61987C0171

Conclusie van advocaat-generaal Mischo van 13 december 1990. - CANON INC TEGEN RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - ANTI-DUMPINGRECHT OP FOTOKOPIEERAPPARATEN VOOR GEWOON PAPIER VAN OORSPRONG UIT JAPAN. - ZAAK C-171/87.

Jurisprudentie 1992 bladzijde I-01237


Conclusie van de advocaat generaal


++++

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

1. De zaak die ik in deze conclusie behandel, maakt deel uit van een reeks van acht beroepen tot nietigverklaring, die Japanse producenten van fotokopieerapparaten voor gewoon papier (plain paper copiers, hierna:"PPC' s") hebben ingesteld tegen verordening (EEG) nr. 535/87 van de Raad van 23 februari 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan(1) (hierna: "bestreden verordening" of "definitieve verordening").

2. In de arresten van 14 maart 1990 (zaak C-150/87, Nashua, Jurispr. 1990, blz. I-719 en zaak C-156/87, Gestetner, Jurispr. 1990, blz. I-781) heeft het Hof reeds twee beroepen tot nietigverklaring van dezelfde verordening afgewezen, die waren ingesteld door niet-Japanse ondernemingen die zelf geen PPC' s produceren, doch onder hun eigen merk PPC' s verkopen die door andere ondernemingen worden vervaardigd. De feitelijke en juridische context zijn het Hof dus bekend, zodat ik daarop slechts hoef terug te komen voor zover dat noodzakelijk is voor mijn redenering. De door verzoekster in de onderhavige zaak, Canon Inc. (hierna: "Canon") aangevoerde middelen en argumenten zal ik onderzoeken in de volgorde waarin zij in het rapport ter terechtzitting zijn vermeld.

A - De berekening van de normale waarde

3. Canon bekritiseert de berekening van de normale waarde vanuit twee verschillende gezichtspunten, die beide berusten op een vergelijking van de methodes die de Raad, verweerder, heeft toegepast voor enerzijds de berekening van de normale waarde op basis van hoofdstuk B, en met name artikel 2, leden 3, 4 en 7, van verordening (EEG) nr. 2176/84 van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap(2) (hierna: "basisverordening"), en anderzijds de berekening van de uitvoerprijs op basis van artikel 2, lid 8, van dezelfde verordening. Aangezien daarnaast een ander middel van Canon betrekking heeft op de correcties die de Raad overeenkomstig hetzelfde artikel 2, leden 9 en 10, heeft of had moeten toepassen voor een "deugdelijke vergelijking" tussen de normale waarde en de uitvoerprijs, lijkt het mij nuttig, vooraf te herinneren aan 's Hofs rechtspraak(3), dat

"er drie reeksen onderling verschillende regels bestaan, die elk afzonderlijk moeten worden geëerbiedigd"(4)

en meer in het bijzonder dat

"voor de geldigheid van de in artikel 2, lid 9, voorziene vergelijking dus niet als voorwaarde kan worden gesteld, dat de normale waarde en de uitvoerprijs volgens identieke methoden moeten zijn berekend".(5)

4. Voorts volgt uit de "kogellager"-arresten van 7 mei 1987 (zie inzonderheid het arrest Nachi Fujikoshi, zaak 255/84, Jurispr. 1987, blz. 1861, r.o. 17 en 32) enerzijds, dat artikel 2, lid 9, de correcties aangeeft die op de normale waarde en de uitvoerprijs kunnen worden aangebracht nadat deze volgens de daartoe voorziene methoden zijn berekend, en anderzijds, dat de in artikel 2, lid 10, sub c, voorziene correcties, die zich zowel naar doel als naar toepassingsvoorwaarden onderscheiden van de in voorkomend geval overeenkomstig de artikelen 2, lid 3, sub b, ii, of 2, lid 8, sub b, aangebrachte correcties, plaatsvinden aan de hand van objectieve criteria die overeenkomen met de bijzondere kenmerken van de betrokken markten, die een verschillende weerslag op de verkoopsvoorwaarden hebben en dus de vergelijkbaarheid van de prijzen beïnvloeden.

5. 1. Canon betoogt, dat de instellingen artikel 2, lid 3, van de basisverordening hebben geschonden, door de normale waarde vast te stellen in een handelsstadium dat niet vergelijkbaar is met het handelsstadium dat zij voor de samenstelling van de uitvoerprijs in aanmerking hebben genomen.

6. Volgens genoemd artikel is de normale waarde

"de vergelijkbare prijs die bij normale handelstransacties is of moet worden betaald voor een soortgelijk produkt dat bestemd is voor verbruik in het land van uitvoer of het land van oorsprong" (sub a),

of de vergelijkbare prijs van een soortgelijk produkt wanneer dit naar een derde land wordt uitgevoerd, of een aangenomen waarde,

"wanneer op de binnenlandse markt van het land van uitvoer of van oorsprong geen verkoop van een soortgelijk produkt in het kader van normale handelstransacties plaatsvindt of indien dergelijke verkopen geen bruikbare vergelijking mogelijk maken" (sub b).

7. Voor zover verzoekster in dit eerste middel betoogt, dat de Raad bij de samenstelling van de uitvoerprijs rekening heeft gehouden met de relaties tussen Canon en haar Europese dochterondernemingen, terwijl hij de normale waarde niet op basis van de transacties tussen Canon en haar Japanse verkoopsmaatschappij, Canon Sales Company (hierna: "CSC") zou hebben vastgesteld, wil ik om te beginnen erop wijzen, dat de Raad zich bij de berekening van de uitvoerprijs in feite niet op de relaties tussen Canon en haar Europese dochterondernemingen heeft gebaseerd. Uit paragraaf 15 van de bestreden verordening blijkt duidelijk, dat als de Raad er al rekening mee heeft gehouden, hij dat alleen heeft gedaan om op basis daarvan te constateren, dat de tussen de Japanse exporteur en zijn Europese dochteronderneming toegepaste overdrachtsprijs weinig betrouwbaar was. Daarom heeft de Raad besloten, de uitvoerprijs samen te stellen

"op de grondslag van de prijs waartegen het produkt voor het eerst aan een onafhankelijke koper wordt verkocht",

met toepassing van de in artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening voorziene correcties. De Raad heeft de uitvoerprijs dus samengesteld op basis van de verkoopprijs van Canons Europese dochterondernemingen op de communautaire markt, net zoals hij de normale waarde heeft berekend op basis van de verkopen van Canons Japanse dochteronderneming op de Japanse markt.

8. Ten slotte, voor zover verzoekster in dit eerste middel aanvoert, dat de Raad aldus bij de berekening van de normale waarde niet is uitgegaan van "vergelijkbare" verkopen of van verkopen die een "bruikbare vergelijking" mogelijk maken, zoals artikel 2, lid 3, sub a en b, van de basisverordening voorschrijft, en dat hij onder die omstandigheden de normale waarde had moeten samenstellen op basis van het bepaalde sub b, in plaats van overeenkomstig sub a de prijzen van CSC te gebruiken, stel ik vast, dat het Hof een soortgelijk argument reeds heeft afgewezen in het arrest Canon van 5 oktober 1988. In dat arrest overwoog het Hof met name, dat voor de berekening van de normale waarde in de eerste plaats artikel 2, lid 3, sub a, moet worden toegepast en dat de oplossing sub b slechts subsidiair is (r.o. 11); het voegde daaraan toe, dat

"aan de in artikel 2, lid 3, sub a, gestelde eis van vergelijkbaarheid is voldaan, wanneer de normale waarde en de uitvoerprijs beide zijn vastgesteld uitgaande van de eerste verkoop aan een onafhankelijke koper",

en dat

"de vergelijking derhalve tussen de aldus berekende cijfers moet worden verricht, onverminderd de in artikel 2, leden 9 en 10, uitdrukkelijk voorziene correcties en verminderingen" (r.o. 19).

