CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

C. O. LENZ

van 28 november 1985 ( *1 )

Mijnheer de President,

mijne beren Rechters,

A.

De onderhavige zaak betreft het besluit van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen (verweerster) van 25 november 1983 tot aanstelling van vertaler K. (interveniënt K.) als hoofdvertaler in rang LA 5, alsmede de regelmatigheid van het vergelijkend onderzoek dat tot deze aanstelling heeft geleid. Tegen dit besluit en het daaraan voorafgegane vergelijkend onderzoek is beroep ingesteld door A. Vlachou (verzoekster), die eveneens, zij het met minder succes, aan het vergelijkend onderzoek CC/LA/20/82 heeft deelgenomen.

1.

Na in 1971 haar studies aan de universiteit te hebben voltooid en daarna enige tijd buiten de Gemeenschappen beroepsbezigheden te hebben verricht, is verzoekster, na voor een vergelijkend onderzoek te zijn geslaagd, in 1981 in dienst van het Europees Parlement getreden. Per 1 maart 1981 werd zij aangesteld als vertaler op proef in rang LA 7, salaristrap 3.

Bij overeenkomst van 8 december 1981 heeft de Rekenkamer verzoekster per 1 december 1981, aanvankelijk voor een termijn van twee jaar, aangesteld als tijdelijk functionaris in rang LA 5, salaristrap 2 (reviseur). Na afloop van deze overeenkomst bleef verzoekster op grond van een overeenkomst van 25 november 1983 voor nog een jaar in dienst als vertaler in rang LA 6, salaristrap 3.

Na te zijn geslaagd voor intern vergelijkend onderzoek CC/LA/14/83 werd verzoekster per 1 maart 1984 als ambtenaar op proef aangesteld. Gelet op haar vorming en beroepservaring werd zij overeenkomstig artikel 3, lid 1, van besluit nr. 81/5 van de Rekenkamer van 3 december 1981 inzake de indeling der personeelsleden, in rang LA 6, salaristrap 3, ingedeeld. Op 1 december 1984 werd zij tot ambtenaar in vaste dienst benoemd.

2.

Voor de bezetting van een van de twee posten van de loopbaan LA 5/4 die voor de Griekse afdeling van de talendienst waren voorzien, publiceerde verweerster op 26 april 1983 een aankondiging van intern vergelijkend onderzoek CC/LA/20/82 (revi-seur/hoofdvertaler) : een „vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en van een examen”.

Evenals in aankondiging van vergelijkend onderzoek CC/LA/4/83, was ook hierin voorzien dat aanstelling in principe zou geschieden in de aanvangsrang, anders gezegd in rang LA 5.

Volgens punt V.2 van voornoemde aankondiging was voor de toelating tot het onderzoek onder meer „een praktijkervaring van ten minste zes jaar in een relevante verantwoordelijke betrekking” vereist.

Van de te bezetten post werd de volgende functieomschrijving gegeven:

„—

Reviseren van vertalingen of eventueel vertalen zonder revisie;

Toezicht houden over terminologie-, documentatie- of andere werkzaamheden van specifiek taalkundige aard;

Begeleiding van de voortgezette beroepsopleiding van de vertalers.”

Verzoekster nam aan dit vergelijkend onderzoek deel, doch werd niet benoemd aangezien de jury haar slechts als tweede op de lijst van geschikte kandidaten had geplaatst.

Op 2 juni 1983 publiceerde verweerster aankondiging van interinstitutioneel vergelijkend onderzoek CC/LA/4/83 ter voorziening in een vacature van sectiehoofd/reviseur in de loopbaan LA 5/4. Volgens punt V.2. van deze aankondiging was voor de toelating tot het onderzoek „een beroepservaring van ten minste tien jaar in een relevante verantwoordelijke betrekking” vereist. De aan het ambt verbonden functie werd als volgt omschreven:

„... Het leiden van de Griekse vertaalsectie;

...”

(daarna volgden dezelfde gegevens als in aankondiging van vergelijkend onderzoek CC/LA/20/82).

De jury van vergelijkend onderzoek CC/LA/4/83 stelde in haar eindverslag vast dat geen enkele kandidaat aan de toelatingsvoorwaarden voldeed, meer bepaald dat zij niet de in punt V.2. verlangde „praktijkervaring van ten minste tien jaar in een relevante verantwoordelijke betrekking” hadden, waarop verweerster verzoekster bij brief van 30 september 1983 meedeelde dat de jury haar niet tot het vergelijkend onderzoek had toegelaten. Tegen deze kennisgeving is het beroep in zaak 162/84 gericht.

3.

Op 29 juni 1983 kwam de jury van vergelijkend onderzoek CC/LA/20/82 voor het eerst bijeen. Zij bestond uit het hoofd van verweersters vertaaldienst, een afdelingshoofd van Griekse nationaliteit en, als door het personeelscomité aangewezen derde lid, een hoofdvertaler van verweersters Deense vertaalafdeling (intervenient D.). Tijdens haar bijeenkomst van 29 juni 1983 besloot de jury interveniënt K. en verzoekster tot de procedure toe te laten.

Bovendien stelde zij in beginsel vast, aan de hand van welke criteria de universitaire diploma's en de beroepservaring van de kandidaten moesten worden beoordeeld; daarna werden zij in concreto beoordeeld. Meteen werden ook de data van de examens vastgesteld, en werd besloten het hoofd van de Griekse afdeling voor opdrachten op middellange en lange termijn van de talendienst van de Commissie te Luxemburg als bijzitter voor de waardering van het schriftelijk examen in de jury op te nemen.

