CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

SIR GORDON SLYNN

van 14 mei 1985 ( *1 )

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

Bij vonnissen van 9 maart 1984 heeft het tribunal de grande instance te Verdun in twee aldaar dienende stafzaken het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verzocht om een prejudiciële beslissing.

In deze strafprocedures staan Chabaud, directeur van de vennootschap die de „Leclerc”-supermarkt te Verdun exploiteert, en Rémy, directeur van de supermarkt „Cora”, terecht wegens overtreding van de Franse minimumprijsvoorschriften voor de detailverkoop van motorbrandstoffen, met name ministerieel besluit nr. 82-13/A van 29 april 1982. Chabaud en Rémy hebben als verweer aangevoerd, dat dit besluit in strijd was met het gemeenschapsrecht. Ten einde hierover een uitspraak te kunnen doen, heeft het tribunal het Hof de navolgende prejudiciële vraag gesteld:

„Is het besluit van de Franse minister van Economische Zaken en Financiën en van de gedelegeerd minister belast met de Energievoorziening van 29 april 1982, waarbij de verkoop in Frankrijk van benzine en superbenzine beneden de periodiek bij ministerieel besluit vastgestelde minimumprijs wordt verboden, verenigbaar met de artikelen 3, 5 en 30 EEG-Verdrag?”

Deze zelfde nationale regeling kwam reeds aan de orde in zaak 231/83, Cullet, waarin het Hof op 29 januari 1985 uitspraak heeft gedaan. Afgezien van het feit dat de zaak-Cullet een civielrechtelijk geding betrof waarin een verbod op het overtreden van de betrokken voorschriften was gevraagd, terwijl het hier gaat om een strafvervolging ter zake van deze voorschriften, hebben beide zaken in wezen betrekking op dezelfde problemen van gemeenschapsrecht. Ofschoon de onderhavige vraag van de nationale rechter niet alle artikelen van het EEG-Verdrag vermeldt die in het arrest-Cullet aan de orde zijn gekomen, zijn zij duidelijk bedoeld om te vernemen, of de omstreden nationale regeling in overeenstemming is met de beginselen en de doelstellingen van het EEG-Verdrag en met de specifieke verdragsbepalingen waarin zij zijn uitgewerkt.

De opmerkingen van de Franse regering en van de Commissie voegen niets wezenlijks toe aan hetgeen in de zaak-Cullet voor het Hof is betoogd.

Om de redenen vermeld in het arrest van 29 januari 1985 in de zaak-Cullet, dienen de vragen van het tribunal mijns inziens te worden beantwoord als volgt:

„1)

De artikelen 3, sub f, en 5 EEG-Verdrag verzetten zich niet tegen een nationale regeling volgens welke de nationale autoriteiten minimumprijzen voor de detailverkoop van motorbrandstoffen vaststellen.

2)

Artikel 30 EEG-Verdrag verzet zich tegen een dergelijke regeling, wanneer bij de vaststelling van de minimumprijs uitsluitend wordt uitgegaan van de overnameprijzen van de binnenlandse raffinaderijen en deze overnameprijzen gekoppeld zijn aan een plafondprijs die uitsluitend op de kostprijzen van de binnenlandse raffinaderijen is gebaseerd ingeval de Europese motorbrandstoffennoteringen meer dan 8% van die kostprijzen afwijken.”

De nationale rechter zal moeten beslissen over de kosten van partijen in het hoofdgeding. Over de kosten van de Franse Republiek en van de Commissie behoeft niet te worden beslist.


( *1 ) Vertaald uit het Engels.