61987C0199

Conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn van 29 juni 1988. - MADS PEDER JENSEN TEGEN LANDBRUGSMINISTERIET. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR DE DEENSE HOEJESTERET. - PREMIES VOOR HET NIET IN DE HANDEL BRENGEN VAN MELK. - ZAAK 199/87.

Jurisprudentie 1988 bladzijde 05045


Conclusie van de advocaat generaal


++++

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

Jensen, een melkveehouder in het westen van Denemarken, verzocht om een premie voor het niet in de handel brengen, als voorzien in verordening nr . 1078/77 van de Raad tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het melkveebestand ( PB 1977, L 131, blz . 1 ). Hij sloot een overeenkomst met het directoraat Europese Gemeenschappen van het Deense Ministerie van Landbouw, waarbij hij zich ertoe verbond om gedurende vijf jaar geen melk in de handel te brengen, in ruil voor een premie, berekend op basis van zijn toenmalige melkproduktie . Volgens die overeenkomst, die op 3 mei 1979 blijkt te zijn goedgekeurd, doch kennelijk op 12 september 1979 is ondertekend, verbond Jensen zich onder meer ertoe :

- gedurende een periode van vijf jaar geen melk of zuivelprodukten, afkomstig van zijn bedrijf, te verkopen, weg te geven of op andere wijze te vervreemden;

- niet toe te staan, dat derden zijn bedrijf of een deel daarvan gebruiken voor het houden van melkvee ...;

- het bedrijf niet geheel of gedeeltelijk door verkoop, verhuur, verpachting, beëindiging van de pachtovereenkomst of anderszins aan derden toe te vertrouwen, tenzij het directoraat Europese Gemeenschappen vooraf schriftelijk op de hoogte is gesteld van de naam en adres van de verkrijger;

- bij niet-nakoming van zijn verbintenissen of bij niet-overneming van deze verbintenissen door de verkrijger van het verbonden bedrijf, de ontvangen premie terug te betalen, vermeerderd met een rente van 2% boven het periodiek vastgestelde discontotarief van de Nationale Bank .

Daarop werd hem een premie voor het niet in de handel brengen van 289 120,12 DKR toegekend, waarvan hij de helft ( 144 560,06 DKR ) als eerste schijf ontving op 23 november 1979 . Het saldo van de premie zou in twee gelijke schijven, elk 25 % van het totaal, vóór het einde van het derde en het vijfde jaar van de overeenkomst worden betaald . Het veebestand van het bedrijf, dat bestond uit tussen de 45 en 50 koeien, werd vervolgens voor de slacht verkocht en het bedrijf werd omgeschakeld op stierkalveren .

Op verzoek van een crediteur werd zijn boerderij bij executoriale verkoop op 15 april 1981 - ongeveer 19 maanden na de datum van de overeenkomst - verkocht . Bij de verkoop schijnt Jensen gewezen te hebben op het bestaan van de toezegging om geen melk in de handel te brengen . De boerderij werd overgenomen door het Dansk Landbrugs Realkreditfond ( het Deense Landbouwkredietfonds, hierna : het fonds ), dat haar op 23 augustus 1981 doorverkocht aan M . Chr . Lyneborg .

Het directoraat Europese Gemeenschappen vroeg Lyneborg, of hij de door Jensen aangegane verplichtingen wilde overnemen . Toen Lyneborg hierop niet reageerde, vorderde het directoraat Europese Gemeenschappen vervolgens bij brief van 25 november 1981 van Jensen de 144 560,06 DKR terug, die reeds als premie waren betaald . Toen hij deze weigerde terug te betalen, dagvaardde het Deense Ministerie van Landbouw hem voor het Vestre Landsret en vorderde het terugbetaling van bovenvermeld bedrag, met interessen .