9. Zoals reeds gezegd, zijn in de onderhavige zaak zowel de normale waarde als de uitvoerprijs daadwerkelijk vastgesteld op basis van de eerste verkoop aan een onafhankelijke koper. Verzoeksters argument, dat de aldus vastgestelde normale waarde bepaalde door CSC gedragen kosten omvat die niet in de uitvoerprijs zijn opgenomen wegens de rol van Canons Europese dochterondernemingen bij de verkoop op de communautaire markt, sluit logisch gezien dan ook aan bij het middel betreffende de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs, zoals die is geregeld in artikel 2, leden 9 en 10. Ik kom hierop later nog terug.

10. Binnen de context van artikel 2, lid 3, kan het feit, dat bovenbedoelde kosten in de normale waarde zijn opgenomen, slechts worden bekritiseerd, indien de Raad de normale waarde niet op basis van de door CSC aan onafhankelijke kopers op de Japanse markt in rekening gebrachte prijzen mocht vaststellen.

11. In voormeld arrest van 5 oktober 1988 overwoog het Hof evenwel uitdrukkelijk, dat de door de eerste onafhankelijke koper van het produkt betaalde prijzen terecht kunnen worden beschouwd als de in het kader van normale handelstransacties werkelijk betaalde prijzen in het land van uitvoer of van oorsprong, en dus mogen worden gebruikt om overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub a, de normale waarde te berekenen (r.o. 12).

12. Bovendien verklaarde het Hof in het arrest Silver Seiko van dezelfde datum (gevoegde zaken 273/85 en 107/86, Jurispr. 1988, blz. 5927):

"De scheiding van produktie- en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige vennootschappen bestaat, doet niets af aan het feit, dat het gaat om één enkele economische eenheid, die op deze wijze activiteiten verricht, die in andere gevallen worden verricht door een organisatie die ook juridisch een eenheid vormt" (r.o. 13).

Daaruit concludeerde het Hof:

"Op grond van deze vaststellingen moet worden geconcludeerd, dat door de prijzen van de geassocieerde distributeur in aanmerking te nemen, kan worden voorkomen, dat kosten die duidelijk een bestanddeel van de verkoopprijs van een produkt vormen, wanneer dit produkt wordt verkocht door een verkoopafdeling binnen de organisatie van de producent, niet aldus worden gezien, wanneer dezelfde verkoopactiviteit wordt verricht door een juridisch zelfstandige, maar economisch door de producent gecontroleerde vennootschap" (r.o. 14).

13. In een ander arrest van dezelfde datum, TEC (reeds aangehaald), formuleerde het Hof in verband met de opneming van verkoopkosten in de aangenomen normale waarde dezelfde gedachte als volgt:

"Het zou echter discriminerend zijn, indien kosten die noodzakelijkerwijs in de verkoopprijs van een produkt moeten worden verwerkt, wanneer dit wordt verkocht door een verkoopafdeling binnen de organisatie van de producent, niet meer werden meegeteld, wanneer dat produkt wordt verkocht door een juridisch zelfstandige, maar economisch door de producent gecontroleerde vennootschap" (r.o. 29).

14. Naar verzoekster evenwel zelf zegt, is CSC

"een distributeur met een zelfde functie als de Europese distributeurs van Canon" (punt 25 van het verzoekschrift),

die onder de economische controle staat van Canon, haar meerderheidsaandeelhoudster. CSC verricht dus taken die in de regel door een bedrijfsinterne verkoopafdeling van de producent worden verricht. In het arrest Canon van 5 oktober 1988 (r.o. 39) kwam het Hof tot dezelfde vaststelling. In die zaak ging het om een anti-dumpingrecht op de invoer van elektronische schrijfmachines, derhalve andere apparaten dan in de onderhavige zaak. Alleen al op grond van deze vaststelling kan het argument worden afgewezen, dat verzoekster meent te kunnen ontlenen aan het feit dat CSC ook als verkoopafdeling voor andere produkten dan PPC' s en voor andere ondernemingen dan Canon werkt. In het arrest TEC (r.o. 33) en in het arrest Sharp (zaak 301/85, Jurispr. 1988, blz. 5813, r.o. 13) van dezelfde datum erkende het Hof uitdrukkelijk, dat de instellingen bij de samenstelling van de normale waarde rekening mogen houden met de kosten van dochtermaatschappijen die andere produkten verkopen dan die waarop het anti-dumpingonderzoek betrekking heeft.

15. Onder die omstandigheden concludeer ik, dat de Raad terecht CSC' s verkoopprijzen voor PPC' s op de Japanse markt als basis voor de normale waarde in de zin van artikel 2, lid 3, sub a, van de basisverordening heeft beschouwd en de desbetreffende verkoopkosten en administratieve en andere algemene uitgaven (hierna: "VAA-kosten") dus terecht niet heeft uitgesloten van de normale waarde.

16. Ik wil daaraan toevoegen, dat nu deze prijzen dus terecht als "in het kader van normale handelstransacties" betaald zijn te beschouwen, ik niet meer behoef in te gaan op hetgeen partijen hebben betoogd over de toepasselijkheid van artikel 2, lid 7, van de basisverordening en de gevolgen die de eventuele toepassing van die bepaling op de keuze tussen artikel 2, lid 3, sub a of b, zou hebben gehad.

17. 2. Het merendeel van wat ik tot dusver heb betoogd, geldt niet alleen voor de berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub a, maar ook voor de samenstelling ervan overeenkomstig sub b, ii van dezelfde bepaling. Ik doel op het autonome karakter van de methodes voor de berekening van de normale waarde en de uitvoerprijs, evenals op de rechtmatigheid van de opneming van CSC' s VAA-kosten in de samengestelde normale waarde (zie dienaangaande het arrest TEC, r.o. 29). Bijgevolg faalt verzoeksters argument, dat de Raad voor de OEM-verkopen van Canon en voor drie onder haar eigen merknaam verkochte modellen een normale waarde zou hebben samengesteld die niet vergelijkbaar was met de uitvoerprijs omdat in de eerste wel en in de tweede niet de VAA-kosten van CSC, Canons verkoopafdeling, waren opgenomen.

18. Wat in het bijzonder de door verzoekster uitdrukkelijk vermelde reclameuitgaven betreft, die bij de samenstelling van de uitvoerprijs zijn afgetrokken van de prijs waartegen Canons Europese dochterondernemingen de PPC' s doorverkochten aan de eerste onafhankelijke koper in de Gemeenschap, wil ik daaraan toevoegen, dat uit het arrest Canon van 5 oktober 1988 (r.o. 19) duidelijk blijkt, dat wanneer deze aftrek terecht is toegepast, geen nieuwe correctie op basis van artikel 2, leden 9 en 10, van de basisverordening noodzakelijk is. Het Hof merkte immers op, dat uit artikel 2, lid 10, sub c, volgt, dat geen correcties worden toegepast

"voor verschillen in administratieve en algemene kosten, met inbegrip van de kosten voor (...) reclame."

Ik ben mij ervan bewust, dat deze bepaling doelt op verschillen in de reclameuitgaven voor de Japanse respectievelijk de communautaire markt, en niet de vraag betreft, of de reclameuitgaven van de normale waarde en/of de uitvoerprijs hadden moeten worden afgetrokken. Uit het voorgaande volgt evenwel, dat de Raad de uitgaven van CSC in de normale waarde mocht opnemen. De vraag nu, of de reclameuitgaven van Canons Europese dochterondernemingen terecht van de uitvoerprijs zijn afgetrokken, staat los van het probleem, of de normale waarde correct is samengesteld, maar hoort thuis bij het middel inzake de berekening van de uitvoerprijs.