Nadat het examen had plaatsgevonden en was gewaardeerd, stelde de jury haar eindverslag voor het tot aanstelling bevoegde gezag op alsook de lijst van geschikte kandidaten; interveniënt K. werd met 104 punten als eerste, en verzoekster met 96 punten als tweede gerangschikt. De jury had voor de bewijsstukken, het schriftelijk en het mondeling examen de volgende punten toegekend:

intervenient K.: 56 + 33 + 15= 104 punten,

verzoekster : 54 + 26 + 16= 96 punten.

Daarmee had verzoekster precies het vereiste minimum aantal punten behaald (60% van het maximum van 160) om overeenkomstig punt VII van de aankondiging van vergelijkend onderzoek op de lijst van geschikte kandidaten te kunnen worden geplaatst.

Onder de handtekeningen onder het eindverslag heeft intervenient D. in handschrift de opmerking aangebracht dat zijns inziens de waardering van de jury een getrouw beeld gaf van de kwalitatieve volgorde van de kandidaten.

Op 20 juli 1983 publiceerde verweerster de na de beëindiging van vergelijkend onderzoek CC/LA/20/82 opgestelde lijst van geschikte kandidaten.

Op 17 november 1983 diende verzoekster bij de Rekenkamer een verzoek in, waarin zij als haar mening te kennen gaf dat tijdens dit vergelijkend onderzoek onregelmatigheden waren begaan, en dat de uitslag van het vergelijkend onderzoek en de lijst van geschikte kandidaten ongeldig waren.

Zij verzocht de Rekenkamer dat zij de jury zou gelasten de bij de cijferwaardering gehanteerde normen bekend te maken en na te gaan of de rangschikking van de geslaagde kandidaten kon worden gewijzigd, waarbij wat haar betreft met name een extra beroepservaring van twee en een half jaar in aanmerking moest worden genomen.

Bij besluit van 25 november 1983 stelde verweerster op grond van de na afloop van vergelijkend onderzoek CC/LA/20/82 opgestelde lijst van geschikte kandidaten intervenient K. per 1 december 1983 aan als hoofdvertaler in de rang LA 5, salaristrap 1.

Op 17 februari 1984 diende verzoekster een klacht in tegen verweersters besluit tot aanstelling van interveniënt K. als hoofdvertaler. Zij betoogde dat K. niet de vereiste beroepservaring had om tot het vergelijkend onderzoek te kunnen worden toegelaten. Voorts verwijt zij de jury schending van het beginsel van gelijkheid van behandeling, doordat haar voor haar beroepservaring onvoldoende punten waren toegekend en haar universitair diploma niet naar behoren in aanmerking was genomen. Ten slotte wijst zij erop dat het door het personeelscomité aangewezen jurylid (intervenient D.) ingevolge artikel 14 Ambtenarenstatuut niet in deze functie had mogen optreden, aangezien hij ten tijde van het vergelijkend onderzoek „meer dan vriendschappelijke betrekkingen” had met de andere kandidaat (intervenient K.).

Concluderend verzocht verzoekster de Rekenkamer, dat zij de besluiten van de jury, waarbij intervenient K. tot het vergelijkend onderzoek werd toegelaten en op de lijst van geschikte kandidaten werd opgenomen, zou vernietigen, subsidiair, het besluit van de jury zou wijzigen en verzoekster op de lijst van geschikte kandidaten de eerste plaats zou toekennen, en in elk geval de aanstelling van intervenient K. als hoofdvertaler ongedaan zou maken.

Bij besluit van 9 maart 1984 wees verweerster deze klacht af. Dit besluit is in hoofdzaak gebaseerd op de ter zake van vergelijkende onderzoeken geldende bepalingen, op grond waarvan het tot aanstelling bevoegde gezag niet mag ingrijpen in de organisatie en het verloop van de werkzaamheden van de jury, die ter zake van de waardering souverein is. Volgens de rechtspraak van het Hof kan overigens niet zonder deugdelijke redenen van de volgorde van de door de jury opgestelde lijst van geschikte kandidaten worden afgeweken.

4.

Conclusies van partijen

Verzoekster concludeert dat het den Hove behage:

nietig te verklaren het besluit van de jury van intern vergelijkend onderzoek CC/LA/20/82 om K. tot het vergelijkend onderzoek toe te laten, en bijgevolg eveneens nietig te verklaren het jurybesluit waarbij K. op de lijst van geschikte kandidaten werd geplaatst;

nietig te verklaren het besluit van 25 november 1983 tot aanstelling van K. als hoofdvertaler in de in het benoemingsbesluit vermelde afdeling;

verweerster te verwijzen in de kosten van het geding.

Verweerster concludeert dat het den Hove behage:

het beroep niet ontvankelijk en ongegrond te verklaren;

verzoekster te verwijzen in de kosten van het geding.

5.

Bij beschikkingen van 14 november 1984 heeft het Hof kandidaat K. en jurylid D. als intervenienten toegelaten tot ondersteuning van de conclusies van verweerster, met dien verstande dat de interventie van D. slechts is toegelaten voor zover deze conclusies strekken tot verwerping van verzoeksters middel dat D. in strijd met artikel 14 Ambtenarenstatuut heeft gehandeld.

6.

a)

Tijdens de mondelinge behandeling heeft verweerster de werkzaamheden van de jury van vergelijkend onderzoek CC/LA/20/82 nader toegelicht. Blijkens deze toelichtingen en de twee processenverbaal van de jury, zijn de jurywerkzaamheden verlopen als volgt.