Het Vestre Landsret wees de vordering van het Ministerie van Landbouw toe, waarop Jensen beroep instelde bij het Hoejesteret . In beroep handhaafde het Deense Ministerie van Landbouw zijn vordering tot volledige terugbetaling van de reeds betaalde premie met interessen . Jensen betoogde, dat hij de overeenkomst niet had geschonden, daar hij zijn eigendom niet vrijwillig had overgedragen, zodat zijn beroep ten volle gegrond moest worden verklaard . Subsidiair betoogde hij, dat hij in voorkomend geval enkel het gedeelte van de ontvangen premie diende terug te betalen, dat overeenkwam met de periode tijdens welke de door hem gesloten overeenkomst niet was nageleefd, dat wil zeggen 28 912,01 DKR . De Hoejesteret heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen :

"1 ) Wordt met de begrippen "opvolger" in artikel 6, lid 1, van verordening nr . 1078/77 van de Raad, "afstaan" in artikel 8, lid 4, van verordening nr . 1307/77 van de Commissie en "afstaan" in artikel 9, lid 4, van verordening nr . 1391/78 van de Commissie ook gedoeld op de situatie waarin een landbouwbedrijf via executoriale verkoop van eigenaar verandert?

2 ) Valt de situatie waarin een landbouwbedrijf via executoriale verkoop van eigenaar verandert, onder de overmachtsbepaling van artikel 12 van verordening nr . 1391/78 van de Commissie, zoals gewijzigd bij artikel 1 van verordening nr . 1799/79 van de Commissie?

3 ) Moeten de artikelen 6, lid 1, en 11, lid 1, van verordening nr . 1078/77 van de Raad en artikel 9, lid 1, van verordening nr . 1391/78 van de Commissie, volgens welke de Lid-Staten de nodige maatregelen treffen om de reeds uitgekeerde premiebedragen terug te vorderen, aldus worden uitgelegd, dat enkel een terugbetaling kan worden gevorderd die evenredig is aan de periode waarin de uit de premieregeling voortvloeiende verplichtingen niet zijn nageleefd?"

In Denemarken zijn de voorwaarden voor de bij verordening nr . 1078/77 ingevoerde premie voor het niet in de handel brengen van melk neergelegd in circulaire nr . 366 van 30 juni 1977 van het Ministerie van Landbouw, zoals gewijzigd bij circulaire van 5 juli 1978 . Zij zijn overgenomen in bovenvermelde overeenkomst .

Volgens verordening nr . 1078/77 is een van de voorwaarden voor toekenning van een premie voor het niet in de handel brengen, dat niet wordt toegestaan dat het bedrijf of een gedeelte ervan door derden voor de melkveehouderij wordt gebruikt ( artikel 2, lid 2, sub b ). Artikel 6, lid 1, luidt als volgt : "Elke opvolger op een bedrijf kan zich er schriftelijk toe verbinden de door zijn voorganger aangegane verplichtingen verder na te komen . In dit geval behoudt laatstgenoemde de reeds betaalde bedragen van de premie ... In het tegenovergestelde geval worden de reeds uitgekeerde bedragen door de voorganger terugbetaald ." Krachtens artikel 11, lid 1, ten slotte nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om de reeds uitgekeerde premies terug te vorderen ingeval de vastgestelde verbintenissen niet zijn nagekomen .

Verordening nr . 1307/77 van de Commissie ( PB 1977, L 150, blz . 24 ) bevat een gedetailleerde regeling voor de toepassing van het premiestelsel . Artikel 8, lid 1, bepaalt dat, indien de begunstigde niet ten genoegen van de bevoegde instantie aantoont dat hij de in artikel 2 ... van verordening ( EEG ) nr . 1078/77 vastgestelde voorwaarden vervult, de Lid-Staten "alle passende maatregelen om de reeds uitgekeerde premiebedragen terug te vorderen" treffen . Artikel 8, lid 4, van de Engelse versie luidt als volgt : "Where the recipient of a premium intends to transfer his holding, or part thereof, to another person, he shall first notify the competent authority and indicate to what extent, if any, the transferee is to take over his obligations under the premium scheme ... If necessary the competent authority shall recover all sums already paid to the transferor ." ( 1 )