19. Met betrekking tot Canons argument, dat de normale waarde van de drie modellen A, B en C, die Canon onder haar eigen merknaam verkocht, kunstmatig is opgedreven, doordat gebruik is gemaakt van niet bij die modellen passende winstmarges, sluit ik mij volledig aan bij de opmerkingen van de Raad. In het bijzonder heeft de Raad mijns inziens zijn beoordelingsbevoegdheid ter zake niet overschreden

- toen hij oordeelde, dat bepaalde produkten, met name het model C, "gedurende een vrij lange periode" en "in aanzienlijke hoeveelheden" met verlies waren verkocht, zodat hij deze verkopen mocht beschouwen als niet te hebben plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties, zoals bedoeld in artikel 2, lid 4, van de basisverordening, en dus voor deze produkten een aangenomen waarde mocht samenstellen;

- en evenmin toen hij als "redelijk bedrag voor winst" in de zin van artikel 2, lid 3, sub b, ii, bij de samenstelling van deze normale waarde is uitgegaan van de gemiddelde winst over alle Canon-modellen die in het kader van normale handelstransacties waren verkocht.

20. Daarbij komt, dat het volstrekt onbillijk zou zijn geweest, wel de gemiddelde winst te nemen voor de niet met verlies verkochte modellen, maar die niet toe te passen op de met verlies verkochte modellen, te meer daar bepaalde verlieslatende verkopen in de berekening van de gemiddelde winst zijn opgenomen (zie paragraaf 10, vierde alinea, van de bestreden verordening).

21. Ten slotte heeft de Raad onweersproken gesteld, dat indien Canons opvatting werd gevolgd, de dan verkregen dumpingmarge slechts zeer weinig zou verschillen van de voor Canon vastgestelde dumpingmarge van 26,6 %. Aangezien het percentage van het anti-dumpingrecht kleiner is dan dat van de definitieve dumpingmarge, namelijk 20 % van de nettoprijs franco grens Gemeenschap, wat voldoende werd geacht om de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap op te heffen, en aangezien dit percentage van 20 % voor alle exporteurs geldt voor wie een dumpingmarge gelijk aan of hoger dan dit percentage is vastgesteld (zie paragraaf 114 van de bestreden verordening), had dit minieme verschil in de dumpingmarge van Canon, door de Raad berekend op 0,02 %, weinig of geen invloed kunnen hebben op het vastgestelde anti-dumpingrecht. Canon heeft in ieder geval niet aangetoond, in hoeverre het betrokken verschil wijziging van het voor haar produkten vastgestelde anti-dumpingrecht noodzakelijk maakte.

22. Hetzelfde geldt voor model A, ten aanzien waarvan de Raad heeft toegegeven dat de normale waarde ten onrechte is samengesteld op basis van de onjuiste overweging, dat de verkopen van dit model op de Japanse markt qua omvang niet aan de in paragraaf 8 van de voorlopige en de definitieve verordening bedoelde 5 %-regel voldeden. Canon heeft ook hier niet betwist, dat deze vergissing slechts een minieme invloed - 0,3 % - op de dumpingmarge heeft gehad, en heeft daar zelfs zonder enig commentaar akte van genomen. Bijgevolg kan worden geconcludeerd, dat niet is aangetoond dat het anti-dumpingrecht wegens dit verschil moest worden aangepast.(6)

23. Wat model B aangaat, kan ik volstaan met te constateren, dat Canon de stelling van de Raad niet heeft weersproken, dat met dit model bij de berekening van de dumpingmarge geen rekening is gehouden omdat het in de Gemeenschap slechts in zeer kleine aantallen is verkocht.

24. Bijgevolg moet het middel betreffende de onjuiste berekening van de normale waarde in zijn geheel worden verworpen.

B - De berekening van de uitvoerprijs

25. Over het middel inzake de onjuiste berekening van de uitvoerprijs kan ik zeer kort zijn. In voormeld arrest van 14 maart 1990, Gestetner, heeft het Hof zich reeds uitgesproken over het geval waarin PPC' s in de Gemeenschap worden verkocht door tussenkomst van een dochteronderneming van de producent, die de orders van de afnemers behandelt, de facturering verzorgt en de betalingen ontvangt. Het Hof oordeelde, dat de Raad terecht artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening had toegepast en de uitvoerprijs had samengesteld op basis van de door de dochteronderneming aan de eerste onafhankelijke koper berekende prijs, onder aftrek van een redelijke marge voor algemene kosten en winst.

26. Wat in de zaak Gestetner voor de verkopen aan OEM-kopers (leveranciers van PPC' s die deze niet zelf produceren, doch onder hun eigen merknaam produkten verkopen die zij bij andere ondernemingen hebben aangekocht) gold, geldt in casu niet alleen voor Canons OEM-verkopen, maar ook voor haar verkopen via Canon Europa aan andere onafhankelijke kopers in Ierland, Denemarken en Griekenland. Voor al deze verkopen immers vervult Canon Europa, "hoewel zij het produkt niet officieel invoert, wel de voor een importerende dochteronderneming kenmerkende taken" (zie paragraaf 15, derde alinea, van de bestreden verordening). Canon Europa draagt dus kosten die tot een verlaging van het door de exporteur werkelijk ontvangen bedrag leiden, en die bijgevolg moeten worden afgetrokken van de door de eerste onafhankelijke koper betaalde prijs, wanneer deze prijs de basis voor de samenstelling van de uitvoerprijs vormt.

27. Uit het arrest Gestetner volgt eveneens, dat het feit dat de uitgaven van Canon Europa een activiteit vóór de invoer betreffen, de toepassing van artikel 2, lid 8, sub b, niet belet. Immers, deze bepaling spreekt weliswaar enkel van correcties voor alle kosten tussen de invoer en de wederverkoop, doch dat betekent niet, dat zij in de weg staat aan toepassing van de nodige correcties, wanneer de uitvoerprijs om andere redenen moet worden samengesteld (r.o. 33).

28. Ten slotte is evenmin als in de zaak Gestetner aangetoond, dat de aftrek voor de kosten en winst van Canon Europa, namelijk 5 % bij de OEM-verkoop en 15 % bij de verkoop aan andere onafhankelijke klanten, te groot was. Mitsdien moet het middel betreffende de berekening van de uitvoerprijs worden verworpen.

C - De vergelijking

29. Canon betoogt, dat de instellingen artikel 2, lid 10, sub c, van de basisverordening veel te restrictief hebben uitgelegd door te weigeren, de normale waarde te corrigeren voor alle kosten van CSC, voor de verschillen in het handelsstadium en voor bepaalde kosten die rechtstreeks in verband met de verkoop stonden, zoals de inruilkortingen, de vervoerskosten en de rechtstreekse uitgaven van het verkooppersoneel bij hun verkoopactiviteiten.

30. Wat het "handelsstadium" aangaat, voert Canon grotendeels dezelfde argumenten aan als ten aanzien van de berekening van de normale waarde: doordat de normale waarde is vastgesteld in het stadium van de verkoop door verkoopmaatschappijen, omvat zij kosten die niet in de uitvoerprijs zijn opgenomen, want deze is vastgesteld in het stadium van de verkoop aan de verkoopmaatschappijen. Ik kan hier dus verwijzen naar mijn opmerkingen betreffende de berekening van de normale waarde.

31. Ik wil daaraan toevoegen, dat het Hof in het arrest van 5 oktober 1988 (Canon) vaststelde, dat

"juist de eerste verkoop aan een onafhankelijke koper een correcte berekening van de normale waarde in het stadium 'af-fabriek' mogelijk maakt in het geval van een produktie- en verkooporganisatie als die Canon heeft opgezet op de Japanse markt" (r.o. 41).