Tijdens haar eerste bijeenkomst op 29 juni 1983 heeft de jury om te beginnen besloten dat zowel intervenient K. als verzoekster aan de toelatingsvoorwaarden van het vergelijkend onderzoek voldeden.

Wat de beroepservaring van de kandidaten betreft, kwam de jury tot de bevinding dat zij beiden meer dan zes jaar ervaring hadden. Vervolgens heeft zij geconstateerd dat geen enkele kandidaat een aantoonbare ervaring van zes jaar als réviseur had. Dientengevolge heeft zij besloten niet vast te houden aan de vereiste „praktijkervaring van ten minste zes jaar in een relevante verantwoordelijke betrekking”, en zich tevreden te stellen met een beroepservaring als vertaler, dus in een minder verantwoordelijke betrekking.

b)

Vervolgens heeft de jury de normen vastgesteld volgens welke de academische diploma's en de beroepservaring zouden worden beoordeeld. Besloten werd dat voor de academische diploma's maximaal 40 punten en voor de andere academische titels nog eens 10 punten konden worden toegekend.

De beroepservaring zou als volgt worden becijferd:

36 punten, 6 per jaar of 0,5 per maand, voor ervaring in dienst van de Rekenkaraer of van de Europese Gemeenschappen, en

14 punten, 2,3 per jaar of 0,2 per maand, voor ervaring buiten de Gemeenschappen.

Voor het feit dat de beroepservaring in dienst van de Gemeenschappen ruim twee en een half maal zo zwaar telde als buiten de Gemeenschappen verworven ervaring, voerde verweerster het volgende argument aan.

Met betrekking tot de vroegere beroepservaring der kandidaten beschikte de jury over bewijsstukken afkomstig uit Griekenland. In casu waren evenwel, inzonderheid voor wat één van de kandidaten betreft, ernstige twijfels gerezen nopens de geloofwaardigheid van deze bescheiden. In een van de ingediende verklaringen was namelijk in zeer vage bewoordingen gesteld, dat de betrokken kandidate in Griekenland beroepservaring had opgedaan. De jury betwijfelde of zulks wel met de werkelijkheid overeenkwam. Aangezien zij deze bewijsstukken niet wilde of kon weigeren, heeft zij ze aanvaard, doch tevens besloten om aan de ervaring in dienst van de Gemeenschappen beduidend meer gewicht te hechten dan aan buiten de Gemeenschappen opgedane ervaring.

c)

Daarna heeft de jury punten toegekend voor de diploma's van de kandidaten.

Het door intervenient K. overgelegde diploma van de universiteit te Tessaloniki bevatte het judicium „zeer goed”, alsmede het cijfer 7 2/16 (op 10). Hiervoor kende de jury hem 29 punten toe, hoewel volgens de voordien vastgestelde algemene beoordelingscriteria slechts 28,5 punten mochten worden toegekend.

Het door de universiteit te Athene aan verzoekster uitgereikte diploma bevat enkel het judicium „goed”, doch geen cijfer. Van oordeel dat de beoordeling „goed” overeenkwam met een cijfer tussen 5 en 6, heeft de jury de gemiddelde waarde genomen en verzoekster 22 punten toegekend. Blijkens later ter kennis van verweerster gebrachte documenten, kwam het judicium van verzoekster evenwel overeen met het cijfer 6,04 (op 10). Verweerster heeft thans erkend dat aan verzoekster 24 punten hadden moeten worden toegekend.

Voor zijn beroepservaring in dienst van de Gemeenschappen kende de jury intervenient K. voor 31 maanden 16 punten toe. Volgens haar algemene normen hadden voor 31 maanden evenwel slechts 15,5 punten kunnen worden toegekend.

Verzoekster kreeg voor haar 28 maanden ervaring in dienst van de Gemeenschappen 14 punten, vermeerderd met 5 punten voor haar activiteiten als réviseur in dienst van de Rekenkamer, in totaal dus 19 punten.

Voor de 5 extra punten voor haar beroepservaring als réviseur is in de algemene beoordelingsnormen van de jury geen grondslag te vinden.

Voor zijn ervaring buiten de Gemeenschappen kreeg intervenient K. voor 62 maanden 11 punten. Met toepassing van de algemene normen had dit 12 punten moeten zijn.

Voor haar 9 jaar en zes maanden kreeg verzoekster 13 punten. Had de jury zich hier aan de door haarzelf vastgestelde normen gehouden, dan had verzoekster in beginsel 22 punten moeten krijgen; aangezien ter zake in de algemene normen evenwel een maximum van 14 punten was voorzien, had zij in ieder geval recht op dit maximum van 14.

Ter verklaring van deze „berekening” heeft verweerster meegedeeld, dat zij wegens een rekenfout 13 punten heeft toegekend in plaats van 14. Ter compensatie zijn evenwel ook de cijfers van intervenient K. verlaagd.

d)

Voor het overige heeft de jury zelf het verdere verloop van het vergelijkend onderzoek, met name de aanwijzing van een bijzitter en de organisatie van de examens geregeld, en heeft zij de daarbij te hanteren beoordelingsnormen vastgesteld.

e)

Nadat de examens hadden plaatsgevonden, heeft zij op 15 juli 1983 haar eindverslag met gedetailleerde cijfers, alsmede de lijst van geschikte kandidaten opgesteld en aan het tot aanstelling bevoegde gezag toegezonden.

B.

