ARREST VAN HET HOF (VIJFDE KAMER) VAN 15 DECEMBER 1988. - IRISH CEMENT LTD. TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - STEUN VOOR DE BOUW VAN EEN CEMENTFABRIEK IN NOORD-IERLAND. - GEVOEGDE ZAKEN 166/86 EN 220/86.
Jurisprudentie 1988 bladzijde 06473
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Beroep tot nietigverklaring - Beroep tegen beschikking houdende bevestiging van niet binnen termijn bestreden beschikking - Niet-ontvankelijkheid
( EEG-Verdrag, artikel 173 )
2 . Beroep wegens nalaten - Nalaten - Begrip - Stilzitten - Onbevredigend optreden - Uitsluiting
( EEG-Verdrag, artikel 175 )
1 . Het beroep tot nietigverklaring van een beschikking die slechts de bevestiging is van een eerdere, niet binnen de termijn bestreden beschikking, is niet ontvankelijk .
2 . Artikel 175 EEG-Verdrag doelt op een nalaten door zich te onthouden een besluit te nemen of een standpunt te bepalen, en niet op het verrichten van een andere handeling dan die welke de betrokkenen wensten of noodzakelijk achtten .
In de gevoegde zaken 166 en 220/86,
Irish Cement Limited, vennootschap naar Iers recht, gevestigd te Dublin, Ierland, vertegenwoordigd door Ph . Bentley, barrister van Lincoln' s Inn, en J . Ratcliff, barrister van de Middle Temple, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Stanbrook en Hooper, 7, Val Sainte-Croix,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur Th . F . Cusak, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen, dat de Commissie in strijd met het EEG-Verdrag heeft gehandeld door verzoekster niet in kennis te stellen van de inleiding van een procedure als bedoeld in artikel 93, lid 2, van het Verdrag, en nietig te verklaren de na de instelling van het eerste beroep gegeven beschikking van de Commissie om geen procedure als bedoeld in datzelfde artikel in te leiden,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
samengesteld als volgt : F . Grévisse, president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, Sir Gordon Slynn, J . C . Moitinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias en M . Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal : M . Darmon
griffier : B . Pastor, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 18 oktober 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 november 1988,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 10 juli 1986, heeft Irish Cement Limited, gevestigd te Dublin, het Hof krachtens artikel 175, derde alinea, EEG-Verdrag verzocht vast te stellen, dat de Commissie in strijd met het EEG-Verdrag heeft gehandeld door verzoekster niet in kennis te stellen van de inleiding van een procedure als bedoeld in artikel 93, lid 2, ter zake van de toekenning van financiële steun aan Sean Quinn Quarries Limited ( hierna : SQQL ) door de Northern Irish Development Board, zoals verzoekster haar bij brief van 28 maart 1986 had gevraagd ( zaak 166/86 ).
2 Bij verzoekschrift neergelegd op 12 augustus 1986, heeft dezelfde verzoekster krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 14 juli 1986 om met betrekking tot genoemde steun geen procedure als bedoeld in artikel 93, lid 2, in te leiden . In datzelfde verzoekschrift verzocht zij het Hof ook overeenkomstig artikel 175, derde alinea, EEG-Verdrag vast te stellen, dat de Commissie nog steeds haar standpunt niet heeft bepaald met betrekking tot alle punten die verzoekster in haar brief van 28 maart 1986 had genoemd ( zaak 220/86 ).
3 Bij een aan de directeur-generaal Concurrentie van de Commissie gerichte brief van 17 april 1985 met als opschrift "Artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag" diende verzoekster een "formele klacht" in tegen de toekenning aan SQQL van steun ter dekking van 30 à 50% van de investeringskosten voor de bouw van een cementfabriek te Derrylyn, County Fermanagh, Noord-Ierland . Tot staving van haar klacht voerde zij aan, dat een dergelijke steun de mededinging zou vervalsen, daar zijzelf van de Ierse regering slechts steun had gekregen ten belope van 10% van de investeringskosten voor de vergroting van de cementproduktie in haar fabriek te Limerick . Verder merkte zij op, dat er in Ierland reeds een teveel aan produktiecapaciteit voor cement was, en wees zij op de schade die de verwezenlijking van de voorgenomen investering voor haar zou meebrengen . Zij bood de Commissie aan, nadere gegevens te verstrekken om haar in staat te stellen die schade te beoordelen, op voorwaarde dat die gegevens vertrouwelijk zouden worden behandeld .