32. Volgens artikel 2, lid 9, van de basisverordening nu moeten de uitvoerprijs en de normale waarde bij voorkeur worden vergeleken in het stadium "af-fabriek", zodat de instellingen in dat geval niet verplicht zijn om voor het handelsstadium correcties toe te staan (zie in die zin het arrest van 5 oktober 1988, Silver Seiko, r.o. 30). Bovendien bepaalt artikel 2, lid 10, sub c, dat voor verschillen in handelsstadium slechts correcties worden toegepast "voor zover hiermee niet op andere wijze rekening is gehouden".

33. Met betrekking tot de kosten van CSC bekritiseert Canon enerzijds de algemene weigering van de Raad om de aftrek te verrichten die nodig is om de normale waarde en de uitvoerprijs vergelijkbaar te maken, en anderzijds de weigering van verschillende specifieke correcties om redenen die Canon ongerechtvaardigd acht.(7)

34. In dit verband wil ik er om te beginnen aan herinneren, dat uit de "kogellager"-arresten van 7 mei 1987 volgt, dat de partij die om een correctie krachtens artikel 2, lid 10, van de basisverordening verzoekt, moet bewijzen dat haar verzoek gegrond is,

"dit wil zeggen dat het gestelde verschil een van de in artikel 2, lid 9, genoemde factoren betreft, dat dit verschil van invloed is op de vergelijkbaarheid van de prijzen en dat, wanneer het zoals in het onderhavige geval in het bijzonder gaat om verschillen in de verkoopsvoorwaarden, deze verschillen in rechtstreeks verband staan met de betrokken verkoop".(8)

Het volstaat dus niet, dat Canon in het algemeen stelt, dat de instellingen het begrip

"verschillen in de verkoopsvoorwaarden die in rechtstreeks verband staan met de betrokken verkoop"

te restrictief hebben uitgelegd door enkel rekening te houden met de verschillen die betrekking hebben op

"verplichtingen die uit een verkoopovereenkomst voortvloeien en die in de overeenkomst zelf of in de door de verkoper vastgestelde algemene verkoopsvoorwaarden zijn neergelegd" (zie paragraaf 26 van de voorlopige verordening, bevestigd in paragraaf 20 van de definitieve verordening).

Integendeel, Canon had voor ieder afzonderlijk geval moeten aantonen, dat de door haar aangevoerde verschillen daadwerkelijk bestonden, dat zij van invloed waren op de vergelijkbaarheid van de prijzen, en bovendien dat zij in rechtstreeks verband stonden met de betrokken verkoop.

35. In de tweede plaats volgt uit de paragrafen 17 en 18 van de definitieve verordening, dat de instellingen wel degelijk overeenkomstig artikel 2, leden 9 en 10, van de basisverordening correcties hebben toegepast voor verschillen die van invloed waren op de vergelijkbaarheid van de prijzen, met name wat betreft de verkoopsvoorwaarden,

"in die gevallen waarin de juistheid van beweringen omtrent een rechtstreeks verband tussen deze verschillen en de verkopen in kwestie afdoende kon worden aangetoond. Dit was het geval met betrekking tot verschillen in kredietvoorwaarden, garanties, commissies, salarissen van verkopers, kosten voor verpakking, vervoer, verzekering, lading, overlading en lossing en bijkomende kosten."

Canon heeft dit feit niet betwist, zodat moet worden aangenomen, dat de klacht over de algemene weigering om de nodige correcties toe te passen, niet alle VAA-kosten van CSC betreft, doch alleen de administratieve en algemene uitgaven.(9)

36. Zoals ik reeds heb gezegd, worden voor verschillen in administratieve en algemene kosten, daaronder begrepen de uitgaven voor onderzoek, ontwikkeling en reclame, "in het algemeen" geen correcties toegepast, aldus uitdrukkelijk artikel 2, lid 10, sub c. Opdat toch een correctie ter zake noodzakelijk was geweest, had Canon niet alleen het rechtstreeks verband met de betrokken verkopen moeten kunnen aantonen, maar bovendien het bestaan van een

"bijzondere omstandigheid ... die een afwijking van deze algemene regel zou kunnen rechtvaardigen".(10)

37. Samen met de Raad ben ik van mening, dat geen van beide door Canon aangevoerde elementen een dergelijke "bijzondere omstandigheid" oplevert.

38. Bij de bespreking van Canons eerste middel heb ik gezegd, dat de kosten van CSC met betrekking tot de verkoop van PPC' s op de Japanse markt rechtmatig in de normale waarde begrepen konden blijven (bij toepassing van artikel 2, lid 3, sub a, van de basisverordening) of daarin opgenomen konden worden (bij toepassing van dezelfde bepaling, sub b, ii), daar CSC bij die verkoop als een verkoopafdeling van Canon optreedt. Dit strookt met het doel van de regels voor de berekening van de normale waarde, namelijk vaststelling van de verkoopprijs van een produkt zoals die op de markt van het land van oorsprong of van uitvoer is of zou zijn, indien het betrokken produkt op die markt in het kader van normale handelstransacties werd verkocht.(11) Het zou in strijd met dit doel zijn, indien bepaalde kosten van die prijs werden uitgesloten op grond dat zij uitsluitend met de verkoop op die interne markt in verband zouden staan (en dus niet in de uitvoerprijs zouden zijn opgenomen).

39. Dat wordt niet anders door de vaststelling, dat CSC voor andere produkten en/of voor andere ondernemingen dezelfde taken verricht als voor de verkoop van Canons PPC' s. Voor zover dat het geval is, volstaat het de kosten van CSC zodanig te splitsen, dat alleen de kosten betreffende de verkoop van Canons PPC' s in de normale waarde worden opgenomen. In casu is dat gebeurd: uit paragraaf 12 van de voorlopige verordening, bevestigd door paragraaf 12 van de definitieve verordening, blijkt dat de instellingen ervoor hebben gezorgd dat de kosten in verband met het feit dat CSC nog andere taken verrichtte dan die van een verkoopafdeling van Canon, niet het aandeel van de kosten betreffende de verkoop van de PPC' s verhoogden; dit aandeel is op basis van het totale omzetcijfer van CSC berekend, wat artikel 2, lid 11, van de basisverordening uitdrukkelijk toelaat.

40. De door Canon gevraagde correctie voor inruilbetalingen heeft de Raad mijns inziens terecht geweigerd. In de eerst plaats immers geeft een inruilkorting in de regel enkel "de waarde (weer) die de gebruikte machine voor de betrokken exporteur heeft" (zie paragraaf 14 van de voorlopige verordening en punt 82 van het verweerschrift). In werkelijkheid verleent de exporteur niet echt een korting op de verkoopprijs, doch betaalt voor hetgeen hij terugneemt. Deze betaling verschilt dus duidelijk van gewone kortingen, zoals de uitdrukkelijk in artikel 2, lid 10, sub b, i, van de basisverordening genoemde hoeveelheidskortingen, die wegens het groot aantal verkochte produkten worden verleend en een daadwerkelijke verlaging van de prijs van deze produkten betekenen. Elke inruilkorting moet dan ook in beginsel worden opgenomen in de normale waarde zoals berekend overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening, aangezien de waarde van het ingeruilde apparaat een onderdeel vormt van de door de koper van het nieuwe produkt "werkelijk" betaalde of te betalen prijs. Was dat niet het geval, dan zou het probleem van de aftrek van de inruilkorting overeenkomstig artikel 2, lid 10, sub c, overigens niet rijzen.