De zevende overweging van verordening nr . 1307/77 ( waarin wordt verwezen naar zaak 4/68, Schwarzwaldmilch, Jurispr . 1968, blz . 525, en zaak 11/70, Internationale Handelsgesellschaft mbH, Jurispr . 1970, blz . 1125, r.o . 23 ) zegt dat, indien de uit de premieregeling voortvloeiende verplichtingen niet worden nagekomen, de reeds uitgekeerde premiebedragen teruggevorderd moeten worden, doch dat het voor enige gevallen en met name voor die waarin de begunstigde, wegens abnormale, buiten zijn toedoen ingetreden omstandigheden, waarvan de gevolgen slechts ten koste van onevenredig grote offers door hem te vermijden waren geweest, tijdelijk of bij voortduring niet in staat is om zijn verplichtingen na te komen, gerechtvaardigd lijkt de mogelijkheid tot tijdelijke of blijvende vrijstelling te openen .

Artikel 10, lid 1, van de verordening luidt als volgt : "De Lid-Staten kunnen bepalen dat in geval van overmacht bij niet-nakoming van de uit de premieregeling voortvloeiende verplichtingen de reeds betaalde premiebedragen niet teruggevorderd worden en eventueel het tijdvak van het niet in de handel brengen ... voor een bepaalde tijd geschorst en overeenkomstig verschoven wordt . De leden 2 en 3 van artikel 10 beschrijven elk drie situaties waarin respectievelijk de niet-terugvordering en de schorsing van de relevante periode gerechtvaardigd kunnen zijn . Artikel 10, lid 4, ten slotte verlangt van de Lid-Staten dat zij de Commissie de gevallen van overmacht meedelen die door hen als zodanig zijn erkend .

Verordening nr . 1307/77 is gewijzigd bij verordening nr . 1391/78 ( PB 1978, L 167, blz . 45 ). De in casu relevante bepalingen zijn indentiek met die van verordening nr . 1307/77, behalve dat in de artikelen 9, leden 1 en 4, van verordening nr . 1391/78 de term "producer" in de plaats komt van de term "recipient of a premium" ( 2 ) in artikel 8, leden 1 en 4, van verordening nr . 1307/77 en dat in artikel 12, lid 1, van verordening 1391/78 de zinsnede "als gevolg van overmacht die zich voordoet na de dag van goedkeuring van de premieaanvraag" in de plaats komt van de zinsnede "in geval van overmacht" in artikel 10, lid 1 van verordening 1307/77 .

Ten slotte is artikel 12 van verordening nr . 1391/78 bij artikel 1, lid 1, van verordening nr . 1799/79 van de Commissie ( PB 1979, L 206, blz . 12 ) door een nieuwe tekst vervangen . Het gewijzigde artikel 12, lid 1, luidt als volgt :

"Wanneer een begunstigde ... als gevolg van overmacht die zich voordoet na de dag van goedkeuring van de premieaanvraag, niet in staat is, of slechts ten koste van onevenredig grote offers in staat zou zijn, een uit de premieregelingen voortvloeiende verplichting na te komen, bepaalt de betrokken Lid-Staat welke maatregelen hij noodzakelijk acht op grond van de aangevoerde omstandigheid .

Deze maatregelen kunnen naar gelang van het geval voorzien in uitstel van het begin van de periode voor het niet in de handel brengen, ..., of in de schorsing van de verplichtingen gedurende een bepaald tijdsbestek binnen deze periode en niet-terugvordering van de reeds uitgekeerde premies die zouden moeten worden terugbetaald overeenkomstig artikel 9, lid 1" ( cursivering van mij ).

Krachtens artikel 12, lid 2, kunnen "onverminderd de in afzonderlijke gevallen in aanmerking te nemen concrete omstandigheden" de zes in de vorige verordening vermelde situaties een van de in lid 1 genoemde maatregelen rechtvaardigen . Artikel 12, lid 3, handhaaft het vereiste, dat de Lid-Staten de Commissie de gevallen van overmacht moeten meedelen die zij als zodanig erkennen .