4 In een brief van 14 mei 1985 liet de directeur-generaal Concurrentie verzoekster weten, dat de betrokken steun was toegekend overeenkomstig de beginselen voor de cooerdinatie van steunregelingen met regionale strekking, neergelegd in de mededeling van de Commissie aan de Lid-Staten van 21 december 1978 ( PB 1979, C 31, blz . 9 ). Hij verklaarde, dat de nationale autoriteiten steun tot 50% van de voorgenomen investeringen konden toekennen zonder dit vooraf aan de Commissie te moeten melden, en dat het in die omstandigheden weinig zin zou hebben dat verzoekster nadere gegevens verstrekte .
5 Op 28 maart 1986 zond verzoekster de directeur-generaal Concurrentie een nieuwe brief, waarin zij stelde dat de Commissie niet over voldoende gegevens beschikte om de sectoriële repercussies van de steun overeenkomstig cooerdinatiebeginsel nr . 11 te beoordelen . Zij liet die brief vergezeld gaan van een memorandum waaruit haars inziens bleek, dat die steun, gezien de sectoriële repercussies ervan, niet had mogen worden toegekend zonder vooraf aan de Commissie te zijn voorgelegd . De steun zou geen nieuwe arbeidsplaatsen creëren, maar slechts arbeidsplaatsen verplaatsen, en zou daarom niet als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92, lid 3, EEG-Verdrag kunnen worden beschouwd . Om die redenen verzocht zij de Commissie allereerst, de procedure van artikel 93, lid 2, in te leiden en haar daarvan in kennis te stellen, en verder de cooerdinatiebeginselen aldus te wijzigen, dat regionale steun niet kan worden toegekend zonder vooraf aan de Commissie te zijn voorgelegd, en dat de sectoriële repercussies ervan in aanmerking worden genomen alvorens een regionale steun verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard .
6 Bij brief van 14 juli 1986 antwoordde de directeur-generaal Concurrentie het volgende :
" Gelijk ik in mijn eerdere brief ... van 14 mei 1985 heb verklaard, is de aan Sean Quinn Quarries Limited toegekende steun voor de bouw van een cementfabriek in Noord-Ierland gebaseerd op een steunregeling die door de Commissie als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92, lid 3, EEG-Verdrag is beschouwd . De Commissie kan daarom niet tussenkomen in de toekenning van deze steun ."
7 Tegen deze beschikking van 14 juli 1986 heeft verzoekster op 12 augustus 1986 het beroep tot nietigverklaring in zaak 220/86 ingesteld .
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
9 Allereerst moet worden opgemerkt, dat de directeur-generaal Concurrentie in zijn brief van 14 mei 1985 een beschikking heeft gegeven op een op de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag gebaseerde "formele klacht" tegen de aan SQQL toegekende steun . Een dergelijke klacht kon enkel zijn gericht op inleiding van de procedure van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag, wat de directeur-generaal Concurrentie weigerde op grond van de reeds genoemde overweging, dat de betrokken steun in overeenstemming was met de relevante cooerdinatiebeginselen en kon worden verleend zonder vooraf aan de Commissie te zijn voorgelegd .
10 Het is tegen deze achtergrond dat het slot van de brief van 14 mei 1985, waarin wordt gezegd dat het verstrekken van nadere gegevens door verzoekster "weinig zin" zou hebben, moet worden gelezen . De Commissie kon om de door haar aangehaalde redenen onmogelijk tussenkomen in de toekenning van de betrokken steun en derhalve kon verzoekster niet op goede gronden aannemen, dat de Commissie het probleem opnieuw zou onderzoeken wanneer zij nadere gegevens verstrekte .