41. In de tweede plaats betekent het feit dat de inruilkorting enkel bij verkoop van nieuwe apparaten wordt verleend niet automatisch, dat die betaling in rechtstreeks verband met de verkoop van die apparaten staat. Zoals de Raad in punt 59 van de dupliek stelt, houdt de inruilkorting daarentegen rechtstreeks verband met de inruil zelf, en slechts indirect met de verkoop, die ook zonder inruil kan plaatsvinden. De inruilkorting verschaft de producent/verkoper dus een bijkomend, van de verkoop van het nieuwe produkt losstaand voordeel, namelijk het voordeel dat terugname van het gebruikte apparaat voor hem betekent.

42. Mijns inziens blijft deze conclusie geldig, ongeacht de aard of de vorm van een dergelijk, van de verkoop losstaand voordeel. Het lijkt mij dan ook irrelevant, dat het voordeel dat de producent bij inruilkorting heeft, in casu niet in de wederverkoopprijs van de gebruikte apparaten is gelegen, (in Japan bestaat er immers geen tweedehandsmarkt voor PPC' s), maar in het nut dat hij ervan heeft, dat die apparaten uit de markt worden genomen en niet langer worden gebruikt. Zoals de Raad in paragraaf 13, tweede alinea, van de bestreden verordening opmerkt, brengt dit mee, dat

"de vraag naar nieuwe toestellen op het hoogst mogelijke peil wordt gehandhaafd, met prijzen die dus ook op hogere niveaus worden gehouden dan ingeval er een tweedehandsmarkt zou hebben bestaan".

Voorts

"leidt deze hogere vraag niet alleen tot hogere prijzen maar ook tot hogere produktieniveaus die normaliter moeten leiden tot schaalvergrotingsvoordelen en evenredig hogere winstniveaus".

43. Canon ontkent overigens niet, dat dit zo is, doch merkt op, dat het voordeel van de hogere prijzen volledig is verwerkt in de voor de berekening van de normale waarde gebruikte prijzen van de PPC' s. Het voordeel voor Canon is echter niet beperkt tot hogere prijzen voor nieuwe PPC' s bij ontbreken van een tweedehandsmarkt; het voortijdig uit de markt nemen van nog werkende machines resulteert tevens in handhaving van een hoog produktieniveau, gepaard gaande met aanzienlijke schaalvoordelen en hogere winstmarges.

44. Uit het voorgaande concludeer ik, dat nu de Raad heeft vastgesteld, dat

"de producent een waarde voor de inruilbetaling ontvangt die los staat van de waarde voor hem van de verkoop zelf (...) (en die) overeenstemt met de waarde (...) van het uit de markt nemen van het ingeruilde apparaat" (zie paragraaf 14 van de bestreden verordening),

hij de ter zake gevraagde correctie mocht weigeren.

45. Ik kom nu bij de correctie voor vervoerkosten, die Canon heeft gevraagd in verband met haar verkopen aan CSC. Blijkens paragraaf 17 van de bestreden verordening zijn correcties toegepast voor de verschillen in de vervoerkosten die van invloed waren op de vergelijkbaarheid van de prijzen,

"in die gevallen waarin de juistheid van beweringen omtrent een rechtstreeks verband tussen deze verschillen en de verkopen in kwestie afdoende kon worden aangetoond."

Aangezien de instellingen evenwel CSC terecht als een onderdeel van de economische eenheid Canon hebben beschouwd, en dus de normale waarde rechtmatig op basis van de eerste verkoop aan een onafhankelijke koper konden vaststellen, kon van de kosten van vervoer naar CSC niet worden gezegd, dat zij "rechtstreeks in verband stonden met de betrokken verkoop". In feite zijn het kosten voor intern vervoer en zijn ze nog vóór het stadium van de "betrokken verkoop" ontstaan. Voorts stelt verzoekster ten onrechte, dat door de weigering van een correctie voor de vervoerkosten de normale waarde niet tot het stadium "af-fabriek" is teruggebracht (zie punt 128 van de repliek). Immers, zoals ik in verband met de wegens de verschillen in het handelsstadium gevraagde correcties reeds heb gezegd, is de normale waarde, alleen al doordat de instellingen zijn uitgegaan van de eerste verkoop aan een onafhankelijke koper, in het stadium "af-fabriek" vastgesteld. Daaruit volgt dan weer, dat de vervoerkosten binnen de Canon-groep in een stadium vóór het aldus omschreven stadium "af-fabriek" zijn gemaakt, zodat correctie ervoor niet gerechtvaardigd is (zie voormeld arrest van 5 oktober 1988, Canon, r.o. 38-41).

46. De door de verkopers gedane uitgaven, namelijk reiskosten, parkeer- en verzekeringskosten voor hun voertuigen, en kosten voor verkoopopleiding, behoren tot de administratieve en algemene kosten, waarvoor in de regel, behoudens "bijzondere omstandigheden", geen correctie wordt verleend. Canon stelt weliswaar, dat voor dergelijke kosten op basis van identiek bewijsmateriaal een correctie is verleend in de elektronische schrijfmachines-zaak, die tot voormeld arrest van 5 oktober 1988 (Canon) heeft geleid, doch toont het bestaan van dergelijke "bijzondere omstandigheden" in de onderhavige zaak niet aan. Aangezien een eventuele correctie voor administratieve en algemene kosten een uitzondering op een volkomen algemeen gestelde regel vormt, die de instellingen bovendien een ruime beoordelingsbevoegdheid verleent, is het evident, dat daarvoor in het gegeven geval een rechtvaardigingsgrond moet bestaan. En zo ook is het feit dat de instellingen in eerdere zaken hebben vastgesteld, dat met name de reiskosten van het verkooppersoneel rechtstreeks verband met de verkoop hielden, nog geen bewijs, dat dit ook in casu het geval is. In het andere geval zouden de instellingen telkens precies moeten aangeven, waarom zij menen van een in andere zaken ingenomen standpunt te moeten afwijken, en zou de bewijslast worden omgekeerd; zoals reeds gezegd, rust de bewijslast ter zake echter op de partij die overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening om correctie verzoekt. Onder die omstandigheden concludeer ik dan ook, dat verzoekster geen bijzondere omstandigheden heeft aangetoond die een afwijking rechtvaardigden van de regel dat voor administratieve en algemene uitgaven geen correcties worden verleend, evenmin als een rechtstreeks verband tussen deze kosten en de betrokken verkopen.

47. Ik wil daaraan toevoegen, dat het bedrag van de uitgaven waarvoor om correctie wordt verzocht, zeer klein is, zodat een eventuele correctie weinig of geen invloed zou hebben op de voor Canon vastgestelde dumpingmarge en nog minder op het percentage van het anti-dumpingrecht.

48. Bijgevolg faalt ook het middel inzake de onjuiste vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs.

D - De schade

49. De argumenten die Canon aanvoert tot staving van het middel betreffende de onjuiste vaststelling van de schade door de instellingen, die zich niet op een volledige segmentering van de markt zouden hebben gebaseerd, zijn niet nieuw. Zij zijn in de loop van het onderzoek reeds aangevoerd en de Raad heeft ze uitdrukkelijk besproken in de paragrafen 28 en 31 van de bestreden verordening. Om het maar meteen te zeggen, Canon heeft mijns inziens in de procedure voor het Hof niet aangetoond, dat de Raad zich op materieel onjuiste feiten heeft gebaseerd of deze feiten kennelijk onjuist heeft beoordeeld, toen hij Canons argumenten om de aangegeven redenen verwierp.