Met zijn eerste vraag aan het Hof wenst de verwijzende rechter te vernemen of het begrip "opvolger" in artikel 6, lid 1, van verordening nr . 1078/77 en het begrip "afstaan" in artikel 8, lid 4, van verordening nr . 1307/77 en in artikel 9, lid 4, van verordening nr . 1391/78 ook doelen op de situatie waarin een landbouwbedrijf door executoriale verkoop van eigenaar verandert . Geen van deze beide begrippen wordt in de verordeningen gedefinieerd .

Artikel 6, lid 1, van verordening nr . 1078/77 lijkt in alle taalversies nogal algemeen te zijn geformuleerd en de objectieve vraag aan de orde stellen, of een landbouwbedrijf in feite is overgedragen . De Engelse tekst spreekt over "any person who takes over an agricultural holding", de Franse over "tout successeur à une exploitation agricole", de Duitse over "jeder Betriebsnachfolger" en de Deense over "ehnver, der overtager en landbrugsbedrift ". ( 3 ) Verweerder in het hoofdgeding en de Commissie, in haar opmerkingen, betogen dat de gebezigde term (" overtager ") een ruime betekenis heeft, hetgeen in overeenstemming zou zijn met de andere genoemde taalversies .

In de twee verordeningen van de Commissie is de toestand minder duidelijk . Volgens de Engelse tekst moet de begunstigde ( of producent ) mededeling doen indien hij "intends to transfer his holding ". Dit zou vrijwilligheid van de overdrager impliceren, zodat overdracht door executoriale verkoop daarvan uitgesloten is .

In de Deense tekst is een formulering gebruikt die - naar mij is meegedeeld - aangeeft dat het om een vrijwillige overdracht gaat (" Hvis den begunstigede helt eller delvis overdrager sin bedrift til andre ..."); in verordening nr . 1391/78 is een neutralere formulering gebruikt (" Hvis producenten helt eller delvis afstaar sin bedrift til en ander ...").

De Franse tekst spreekt van "si le producteur cède son exploitation ... à des tiers il communique ce fait à l' avance" en de overige taalversies lijken hiermee overeen te komen . ( 4 ) Ook dit zou vrijwilligheid van de overdrager impliceren; hij zou die mededeling alleen van tevoren kunnen doen, indien hij het bedrijf vrijwillig overdraagt en niet wanneer de overdracht het gevolg is van een executoriale verkoop . Ik ben het daarmee niet eens . Bij overdracht of cessie, ongeacht of deze vrijwillig geschiedt of niet, moet mededeling worden gedaan . Indien de executoriale verkoop bij vonnis wordt gelast, moet de producent meedelen dat de overdracht door executoriale verkoop zal geschieden . Anders zou mijns inziens de verordening van de Commissie kennelijk ten doel hebben, de werking van de verordening van de Raad te beperken, hetgeen onmogelijk is . Ik denk dat de Engelse versie als volgt dient te worden gelezen : "If the producer is about to transfer ". Tenzij zij aldus wordt gelezen lijkt de Engelse versie mij in strijd met de overige versies . Zij moet zo worden gelezen, dat zij in overeenstemming is met de overige versies .

In zaak 109/84 ( von Menges, Jurispr . 1985, blz . 1289, r.o . 15 ) overwoog het Hof : "Het doel, de melkoverschotten te verminderen of althans de toename ervan te verhinderen, vereist dat de aan de premie-ontvangers opgelegde verplichtingen aldus worden uitgelegd dat zij de verwezenlijking van dit doel zoveel mogelijk ten goede komen" ( zie ook zaak 77/79, Damas, Jurispr . 1980, blz . 247, r.o . 6 en 7, die betrekking had op een eerder bestaand premiestelsel, dat sterk op het huidige gelijkt ). Indien de verordening niet op die manier wordt gelezen, zou zij mijns inziens voor "gearrangeerde" overdrachten kunnen worden gebruikt, en wel door een rechterlijke uitspraak uit te lokken om op die manier de meldingsplicht en ook de verplichting tot terugbetaling van de premies te ontduiken . Bijgevolg meen ik dat de juiste uitlegging is, dat elke vorm van overdracht, dus ook overdracht door executoriale verkoop, onder de verordening valt .