11 Bijgevolg is de brief van 14 mei 1985 een beschikking van de Commissie houdende afwijzing van de klacht betreffende de aan SQQL toegekende steun . Zij heeft definitieve rechtsgevolgen ten aanzien van verzoekster . Vaststaat, dat die beschikking niet binnen de termijn voor het Hof is bestreden .
12 Verzoekster betoogt, dat de Commissie zich in haar brief van 14 juli 1986 heeft gebaseerd op gegevens feitelijk en rechtens, die in haar eerste brief niet in aanmerking waren genomen . Zij stelt met name, dat de Commissie bij het verzenden van haar brief van 14 juli 1986 wist, dat de betwiste steun was toegekend op basis van het "Standard Capital Grants Scheme" en niet op basis van het "Selective Financial Assistance Scheme", zoals in de brief van 14 mei 1985 bij vergissing was gezegd . De brief van 14 juli 1986 zou dan ook zijn aan te merken als een nieuwe beschikking waartegen een afzonderlijk beroep krachtens artikel 173 EEG-Verdrag kan worden ingesteld .
13 Dit argument kan niet worden aanvaard, daar de verkeerde aanduiding van de steunregeling geen grond oplevert om de beschikking van 1986 als een nieuwe beschikking aan te merken . Daar de omvang van de betrokken steun de overeenkomstig de cooerdinatiebeginselen vastgestelde maxima niet overschreed, was het irrelevant op grond van welke van de twee in Noord-Ierland geldende regelingen hij was verleend .
14 Verzoekster stelt ook dat de beschikking van 1986 een ander onderwerp had dan die van 1985 . In haar eerste brief zou de Commissie hebben beschikt op een klacht waarbij verzoekster de aan SQQL toegekende steun betwistte voor zover die meer bedroeg dan de steun die zijzelf van de Ierse autoriteiten had ontvangen . In haar tweede brief zou de Commissie hebben beschikt op een veel ruimere klacht, daar deze betrekking had op alle steun die door de Noordierse autoriteiten in de cementsector was verleend .
15 Dit argument kan evenmin worden aanvaard . De beschikking van 14 mei 1985 sloot blijkens haar motivering elke mogelijkheid van herziening van de aan SQQL verleende steun uit, of het nu ging om de gehele steun dan wel om het deel dat de aan verzoekster toegekende steun overschreed .
16 In die omstandigheden behoeft niet te worden nagegaan, of de beschikking van 14 juli 1986 verzoekster rechtstreeks en individueel heeft geraakt, en moet worden aangenomen dat die beschikking slechts de bevestiging is van de beschikking van 14 mei 1985 en dat het ertegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk is .
17 Met betrekking tot het beroep wegens nalaten ( zaak 166/86 ) en de overeenkomstige conclusies geformuleerd in het kader van het tweede beroep ( zaak 220/86 ), behoeft slechts te worden opgemerkt, dat de Commissie in haar brief van 14 mei 1985 haar standpunt heeft bepaald ten aanzien van het door verzoekster in haar brief van 28 maart 1986 herhaalde verzoek om inleiding van de procedure van artikel 93, lid 2, en dat, gelijk het Hof overwoog in zijn arrest van 13 juli 1971 ( zaak 8/71, Komponistenverband, Jurispr . 1971, blz . 705 ), artikel 175 doelt op een nalaten door niet een besluit te nemen of een standpunt te bepalen, en niet op het verrichten van een andere handeling dan die welke de betrokkenen wensten of noodzakelijk achtten .
18 Mitsdien moet ook het beroep gebaseerd op artikel 175, derde alinea, van het Verdrag niet-ontvankelijk worden verklaard .
Kosten
19 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Daar verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen .
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verklaart de beroepen niet-ontvankelijk .
2 ) Verwijst verzoekster in de kosten .