50. Het zwakste punt in verzoeksters betoog is, dat het overwegend gebaseerd is op de marktaandelen van de communautaire producenten in de diverse categorieën PPC' s, van de personal copier (hierna: "PC") tot de apparaten van segment 5. Canon vertrekt immers van de vaststelling, dat klagers' marktaandelen tijdens de periode van 1982 tot 1984 in alle categorieën met uitzondering van segment 2 - in dit segment was slechts één communautaire producent, Rank Xerox, actief en die had de produktie van 1983 tot 1985 onderbroken - waren gestegen om te concluderen, dat de instellingen slechts op één manier schade konden vaststellen, namelijk door alle segmenten te zamen te beschouwen en de fotokopieerapparaten van alle segmenten als "soortgelijke produkten" in de zin van artikel 2, lid 12, van de basisverordening aan te merken.(12)

51. Dit is echter niet de methode die moet worden gevolgd om de schade vast te stellen, en die de instellingen in casu hebben toegepast. Artikel 4, lid 1, van de basisverordening luidt als volgt:

"Schade wordt slechts vastgesteld indien de invoer met dumping of subsidiëring (...) aanmerkelijke schade aan een gevestigde bedrijfstak van de Gemeenschap toebrengt (...) of een aanzienlijke vertraging bij de vestiging van een bedrijfstak meebrengt."

Ten einde na te gaan of dit het geval is, schrijft lid 4 van dat artikel voor:

"Het effect van de invoer met dumping of subsidiëring wordt geraamd ten opzichte van de produktie van het soortgelijke produkt in de Gemeenschap (...)"

Volgens artikel 4, lid 2, moeten in het kader van dat onderzoek verschillende factoren worden onderzocht, waaronder de invloed van de betrokken invoer op, onder meer, de marktaandelen van de betrokken communautaire bedrijfstak.

52. Ingevolge deze bepalingen moet dus eerst het begrip "produktie van het soortgelijke produkt in de Gemeenschap" worden omschreven; daarna kan worden nagegaan, of deze produktie aanmerkelijke schade heeft geleden ten gevolge van de dumping of de subsidiëring.

53. Ook volgt eruit, dat wanneer de instellingen als de in casu betrokken produktie terecht de produktie van PPC' s hebben aangemerkt, zonder te differentiëren naar segmenten, een eventuele stijging van het marktaandeel van de betrokken bedrijfstak tijdens de referentieperiode in een of ander segment geen argument kan opleveren. Met eenzelfde redenering verwierp het Hof in voormelde zaak Gestetner de klacht, dat Rank Xerox tot de bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 5, van de basisverordening was gerekend. In rechtsoverweging 56 van het arrest van 14 maart 1990 kende het Hof immers geen enkele relevantie toe aan het feit dat de toegevoegde waarde van de door Rank Xerox in het Verenigd Koninkrijk vervaardigde PPC' s met geringe capaciteit veel lager was dan die welke voor alle segmenten was vastgesteld, op grond dat de Raad in paragraaf 58 van de bestreden verordening terecht had opgemerkt, dat

"aangezien soortgelijke produkten in de procedure zijn gedefinieerd als alle fotokopieerapparaten, van personal copiers tot en met de in segment 5 van de Dataquest-indeling geclassificeerde toestellen, het onjuist zou zijn uitsluitend aan de hand van één model of een beperkt gamma modellen na te gaan of een producent in de Gemeenschap deel uitmaakt van de bedrijfstak van de Gemeenschap".

54. Is deze definitie van het begrip "soortgelijk produkt" van de Raad correct?

55. Het lijkt mij nuttig in deze erop te wijzen, dat voor de vaststelling van schade in de eerste plaats moet worden nagegaan, of er in de Gemeenschap "soortgelijke" produkten worden vervaardigd als die welke met dumping worden ingevoerd. In eerste instantie gaat het dus niet om de vraag, of verschillende types van een zelfde produkt, ongeacht hun oorsprong, als "soortgelijke produkten" zijn aan te merken, maar om vergelijking van de ingevoerde met de in de Gemeenschap vervaardigde produkten.

56. Verzoekster nu heeft niet betwist, dat er tijdens de referentieperiode in de Gemeenschap in alle segmenten, van de PC tot segment 5, PPC' s werden geproduceerd en dat de Japanse uitvoer de PPC' s tot en met segment 4 betrof. Daar zij zelf, net als de instellingen, van de door Dataquest gemaakte segmentering uitgaat en niet stelt dat bepaalde types van PPC' s niet in het "goede" segment zijn ingedeeld, moet worden geconcludeerd, dat er in de Gemeenschap wel degelijk een produktie bestond van "in alle opzichten gelijksoortige produkten" of ten minste, in het geval van lichte verschillen tussen sommige produkten van hetzelfde segment, van een

"produkt dat kenmerken vertoont die met de kenmerken van het betrokken produkt grote overeenkomst vertonen" (artikel 2, lid 12, van de basisverordening).

57. De enige vraag die men zich in dit verband kan stellen, is of het correct was de PPC' s van segment 5 in de definitie van "soortgelijk produkt" van de communautaire bedrijfstak op te nemen, nu er tijdens de referentieperiode in dit segment geen Japanse uitvoer van PPC' s had plaatsgevonden. Zoals de Raad terecht opmerkt (punt 104 van het verweerschrift), is dit echter veeleer een theoretisch probleem, daar hoe dan ook is vastgesteld, dat de PPC' s van segment 5 geen schade hadden geleden (paragrafen 79 en 80). Voorts heeft de Commissie in de voorlopige verordening uitdrukkelijk een standpunt ter zake ingenomen (paragrafen 37 en 38) en heeft de Raad, door in het algemeen de PPC' s van aangrenzende segmenten als "soortgelijke produkten" te beschouwen, impliciet bevestigd dat de (communautaire) PPC' s van segment 5 gelijksoortig zijn aan de (Japanse) PPC' s van segment 4.

58. Met betrekking tot de vraag, of de instellingen de schade wel ten opzichte van de totale communautaire produktie van PPC' s mochten ramen, van de PC tot de PPC' s van segment 5, wil ik om te beginnen eraan herinneren, dat het marktaandeel slechts één van de economische factoren is waarmee bij de beoordeling van de invloed van de invoer met dumping op de betrokken communautaire produktie rekening moet worden gehouden. Bovendien is de in artikel 4, lid 2, van de basisverordening vermelde lijst van economische factoren louter indicatief, zodat de instellingen niet telkens alle factoren behoeven te toetsen (in die zin het arrest van 5 oktober 1988, Canon, reeds aangehaald, r.o. 56). Ten slotte is de invloed die de invoer op de betrokken economische aspecten heeft gehad, op zijn beurt slechts één van de factoren waarmee bij de vaststelling van de schade rekening moet worden gehouden, naast de omvang en de prijs van de invoer (zie in die zin het arrest van 5 oktober 1988, gevoegde zaken 294/86 en 77/87, Technointorg, Jurispr. 1988, blz. 6077, r.o. 41). Daaruit volgt enerzijds, dat zelfs vergissingen in de beoordeling van de marktaandelen niet noodzakelijkerwijs tot een andere raming van de schade in haar geheel behoeven te leiden, en anderzijds, dat zelfs een stijging van het marktaandeel van de communautaire producenten niet noodzakelijkerwijs het bestaan van schade uitsluit.

59. Verder wil ik opmerken, dat de Raad nooit heeft gesteld, dat alle PPC' s "soortgelijke produkten" zijn. De Commissie heeft de moeite genomen dit duidelijk te maken in paragraaf 38 van de voorlopige verordening, en wel met de navolgende toevoeging:

"' personal' copiers en door een daartoe opgeleid persoon bediende toestellen van grote capaciteit met console zijn uiteraard geen 'soortgelijke produkten' ".

Maar ook al zijn niet alle PPC' s "soortgelijke produkten", zijn "op zijn minst" toch PPC' s van aangrenzende segmenten als zodanig aan te merken, aldus de Raad in paragraaf 31 van de bestreden verordening.