Met betrekking tot de tweede vraag - of een executoriale verkoop een geval van overmacht vormt - is het mogelijk dat de verzachting die is voorzien in artikel 12, zoals gewijzigd bij verordening nr . 1799/79, en op grond waarvan de premies niet behoeven te worden teruggevorderd, enkel mogelijk is wanneer uitstel is verleend voor het begin van de periode tijdens welke geen melk en zuivelprodukten in de handel mogen worden gebracht, of de verplichtingen gedurende een bepaald tijdvak binnen deze periode zijn opgeschort .

Hoe dit ook zij, mijn inziens valt de executoriale verkoop niet onder één van de specifieke situaties, vermeld in artikel 12 . De "gedwongen verkoop" ziet op de omstandigheden waaronder een nationale instantie het landbouwbedrijf overneemt, bij voorbeeld op grond van wettelijke bevoegdheden . Mijns inziens kan dit begrip niet worden uitgebreid tot de executoriale verkoop op verzoek van de crediteuren . In dit verband zij opgemerkt, dat geen enkele Lid-Staat de Commissie heeft meegedeeld, dat hij de bepaling inzake overmacht van toepassing acht op de executoriale verkoop .

Kan een dergelijke verkoop, als een situatie waarin de begunstigde slechts ten koste van onevenredig grote offers in staat is zijn verplichtingen na te komen, onder de algemene verwijzing naar het begrip overmacht in artikel 12, lid 1, vallen? Het Hof heeft gesteld, dat "het begrip overmacht moet worden opgevat in de zin van abnormale en onvoorziene omstandigheden buiten de wil van de betrokkene, waarvan de gevolgen ondanks alle zorgvuldigheid niet konden worden vermeden" ( zaak 266/84, Denkavit, Jurispr . 1986, blz . 149, r.o . 27 ). Met name in zaak 77/79 ( Damas ) overwoog het Hof, dat "de enige omstandigheden die een rechtvaardiging kunnen opleveren voor het niet-nakomen van de door de begunstigde aangegane verbintenis om geen melk en zuivelprodukten in de handel te brengen, die zijn welke onafhankelijk zijn van zijn wil, dat wil zeggen gevallen van overmacht ..." ( r.o.7 ).

De executoriale verkoop valt niet per se onder het hier beschrevene . Hij kan een gevolg zijn van financiële moeilijkheden, te wijten aan inefficiëntie of wanbeheer of aan vele andere redenen . Zoals de tweede vraag is geredigeerd moet zij mijns inziens ontkennend worden beantwoord . De financiële moeilijkheden die tot de rechterlijke uitspraak hebben geleid, kunnen in een bepaald geval echter rechtstreeks veroorzaakt zijn door een gebeurtenis die zelf wel onder de definitie van overmacht valt . In een dergelijk geval mogen de Lid-Staten mijns inziens artikel 12 van de verordening toepassen, en toestemming verlenen voor het uitstel, de schorsing of de niet-terugvordering van de uitbetaalde premies . Of in casu sprake is van een dergelijke situatie, blijkt niet uit de verwijzingsbeschikking .

Met zijn derde vraag wenst het Hoejesteret in wezen te vernemen, of de aan Jensen betaalde premie integraal moet worden teruggevorderd, dan wel of het evenredigheidsbeginsel van toepassing is, zodat enkel een terugbetaling kan worden gevorderd die evenredig is aan de periode tijdens welke de verplichtingen niet zijn nageleefd .

Artikel 6, lid 1, van verordening nr . 1078/77 zegt duidelijk, dat de als premie uitgekeerde bedragen integraal moeten worden terugbetaald, indien de toekenningsvoorwaarden niet gedurende de gehele periode van vijf jaar worden nageleefd . In de tekst van artikel 9 van verordening nr . 1391/78 is niet een gedeeltelijke niet-terugbetaling voorzien voor de periode tijdens welke de verplichtingen werden nageleefd .