In mijn conclusie zal ik hierna telkens eerst verzoeksters grieven, het verweer van de Rekenkamer en de opmerkingen van intervenient D. vermelden, en mijn eigen standpunt onmiddellijk daarop laten aansluiten. Op de opmerkingen van intervenient K. behoeft niet afzonderlijk te worden ingegaan, aangezien zij inhoudelijk overeenstemmen met het verweer van de Rekenkamer.

1.

De ontvankelijkheid van het beroep

a)

Verweerster betoogt dat het beroep, althans voor zover het tegen de besluiten van de jury is gericht, te laat is ingesteld. De lijst van geschikte kandidaten werd op 20 juli 1983 bekendgemaakt. Mitsdien is de op 17 februari 1984 — zeven maanden na de bekendmaking van het bestreden besluit — ingediende klacht en dus ook het onderhavig beroep niet ontvankelijk.

Verzoekster brengt hiertegen in, dat de besluiten van de jury en de lijst van geschikte kandidaten voorbereidende handelingen zijn voor de benoeming van intervenient K. Als zodanig zijn deze voorbereidende handelingen niet voor beroep vatbaar, doch is het noodzakelijk en toereikend, dat verzoekster opkomt tegen de haar bezwarende afsluitende en definitieve handeling, in casu de benoeming van intervenient K.

b)

Mijns inziens kan in het midden worden gelaten of de conclusies strekkende tot nietigverklaring van bepaalde besluiten van de jury als zelfstandige conclusies zijn aan te merken. Het was beslist niet in verzoeksters belang enkel op te komen tegen vorenbedoelde besluiten doch niet tegen de benoeming van intervenient K. door het tot aanstelling bevoegde gezag.

Blijkens's Hofs rechtspraak zijn besluiten van jury's trouwens in beginsel niet zelfstandig voor beroep vatbaar; het beroep moet integendeel zijn gericht tegen het definitieve besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag. Reeds in zijn arrest van 14 december 1965 (zaak 21/65, Morina, Jurispr. 1965, blz. 1334) heeft het Hof overwogen:

„Dat in beginsel de handelingen van de jury als zodanig niet vatbaar zijn voor beroep, aangezien de jury geen autoriteit is die bekleed is met de bevoegdheid om voor de ambtenaren bindende besluiten te nemen;

dat die handelingen slechts van voorbereidende aard zijn, zodat hun onwettigheid alleen zou kunnen worden aangevoerd bij een beroep tegen de beslissing die zij hebben voorbereid;

dat verzoeker trouwens ook zelf zijn beroep in die zin heeft opgevat, daar hij immers uiteenzet dat het doel daarvan ‚meer in het bijzonder’wordt gevormd door de aanstelling van P.;

dat derhalve het beroep tegen die benoeming ontvankelijk is en dat de conclusies met betrekking tot de nietigverklaring van de rangschikking moeten worden opgevat als een tegen het aanstellingsbesluit gericht middel.”

In beginsel zijn besluiten van de jury — vanaf de toelating tot het vergelijkend onderzoek tot de vaststelling van de lijst van geschikte kandidaten — dus voorbereidende handelingen. Aan deze conclusie wordt ook niet afgedaan door het arrest van 9 februari 1982 (gevoegde zaken 316/82 en 40/83, Kohier, Jurispr. 1984, blz. 641), volgens hetwelk de uitslag van het vergelijkend onderzoek het tot aanstelling bevoegde gezag in vergaande mate bindt en in beginsel de best geplaatste moet worden benoemd. Gelijk het Hof heeft verklaard, mag het tot aanstelling bevoegde gezag slechts van de volgorde op de lijst van geschikte kandidaten afwijken, wanneer daartoe deugdelijke redenen bestaan; het desbetreffende besluit moet dan evenwel duidelijk en volledig worden gemotiveerd.

Door de vaststelling van de lijst van geschikte kandidaten wordt in zekere zin dus inderdaad een voorafgaand besluit genomen, doch het eigenlijke besluit blijft evenwel zaak van het tot aanstelling bevoegde gezag, dat in laatste instantie over de benoeming dient te beslissen.

De exceptie van niet-ontvankelijkheid kan dus niet slagen.

2.

a)

Verzoekster voert in de eerste plaats aan, dat intervenient K., de andere kandidaat, niet voldeed aan de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde toelatingsvoorwaarden. Aangezien hij namelijk niet over de vereiste beroepservaring beschikte, te weten „een praktijkervaring van ten minste zes jaar in een relevante verantwoordelijke betrekking”, in casu in een betrekking van reviseur/hoofdvertaler, had hij niet tot het vergelijkend onderzoek mogen worden toegelaten. Voorts zij erop gewezen dat een jury met dezelfde samenstelling later — in het kader van vergelijkend onderzoek CC/LA/4/83, waarvoor blijkens de desbetreffende aankondiging ter zake van beroepservaring, afgezien van het vereiste aantal jaren, dezelfde, in identieke bewoordingen gestelde voorwaarde gold — de toelatingsvoorwaarden aldus heeft uitgelegd dat ten minste een ervaring als réviseur of afdelingshoofd of in beide functies werd verlangd.

Verweerster wijst erop dat volgens's Hofs rechtspraak het tot aanstelling bevoegde gezag niet bevoegd is, de bevindingen van de jury of de gegevens waarop deze zijn gebaseerd, te beoordelen. In casu zou het dan ook niet bevoegd zijn om de gegrondheid van het besluit van de jury betreffende de toelating van interveniënt K. tot het vergelijkend onderzoek te toetsen. Overigens betwijfelt verweerster of verzoekster een procesbelang heeft om tegen het toelatingsbesluit van de jury op te komen, aangezien zij op grond van deze zelfde uitlegging van de toelatingsvoorwaarden waartegen zij thans opkomt, tot het vergelijkend onderzoek is toegelaten.

b)

In de eerste plaats moet hier worden uitgemaakt of deze toelatingsvoorwaarde een objectief criterium is, dat door de rechter kan worden getoetst, dan wel of het een criterium is dat door de jury nader moet worden beoordeeld. In laatstbedoeld geval kunnen de jurybesluiten niet op hun inhoud worden getoetst, aangezien de jury dan over een beoordelingsmarge beschikte, zodat alleen nog de vraag zou behoeven te worden onderzocht, of de procedure een regelmatig verloop heeft gekend.

