werd verstrekt door een daartoe gerechtigde vertegenwoordiger ".

32 Het eerste argument mist feitelijke grondslag, aangezien Union syndicale in bijlage bij haar repliek een volledige en authentieke versie van haar statuten heeft overgelegd .

33 Ook het tweede argument faalt . Toen de advocaat van Union syndicale namens haar het onderhavige beroep instelde, beschikte hij over een door A . Buick, secretaris-generaal van de organisatie, opgestelde volmacht . En hoewel geen voorafgaand besluit van het uitvoerend comité van Union syndicale over de instelling van het onderhavige beroep is overgelegd, zodat het Hof geen zekerheid heeft dat A . Buick destijds gerechtigd was om volmacht te verlenen voor het instellen van een beroep namens zijn organisatie, moet in ieder geval worden vastgesteld, dat het uitvoerend comité bij besluit van 19 december 1988 heeft bevestigd dat "A . Buick ... op geldige wijze aan Mr . J.-N . Louis volmacht kon verlenen tot het instellen van beroep tegen de twee bestreden besluiten ".

34 Hieruit volgt, dat de middelen van niet-ontvankelijkheid die de Rekenkamer met betrekking tot de zoëven besproken punten heeft aangevoerd, moeten worden verworpen .

De ontvankelijkheid van het beroep tegen het besluit van 17 maart 1987

35 Over de andere niet-ontvankelijkheidsgronden die de Rekenkamer tegen dit onderdeel van het beroep heeft aangevoerd, behoeft geen uitspraak te worden gedaan, aangezien het beroep in zover te laat is ingesteld en dus niet-ontvankelijk is .

36 Vast staat namelijk, dat het besluit van 17 maart 1987 ter kennis van de Union syndicale is gebracht op uiterlijk 26 maart daaropvolgend, op welke datum de voorzitter van deze organisatie in een brief aan de president van de Rekenkamer liet weten dat "het uitvoerend comité kennis heeft genomen van de brief van 17 maart aan Henri Maurissen ...".

37 Het beroep tegen dit besluit is op 22 juni 1987 bij het Hof ingesteld, dus na het verstrijken van de in artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag vastgestelde beroepstermijn .

38 Weliswaar heeft Union syndicale - om verval van haar vorderingsrecht te vermijden - in antwoord op een vraag van het Hof betoogd, dat de termijn voor het instellen van beroep tegen een besluit dat haar betreft, pas kan ingaan op de dag waarop de algemene vergadering van de organisatie dan wel haar uitvoerend comité, met het volgens de statuten vereiste quorum, van dit besluit geldig kennis heeft kunnen nemen .

39 Dit betoog faalt evenwel . De beroepstermijnen zijn immers van openbare orde en het staat niet aan partijen om ze naar eigen believen vast te stellen . Hoewel voor het recht van een rechtspersoon om in rechte op te treden onder meer het bestaan van een geldig genomen besluit van het daartoe bevoegde orgaan beslissend kan zijn, kan de aanvang van de beroepstermijn niet afhangen van de statuten of gebruiken van de rechtspersoon; het aanvangstijdstip kan derhalve niet worden gesteld op de dag waarop het bevoegde orgaan in regelmatige vergadering bijeen is en op geldige wijze kennis neemt van het aan te vechten besluit .

40 Mitsdien moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, voor zover het gericht is tegen het besluit van 17 maart 1987 .

De ontvankelijkheid van het beroep tegen het besluit van 31 maart 1987

41 In de eerste plaats voert de Rekenkamer aan, dat dit besluit Union syndicale niet rechtstreeks en individueel raakt .

42 Dit argument kan hoe dan ook niet slagen . Aangezien Union syndicale de adressaat is van dit besluit, waarbij een door haar ingediend verzoek werd afgewezen, is zij krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag gerechtigd daartegen beroep in te stellen, zonder dat zij het bewijs zou behoeven te leveren dat het besluit haar rechtstreeks en individueel raakt .

43 In de tweede plaats voert de Rekenkamer aan, dat het litigieuze besluit geen bezwarend besluit is, aangezien het slechts de bevestiging is van het standpunt dat het tot aanstelling bevoegde gezag steeds heeft gehuldigd, te weten dat zonder behoorlijke wettelijke of budgettaire grondslag aan het personeel geen vrijstelling van de dienst kan worden verleend .

44 Zoals in het onderhavige arrest bij de bespreking van het beroep van Maurissen is uiteengezet, kan deze vaste gedragslijn, zelfs indien zij bewezen was, op zich de gestelde niet-ontvankelijkheid niet rechtvaardigen, aangezien verweerster in haar conclusies bij het onderhavige beroep niet het bewijs levert en zelfs niet eens stelt, dat deze gedragslijn reeds was vastgelegd in een besluit waartegen Union syndicale in rechte had kunnen opkomen .

45 Ten slotte voert de Rekenkamer aan dat het beroep tardief is, op grond dat de brief van 31 maart met het litigieuze besluit Union syndicale zou hebben bereikt de dag nadat hij per post was verzonden, dit wil zeggen meer dan twee maanden vóór het instellen van het beroep .

46 In dit verband moet worden opgemerkt, dat van een besluit naar behoren, in de zin van het Verdrag, kennis is gegeven zodra het is medegedeeld aan degene tot wie het is gericht en deze is staat is gesteld daarvan kennis te nemen ( arrest van 21 februari 1973, zaak 6/72, Europemballage en Continental Can, Jurispr . 1973, blz . 215 ); het is bijgevolg aan de partij die aanvoert dat een beroep tardief is, om het bewijs te leveren van de datum van kennisgeving van het besluit ( arrest van 5 juni 1980, zaak 108/79, Belfiore, Jurispr . 1980, blz . 1769 ).

47 In casu heeft de Rekenkamer het op haar rustende bewijs niet geleverd . Zij bepaalt zich tot argumenten die zij "vermoedens" noemt, doch die niet als bewijs kunnen gelden .

48 Ook dit middel van niet-ontvankelijkheid moet dus worden afgewezen .

49 Uit een en ander volgt, dat het beroep van Union syndicale ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het gericht is tegen het besluit van 31 maart 1987 .

50 Aangezien het beroep van Maurissen in zijn geheel en dat van Union syndicale gedeeltelijk ontvankelijk is, wordt de procedure voortgezet met het oog op het onderzoek en de beslissing ten gronde .

Beslissing inzake de kosten


Kosten

51 De beslissing over de kosten wordt aangehouden .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende :

1 ) Verklaart het beroep van H . Maurissen ontvankelijk .

2 ) Verklaart het beroep van Union syndicale ontvankelijk voor zover het tegen het besluit van 31 maart 1987 is gericht .

3 ) Verklaart het beroep van Union syndicale niet-ontvankelijk voor zover het tegen het besluit van 17 maart 1987 is gericht .

4 ) Verstaat dat de procedure zal worden voortgezet voor het onderzoek en de beslissing ten gronde .

5 ) Houdt de beslissing omtrent de kosten aan .