Het feit dat de Commissie het in haar latere verordening nr . 1300/84 ( PB 1984, L 125, blz . 3 ) noodzakelijk achtte om in bepaalde gevallen uitdrukkelijk te voorzien in een verlaging van het premiebedrag dat tijdens de eerste zes maanden van de periode van het niet in de handel brengen, respectievelijk van de omschakeling, dient te worden terugbetaald, pleit voor het standpunt dat in de regel proportionele terugbetaling van de reeds betaalde premie niet mogelijk is .

In het feit dat de premie voor het niet in de handel brengen krachtens artikel 4, lid 1, van verordening nr . 1078/77 in drie schijven wordt betaald, kan mijns inziens evenmin steun worden gevonden voor het argument dat bij niet-naleving van de verplichting slechts een gedeelte van de ontvangen premie moet worden terugbetaald . Zowel uit de vijfde overweging van de considerans als uit artikel 4, lid 1, zelf blijkt dat de premie in verschillende gedeelten wordt uitbetaald om de controle op de inachtneming van de uit de betrokken toezeggingen voortvloeiende verplichtingen te vergemakkelijken, en dat zulks niet afdoet aan de verplichting om bij niet-naleving van de overeenkomst de ontvangen premie terug te betalen .

Verdraagt de bepaling die kennelijk de volledige terugbetaling voorschrijft, zich met het evenredigheidsbeginsel, dat wil zeggen, beantwoordt zij aan het belang van het te bereiken doel, en is zij noodzakelijk om dat doel te bereiken ( zaak 266/84, Denkavit, r.o . 17 )?

Uit de arresten in de zaken 66/82, Fromançais ( Jurispr . 1983, blz . 395, r.o . 8 tot en met 14 en 18 ), 147/81, Merkur Fleisch-Import GmbH ( Jurispr . 1982, blz . 1389, r.o . 11 en 12 ), 272/81, Société RU-MI ( Jurispr . 1982, blz . 4167, r.o . 14 ) en 273/81, Société laitière de Gacé ( Jurispr . 1982, blz . 4193 ) blijkt, dat wanneer het nagestreefde doel deel uitmaakt van de algemene doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of van fundamenteel belang is voor de goede werking ervan, bepalingen die tot hetzelfde resultaat leiden wanneer de begunstigde geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft om de verrichting waartoe hij zich heeft verbonden, uit te voeren ( of om die verrichting binnen de gestelde termijn uit te voeren ) in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel kunnen worden geacht .

Daarom dienen de doelstellingen te worden onderzocht van de bij verordening nr . 1078/77 ingevoerde regeling betreffende het stelsel van premies voor het niet in de handel brengen en de omschakeling . Uit de overwegingen 1 tot en met 6 van de verordening blijkt, dat het dringend noodzakelijk was de melkoverschotten te verminderen, door bij wege van het uitbetalen van een premie bepaalde categorieën landbouwbedrijven ertoe aan te sporen om de melkproduktie voor een bepaalde periode stop te zetten : vijf jaar voor de premie voor het niet in de handel brengen en vier jaar voor de omschakelingspremie . Het is duidelijk dat, indien een producent enkel het gedeelte van de door hem reeds ontvangen premie zou verliezen, dat overeenstemt met de periode tijdens welke de verplichtingen niet zijn nageleefd, dit voor een landbouwer geen of nagenoeg geen stimulans zou zijn om buiten de markt voor melk of melkprodukten te blijven tijdens de periode waarvoor hij zich aanvankelijk had verbonden . Het premiestelsel kan in mijn ogen enkel het gewenste economische effect hebben, wanneer de sanctie voor de niet-naleving van de overeenkomst substantieel is, namelijk het verlies van de totale reeds ontvangen premie . Mijns inziens is het niet in de handel brengen gedurende de gehele periode van vijf jaar in casu, evenals in zaak 77/79 ( Damas ), een wezenlijk en fundamenteel criterium voor de toekenning van de premie .