In de aankondiging van het vergelijkend onderzoek is sprake van „een praktijkervaring van ten minste zes jaar in een relevante verantwoordelijke betrekking”. Blijkens de aankondiging betrof het een vacature van reviseur/hoofdvertaler.

De aankondiging geeft evenwel geen aanwijzing, wat onder „praktijkervaring in een verantwoordelijke betrekking” moet worden verstaan. De toelatingsvoorwaarden zijn dus niet aldus geformuleerd dat de toepassing van een aantal objectieve normen kan volstaan om te weten of aan die voorwaarden is voldaan.

De jury moest derhalve vóór de toelating van de sollicitanten tot het vergelijkend onderzoek de daarbij te hanteren normen vaststellen. Dit volgt zowel uit het feit dat de aankondiging vaag is geformuleerd, als uit artikel 5 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut. Ingevolge bedoeld artikel 5, eerste alinea, neemt de jury in eerste instantie enkel kennis van de dossiers van de sollicitanten en stelt zij de lijst vast van de sollicitanten die voldoen aan de voorwaarden, omschreven in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek. Kunnen deze voorwaarden evenwel niet zonder meer worden toegepast, doch moet vooraf de strekking ervan door de jury nader worden uitgelegd, dan moet zij vóór het onderzoek van de toelating de normen voor de uitlegging van de toelatingsvoorwaarden vaststellen.

Zou de jury deze beginselen namelijk niet vaststellen, dan zou zij achteraf niet in staat zijn, de in artikel 5, zesde alinea, van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut bedoelde lijst van geschikte kandidaten op correcte wijze op te stellen; deze lijst moet immers vergezeld gaan van een met redenen omkleed verslag.

Ik ben dan ook van mening, dat artikel 5, derde alinea, van bijlage III analoog dient te worden toegepast, wanneer een vage norm in een aankondiging van vergelijkend onderzoek inhoudelijk door de jury nader dient te worden uitgewerkt.

Het procesverbaal van de jurybijeenkomst van 29 juni 1983 bevat evenwel geen enkele aanwijzing dat de jury bedoelde normen voor de uitlegging van de toelatingsvoorwaarden zou hebben vastgesteld. Het vermeldt enkel, dat de jury na overleg heeft besloten beide kandidaten tot het vergelijkend onderzoek toe te laten.

Deze conclusie, dat de jury in elk geval niet vóór het onderzoek van de dossiers van de sollicitanten normen voor de uitlegging van de toelatingsvoorwaarden heeft vastgesteld, wordt bevestigd in verweersters verklaring tijdens de mondelinge behandeling.

Verweerster heeft namelijk meegedeeld, dat over het vereiste van een beroepservaring in een hogere post eerst bij het onderzoek van de twee sollicitaties is gesproken. Van oordeel dat bij strenge eisen geen der sollicitanten zou kunnen worden toegelaten, werd besloten enkel beroepservaring in een minder verantwoordelijke post, namelijk die van vertaler, te verlangen.

Deze handelwijze van de jury is niet verenigbaar met bijlage III bij het Ambtenarenstatuut. Aangezien in geval van vage toelatingsvoorwaarden mijns inziens artikel 5, derde alinea, van bijlage III analoog dient te worden toegepast, dus evenals voor de beoordeling van bewijsstukken waarderingsnormen moeten worden vastgesteld, wil ik nog eens verwijzen naar het reeds aangehaalde arrest van 14 december 1965 ( 1 ), waarin het Hof heeft overwogen:

„dat, aangezien de jury met name heeft nagelaten de normen te noemen, op basis waarvan zij de bewijsstukken in kwestie heeft beoordeeld, aan het verslag een essentieel element ter ondersteuning van de erin vervatte voorstellen ontbreekt;

dat de jury daardoor het bepaalde in de zesde alinea van artikel 5 van bijlage III van het Statuut heeft geschonden.”

Deze overwegingen van het Hof kunnen ook volledig in de onderhavige zaak worden toegepast. Hetzelfde geldt voor de motivering van bedoeld arrest, waarin het Hof heeft gesteld:

„dat de in die bepalingen vervatte vormvoorschriften als wezenlijk moeten worden beschouwd;

dat inderdaad het vooraf bepalen van beoordelingsnormen ertoe strekt zekerheid te verschaffen dat het onderzoek van de bewijsstukken objectief en vrij van willekeur zal geschieden;

dat anderzijds het vereiste van een ‚met redenen omkleed’verslag voor het tot aanstelling bevoegde gezag de gelegenheid moet openen een oordeelkundig gebruik te maken van zijn vrijheid van keuze, hetgeen veronderstelt dat het gezag zowel ingelicht wordt over de algemene normen die de jury heeft toegepast als over de uitvoering die zij daaraan gegeven heeft ten aanzien van de op de lijst van geschikte kandidaten geplaatste sollicitanten;

dat, aangezien de hogerbedoelde vormvoorschriften ook in het belang van de sollicitanten zijn voorgeschreven, de schending ervan, ten opzichte van de mededingers die uitgeschakeld zijn, een nadeel in de zin van artikel 91 van het Statuut van de ambtenaren oplevert.”