60. De overwegingen die de Raad tot die conclusie brachten, zijn terug te vinden in paragraaf 30 van de bestreden verordening. Zij lijken mij volstrekt valabel en berusten zeker niet op een kennelijke vergissing. Bij de beoordeling van de feiten zijn de instellingen overigens uitgegaan van de bevindingen van de onafhankelijke onderzoek- en adviesbureaus Dataquest en Info-Markt, die uitwijzen, enerzijds dat er geen duidelijke grenzen tussen de diverse segmenten bestaan, die elkaar soms gedeeltelijk overlappen omdat bepaalde PPC' s wegens bepaalde van hun technische karakteristieken en kenmerken in meer dan één segment kunnen worden ingedeeld, en anderzijds dat er tussen PPC' s van aangrenzende segmenten daadwerkelijk concurrentie bestaat.

61. Ook al kunnen er tussen PPC' s van verschillende segmenten, ja zelfs tussen PPC' s die tot hetzelfde segment behoren verschillen bestaan, in het bijzonder met betrekking tot de kopieersnelheid, dat neemt niet weg, dat de apparaten in wezen identieke functies hebben en fundamenteel aan dezelfde behoeften beantwoorden. De door verzoekster als zodanig niet weersproken vaststelling (zie punt 162 van de repliek), dat de koper veelal voor de keuze staat tussen het centraliseren dan wel decentraliseren van zijn fotokopieerinstallatie, dat wil zeggen één PPC met een grote capaciteit dan wel verschillende PPC' s met een kleine capaciteit te kopen, is voldoende bewijs daarvoor. Met haar stelling, dat

"het Japanse succes in zeer grote mate is toe te schrijven aan de ontwikkeling van marktsegmenten die door andere ondernemingen grotendeels werden genegeerd" (punt 144 van het verzoekschrift),

erkent Canon overigens impliciet, dat de ontwikkeling in bepaalde segmenten ten koste van andere segmenten kan gaan, al was het maar omdat daardoor afzetmogelijkheden verloren gaan die anders zouden hebben bestaan.

62. Dat geldt eveneens voor de personal copiers en de PPC' s van segment 1, zodat Canon niet kan staande houden, dat zij met de introductie van de door haar ontwikkelde PC een nieuwe markt heeft gecreëerd. De Raad merkt terecht op, dat Canon de bestaande markt voor PPC' s hooguit heeft verruimd en een grotere vraag naar PPC' s met een kleine capaciteit heeft gecreëerd. Volgens de cijfers van Canon is klagers' marktaandeel in het segment van de personal copiers overigens slechts van 0 tot 0,8 % gestegen, zodat het niet uitgesloten is, dat in dit afzonderlijke segment schade is ontstaan doordat de vestiging van de communautaire produktie aanzienlijk is vertraagd.

63. Onder die omstandigheden kon de Raad mijns inziens terecht concluderen, dat

"toestellen in aangrenzende segmenten voldoende gelijksoortig zijn om als 'soortgelijk' produkt in het kader van deze procedure te worden aangemerkt" (paragraaf 31 van de bestreden verordening).

Bijgevolg faalt het middel betreffende de onjuiste vaststelling van de schade.

E - Schending van wezenlijke vormvoorschriften

64. De klacht over een ontoereikende motivering is mijns inziens voor geen van de drie door Canon genoemde punten gegrond.

65. Om te beginnen betoogt Canon, dat om de normale waarde op basis van artikel 2, lid 3, sub a, van de basisverordening te kunnen berekenen, de instellingen uitdrukkelijk hadden moeten vaststellen, dat de gebruikte prijzen "vergelijkbaar" waren met de prijzen die voor de berekening van de uitvoerprijs in aanmerking waren genomen.

66. De door artikel 190 EEG-Verdrag verlangde motivering dient weliswaar de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig te doen uitkomen, opdat belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en hun rechten kunnen verdedigen, en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen (zie met name het arrest van 7 mei 1987, Minebea, reeds aangehaald, r.o. 23), doch

"bij verordeningen (kan) geen specifieke motivering worden verlangd van de verschillende - soms zeer talrijke en ingewikkelde - onderdelen, feitelijk en rechtens, die daarin voorkomen, zodra deze binnen de systematiek van het geheel vallen" (zie met name het arrest van 2 mei 1990, zaak C-27/89, Scarpe, Jurispr. 1990, blz. I-1701, r.o. 27).

Voorts is het vaste rechtspraak, dat

"de redengeving van een normatieve handeling niet slechts uit haar bewoordingen blijkt, doch ook uit de gezamenlijke desbetreffende rechtsregelen (arrest van 23 februari 1978, zaak 92/77 An Board Bainne, Jurispr. 1978, blz. 497, r.o. 36)".

67. Vergelijkt men nu de paragrafen 5 en 6 van de definitieve verordening, die naar de overeenkomstige paragrafen van de voorlopige verordening verwijzen, met de daaropvolgende paragrafen van het hoofdstuk betreffende de normale waarde, dan blijkt dat de normale waarde nu eens op basis van artikel 2, lid 3, sub a, is berekend dan weer op basis van lid 3, sub b, is samengesteld. In die omstandigheden lijkt mij paragraaf 7, eerste alinea, van de voorlopige verordening, uitdrukkelijk bevestigd door paragraaf 6 van de definitieve verordening, voldoende duidelijk en expliciet voor een goed begrip van de wijze waarop de instellingen artikel 2, lid 3, sub a, hebben toegepast. Daar kan men immers lezen:

"Ondanks verzekeringen door bepaalde exporteurs van het tegendeel, was de Commissie van mening dat het onjuist zou zijn rekening te houden met de transferprijs tussen verbonden ondernemingen of kantoren van exporteurs bij het vaststellen van de normale waarde door middel van de binnenlandse prijzen, omdat dit niet de prijzen zijn die in het gewone handelsverkeer voor het soortgelijke produkt betaald werden of te betalen waren. Dienovereenkomstig werden alleen prijzen aan onafhankelijke kopers voor de vaststelling van de normale waarde aangewend."

68. De aan de eerste onafhankelijke koper berekende prijzen zijn in gevallen waarin een dochteronderneming van de exporteur bij de verkoop op de communautaire markt optrad, ook voor de berekening van de uitvoerprijs gebruikt, en wel omdat de tussen de Japanse exporteur en zijn dochteronderneming in de Gemeenschap gehanteerde prijzen weinig betrouwbaar werden geacht (zie de paragrafen 15 en 16 van de definitieve verordening). Een aandachtige lezer moet dan ook hebben begrepen, dat de Raad aan het in artikel 2, lid 3, sub a, gestelde vereiste van vergelijkbaarheid heeft willen voldoen, door de aan onafhankelijke kopers gefactureerde prijs als uitgangspunt te nemen voor de normale waarde. Canon heeft zich in ieder geval niet laten misleiden en als eerste middel voor haar beroep aangevoerd, dat de Raad ter vaststelling van de normale waarde ten onrechte van artikel 2, lid 3, sub a, is uitgegaan. Daarmee heeft Canon bewezen, heel goed in staat te zijn haar rechten te verdedigen, te meer daar het standpunt van de Raad louter een bevestiging van dat van de Commissie was, en daarvan had Canon in de loop van de anti-dumpingprocedure kennis kunnen nemen.

69. Vervolgens betoogt verzoekster, dat de instellingen zijn voorbijgegaan aan het bewijsmateriaal over de taken van CSC, dat hun was voorgelegd en dat in het bijzonder aantoonde, dat CSC niet alleen een verkoopafdeling voor Canons PPC' s was.