De vraag of, gelijk in bepaalde omstandigheden gerechtvaardigd kan lijken, een Lid-Staat of een nationale rechterlijke instantie mag of kan verlangen dat bij executoriale verkoop de reeds betaalde premie wordt terugbetaald door middel van inhouding op de opbrengst van de verkoop, in plaats van rechtstreeks door de vorige producent, moet volgens het nationale recht worden beoordeeld; zij lijkt mij niet binnen het kader van de onderhavige verwijzing te vallen .

Bijgevolg kan mijns inziens onmogelijk worden geconcludeerd, dat slechts een deel van de premie moet worden terugbetaald .

Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vragen van de nationale rechterlijke instanties te beantwoorden als volgt :

"1 ) De begrippen 'opvolger' in artikel 6, lid 1, van verordening nr . 1078/77 van de Raad en 'afstaan' in artikel 8, lid 4, van verordening nr . 1307/77 van de Raad en in artikel 9, lid 4, van verordening nr . 1391/78 van de Commissie moeten aldus worden uitgelegd, dat daarmee ook wordt gedoeld op het geval waarin een landbouwbedrijf via executoriale verkoop van eigenaar verandert .

2 ) De situatie waarin een landbouwbedrijf via executoriale verkoop van eigenaar verandert, valt op zich niet onder de overmachtsbepaling van artikel 12 van verordening nr . 1391/78 van de Commissie, zoals gewijzigd bij artikel 1 van verordening nr . 1799/79 van de Commissie . Bij het onderzoek van zulk een eigendomsoverdracht mogen de Lid-Staat en de nationale rechter evenwel de gebeurtenissen die tot de executoriale verkoop hebben geleid, onderzoeken ten einde na te gaan of één van die gebeurtenissen niet op zich een geval van overmacht vormt, dat rechtstreeks tot de executoriale verkoop heeft geleid . Zo dit het geval is, kunnen de bepalingen betreffende de niet-terugvordering van de premie worden toegepast .

3 ) De artikelen 6, lid 1, en 11, lid 1, van verordening nr . 1078/77 van de Raad en artikel 9, lid 1, van verordening nr . 1391/78 van de Commissie, volgens welke de Lid-Staten de nodige maatregelen treffen om de reeds uitgekeerde premiebedragen terug te vorderen, moeten niet aldus worden uitgelegd, dat enkel een terugbetaling kan worden gevorderd die evenredig is aan de periode waarin de uit de premieregeling voortvloeiende verplichtingen niet zijn nageleefd . In zodanig geval moet het bedrag der reeds betaalde premies integraal worden terugbetaald ."

De nationale rechterlijke instantie heeft te belissen over de door het Deense Ministerie van Landbouw als partij in het hoofdgeding gemaakte kosten . Jensen heeft geen opmerkingen ingediend bij het Hof en was ter terechtzitting niet vertegenwoordigd . Voor zover hij niettemin kosten heeft gemaakt, dient ook hierover de nationale rechterlijke instantie te beslissen . De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen .

(*) Vertaald uit het Engels .

( 1 ) Nvdv . De Nederlandse versie luidt als volgt :

"Indien de begunstigde zijn bedrijf geheel of gedeeltelijk afstaat aan andere personen, deelt hij dit van te voren aan de voor de premieregeling bevoegde instantie mede en toont eventueel aan, in hoeverre de opvolger de uit de premieregeling voortvloeiende verplichtingen overneemt ... Eventueel worden de aan de begunstigde uitgekeerde bedragen weer teruggevorderd ."

( 2 ) Nvdv : In de Nederlandse versie wordt in beide gevallen het woord begunstigde gebezigd .

( 3 ) Nvdv : In het Nederlands : elke opvolger op het bedrijf

( 4 ) Nvdv . Voor de Nederlandse versie gaat dit inderdaad op : Indien de begunstigde ( producent ) zijn bedrijf ... aan derden afstaat deelt hij dit van te voren mee .