Blijkens het procesverbaal van de jurybijeenkomst van 29 juni 1983 en verweersters verklaringen tijdens de mondelinge behandeling, heeft de jury niet zodanige normen vastgesteld. Bijgevolg is het jurybesluit houdende toelating van beide sollicitanten tot vergelijkend onderzoek CC/LA/20/82 alleen reeds om deze reden onwettig.

3.

a)

Voorts beklaagt verzoekster zich over een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel, daar de jury bij de puntenwaardering de duur van haar beroepservaring — tweemaal zo lang als die van de andere sollicitant — niet behoorlijk in aanmerking heeft genomen, terwijl zij deze laatste wel extra punten heeft gegeven voor het judicium op zijn universitair diploma, ofschoon zulks in de aankondiging van vergelijkend onderzoek niet was voorzien.

Ook hier verweert de Rekenkamer zich met de verklaring dat zij niet gerechtigd is zich met de puntenwaardering van de jury te bemoeien.

b)

In de eerste plaats zij erop gewezen, dat in punt VI.A.2 van de aankondiging, „Puntentoekenning voor de kwalificaties”, was voorzien dat voor de academische diploma's of de relevante beroepservaring telkens maximaal 50 punten zouden worden toegekend. Dit ontkracht reeds verzoeksters argument, dat voor de academische diploma's geen cijferwaardering mocht worden gegeven.

Wat de beoordeling van de beroepservaring betreft, zij opgemerkt dat de jury ter zake algemene waarderingsnormen heeft vastgesteld: voor de beroepservaring in gemeenschapsdienst konden maximaal 36 punten (6 per jaar) worden toegekend en voor beroepservaring buiten de Gemeenschappen 14 punten (2,3 per jaar, 0,2 per maand).

Deze waarderingsnormen werden evenwel niet vóór doch eerst na kennisneming van de sollicitatiedossiers vastgesteld. Zulks geschiedde kennelijk met de bedoeling, verzoeksters aanzienlijk langere beroepservaring buiten de Gemeenschappen niet ten volle te laten doorwegen.

Hier geldt nog sterker wat hierboven reeds onder punt 2 onder verwijzing naar's Hofs arrest van 14 december 1965 is gezegd: de jury heeft nagelaten vooraf ¿e. bij de beoordeling van de bewijsstukken te hanteren waarderingsnormen vast te stellen. Aldus heeft zij wezenlijke vormvoorschriften geschonden, aangezien „het vooraf bepalen van beoordelingsnormen ertoe strekt zekerheid te verschaffen dat het onderzoek van de bewijsstukken objectief en vrij van willekeur zal geschieden” (arrest van 14 december 1965, reeds aangehaaid).

Daarentegen heeft zij de waarderingsnormen bewust vastgesteld, teneinde een bepaalde kandidaat te benadelen. Dit is nu juist het tegendeel van wat het Hof verstaat onder een „onderzoek van de bewijsstukken [dat] objectief en vrij van willekeur zal geschieden”.

Mitsdien moet hier van een ernstige procedurefout worden gewaagd.

Daaraan doet niet af het argument van verweerster dat de door verzoekster overgelegde bewijsstukken enigszins dubieus waren. De jury had de waarde van deze stukken moeten onderzoeken, om aldus te kunnen uitmaken of zij ze al dan niet in aanmerking kon nemen. Het is rechtens evenwel niet geoorloofd de stukken eerst te aanvaarden, en ze dan bewust te onderwaarderen.

4.

Over de andere vergissingen van de jurykan ik kort zíjn; zij zijn hierboven onder A 6, sub c, vermeld en betreffen fouten in eenvoudige berekeningen. Waar de jury — van de Rekenkamer — zich heeft misrekend, geschiedde dit vrijwel steeds in verzoeksters nadeel.

Terloops zij er nog op gewezen, dat blijkens de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, voor de bewijsstukken een maximum van 100 punten was voorzien, terwijl voor het eigenlijke examen slechts 60 punten konden worden toegekend. Wanneer in deze omstandigheden reeds de beoordeling van de solliciatiedossiers ten nadele van een van de sollicitanten is gemanipuleerd, kan dit in de tweede fase, dus bij het eigenlijke examen, nauwelijk of slechts moeilijk worden gecompenseerd.

5.

Op verzoeksters overige grieven wil ik nog slechts kort ingaan.

a)

aa)

Verzoekster voert aan dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, doordat leden en hoge ambtenaren van de Rekenkamer haar formeel de verzekering hadden gegeven, dat haar aanstelling in vaste dienst nog slechts een formaliteit was.

Verweerster betwist dit.

bb)

Of verzoekster bij haar indiensttreding bij de Rekenkamer bepaalde toezeggingen zijn gedaan, is niet ter zake dienend. Krachtens het Ambtenarenstatuut, inzonderheid artikel 29, moet bij de aanstelling van ambtenaren een formele procedure worden gevolgd, zodat eventuele toezeggingen die daarmee in strijd zijn, onwettig en dus onverbindend zijn.

b)

aa)

Een ander middel van verzoekster betreft een schending van artikel 5, lid 3, van het Ambtenarenstatuut, volgens hetwelk voor de ambtenaren die tot eenzelfde categorie of groep behoren, onderscheidenlijk dezelfde bepalingen met betrekking tot aanwerving en loopbaan gelden. Verschillende functionarissen met dezelfde rang als verzoekster, waaronder de andere Griekse vertalers, zouden niet op basis van een vergelijkend onderzoek doch eenvoudig na een informeel gesprek tot ambtenaar zijn benoemd.