70. Uit mijn opmerkingen bij Canons eerste middel blijkt evenwel, dat wanneer de produktie- en de verkoopactiviteiten aan twee juridisch verschillende, doch economisch met elkaar verbonden ondernemingen zijn toevertrouwd, de door het verkooporgaan aan de eerste onafhankelijke koper gefactureerde prijs rechtmatig als grondslag voor de berekening van de normale waarde kan worden gebruikt. Zodra de Raad tot de bevinding was gekomen, dat CSC voor Canons PPC' s de functie van verkooporgaan vervulde, behoefde hij dan ook niet meer het bewijsmateriaal over de overige taken van CSC te onderzoeken. De Raad heeft overigens nooit ontkend, dat CSC nog andere taken verrichtte.

71. Wat ten slotte de motivering betreft van de weigering om bepaalde kosten als rechtstreeks in verband met de verkoop te beschouwen, volstaat mijns inziens een verwijzing naar paragraaf 26 van de voorlopige verordening, bevestigd door paragraaf 20 van de bestreden verordening. De instellingen zeggen daar uitdrukkelijk, dat verschillen in de verkoopsvoorwaarden alleen dan als "rechtstreeks in verband staand met de betreffende verkoop" in de zin van artikel 2, lid 10, sub c, van de basisverordening kunnen worden beschouwd, indien zij betrekking hebben op "kosten (die) strikt noodzakelijk zijn voor de naleving van de voorwaarden ten aanzien van de betrokken verkopen" en zij bovendien "in rechtstreeks functioneel verband staan met de betrokken verkopen", dat wil zeggen "dat zij wegens een bijzondere verkooptransactie zijn gemaakt". Zij voegden daaraan toe: "Over het algemeen geldt voor administratieve en algemene kosten, wanneer die er zijn, een dergelijk rechtstreeks verband niet, zodat zij derhalve niet voor correctie in aanmerking komen. In het onderhavige geval bestaat geen reden van deze richtsnoer af te wijken." Meer in het bijzonder met betrekking tot de inruilbetalingen wil ik eraan herinneren, dat de Raad het standpunt van de instellingen dienaangaande zeer gedetailleerd heeft weergegeven in de paragrafen 13 en 14 van de bestreden verordening.

72. Men kan dus niet zeggen, dat de instellingen niet hebben uitgelegd wat zij verstaan onder "kosten die rechtstreeks in verband staan" met de betrokken verkopen, of dat zij niet de redenen hebben aangegeven waarom zij correcties voor de verschillende door verzoekster aangevoerde kosten hebben geweigerd. De vraag, of de interpretatie van de instellingen correct is, en of zij de gevraagde correcties terecht hebben geweigerd, valt binnen het bestek van het hierboven onderzochte derde middel betreffende de toepassing van artikel 2, lid 10, sub c, van de basisverordening.

73. Volledigheidshalve wil ik daar nog aan toevoegen, dat de tegenstrijdigheid waarop verzoekster aan het einde van haar repliek heeft gewezen, in verband met de voor Canons OEM-verkoop vastgestelde uitvoerprijs, op een misverstand harerzijds berust. Canon betoogt, dat uit de paragrafen 16 en 92 van de bestreden verordening duidelijk blijkt, dat de uitvoerprijs voor die verkopen de prijs was die aan de OEM-kopers werd gefactureerd, in tegenstelling tot wat de Raad tijdens de procedure voor het Hof heeft gesteld, namelijk dat hij voor alle verkopen van Canon aan OEM' s in de Gemeenschap artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening had toegepast.

74. De tweede zin van paragraaf 16 van de bestreden verordening luidt als volgt:

"Met betrekking tot de kwestie van de verkopen aan OEM' s, die behandeld wordt in paragraaf 18 van die (voorlopige) verordening, bevestigt de Raad de bevindingen van de Commissie dat de prijzen bij uitvoer onder deze omstandigheden op passende wijze aangepast dienen te worden, ten einde met de functie van het dochterbedrijf van de exporteur bij dergelijke verkopen rekening te houden."

Tevoren had de Raad in paragraaf 15 en aan het begin van paragraaf 16 uiteengezet, waarom en hoe hij artikel 2, lid 8, sub b, had toegepast op de verkopen in de Gemeenschap waarbij dochterondernemingen van de exporteurs betrokken waren. De Raad was met name van mening, dat de prijs tussen de exporteur in Japan en zijn dochteronderneming in de Gemeenschap, die de bij de uitvoer betaalde prijs was en die als uitvoerprijs in de zin van de anti-dumpingregeling had moeten dienen, een weinig betrouwbare overdrachtsprijs was en dat hij daarom de uitvoerprijs moest samenstellen op basis van de wederverkoopprijs aan de eerste onafhankelijke koper. In die context kan met de term "prijzen bij uitvoer" in paragraaf 16, tweede zin, alleen de voor de samenstelling van de uitvoerprijs gebruikte wederverkoopprijs zijn bedoeld. Die wederverkoopprijs is "op passende wijze aangepast (...) teneinde met de functie van het dochterbedrijf van de exporteur bij dergelijke verkopen" aan OEM' s rekening te houden. Zoals reeds gezegd, heeft het Hof in voormeld arrest van 14 maart 1990 (Gestetner) overigens de toepassing van artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening op de verkopen aan OEM' s rechtmatig geacht.

75. Ook de passage in paragraaf 92 van de bestreden verordening, waarin wordt gezegd dat:

"de prijs voor export naar de Gemeenschap de prijs is die door de OEM aan de betrokken Japanse producent wordt betaald",

moet in zijn context worden gelezen, namelijk in verband met de algemene vraag, of de OEM' s behandeld konden worden als exporteurs waarvoor afzonderlijke dumpingmarges berekend moesten worden. Daarmee is dus nog niets gezegd over hoe de uitvoerprijs in een concreet geval moet worden bepaald. Voorts wijst niets erop, dat waren er geen dochterondernemingen van de exporteurs bij de OEM-verkopen in de Gemeenschap betrokken geweest, de instellingen niet de "door de OEM aan de betrokken producent betaalde prijs" als uitvoerprijs zouden hebben genomen.

Conclusie

76. Geen van de door verzoekster aangevoerde middelen gegrond achtend, concludeer ik tot verwerping van het beroep en tot veroordeling van Canon in de kosten, daaronder begrepen die van de interveniënten.

(*) Oorspronkelijke taal: Frans.

(1) - PB 1987, L 54, blz. 12.

(2) - PB 1984, L 201, blz. 1.

(3) - Zie de arresten van 7 mei 1987, kogellagers (zaken 240/84, 255/84, 256/84, 258/84 en 260/84, Jurispr. 1987, respectievelijk blz. 1809, 1861, 1899, 1923 en 1975).

(4) - Arrest van 5 oktober 1988 (gevoegde zaken 260/85 en 106/86, TEC, Jurispr. 1988, blz. 5855, r.o. 31).

(5) - Arrest van 5 oktober 1988 (gevoegde zaken 277/85 en 300/85, Canon, Jurispr. 1988, blz. 5731, r.o. 37).

(6) - Voor vergelijkbare gevallen waarin een verlaging van de dumpingmarge geen wijziging van het op het niveau van de geleden schade vastgestelde recht rechtvaardigde, zie de arresten van 5 oktober 1988 (zaak 250/85, Brother, Jurispr. 1988, blz. 5683, r.o. 24, en het arrest TEC, reeds aangehaald, r.o. 41).

(7) - Zie punt 95 van de repliek.

(8) - Zie met name het arrest Minebea (zaak 260/84, Jurispr. 1987, blz. 1975, r.o. 43).

(9) - Zie de punten 82 tot en met 98 van het verzoekschrift.

(10) - Zie in het bijzonder voormeld arrest van 7 mei 1987, Minebea, r.o. 45.

(11) - Zie in die zin, wat de samenstelling van de normale waarde betreft, voormeld arrest van 5 oktober 1988, Canon, r.o. 26.

(12) - Zie in het bijzonder punt 155 van de repliek.