Verweerster brengt hiertegen enkel in, dat het bewijs hiervan niet is geleverd, zodat dit middel moet worden verworpen.

bb)

Verzoekster heeft inderdaad niet aangetoond, in hoeverre zij door de bij de benoeming van andere ambtenaren gevolgde procedure is benadeeld. Voor het overige zij erop gewezen, dat het tot aanstelling bevoegde gezag krachtens verordening nr. 662/82 van de Raad van 22 maart 1982 tot vaststelling van bijzondere tijdelijke maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ingevolge de toetreding van de Helleense Republiek tot de Gemeenschappen (PB 1982, L 78, blz. 1) tot 31 december 1982 gerechtigd was ten gunste van Griekse onderdanen van sommige dwingende bepalingen van het Ambtenarenstatuut af te wijken. Bijgevolg kon verweerster tot voormelde datum voor de aanwerving van personeel uit Griekenland een vereenvoudigde procedure toepassen.

Mocht verzoekster evenwel op andere aanwervingsprocedures hebben gedoeld, die niet verenigbaar zouden zijn met het Ambtenarenstatuut, dan moet tegen dit middel worden ingebracht dat zij geen aanspraak heeft op een soortgelijk onwettig voordeel.

c)

aa)

Verzoekster heeft verder bezwaar tegen de samenstelling van de jury, omdat geen enkel lid ervan voldoende talenkennis bezat om de tweede schriftelijke proef (revisie van een in het Grieks vertaalde tekst) te kunnen beoordelen. Bovendien heeft de conform artikel 3, tweede alinea, van bijlage III voor de correctie van de schriftelijke examens aangestelde bijzitter op onregelmatige wijze reeds meegewerkt aan de keuze van de schriftelijke proeven.

Volgens verweerster is het geoorloofd een of meer bijzitters met raadgevende stem in te schakelen. Ook volgt uit de tijdsorde van de werkzaamheden van de jury dat de bijzitter nog niet heeft meegewerkt aan de opstelling van de examens.

bb)

In artikel 3, tweede alinea, van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut wordt inderdaad voorzien, dat voor bepaalde examens een of meer bijzitters met raadgevende stem kunnen worden ingeschakeld. Verweerster had des te meer reden om deze weg te bewandelen, omdat het haar juist erom te doen was, binnen haar talendienst een Griekse vertaalsectie op te zetten, zodat zij toen uiteraard nog niet over ambtenaren met de vereiste talenkennis kon beschikken. Voor het overige heeft verweerster naast het hoofd van haar vertaaldienst een afdelingshoofd van Griekse nationaliteit uit de administratie in de jury opgenomen, zodat in dit opzicht geen sprake kan zijn van een onjuiste samenstelling van de jury. Bovendien was het doelmatig, het hoofd van de Griekse afdeling van de vertaaldienst voor opdrachten op middellange en lange termijn van de Commissie te Luxemburg als bijzitter in te schakelen.

Ten slotte heeft verzoekster ook niet bewezen, dat bedoelde bijzitter reeds had meegewerkt aan het opstellen van de examenopgaven. Het argument van verweerster, dat de jury tijdens zijn bijeenkomst van 29 juni 1983 de examenopgaven heeft gekozen en een bijzitter heeft aangewezen, doch dat zij eerst op 1 juli daaraanvolgend de bijzitter heeft verzocht aan de jurywerkzaamheden deel te nemen, lijkt aannemelijk.

d)

Dat sommige juryleden vooringenomen tegen haar waren — wat door verweerster en door interveniënt D. wordt ontkend —, zodat zij niet aan de jurywerkzaamheden hadden mogen deelnemen, heeft verzoekster niet afdoende vermogen aan te tonen.

Dit geldt in de eerste plaats voor de bewering dat tussen sollicitant K. en jurylid D. (de twee interveniënten) zeer nauwe betrekkingen zouden hebben bestaan. Ofschoon uit de onwettige benadeling van verzoekster door de jury en de met de hand geschreven toevoeging van interveniënt D. aan het eindverslag van de jury bepaalde aanwijzingen voor een vooringenomenheid van de jury tegen verzoekster kunnen worden afgeleid, volstaan deze niet om de door verzoekster gestelde feiten bewezen te achten.

Hetzelfde geldt voor de beweerde vooringenomenheid van de bijzitter tegen verzoekster, omdat zij zou hebben meegewerkt aan een voor zijn zuster ongunstige beslissing. Uit de stukken van de jury, die op dit punt beslissend zouden kunnen zijn, met name de beoordelingen van de schriftelijke en mondelinge examens, waarbij de bijzitter wegens zijn kennis van de taal ongetwijfeld een doorslaggevende invloed heeft gehad op de andere juryleden, is geen bewuste benadeling van verzoekster af te leiden. In elk geval heeft zij voor het mondelinge examen in totaal iets betere cijfers gehaald dan de andere sollicitant; alleen voor de schriftelijke examens waren haar resultaten duidelijk minder gunstig. Ofschoon daaraan slechts twee sollicitanten hebben deelgenomen, heeft verzoekster niet gesteld dat de anonimiteit van de schriftelijke examens niet was gewaarborgd.

6.

a)

Ten slotte wil ik nog kort ingaan op het argument van verweerster, dat zij ingevolge's Hofs rechtspraak niet bevoegd was om het jurybesluit in te trekken of te herzien. De jury zou souverein en onafhankelijk zijn, zodat het tot aanstelling bevoegde gezag niet bevoegd is en het niet aan dit gezag staat om de regelmatigheid van de door de jury gevolgde procedure te controleren.

b)

In dergelijke algemene termen gesteld gaat verweersters argument niet op.

Toegegeven moet worden dat de jury onafhankelijk is wat de materiële waardering van de bewijsstukken en de examens betreft. Dit volgt onder meer uit's Hofs arresten van 9 oktober 1974 (gevoegde zaken 112, 144 en 145/73, Campogrande, Jurispr. 1974, blz. 957), 16 maart 1978 (zaak 7/77, von Wüllerstorff, Jurispr. 1978, blz. 769) en 9 februari 1984 (reeds aangehaald).

Deze onafhankelijkheid van de jury is evenwel beperkt tot de materiële waardering van de bewijsstukken en de examens, als bedoeld in voormelde arresten, waarin het met name ging om de beoordeling van de geschiktheid van de sollicitant (arrest van 9 oktober 1974), de waardering van de relevante beroepservaring (arrest van 16 maart 1978) en van de beroepsbekwaamheid (arrest van 9 februari 1984).

Deze onafhankelijkheid ontslaat de jury evenwel niet van de verplichting om de wettelijke bepalingen in acht te nemen. In zijn conclusie in zaak 23/64 (Vandevyvere, Jurispr. 1965, blz. 222) heeft advocaatgeneraal Gand dit treffend als volgt gekenmerkt:

„Het staat vast dat de vrijheid van de jury haar begrenzing vindt in de op haar rustende verplichting om de wettelijke bepalingen betreffende het vergelijkend onderzoek in acht te nemen: de algemene teksten, de regeling van het vergelijkend onderzoek met al haar aspecten, welke bij voorbeeld nauwkeurig het karakter van het examen kan vaststellen, de aan ieder van deze toegekende coëfficiënten. De jury vormt daarentegen het hoogste gezag wanneer zij binnen de hierboven genoemde grenzen de verschillende sollicitanten onderscheidenlijk waardeert en hun cijfers toekent of hen classificeert.”

Dit onderscheid tussen rechtsgebondenheid en waarderingsvrijheid is van belang om uit te maken, welke bevoegdheden het tot aanstelling bevoegde gezag tegenover de jury bezit. In voornoemd arrest van 16 maart 1978 in zaak 7/77 oordeelde het Hof dat de klachtprocedure geen zin heeft waar het een grief betreft tegen besluiten van een jury van een vergelijkend onderzoek, daar het tot aanstelling bevoegde gezag niet over de middelen beschikt om deze besluiten te herzien. Dit geldt evenwel enkel wanneer de jury binnen de grenzen van haar opdracht op regelmatige wijze waardeert, doch niet wanneer zij wettelijke bepalingen naast zich neerlegt, aangezien zij daartoe ondanks haar materiële onafhankelijkheid niet bevoegd is.

Het tot aanstelling bevoegde gezag heeft dus niet enkel het recht doch ook de plicht om toe te zien op de wettigheid van de werkzaamheden van de jury en om eventueel onwettige jurybesluiten te vernietigen, mits het de materiële onafhankelijkheid van de jury bij de waardering van de bewijsstukken en de examens eerbiedigt.

Dit is ook vereist vanuit het oogpunt van een doelmatige en efficiënte rechtsbescherming. Het gaat niet aan om een ambtenaar die door een kennelijk onwettige handelwijze van een jury is benadeeld, te verplichten om de veel langer durende procedure voor het Hof van Justitie te volgen, terwijl het tot aanstelling bevoegde gezag reeds de mogelijkheid heeft om in het kader van de administratieve procedure van artikel 90 van het Ambtenarenstatuut de bezwaren van de betrokkene uit de weg te ruimen.

In het onderhavige geval heeft verweerster dit evenwel nagelaten.

7.

Samenvattend dient te worden vastgesteld, dat verschillende besluiten van de jury van vergelijkend onderzoek CC/LA/20/82 onwettig waren, zodat de jury het tot aanstelling bevoegde gezag niet een geldige lijst van geschikte kandidaten en geen geldig met redenen omkleed verslag kon toezenden.

Aangezien een op regelmatige wijze tot stand gekomen lijst van geschikte kandidaten ontbrak, was ook verweersters besluit van 25 november 1983 om interveniënt K. als hoofdvertaler in rang LA 5 te benoemen, onwettig. Mitsdien moet dit besluit worden nietigverklaard.

8.

Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het nietig te verklaren besluit enkel aan verweerster is te wijten, lijkt het redelijk enkel haar in de kosten van verzoekster te verwijzen. Intervenienten dienen bijgevolg enkel hun eigen kosten te dragen.

C.

Concluderend geef ik het Hof mitsdien in overweging:

1)

verweersters besluit nr. 3931 van 25 november 1983 houdende benoeming van K. tot hoofdvertaler, nietig te verklaren;

2)

verweerster te verwijzen in de kosten van het geding, met uitzondering van de op interveniënten gevallen kosten;

3)

te verstaan, dat interveniënten hun eigen kosten zullen dragen.


( *1 ) Vertaald uit het Duits.

( 1 ) Dit arrest in de zaak-Morina, dat betrekking had op het EEG- en EGA-ambtcnarcnstatuut (verordening EEG nr. 31/EGA, nr. 11, PB 1962, blz. 1385), kan ook voor het Statuut voor EG-ambtcnarcn gelden, aangezien de respectieve bijlagen III identiek zijn geformuleerd.